De Kerels van Vlaanderen

Part 25

Chapter 25 3,862 words Public domain Markdown

Even ras antwoordden van alle kanten verwarde stemmen op dit geluid, en men zag uit de stapelhuizen en uit de kerk vele Kerels en ook poorters, die zich in hunne bende hadden geschikt, met haast naar Burchard komen geloopen.

"Vrees nu niet meer voor uwe kerk, heer oom", zeide deze. "Ik ga weder met mijne mannen het veld in, om wapens te verzamelen en buit te maken op onze vijanden ... Ginder bij de kerk staat mher Sneloghe. Hij ontwijkt mij; ik begrijp het en vergeef hem zijne teergevoeligheid; maar zeg hem, oom, dat hij zich niet verstoute in het openbaar mij te hoonen, of, bij Thors hamer, hij zal slaan met mij!"

"Wat? woestaard!" gromde de proost vergramd, o gij zoudt Robrecht durven uitdagen? Mij zoudt gij moeten dooden, vooraleer ik zulken broederstrijd toeliete!"

"Welaan, hij bedwinge zich dan! Zijne vriendschap behoef ik niet, maar zijn misprijzen zal ik niet dulden, in geener wijze!"

"Maar wie zegt u dat Robrecht u misprijst?"

"Ik heb er een staal van gehad dezen nacht; er zijn geene scheldwoorden die den trotsaard mij niet naar het hoofd wierp."

"Dezen nacht?" vroeg Bertulf verwonderd.

"Ik zal het u later uitleggen. Nu heb ik geenen tijd. Vaarwel, oom, tot onzen terugkeer."

De proost ging naar de kapelle, waar hij Robrecht reeds werkzaam vond aan het doen herstellen van wat de woeste Houtkerels hadden ontschikt. Een nieuw linnen werd over het lijk gelegd; men ontstak nog meer waskaarsen en nam eenige maatregels om alle verdere ontheiliging der kapelle te voorkomen.

Toen men hiermede gedaan had, wenkte de proost zijnen neef. Beiden gingen tot op het middelplein. Daar zeide de oude Bertulf:

"Robrecht, wij kunnen zoo niet blootgesteld blijven aan de baldadigheid van Burchards gezellen, zonder eenige hulp om desnoods hen in bedwang te houden. Hoevele gewapende mannen zoudt gij op uw landgoed Ravenschoot kunnen verzamelen?"

"Onmiddellijk, oom?"

"Voor den avond."

"In zoo korten tijd? Zeker vijftig of zestig, indien niet meer."

"Het is genoeg. Wij zullen hun de wacht van den burg toevertrouwen, en gij zult hun overste zijn. Kunt gij zonder uitstel u naar Ravenschoot begeven?"

"Ja, ik zal naar huis gaan om een paard te nemen. Dit zal mij gelegenheid geven om mijne zuster en jonkver Wulf over mijne afwezigheid gerust te stellen. Ik vertrek, heer oom, en zal mij spoeden, om met al de mannen, die ik kan vergaderen, voor het einde van den dag terug te zijn."

Hij meende zich naar de Hoogpoort te richten; maar de proost weerhield hem.

"Nog één woord, mijn goede neef", zeide hij, "en ik smeek u, ik bezweer u, hoor mijnen vaderlijken raad aan! Het kan zijn, het is zelfs waarschijnlijk dat gij in aanraking zult komen met Burchard Knap. Uit opoffering voor uw geslacht, uit liefde voor Kerlingaland verberg uwen afkeer voor hem. Indien gij beiden in twist geraaktet, er zou tusschen de mannen, die ons moeten verdedigen, eene noodlottige, eene onherstelbare verdeeldheid ontstaan. Genoeg ware dit om onze kracht te verlammen en al onze pogingen op voorhand te verijdelen. Beloof mij, Robrecht, dat gij geweld op u zelven zult doen om geene reden tot zulke splitsing te geven."

