# De Kerels van Vlaanderen

## Part 26

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-kerels-van-vlaanderen-13625/index.md

De kastelein Hacket, die hier bij hem kwam, verhaalde hij wat hij van boven den toren had bemerkt. Hij drukte de overtuiging uit, dat men zich aan eene onmiddellijke bestorming te wachten had, en, aangezien de Isegrims waarschijnlijk de Smedepoort of de Bouverypoort zouden aanvallen, vroeg hij of het niet raadzaam was mannen van de andere poorten te roepen om den bedreigden kant der stad te versterken.

Maar de kastelein zeide hem, dat de vierhonderd Kerels des graven onmiddellijk ter Smedepoort zouden komen. Deze versterking was voldoende. Men kon niet vast weten welke de inzichten van den vijand waren, en men mocht de verdediging der andere poorten niet ontijdig verzwakken.

Hacket gebood beneden de muren het vuur onder de ketels te ontsteken en met spoed pek, olie en vet aan het zieden te brengen, om daarmede den vijand te onthalen, indien hij waarlijk tot aan den voet der wallen dorst naderen.

Dan klom hij met Robrecht naarboven op den toren der poort en stuurde zijn gezicht over het plein.

Wel zag hij den dikken drom der vijanden als eene zwarte wolk tegen het verre geboomte krielen; maar zijne oogen hadden de kracht der jeugd niet meer, om te onderscheiden wat men daar verrichtte.

"Vele ridders zijn van hunne paarden gestegen", zeide hem Robrecht. "Men heeft al de ladders van de wagens genomen. Nu is men bezig, op vijftig plaatsen te gelijk, met de zakken meel te lossen; het zijn kleine zakken ... want elk man loopt weg met zulke zakken op de schouders. Wat mag dit beduiden?"

"Weet gij het niet?" kreet Hacket. "Het zijn zakjes aarde om de grachten te vullen. Kom, kom, Robrecht! Geen twijfel meer. Wij zijn bedreigd met eene geweldige bestorming. Beneden, beneden, en elk aangemoedigd om zijnen plicht te doen!"

Zij daalden haastig van den toren, liepen op de wallen, kondigden den onmiddellijken strijd aan en bezwoeren door vurige woorden hunne mannen, bij den eersten aanval te toonen dat men poorters en vrije Kerels niet zoo gemakkelijk over het lijf loopt als de Isegrims het schenen te gelooven.

De vierhonderd man van graaf Willem waren intusschen op den wal gekomen. Zij werden met de andere boogschutters, in twee of drie gelederen diep, achter de kanteelen van den muur geschikt, om allereerst den vijand van verre te begroeten. Degenen, die de zware steenen, de kokende olie of het brandend pek zouden werpen, hielden zich gereed beneden den wal.

Boven den muur, nevens de Smedepoort, stond Hacket met mher Sneloghe de bewegingen van het vijandelijk leger gadeslaande. Het oogenblik van den aanval scheen eindelijk te naderen.

"Robrecht, ziet gij nog de ridders, die van hunne paarden gestegen zijn?" vroeg Hacket.

"Ja, zij hebben breede beukelaars", was het antwoord. "Zij zijn het die zullen pogen onze wallen te beklimmen. De mannen met de ladders staan hen terzijde, niet waar?"

"Zooals gij zegt, oom; en aan de andere zijde staat een gansche hoop mannen, waarvan elk eenen zak aarde op den schouder heeft ... Maar zie nu! Daar treedt een dichte schaar boogschutters vooruit en verbergt het overige des legers voor mijn gezicht!"

"Geeft acht, geeft acht, mannen, het spel gaat aan den gang!" riep de kastelein, die zulke bestormingen ongetwijfeld meer dan eens had bijgewoond.

En inderdaad, nauwelijks had hij deze verwittiging uitgesproken of de bazuinen hergalmden op het plein, en een gedeelte van het vijandelijk leger, met de schuttersbenden aan het hoofd, kwam vooruit naar de stad.

