Part 23
"Zult gij ons die verborgene schatten toonen?" vroeg hem Burchard.
"Ik zal ze u aanwijzen, zonder iets te verzwijgen."
"Welnu", zeide Burchard op eenen toon, die geene wederspraak duldde, "ik vertrouw de sleutels aan mijnen oom, den proost, die ze zal bewaren. Wij hebben nu geenen tijd ons daarmede lang bezig te houden. Al deze gevangene stel ik insgelijks onder de bewaking van den proost van St-Donaas. Hij blijft jegens ons en jegens den graaf van Vlaanderen borg, dat geene hunner zonder mijn bevel uit de proostdij zal gaan[58]."
De gevangenen dankten en juichten; want zij waren nu aan eenen onmiddellijken dood ontsnapt en twijfelden niet of de proost, wiens overheid groot was, zou hen blijven beschermen, totdat de woede hunner wreede vijanden was gekoeld. Zij volgden hunnen redder naar de trap der kapelle.
Wel morden en gromden Burchards gezellen; maar hij zeide hun:
"Geen tegenstand! Wij moeten 's graven schat hebben. Willem Van Loo zal hem gebruiken om den oorlog tegen onze vijanden te voeren. Wij kunnen later even goed over het lot van Frumold en van de anderen beslissen. Nu moeten wij het paleis gaan doorzoeken om te zien of daar geene onzer vijanden meer te ontdekken zijn. Gervaas Van Praet is ons ontsnapt; de beide zonen van den snooden Tancmar leven nog! Komt met haast; wij moeten den ganschen dag arbeiden ..."
Zij liepen door de gang over de Hoogpoort en kwamen in het paleis; maar, hoe zij zochten in kamers, in zalen en in kelders, zij vonden er geen levend wezen.
Slechts toen zij het paleis meenden te verlaten, troffen zij in de voorzaal, tegen het plein, den kastelein Hacket aan, met Hendrik Van Roesbrugge, eenen ridder van 's graven hof, en Eustaas, den broeder van den vermoorden Walter Van Lokeren.
Zoohaast zij dezen laatste bemerkten, hieven zij hunne zwaarden op, om hem onmiddellijk neer te hakken; want hier niet op gewijden grond zijnde, hadden zij geene reden om hun slachtoffer naar buiten te sleuren.
Maar Hacket, die hun inzicht bespeurde, sprong voor de twee ridders, beschutte ze met zijn lijf en riep:
"Zij zijn mijne gevangenen! Niemand raakt een haar van hun hoofd zonder mij eerst te dooden!"
Hetzij de woede van Burchard was gekoeld, of dat hij zijnen oom niet op eene bloedige wijze wilde wederstreven, hij gebood zijnen mannen, deze ridders, die zich toch den Kerels niet bijzonder vijandig getoond hadden, vooralsnu ongehinderd te laten; en hij stelde ze, evenals hij met de anderen had gedaan, in bewaring van den proost en van den kastelein, die voor hunne gevangenhouding verantwoordelijk zouden blijven.
Op dit oogenblik haalden eenige gezellen van Burchard eenen ouden man uit eene schuilplaats nevens de poort.
Deze beweerde dat hij zich niet had verborgen. Wie zou Eggard, den grijzen deurwaarder der Loove, toch willen kwaad doen, hem, die niets dan vrienden telde in Brugge?
Inderdaad, Burchard lachte over den vond zijner mannen en verbood dat men den halfzinneloozen poortbewaarder eenig kwaad deed.
"Welnu, Eggard", vroeg hij, "hebt gij altoos bij de poort gestaan, sedert dezen vroegen morgen?"
"Reeds van vier uren", was het antwoord.
"Gij hebt dan wel lieden zien vluchten, dienaars en ridders?"
"Velen."
"Ook mher Gervaas Van Praet?"
"Ja, die is in den stal op een paard gesprongen en is langs de Hoogpoort weggereden, als hadde hij den duivel achter zich[59]."
"Zoo, zoo! En de zonen van mher Tancmar?"