"Maar ik gevoel eenen onverwinnelijken afkeer voor hem", mompelde Robrecht.

"Hij weet het; gij hoeft het hem dus niet meer te betuigen. Ik zal hem aanraden, in uwe tegenwoordigheid, van Karels dood niet meer te gewagen. Zwijg gij insgelijks daarover."

"Ik zal het beproeven, oom: uw raad is wijs, ik beken het gaarne."

"Welnu, ga dan, mijn zoon, en ontvang met mijnen zegen al mijnen dank voor uwen goeden wil."

Hij drukte nog tot vaarwel de hand van mher Sneloghe, die met haastige stappen zich verwijderde, om de hem opgelegde boodschap te gaan volbrengen.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 61: "Gedurende al dien tijd liet men daar het lichaam des graven liggen ... zoodat zijn bloedig en verlaten lijk nog in denzelfden toestand was als op het oogenblik dat hij den doodslag ontving."

GALBERTUS, p. 277.]

XV

Reeds vier dagen waren er verloopen sedert den moord van graaf Karel, zonder dat er eenige gewapende macht voor Brugge was verschenen om zijnen dood te wreken.

De Erembalds wisten echter, door hun toegezonden berichten, dat de ridders, gansch Vlaanderen door, zich bereidden om met vereende kracht tegen Brugge op te trekken. Zij hadden zelfs van eenigen hunner heetste vijanden, onder anderen van Tancmars neven, brieven ontvangen, waarin men hun toezwoer dat zij allen, als medeplichtig aan den gruwelijken moord, tot den laatste toe zouden worden uitgeroeid.

Evenwel, deze bedreigingen boezemden hun niet veel bekommerdheid in. Vooraleer het leger der ridders zich voor Brugge kon aanbieden, zou de stad ruimschoots voorzien zijn van alles wat er noodig was om ook de geweldigste aanvallen zegevierend af te weren. Daarenboven, morgen was de vastgestelde dag voor de vergadering van het Kerlenleger in het Wolvennest-bosch. Men mocht met recht zich zeker achten dat de ridders, hoe machtig ook, weinig tegen Brugge zouden verrichten, indien zij tot daar konden geraken, aangezien zij spels genoeg zouden hebben om niet door Willem Van Loo in het open veld verpletterd te worden.

Deze bloedige bedreigingen der Isegrims hadden zelfs eenen voor de Erembalds voordeeligen invloed uitgeoefend, dewijl zij Robrecht Sneloghe en anderen, die met hem de moordenaars verfoeiden hadden doen besluiten dit gevoel te verbergen of te versmachten om aan niets meer te denken dan aan zelfverdediging en aan het behoud van hun geslacht.

Het was kort na den middag. Bertulf, de proost van St-Donaas, stond op het binnenplein van den burg en wandelde daar langzaam over en weder, in gepeinzen starende op hetgeen rondom hem geschiedde.

Er heerschte eene koortsige bedrijvigheid op het plein. Honderden arbeiders krielden er dooreen; men hoorde er den bevelroep der oversten, den zang der werkers, het gekrijsch der katrollen den zweepslag der voerlieden.

Alle oogenblikken kwamen er wagens en karren op den burg. De eene, geladen met koren, boonen, gezouten vleesch of andere nooddruft, werden bij verschillende stapelhuizen of kelders gelost; de andere, plooiend onder den last van balken en berderen, van steenen en keien, voerde men tot aan den voet der muren en torens. Hier werd hunne vracht op ladders naarboven gedragen of bij middel van katrollen of gewerken omhoog geheschen. Ja, men zag er harst, vet en olie in vaten aanbrengen om desnoods zelfs door vlammend vuur den vijand af te slaan, indien ooit den burg door hem werd aangevallen. Zooverre zelfs had men de voorzorg gedreven, dat men nevens de Hofpoort eenen stal had ingericht om er eenige melkgevende koeien te zetten.