Duizenden pijlen en schichten snorden eensklaps door de lucht en kwamen zich tegen den muur verbrijzelen of vlogen over de kanteelen. Uit de stad antwoordde men even overvloedig; en dewijl de Bruggelingen hunne pijlen op dichte gelederen zonder beschutting zonden, troffen meest allen het doel. Men zag onder de vijandelijke schutters vele mannen ter aarde storten.

Ook op de wallen werden eenige mannen achter de kanteelen door pijlen geraakt en doodelijk aan het hoofd gewond.

Alhoewel het verlies des vijands meer en meer aangroeide naarmate hij de vesting naderde, onderbrak hij zijnen gang niet. Men zou gezegd hebben, dat zijne voorste gelederen onweerstaanbaar door andere scharen werden voortgestuwd.

Eensklaps opende de schuttersbende zich in haar midden, en een donderend krijgsgeschreeuw galmde over het plein.

Vele honderden mannen met zakken op de schouders, en achter hen eene schaar ridders met den beukelaar aan den arm kwamen juichend vooruitgestroomd, ondanks de pijlen, die velen hunner doodelijk troffen.

De mannen met de zakken smeten hunnen last nevens de Smedepoort in het water, zoolang en zooveel dat de gracht op die plaats er eindelijk gansch mede was opgevuld. Lijken en gewonden lagen er bij hoopen op den boord des waters.

Dan, onder het aanheffen van nieuwe oorlogskreten, naderden andere mannen den wal en stelden hunne ladders tegen den muur. De ridders stormden vooruit en klommen op de ladders ...

Maar de Kerels hielden zich gereed om hun deze blinde vermetelheid duur te doen boeten. Van boven wierp met groote steenen, kokende olie en vlammend pek op de bestormers. Allen vielen opvolgend met verpletterend hoofd of verbrande ledematen naar beneden.

Evenwel, hoe meer hunner gezellen zij zagen nederstorten, hoe heviger zij elkander aanmoedigden om den storm niet op te geven. Zij zouden het moordenaarsnest rooven en de snoode Blauwvoeten tot den laatste toe vernietigen, hoeveel edel bloed daar ook voor moest opgeofferd worden.

Robrecht Sneloghe toonde eene verwonderlijke onversaagdheid. Niet alleen stond hij immer geheel recht op den wal, zonder zich voor des vijands pijlen te beschutten, en vuurde onophoudend den moed zijner mannen aan; maar toen eens een zeker getal ridders er in gelukten boven den muur te geraken, en de toestand voor de Kerels gevaarlijk scheen te worden, sprong Robrecht met zijne dapperste gezellen toe en doodde, na eenen heldhaftigen strijd, de aanvallers, of dreef ze van den wal in de gracht.

Hij was zelfs aan de wang gekwetst geworden; maar hij gaf er geene acht op, want alhoewel hem bloed in den hals liep, had hij slechts eene ondiepe snede bekomen.

Burchard en Disdir Vos waren met een gedeelte hunner mannen komen toegeloopen; maar hunne hulp was overbodig, dewijl er boven den wal geene ruimte was om nog meer strijders toe te laten.

Er kwam eindelijk een oogenblik dat de vijand, door groote verliezen uitgeput, begon te beseffen dat hij iets onmogelijks had ondernomen. Zijn stormloop scheen te verzwakken ...

Dan klonken uit de verte eenige schelle bazuintonen. De ridders, op dit sein, zagen van den aanval af, hieven onder eenen hagel pijlen met allen spoed hunne gekwetste makkers van den grond en verwijderden zich van het plein, om het grootere gedeelte van hun leger te gaan vervoegen.

Een tiental herhaalde zegekreten en hoonend schaterlachen klonken hun van de stadswallen ten spot achterna.