"Die zijn beiden niet in het paleis geweest en slapen waarschijnlijk nog, indien de helsche storm, die er op den burg heerscht, hen niet heeft gewekt."
"Volgt mij, gezellen!" kreet Burchard. "De zonen van Tancmar zijn onze grootste vijanden. Wij gaan ze verrassen. Zij moeten sterven!"
Zij liepen in allerhaast over het middelplein en door de Hofpoort.
Nu begon het klaar dag te worden. Ongetwijfeld had de schromelijke mare zich gedeeltelijk door de stad verspreid; want er was reeds volk op de straten, meest gemeene lieden en schalken.
Waar de woeste bende voorbijging en den zegevierenden schreeuw: "Leve Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen!" tot boven de huizen deed hergalmen, juichte het volk hen toe en herhaalde hunnen roep.
Nergens een teeken van afkeuring, nergens een traan over het lot van den vorst, die zoo ellendig onder den slag van sluipmoordenaars den dood had gevonden.
Graaf Karel was in Brugge niet algemeen bemind, hoe milddadig hij zich ook jegens de noodlijdenden toonde. Alhoewel de poorters van Brugge sedert lang aan eene bijna geheele afhankelijkheid gewend waren, vloeide hun toch Kerlenbloed in de aderen, en poogden zij met ijverzucht de weinige vrijheden te bewaren, welke de vorige graven hun had laten behouden. Omdat Karel van Denemarken, door de Isegrims geraden, aangaande het bestier des lands meer zuidelijke gedachten koesterde, en alle macht in zijnen persoon alleen scheen te willen samentrekken, zonder acht op de bestaande vrijheden te slaan, hadden zij eenen wrok tegen hem. Dat hij het niet oprecht met zijne onderdanen meende, daarvan beschuldigde men hem niet; maar het was genoeg dat hij niet zelden zijnen eigen wil in de plaats van het recht stelde, om hem de genegenheid der poorters te ontrooven.
Hoe het zij, zeker bevonden zich tevens in de straten vele menschen, die den moord van vorst Karel als een gruwel laakten of betreurden; maar zij durfden het niet toonen, uit schrik voor de wreede Houtkerels, tusschen welke zij er sommigen bemerkten wier handen gansch met bloed waren geverfd.
Over de St-Salvatorskerk, op den hoek der Zilverstraat, stond de prachtige steen, door het huisgezin van Tancmar bewoond.
Burchard en zijne mannen, toen zij voor dezen sterken Steen kwamen, begonnen met hunne zwaarden op de poort te slaan en te schreeuwen dat men zou openen; maar zij bekwamen geen antwoord, en het bleef binnen in het huis zoo stil alsof geen levend wezen zich er had bevonden.
Geen middel was er om in den Steen te dringen. Dit onverwacht beletsel voerde hunne woede ten top, en zij poogden hunne spijt lucht te geven door het bulderen van allerlei vermaledijdingen.
Maar Ingelram Van Eessen bemerkte eenen balk, die wat verder voor de deur van eenen wagenmaker ten gronde lag. Hij riep eenige mannen tot zich en dezen keerden welhaast weder met den vreeselijken stormram op de armen.
Achteruitgaande, liepen zij tegen de poort en beukten zoo geweldig, dat de slag als een donder binnen den Steen hergalmde.
De poort was zeer sterk; zij weerstond aan vijf herhaalde botsingen, zonder te breken of te bewegen; maar bij den zesden slag sprong een der bovenste hengsels uit den muur en eene zijde der poort neigde achterover. De aanvallers hieven zegevierende kreten aan. Nog één loop, en de poort zou onfeilbaar nederstorten.
Men was met den stormram achteruitgeweken, om met verdubbelde kracht tegen de poort te beuken. Burchard en zijne gezellen hieven hunne zwaarden in de hoogte, gereed om den Steen binnen te stormen en hunne vijanden neder te hakken ... toen eensklaps twee personen over den achtermuur van den Steen in de Zilverstraat sprongen en met ongemeene snelheid hun behoud in de vlucht zochten.