Alzoo Bertulf nu het oog gericht hield op een twintigtal arbeiders die met inspanning van krachten een zwaren balk van den grond poogden te heffen, naderde hem een kanunnik.

"Heer proost", zeide hem deze, "wij verzoeken u naar 's graven kapelle te willen komen. Het graf is geheel afgewerkt; alles is gereed om de kist er in te laten nederzakken en de steenen tafel er op te leggen. Gij hebt den wensch uitgedrukt om bij het sluiten van het graf tegenwoordig te zijn."

"Inderdaad, heer Ludgard; ik verwachtte uw bericht dezen morgen", antwoordde de proost, zich naar de kerk wendende. "Kom, ik volg u."

In de kapelle, ter plaatse zelve waar graaf Karel was gevallen, had men eene diepte gedolven en er een graf gemetst, dat aan de vier zijden drie voet boven den vloer zich verhief.

Het lijk van graaf Karel was, op verzoek van Robrecht en op bevel van den proost, gebalsemd en in eene dubbele kist van eikenhout en lood gesloten geworden.

Toen Bertulf met den kanunnik Ludgard in de kapelle trad, hing de kist boven de grafstede in twee gewerken van windassen. Een tiental arbeiders hielden zich gereed om ze te laten nederdalen. Vele priesters zonder plechtgewaad omringden de laatste overblijfsels van den ongelukkigen graaf.

De proost naderde tot de kist, verzekerde zich door een vluchtig onderzoek dat zij ongeschonden was, murmelde eenige woorden binnensmonds en deed dan een teeken tot de arbeiders.

Langzaam daalde de kist in het graf[62].

De priesters bogen het hoofd en baden ongetwijfeld; maar hunne lippen verroerden niet, en geen het minste geprevel stoorde de doodsche stilte.

"Het is deerniswaardig en beklaaglijk", zeide kanunnik Ludgard tot den proost, "dat wij den armen vorst zoo moeten begraven, zonder de minste plechtigheid, als een verlaten mensch of als een dier!"

"Het is mijne schuld niet", antwoordde Bertulf met eenen zucht. "Ik wilde dat het anders mogelijk ware; maar in eene ontheiligde kerk...."

"Hebt gij nog geene tijding van de komst des bisschops, heer proost?"

"Geene. Mijne brieven zullen onderschept zijn geworden. In alle geval, kanunnik, men heeft in St-Pieterskapelle eene plechtige uitvaart gezongen, en in de kerk van St-Salvator leest men nog dagelijks de gebeden voor de dooden. Wij moeten den tijd nemen zooals hij is."

De arbeiders hadden nu de haken der gewerken aan de zeelen gehecht, waarmede de groote steenen tafel was omringd.

Het duurde niet lang of dit deksel zonk neder op de grafstede, welke aldus beslissend werd gesloten.

Nog eene wijl bleef de proost, op eenen stoel knielend, voor het graf zitten, waarna hij de kanunikken eenen stillen groet toestuurde en de kapelle verliet.

Hij daalde weder op het plein. Daar vond hij zijnen broeder Hacket.

"Welnu, kastelein", vroeg hij hem, "gaat het werk goed voort aan de vesten? Wij moeten ons haasten; want wie weet wat er kan gebeuren?"

"Wees niet bekommerd, broeder", antwoordde de kastelein. "Het is een wonder, met hoeveel ijver men ginder arbeidt. Van nu af zijn wij tot verdediging gereed."

"En hoe toonen zich de poorters?"

"Ja, gij weet het wel, velen zijn onwillig en houden zich verwijderd, uit schrik van als medeplichtig aan den moord des graven te worden beschouwd; maar het getal dergenen, die met ons zijn, is zoo groot, dat wij de hulp der anderen wel kunnen missen."

Bertulf schudde het hoofd.

"Zijt gij over iets bekommerd?" vroeg Hacket.