Evenwel bleef de bezetting boven den muur gereed staan om eenen tweeden aanval af te weren; want men was overtuigd dat de ridders niet zoo met schaamte de bestorming zouden verzaken, zonder eene nieuwe poging te beproeven. Men zag evenwel schier onmiddellijk de ridders te paard springen en het leger zich bewegen, om het plein te verlaten.

Robrecht en de Kerels des graven wilden de poort geopend hebben om de Isegrims achterna te zetten en ze in het open veld aan te vallen; maar de kastelein deed hun begrijpen hoe onvoorzichtig het was, met geringe macht den strijd te bieden aan een gansch leger ridders, wier paarden alleen voldoende waren om vijf- of zeshonderd man te verpletten.

Na verloop van eenigen tijd, toen men verzekerd was dat de vijand zich beslissend had verwijderd, deed de kastelein de poort openen en zond een groot getal arbeiders naar buiten met spaden, houweelen en draagbaren, om de dooden te begraven en de gekwetsten binnen de stad te brengen. Anderen gelastte hij met lange haken de zakken aarde uit de vest op te halen.

Van eenen gekwetsten ridder, dien Hacket goed kende, vernam hij de ware macht en de inzichten des vijands. Wel met zesduizend sterk, de wapenlieden er onder begrepen, hadden de ridders Atrecht verlaten. Hier, voor Brugge, waren zij ongeveer drieduizend sterk, onder bevel van den kamerheer Gervaas Van Praet. Het andere gedeelte had zich over St-Omaers gericht om in Veurne-Ambacht te vallen. Eenige ridders hadden te Kortrijk het voornemen opgevat eene vermetele poging te beproeven om Brugge bij verrassing te winnen. Gervaas Van Praet had dit waagspel ten sterkste afgekeurd, te meer daar hij besloten had Brugge slechts te bewaken, om te beletten dat het hulp uit Kerlingaland krege, totdat de Gentenaars met de beloofde stormtuigen zouden aankomen. Ongelukkiglijk had mher Gervaas de drift en de strijdlust zijner ridders niet kunnen bedwingen, en eindelijk hun toegelaten den noodlottigen stormloop te beproeven. Nu zou mher Gervaas ongetwijfeld zijn eerste ontwerp hervatten, dit is te zeggen, dat hij zijn leger ergens in de omstreken van Brugge zou nederslaan om daar, zonder iets meer te ondernemen, de komst af te wachten van de Gentsche ridders, die hem allerlei stormtuigen moesten aanvoeren.

Het nieuws dezer eerste overwinning had zich met groote snelheid door de stad verspreid. Vele lieden, die gedurende de bestorming zich hadden verschuild gehouden, kwamen nu naar de wallen geloopen, om daar met de gewapende poorters en met de Kerels over de behaalde zegepraal te juichen, of om zich te verzekeren dat hunne bloedverwanten of vrienden niet in den strijd gesneuveld waren.

Welhaast was de menigte bij de Smedepoort zoo groot, dat men elkander daar verdrong, en zeker, het waren de vrouwen en de kinderen niet die het minst uitgelaten schenen en door luidruchtig gejubel hunne blijdschap betuigden.

De proost was insgelijks, met eenigen zijner kanunniken en met de afgevaardigden van graaf Willem naar de plaats der bestorming gekomen. Hij en zijne gezellen omringden Robrecht Sneloghe en overlaadden hem met gelukwenschen over zijne onversaagdheid. Men had zijne wonde met eene enkele kleefpleister gesloten; doch het bovenste gedeelte van zijnen kolder was nog bevlekt met bloed. Mher Sneloghe riep lachend dat men ongelijk had hem voor zulke onbeduidende daden te prijzen; de proost, die hem zeer liefhad, sprak uitbundig zijnen lof.