"Zij zijn het, Tanemars zonen! Slaat dood, slaat dood! Drie marken zilvers voor elk!" riep Burchard, terwijl hij, door al zijne mannen gevolgd, de vluchtelingen achternaliep.
Maar dezen waren te verre vooruit en zouden waarschijnlijk ontsnapt zijn aan degenen die dorst hadden naar hun bloed, indien niet een onverwacht beletsel hun den weg had versperd.
Zoo vervolgd door hunne wraakzuchtige vijanden, waren zij het Giststraatje ingevlucht en zouden welhaast de Noordzandstraat bereiken. Zij zagen reeds van verre de stadspoort; het open veld zou hun middel geven om tusschen de boomen te ontsnappen ...
Maar daar sprong eensklaps een poorter, Berakin genaamd, met eene bijl hun tegemoet, en hij zwaaide deze boven zijn hoofd om hen er mede te treffen. Zij deinsden terug om den slag van het moordtuig te ontwijken: doch, ziende achter zich de huilende drom hunner vijanden naderen, sprongen zij kermend en hopeloos weder vooruit. Berakin trof een hunner zoo wreedelijk, dat hij hem met éénen slag den rechterarm bij den schouder afhakte.
De ongelukkige ridder viel neder en riep zijnen vliedenden broeder nog een laatst en grievend vaarwel toe.
Eenige mannen bleven staan en verminkten het slachtoffer met wreed vermaak, terwijl de overigen immer vooruitliepen om den tweeden ridder niet te laten ontkomen.
Burchard wierp eenen blik op den stervende, wiens bloed uit eene breede wonde stroomde.
"Dit is er één!" riep hij. "Het is Walter: hij heeft zijne rekening Ghyselbrecht nu! vooruit! vooruit!"
En zijnen loop hernemende, zette hij de vervolging met nieuwe woede voort.
Mher Ghyselbrecht had inderdaad de stadspoort bereikt en liep nu over het groote plein, dat men het Zand noemde. Alhoewel een twintigtal vijanden hem op de hielen waren, zou hij misschien nog den dood ontsnapt zijn; maar op het oogenblik dat hij meende in een kreupelhout te springen, stiet hij met den voet tegen den wortel ens booms en viel ter aarde.
Vooraleer hij zich kon oprichten, was hij door twintig handen te gelijk aangegrepen; en, hoe hij kermde en om genade smeekte, men sleurde hem verder op het plein.
Daar wilde men hem oogenblikkelijk het hoofd kloven; maar degene, die beweerde hem allereerst te hebben aangevat, stelde zich tegen dit voornemen en dreigde de anderen met zijn zwaard. Hij had, zeide hij, de beloofde marken zilvers verdiend en wilde den gevangene aan Burchard Knap overleveren, die hem dan ook de toegezegde belooning niet zou weigeren.
Terwijl zij nog daarover aan het twisten waren, kwam Burchard met de geheele bende op het plein en naderde degenen die den ridder omringden.
"Ik, Batulf Merlaan, heb hem gevat: mij de marken zilvers!" riep hem een gezel toe.
"Gij zult ze krijgen, wees gerust", antwoordde Burchard.
"Ha, ha, daar heb ik u in mijne klauwen, gij snoodste aller Isegrims!" viel hij met bloedzuchtigen spotlach tegen Ghyselbrecht Tancmar uit. "Beveel uwe ziel aan God, gij gaat sterven! Ik wil, dat men uwe afgerukte leden rondom dit plein zaaie, zooals men met lafaards en verraders doet!"
Ghyselbrecht kroop op de knieën voor hem en hief de bevende handen in de hoogte, met overvloedige tranen om genade smeekende en schatten gouds hem belovende.
"Gij zijt zinneloos!" bulderde Burchard. "U het leven schenken? U, den boozen, den valschen, den meedoogenloozen vijand der Kerels? Wie heeft mher Robrecht Sneloghe bij jonkver Van Woumen gelasterd en ons eenen bloedigen hoon doen toebrengen? Ha, gij moest de bruidegom van jonkver Placida worden? Gij gaat trouwen met den dood!"