"Niet zonder reden", morde Bertulf. "Wij hebben brief op brief en bode op bode tot Willem Van Loo gezonden; wij hebben hem gesmeekt zich aan ons hoofd te komen stellen; hem verzekerende dat de poorterij hem hier als graaf van Vlaanderen zou uitroepen. Geen antwoord, geen het minste bericht van hem!"

"Maar de tijd was kort."

"Indien Willem Van Loo ons ging verraden, Hacket?"

"Ons verraden? Hoe meent gij het?"

"Indien hij ons zonder hulp liet en ons overleverde aan de wraak onzer vijanden, om te doen gelooven dat hij geheel vreemd is aan den moord van graaf Karel: hij is een zelfzuchtig en arglistig man."

"Gij zijt hem altijd vijandig gebleven sedert den laatsten oorlog", bemerkte de kastelein. "Nu nog maakt uw wantrouwen u onrechtvaardig jegens hem. Het is eerst morgen dat Willem Van Loo aan het hoofd eener heirkracht zal staan. Wie weet of hij overmorgen niet reeds met gansch zijn leger voor Brugge zal verschijnen?"

"Ja, ja, maar waarom geen antwoord op onze brieven?"

"Misschien zijn de wegen niet vrij. Kom, kom, Bertulf, geenen moed verloren: de zaken staan allerbest. Wees zeker, dat de Isegrims niet binnen Brugge zullen geraken, al bestormen zij het met al hunne macht. Er ontbreken ons noch mannen, noch krijgsbehoeften. Wat mij betreft, ik beken dat de moord van Karel mij gansch ter neder had geslagen; maar nu heb ik daarover mijn besluit genomen. Vermits de Isegrims ons allen den dood hebben toegezworen, verdedigen wij ons leven met blinde hardnekkigheid. Ik zal toonen dat de oude Hacket nog Kerlenbloed in de aderen heeft!"

De proost scheen een weinig gerustgesteld door de moedige woorden zijns broeders.

"Is Burchard nog verbitterd tegen mij?" vroeg hij.

"Neen, het is gedaan. Ik heb hem doen begrijpen dat wij den verborgen schat van graaf Karel niet anders konden bekomen, dan door het in vrijheid stellen van den jongen Frumold, en dat wij dien schat noodig hebben om Willem Van Loo de kosten des oorlogs te helpen dragen. Wat de andere gevangenen betreft, aan dezen hechtte hij niet den minsten prijs, en hij keurt het goed dat wij hun oorlof gaven om de stad te verlaten."

"En hoe gedragen Robrecht en Burchard zich jegens elkander?"

"Tot nu toe zeer wel, Bertulf", was het antwoord. "Beiden hebben mij beloofd zich te houden alsof zij geene redenen hadden om tegen elkander verstoord te zijn."

"Maar Burchard is zoo onvoorzichtig. Indien hij Robrecht ging kwetsen!"

"Vrees het niet, broeder; mijne voorzorgen zijn genomen. Burchard wilde inderdaad den meester spelen en iedereen gebieden; maar ik heb hem uitdrukkelijk doen verstaan dat, zoolang ik kastelein des graven ben, niemand aangaande de verdediging van Brugge iets te bevelen heeft dan ik alleen. Ik heb onder mijn opperbestier onze krachten in drie scharen verdeeld, en Robrecht en Burchard elk aan het hoofd van eene dezer scharen gesteld. Zoo zullen zij elkander niet dikwijls ontmoeten. De derde schaar staat onder mher Disdir Vos...."

"Disdir Vos?" mompelde de proost. "Het schijnt dat hij, meer dan anderen, door zijnen raad schuld heeft aan den moord, alhoewel hij, uit list misschien, zich op het beslissend oogenblik afwezig maakte. Hebben wij nog niet genoeg aan Burchard? Waarom eenen zijner medeplichtigen aan het hoofd onzer mannen stellen? Het is gevaarlijk."