Disdir Vos stond op een paar stappen terzijde, en luisterde met verkropt gemoed en nijdig hart op hetgeen men rondom Robrecht zeide. Hij hield in schijn de oogen in eene andere richting; maar een aandachtig toeschouwer hadde wel aan den zuren grijns zijner lippen bemerkt dat elk woord van lof hem als een pijl door den boezem boorde.

Eensklaps trof hem eene zonderlinge ontroering; hij sidderde en verbleekte ... Daar zag hij Dakerlia en Witta door de menigte dringen, reeds van verre de handen tot Robrecht uitsteken, en een oogenblik later hem met kreten van blijdschap aan den hals vliegen.

Zijn hart verkrampte, terwijl hij den blik op Dakerlia hield gevestigd en zien moest met welke onverborgene teederheid zij hem gelukwenschte en God dankte om zijn behoud. Dakerlia, zoo op de borst van Robrecht tranen van liefde stortende? Het deed hem sterven van minnenijd en haat. Een somber gegrol ratelde in zijne keel; hij verwijderde zich tusschen de menigte, en vluchtte verre van daar, om niet langer door het zielverscheurende schouwspel te worden gemarteld.

Het behaagde den proost niet de poorters en Kerels met verwonderde blikken te zien staren op de bewijzen van genegenheid en liefde, welke Dakerlia en Witta niet ophielden Robrecht te geven.

"De dag loopt ten einde, mijne kinderen", zeide de oude Bertulf. "Ik zal den kastelein Hacket verzoeken mijnen neef aan de Smedepoort gedurende een paar uren te doen vervangen; en ik noodig u allen om met mij en de heeren gezanten des graven het avondmaal in de proostdij te komen nemen. Gij zult aldus tijd genoeg en eene betere gelegenheid hebben om uwe vreugde over onze eerste zegepraal uit te storten."

Deze uitnoodiging werd dankbaar aanvaard. De proost verliet met zijn gezelschap de plaats van den strijd en verwijderde zich door de Noordzandstraat.

De kastelein Hacket bleef nog, om de goede uitvoering zijner bevelen te verzekeren.

Twee uren later was de opgelegde arbeid verricht: de dooden waren begraven, de gekwetsten naar de ziekenhuizen gevoerd, de aarde uit de gracht opgehaald.

Men had boven de wallen sterke wachten gesteld en aan de overige mannen toegelaten gansch gekleed in de gebouwen van den burg te gaan slapen, ten einde bij den eersten Harop-kreet te been te zijn.

Slechts nog eene enkele maal werd de rust der wachten gestoord, en riep men de bezetting der Smedepoort onder de wapens. Het was ter oorzake der terugkomst van mher Ingelram Van Eessen en zijne gezellen, die naar het Noordvrije waren gegaan om er hulp te zoeken. Zij traden in de stad aan het hoofd van een honderdtal Kerels, en begaven zich naar den burg.

Alles werd weder stil bij de poorten en op de vesten. Het was zeer duister en er heerschte eene diepe stilte over de stad. Slechts nu en dan hoorde men omtrent de wallen de stappen van kleine benden hergalmen, wanneer het uur tot het aflossen der wachten was verschenen.

Disdir Vos voerde het bevel over de vijftig Kerels die met de bewaking der Kathelynepoort waren belast..

Terwijl zijne mannen, in de beide wachthuizen van wederzijde der poort, zich met dobbelen vermaakten of op bossen stroo lagen te slapen, zat hij in het oppervertrek van een der torens bij eene tafel, waarop een smokig lampje brandde.

Met het hoofd op de hand schouwde hij denkend in de half-donkere ruimte. Nu en dan verkrampte zijn gelaat of deed hij een gebaar van gramschap. Het moest stormen in zijn hart, want zijne wezenstrekken bewogen geweldig onder den slag zijner akelige gepeinzen, en niet zelden ontsnapte hem een holle zucht.