"Genade, genade, ik verzaak de hand van Placida!"
Maar Burchard hoorde hem niet aan en ging voort:
"Wie heeft aan het hof zelfs de vrije geboorte der Erembalds durven loochenen? Wie is daardoor de schuld geworden des doods van den edelen Kerel Segher Wulf? Wie heeft Karel van Denemarken het edict op den balfaart ingeboezemd? Ha, ha, ik zou u sparen? Zeg vaarwel aan het leven: uw uur is gekomen!"
"Bij de passie onzes Heeren, heb medelijden, o, dood mij niet!" kermde Ghyselbrecht.
"Ik zal u niet dooden", schertste Burchard, als hadde hij vermaak gevonden in de zieltoging van zijn slachtoffer te verlengen. "Neen, ik wil mijne handen aan uw bloed niet bevuilen; maar gij zult gaan zien of gij iets daarbij kunt winnen."
Hij gaf den armen ridder zulken geweldigen schop in de lenden, dat hij ter zijde viel; en dan, een teeken tot zijne mannen doende, zeide hij hun zeer koel:
"Verplettert de slang die zoovele jaren de Kerels met haar gif heeft bespuwd!"
Tien zwaarden vielen te gelijk op mher Ghyselbrecht die, zonder nog eenen zucht te kunnen slaken, den geest gaf. Welhaast waren zijne overblijfsels onkennelijk en lagen zijne leden, zooals zijn vijand het had voorspeld, over het plein verspreid[60].
Burchard gunde zijne bende eene korte wijl rust; want, afgemat van de drukke vervolging, hijgden vele mannen naar hunnen adem.
Hij verzamelde ze welhaast en zeide hun, dat hij onmiddellijk met hen naar Straten wilde gaan, om daar Rambold Tancmar te verrassen in den burcht, die nu reeds gedeeltelijk weder was opgebouwd. Van daar zou men naar Snelleghem loopen, met de hoop er Gervaas Van Praet, des graven kamerheer, te vinden. Men zou de burchten der ridders onderwege bezoeken en wapens verzamelen. Er was veel te rapen, en zoo zouden zijne mannen eene belooning vinden voor hunnen moed en hunne verkleefdheid.
Een schallend gejuich begroette zijne woorden. Met den zegevierenden schreeuw: "Heil, heil Willem Van Loo, onzen graaf! Leve Burchard Knap!" verliet de bende, die door bijgekomene poorters zeer was gegroeid, het plein en verdween kort daarop in de baan naar St-Andries.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 53: "Dus gerust in de duisternis, besloten zij hunne misdaad den volgenden dag bij de eerste morgenschemering uit te voeren."
GALB., p. 259.]
[Voetnoot 54: GALBERTUS, p. 260.]
[Voetnoot 55: "Het Jaar 1127, den tweeden dag van Maart ... vermoordden de verraders den graaf, terwijl hij bad en aalmoezen uitdeelde, ootmoedig geknield voor God."
GALE., p. 266]
[Voetnoot 56: Zie GALBERTUS, p. 267]
[Voetnoot 57: "Walter, dus gevangen en zeker dat hij moest sterven, riep: "God, hebt medelijden met mij!" en zij antwoordden hem: "wij zullen u betalen met hetzelfde medelijden dat gij jegens ons hebt getoond."
"Zij haatten hem uitermate; want hij was van 's graven raad, en had in elke gelegenheid hen benadeeld en den graaf aangehitst, om de gansche maagschap van den proost in dienstbaarheid (servage) te brengen."
GALBERTUS, pp. 271 en 270.]
[Voetnoot 58: Aangaande dit gansche tooneel en het behoud der gevangenen door tusschenkomst van den proost Bertulf, zie GALB, pp. 272 tot 275.]