"Neen, broeder, gij bedriegt u. Wij zijn door het noodlot zelf gedwongen te handelen alsof wij aan den moord in het geheel niet meer dachten. Ieder zal later zijne zaak verantwoorden. Disdir Vos toont zich zeer ijverig en onversaagd. Hoe schuldiger hij is, hoe hardnekkiger hij zal strijden, om niet in handen der Isegrims te vallen. Burchard verlangde voor Disdir een bevelhebberschap. Ik heb onze neef die voldoening gegeven."

"Gistermorgen zijn Ingelram Van Eessen, Willem Van Wervick en Isaac Van Reninghe met eenigen onzer mannen naar het Noord-Vrije gegaan, om daar eene bende Kerels te verzamelen. Zijn zij nog niet terug?"

"Neen, broeder, wij verwachten ze heden avond. Mistrouwt gij hen insgelijks?"

"Geloof mij, Hacket, ik wenschte dat zij niet meer in Brugge terugkeerden. Hoe minder moordenaars van graaf Karel wij tusschen ons hebben, hoe beter het zal zijn voor onze zaak."

"Gij zijt niet al te wel gestemd vandaag", zeide de kastelein met eenen glimlach. "Kom, kom, Bertulf, houd goeden moed. Ik was hier bevelen komen geven om paarden en karren naar de Kathelijnepoort te doen zenden. Men wacht mij op de vesten; mijne tegenwoordigheid is daar voortdurend noodig. Tot dezen avond!"

De kastelein richtte zijne stappen naar de Hofpoort; Bertulf trad in de proostdij en zette zich daar in eene kamer voor eene tafel waarop eenig schrijfgerief lag.

Hij bleef lang, met den blik in de ruimte, den toestand der zaken overwegen. Het volledig stilzwijgen van Willem Van Loo moest inderdaad zijnen geest bekommeren; want hij schudde soms het hoofd, terwijl hij den naam van den nieuwen graaf morrend uitsprak.

Eindelijk had hij eene pen gegrepen, en wilde zich aan het schrijven zetten, toen de kastelein Hacket, door twee ridders gevolgd, in de kamer trad.

"Mijn broeder", zeide hij, de ridders voorstellende, "ziehier mher Godschalk Tayhals en mher Baldwin Spegel, die, als gezanten van onzen graaf Willem, u het antwoord op onze brieven brengen."

Deze aankondiging moest den proost zeer verblijden; want hij sprong recht, ging met eenen minzamen glimlach de afgevaardigden te gemoet en drukte hun de handen.

Na eenige woorden tot groetenis en verwelkoming met hen te hebben gewisseld, betuigde Bertulf den wensch om hunne boodschap te kennen.

"Onze graaf Willem", sprak Godschalk Tayhals, "doet u door onzen mond zeggen dat gij den moed niet zoudt laten zakken, en vertrouwen hebben op zijnen bijstand. Zoohaast het hem mogelijk is, zal hij met zijn gansch leger naar Brugge komen[63]. Al de macht, waarover hij nu kon beschikken, heeft hij u tot hulp afgezonden. Wij hebben vierhonderd dappere kerels met ons gebracht. Dewijl wij te paard waren, hebben wij hen omtrent Zedelghem verlaten. Binnen iets meer dan een uur zullen ze te Brugge aankomen."

"Ha, het is eene goede tijding!" riep Bertulf.

"Ja, heer proost", bemerkte Baldwin Spegel, "en gij moogt gelooven dat wij de bloem der Kerels tot u hebben geleid; want deze vierhonderd man waren reeds in het Wolvennest voor den gestelden tijd. Men is dus verplicht te denken dat het hun aan geenen strijdlust ontbreekt.

"Dankt in onzen naam den heer graaf voor zijnen goeden bijstand", zeide de proost. "Wij hebben wel juist geene behoefte aan strijdvaardige mannen; maar op de poorters kunnen wij toch niet al te vast betrouwen. Velen twijfelen of zij zich wel voor ons willen verklaren. De minste tegenspoed zou de anderen eveneens aan het wankelen kunnen brengen. Met Kerels zijn wij zeker dat men Brugge zal verdedigen totterdood, en de Isegrims er niet zullen in geraken dan over puinhoopen en lijken."