Hij stond op, wandelde eene wijl over en weder en morde dan in zich zelven:

"Het is gedaan: geene hoop meer! De Kerels zullen zegepralen; Willem Van Loo zal graaf van Vlaanderen zijn; Robrecht, mijn vijand, zal de bruidegom van Dakerlia worden ... en ik, ik zal van nijd en wanhoop mij het hart opvreten ... Doemenis! mijn ontwerp was zoo goed berekend. Hadde ik hem slechts tot deelneming aan den moord van graaf Karel kunnen verleiden. Ik hadde wel gemaakt dat zijn hoofd de prijs wierde der misdaad. Hij verdwenen, dan zou Dakerlia mijne vrouw worden. Maar wat nu? Eilaas, eilaas, wat nu? Ach, hadde ik hem dezen namiddag kunnen doorsteken met mijne oogen!"

Er werd op de deur geklopt en de Kerel, die onder hem over de wacht der poort gebood, trad binnen.

"Mher Vos", zeide hij, "hebt gij niet gehoord dat er iemand buiten voor de poort staat, die vraagt om te worden binnengelaten? Hij beweert gewichtige tijdingen voor den kastelein te brengen."

"Wie is hij?"

"Hij zegt dat hij Lambrecht Ploegijzer heet en te Bethferkerke woont."

"Ha, ik ken hem; het is een van mher Burchards lieden. Doe uwe mannen onder de wapens komen, Landfried; open de poort met voorzichtigheid en geleid den bode tot mij."

Landfried ging ter kamer uit.

Eene wijl daarna keerde hij weder met eenen man, die wel in blauw linnen gekleed was, doch geenen baard droeg.

Zoohaast Landfried zich weder had verwijderd, zeide Disdir Vos:

"Gij zijt Lambrecht Ploegijzer, een vrijlaat van Bethferkerke, niet waar? Ik herken u. Zijt gij niet eens met mher Burchard Knap en met mij ter jacht geweest in het Merleijtebosch, bij Bekeghem?"

"Inderdaad, heer", antwoordde de bode, "het is niet zeer lang geleden."

"Gij brengt berichten voor den kastelein. Zijn zij geheimen, Lambrecht?"

"Voor u niet, heer. Indien gij het verlangt, ben ik bereid u te zeggen wat ik weet."

"Zeker. Gij zult mij vermaak doen", bevestigde Disdir Vos.

"Welnu, heer, ik breng slecht nieuws."

"Slecht nieuws? Voor de Kerels?"

"Voor Brugge en voor de Kerels."

"Laat hooren, Lambrecht."

"Ziehier de zaak. De Isegrims hebben mij gedwongen, met eene kar en twee paarden hen te volgen, om gekwetsten te vervoeren. Ik heb gedurende drie uren afgeluisterd wat er rondom mij werd gezegd, en alles wel in mijn geheugen gedrukt. Het mislukken van den stormloop tegen Brugge heeft noch den ridders, noch den wapenlieden den moed benomen. Integendeel, zij lachen er mede als met een verloren waagspel zonder gewicht, en zij spreken zonder vrees en drukken pochende de vaste overtuiging uit dat, eer eene week verloopen zij, niet alleen Brugge in hunne macht zal zijn, maar tevens geheel Kerlingaland voor altijd onder het juk der dienstbaarheid zal gebukt liggen."

"Ijdele bedreigingen van verwaande lieden!" mompelde Disdir.

"Neen, neen, heer; hunne woorden deden mij beven; want, indien het waar is wat zij als bewijzen hunner overtuiging doen gelden, dan blijft er weinig hoop voor Brugge en voor de Kerels."

"Welke bewijzen?"

"Deze ridders zijn slechts eene zwakke voorhoede van een ontzaglijk leger, heer. Gansch de Vlaamsche heirkracht, die te Atrecht is, zal opvolgend naar Kerlingaland afzakken. Binnen weinige dagen, overmorgen misschien, komen de ridders van Keizers-Vlaanderen met al de stormtuigen die de burg van Gent zoo overvloedig bezit, en met ontellijke wapenlieden. Men heeft tot in Holland en Friesland toe ridders gezonden, om daar huurbenden te gaan halen. Men schat aldus, binnen zeer korten tijd, twintigduizend man in Kerlingaland te kunnen brengen. Aan zulke macht, door de stormtuigen van Gent geholpen, kan Brugge geene twee dagen weerstand bieden, ten minste zoo beweren zij het met eenen grooten schijn van reden."