"Alzoo, gij meent sterk genoeg te zijn om de stad te behouden totdat het leger u ter hulp komt? De heer graaf richt u door mij deze vraag toe", zeide Godschalk.

"Voor het behoud der stad stel ik mij verantwoordelijk!" riep de kastelein.

"Wij weten, heeren, dat een leger Vlaamsche ridders en wapenlieden Atrecht heeft verlaten en door Rijssel is getrokken. Dezen zullen waarschijnlijk over Kortrijk en Thourout naar Brugge komen. Morgen reeds zouden ze voor uwe wallen kunnen verschijnen. Zijt gij zeker de stad gedurende eenige dagen te kunnen verdedigen?"

"Gedurende weken en maanden", antwoorden de proost en zijn broeder.

"Morgen eerst vergaderen de Kerels in bet Wolvennest-bosch. Een paar dagen zal onze heer graaf bestellen aan het haastig inrichten van zijn leger. Dan zakt hij met al onze heirkracht naar Brugge af om u te ontzetten, indien gij inderdaad waart belegerd. Hebben wij dus goeden moed: voor het behoud van Brugge is niets te vreezen."

De proost bood den afgevaardigden eenige ververschingen aan; maar zij drukten den wensch uit om daarmede te wachten tot het avondmaal, dewijl zij naar de Smedepoort zich wilden begeven, om bij de aankomst hunner mannen tegenwoordig te zijn.

Hacket zeide dat hij hen zou vergezellen en, indien hem tijd daartoe overbleef, de gelegenheid zou waarnemen om hun eenige der verdedigingswerken te toonen, waaraan men nu met allen spoed de laatste hand legde.

Bertulf zou in de proostdij blijven om te zorgen voor de slaapsteden en het voedsel der vierhonderd Kerels, en tevens de noodige bevelen te geven om den afgvaardigden des graven een behoorlijk avondmaal te bereiden.

Toen de kastelein met de beide ridders aan de Ezelpoort kwam, toonde hij hun, niet zonder fierheid, hoe honderden en honderden poorters daar aan het arbeiden waren om balken te richten en aarde aan te voeren. Hij leidde hen langs de vesten naar de Smedepoort. Onderweg zagen zij overal dezelfde bedrijvigheid: hier metselde men, daar timmerde men, verder droeg men steenen op waltorens en op vestingmuren[64].

Bij de Smedepoort ontmoetten zij Robrecht Sneloghe, die daar den arbeid van zijne zestig Ravenschootsche Kerels bestierde. Dezen waren druk bezig met achter een gedeelte van den muur, dat onsterk scheen, eenen hoogen wal op te werpen, en zij brachten de aarde met kruiwagens van het plein, dat buiten de poort was gelegen.

Juist had Hacket zijnen neef Robrecht aan de afgezanten des graven voorgesteld, toen men in de verte een bazuingeschal hoorde hergalmen.

Daar de arbeiders niet wisten wat dit krijgsgerucht te beduiden had, lieten zij allen hun gereedschap of hunne werktuigen staan, en klommen op de muren om in het veld te kijken.

Alhoewel Godschalk Tayhals en zijn makker verzekerden dat de naderende bende geene andere kon zijn dan degene welke zij tot hulp nadden aangebracht, riep mher Sneloghe uit voorzichtigheid zijne mannen onder de wapens.

Zoohaast echter de vierhonderd Kerels op het plein, dat men het Zand noemde, zichtbaar werden, herkenden hen de arbeiders aan hun blauw kleedsel en aan hunne baarden. Een lang vreugdegeroep ontstond boven de wallen en klonk hun reeds van verre als een gulhartig welkom tegen.