"Maar gij vergeet het Kerlenleger", bemerkte Disdir Vos. "En indien men den landstorm in Kerlingaland uitroept, zullen wij dan niet insgelijks een even ontzaglijk leger in het veld brengen?"

De bode trok de schouders op.

"Ja, hadden wij tegen de Isegrims alleen te staan, misschien ware alle hoop niet verloren", antwoordde hij, "maar weet gij, heer, wat ik eenen gekwetsten ridder heb hooren zeggen? De koning van Frankrijk heeft te Atrecht gezworen dat, indien de Vlaamsche ridders niet onmiddellijk den moord van graaf Karel kunnen wreken, hij zelf met het geheele Fransche leger in Vlaanderen zal vallen. Hij heeft daarbij nog zijn koninklijk woord verpand dat de moordenaars des graven en alwie hen, van dicht of van bij, met raad of daad hebben geholpen, zonder genade eenen schrikkelijken dood zullen onderstaan. De Fransche vorst was vriend en bloedverwant van graaf Karel, en hij heeft zich aangesteld als wraakeischer over zijnen moord."

Disdir Vos zag eene wijl ten gronde.

Het hoofd weder opheffende, vroeg hij, in gedachten:

"Waar zijn nu de ridders? Weet gij het?"

"Ja, heer, mijn wagen en paarden zijn er nog De zieken liggen in de huizen van het dorp Oostcamp; de wapenlieden legeren tegen het Balanderbosch; de oversten bevinden zich op den burcht van mher Van Gruuthuse."

"En gelooft gij niet dat men, zoo in den duisteren juicht, ze gemakkelijk zou kunnen verrassen en overhoop slaan?"

"Het schijnt mij geheel onmogelijk, heer", antwoordde de bode. "Ik verwittig u dat zij overal, tot zeer verre in het veld, sterke wachten hebben uitgezet en op hunne hoede zijn."

"Het is wel; ik dank u. Ga nu tot den heer kastelein en draag hem uwe boodschap."

De bode verliet de kamer met eenen groet en daalde de trappen af. Disdir Vos luisterde eene wijl op het gerucht van zijnen stap, duwde dan de deur toe en liet zich, onder het slaken van eenen versmachten kreet, bij de tafel op eenen stoel vallen. Hij legde de beide handen aan het hoofd, boog zich voorover en staarde op den vloer.

"Ja, ja, de Kerels zijn veroordeeld; zij zullen bezwijken!" morde hij. "Wat kunnen zij tegen de ridders, tegen gansch Vlaanderen, tegen het overmachtig Fransch leger? De koning heeft zich opgeworpen tot wraakeischer; wie tot den moord van graaf Karel heeft geholpen, door raad of daad, zal eenen schromelijke dood sterven. Ik insgelijks ... En Robrecht? Hij is een Erembald. Sterven, ik? O, neen, neen, Robrecht zal in het graf; ik moet leven!"

Langen tijd bleef hij beweegloos zitten, zonder dat zijne wezenstrekken iets anders uitdrukten dan verbazing en diepe verslondenheid.

Allengs nochtans kwam een lach van blijdschap zijn gelaat beglanzen.

Eensklaps sprong hij op en liep naar de deur; maar hij bleef staan en begon te beven, alsof eene plotselijke vrees hem had aangegrepen.

Zuchtend keerde hij terug naar de tafel en zonk opnieuw in gedachten weg.

"Ik ben een lafaard! Het moet geschieden!" morde hij welhaast. "O, Dakerlia! Dakerlia!"

En hij sloeg met het gevest van zijn zwaard driemaal op de tafel.

Onmiddellijk hoorde hij iemand den trap beklimmen. Hij bedwong zijne ontsteltenis met geweld en gaf zijn gelaat eene ernstige of onverschillige uitdrukking.

"Vriend Landfried", zeide hij tot den Kerel, die in de kamer verscheen, "ik moet oogenblikkelijk tot den heer kastelein gaan, om hem van een gewichtig ontwerp te spreken, dat door de woorden van den bode in mijnen geest is opgestaan. Neem het bevel over de mannen, wees mijn stedehouder en stel goede wacht bij de poort.--Vaarwel, tot straks."

Hij drukte zijnen gezel Landfried met ongewone vriendelijkheid de hand, daalde den trap af, en ging voorbij de Mariakerk; maar instede van zich naar den burg te richten, sloeg hij ter linkerhand de Heiliggeeststraat in en vertraagde meer en meer zijnen gang, als iemand die in het geheel geene haast heeft.

Zoo stapte hij voorbij St-Salvators, door het Giststraatje en door de Meerstraat. Dan keerde hij langs andere omwegen terug naar de Kathelijnepoort, riep Landfried buiten het wachthuis en zeide hem met verdoofde stem:

"Landfried, mijn vriend, ik moet oogenblikkelijk de stad uit, om eene zwaarwichtige boodschap vanwege den heer kastelein te vervullen."

"Zoo gansch alleen, heer!" mompelde zijn gezel verbaasd. "Vreest gij niet dat de vijand ..."

"Gansch alleen. Het is geheime zending", antwoordde Disdir. "Om de vrijheid van Kerlingaland te redden, ontziet men geene gevaren. Ik zal terugkeeren binnen een paar uren, later misschien, in alle geval voordat het dag worde. Let wel op dat men mij niet te lang voor de poort late staan. Ik zal driemaal kloppen op der Kerlen wijze en zeggen "Wolf en Vos". Dit is het woord. Deel het uwe mannen mede ... Nu, doe de egge ophalen en open mij de poort."

Landfried gehoorzaamde, zonder nog eene bemerking te wagen. Disdir Vos drukte hem de hand, liep over de brug en verdween in de duisternis.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 62: De graaf werd gelegd in een graf, zoo goed gemetseld als de tijd het had toegelaten. GALB., p. 283.]

[Voetnoot 63: Gottschalk De Thaihals kwam als bode van Yperen naar Brugge bij den proost, en zeide: "Heil en vriendschap vanwege mijnen heer en uwen goeden vriend Willem Van Loo, die u openbaarlijk, voor zooveel het in zijne macht is, eenen zeer spoedigen bijstand belooft aan u en aan de uwen."

GALB., p. 285.]

[Voetnoot 64: Zi gunden zich geene rust, den nacht doorbrengende met waken, en den dag met arbeiden, totdat de versterkingen der stad geheel voltrokken waren.

GALB. p. 288.]

XVI

Na den mislukten aanslag tegen Brugge waren de ridders teruggetogen naar het dorp Oostcamp[65], waar zij, tegen het Balanderbosch steunende, zich hadden nedergeslagen, om op de komst der Gentenaars te wachten, die hun vele machtige stormtuigen moesten aanbrengen.

In het dorp zelf waren de meeste ridders geherbergd, en werden de gekwetsten en zieken verpleegd. De wapenlieden lagen onder de open lucht op den zoom van het bosch, waar zij de waak hielden over de talrijke paarden, die men niet in het kleine dorp had kunnen stallen.

Van de lange dagreis vermoeid of van den geweddigen stormloop afgemat, hadden allen zoo goed mogelijk eene plaats gezocht om te rusten,--en nu sluimerden ridders en wapenlieden den eersten, loomen slaap, alhoewel het slechts negen uren in den avond kon zijn.