De Kerels trokken de poort binnen, onder het geschal der bazuinen en onder de aanjagende galmen van der Kerlen krijgslied. Zij werden door hunne Brugsche vrienden met gejuich, met handgeklap en met het zwaaien der hoeden onthaald.

Deze mannen schenen in het geheel niet vreemd aan het voeren van oorlogswapenen; want zij gingen in geslotene gelederen en waren verdeeld in zekere kleine benden, waarvan elke was voorafgegaan door eenen Kerel die over haar gebood.

Aan het hoofd van allen stapte Benkin, een beroemd schutter. Hij was een man van middelmatige gestalte, maar met zulke breede schouders en struische leden, dat men van hem met reden zeide, dat hij sterk scheen als een beer. Op zijnen rug hing een groote kruisboog, met eene breede stalen lat. Zulke bogen droegen tevens de meesten zijner gezellen.

Hier en daar achter de gelederen stapten een tiental gehuwde vrouwen, even sterk van leden en even fier van houding als mannen, die eetwaren droegen of met eenig klein gepak waren beladen.

De kastelein en de afgezondenen des graven volgden de Kerels in de Noordzandstraat.

Nog eenigen tijd na hunnen doortocht bleef het gejuich der arbeiders aanhouden. Men wenschte elkander geluk over de komst van zulke schoone bende mannen, wier trotsche houding ontzag inboezemde en wier oogen van onversaagdheid gloeiden. Maar Robrecht en de mindere oversten herinnerden hun dat de tijd te kostelijk was om hem aan vreugdegeroep te verspillen. Allen hernamen weder met nieuwe drift hun werk.

Ongeveer een uur daarna kwamen eenige landlieden met snelheid over het Zand naar de poort geloopen. Van verre riepen zij reeds uit al hunne macht:

"Harop, harop! De vijand, de vijand!"

Robrecht ging hun te gemoet.

"Gauw, heer, te wapen!" zeiden zij hem. "De baan naar Thourout, zooverre het gezicht reiken kan, is overdekt met ridders, met wapenlieden en met wagens. Gansch een machtig leger!"

"Het is wel", antwoordde hun Robrecht. "Komt nu binnen de stad en maakt geen gekerm!"

Hij deed de poort sluiten en de egge nederlaten, en vergaderde met haast zijne mannen. Vier of vijf hunner, op wier behendigheid hij vertrouwen kon, zond hij naar den burg, om de kastelein te verwittigen, en naar de andere poorten, om den oversten kennis te geven van des vijands waarschijnlijke nadering.

De werklieden wierpen hun gereedschap neder, en beklommen de wallen, daar zich gereed houdende om den vijand, ook van verre, met pijlen of slingersteenen te treffen.

Weinig tijds daarna zag Robrecht, die boven de poort op eenen der torens geklommen was, ten einde van het uitgestrekte plein inderdaad eene schaar ruiters opdagen. Vele andere scharen vertoonden zich opvolgend. Daarna kwam een machtige drom voetvolk, en eindelijk eene reeks wagens en karren, van welke de meeste, voor zooveel hij het onderscheiden kon, met zakken meel en sommige met lange ladders waren beladen.

Deze krijgsmacht, die volgens zijne berekening wel tot twee of drieduizend man kon beloopen, schikte zich gansch ten einde van het plein en buiten bereik der schutters in eenen dichten hoop. Het dacht Robrecht dat men zich bij de achterhoede bezig hield met de ladders van de wagens te lossen. Was de vijand dan voornemens onmiddellijk eenen stormloop te beproeven? Wie kon het weten? Misschien hoopte hij door dezen onverwachten aanval de Bruggelingen te verrassen en te overrompelen.

Robrecht liep naar beneden en zond in allerhaast nog eenigen zijner mannen in verschillende richtingen. Hij ging op de wallen, onderzocht alles, om zich te verzekeren dat men in alle geval gereed was om de Isegrims duchtig te onthalen, en moedigde iedereen door eenige vertrouwvolle woorden aan.