[Voetnoot 59: "Gervaas, kamerdienaar des graven, ontvlood te paard."
GALB., p. 269.]
[Voetnoot 60: Zie aangaande dezen moord der twee zonen van Tancmar. GALB., p. 268.]
XIV
Robrecht Sneloghe lag nog te bed. De ontsteltenis zijns gemoeds, tengevolge der afschuwelijke voorstellen van Burchard, had hem in het midden van den nacht langen tijd belet te slapen; maar eindelijk toch, onder de vermoeidheid bezwijkende, was hij in eenen loomen sluimer weggezonken. Reeds begon het morgenlicht in zijne kamer te dringen, toen hij eensklaps ontwaakte en de oogen luisterend hield geopend.
Er heerschte in de verte een onduidelijk gebruis, als de suizende branding eener verre zee, waartusschen bijwijlen een machtiger gerucht, even versmoord, opsteeg. In zijne zware slaperigheid kon hij zich geen helder denkbeeld vormen van wat hij hoorde; hij meende dat het weder stormig was geworden en dat nu en dan een rukwind zuchtend tegen de torens der Steenen aansloeg.
Het gebruis scheen echter te vergaan. Robrecht liet zijn hoofd terzijde op het kussen vallen en sloot de oogen.
Maar welhaast hoorde hij in de straat eenige stemmen van lieden die in twist waren, die klaagden of elkander riepen. Dewijl zijne slaapkamer in het diepe zijner woning was gelegen, onderscheidde hij niets dan doffe klanken; hij zou misschien opnieuw ingesluimerd zijn, indien niet op dit oogenblik de stappen van een snel voorbijdravend paard voor zijnen Steen hadden hergalmd.
Alhoewel hij in zich zelven deze geruchten verklaarde door de meening dat het eerste veroorzaakt was door lieden die naar den burg ter vroegmis gingen, en het andere door eenen bode des graven, zooals er dikwijls bij het aanbreken van den dag uitgezonden werden, ontstond er niettemin een angstige twijfel in zijnen geest.
De slaap was hem beslissend ontvloden, en vermits het nu reeds licht begon te worden, stond hij op en kleedde zich met haast. Hoe het ware, hij had beloofd, voor zijne afreis naar Houthem, Dakerlia en zijne zuster nog tot vaarwel de hand te gaan drukken. Zij zouden waarschijnlijk reeds op hem wachten.
Na eene korte wijle tijds was hij gansch gekleed, daalde den trap af en ging naar de voorzaal om daar zijn zwaard te nemen.
Nauwelijks had hij den gordelriem zich om de lenden gegespt, of Dakerlia en Witta stormden klagend en met opgeheven handen de zaal binnen.
"Wach arme! Wach arme!" kermden zij, "God behoede Kerlingaland!"
"Wat is er geschied?" mompelde Robrecht verschrikt.
"Wee, wee, de graaf is vermoord!" kreten zij.
"De graaf vermoord? Graaf Karel?"
"Hij ligt in St-Donaas met gekloofd hoofd!"
"Wie, wie zijn de moordenaars?"
"Eilaas, het is gruwelijk! Houtkerels van Eerneghem ..."
"En Burchard Knap?"
"Ja, Burchard ... Wat schromelijk ongeluk!"
"Hemel, ik wist het!" zuchtte Robrecht met gebogen hoofde.
"Gij wist het?" herhaalde Dakerlia, eenen stap achteruitwijkende als hadde het verdenken van Robrechts medeplichtigheid haar doen terugschrikken.
"Neen, neen", zeide hij, het hoofd opheffende. "Ik wist dat de woeste Burchard het voornemen van dien ijselijken moord had opgevat. Mijne verontwaardiging, mijne bedreigingen, mijne gebeden troffen hem, en hij verzekerde mij dat hij van den misdadigen aanslag beslissend had afgezien. O, die ellendeling, wat al vermaledijdingen, wat al rampen roept hij niet over Kerlingaland en over geheel Vlaanderen!"
"Onuitwischbare schande voor ons geslacht!" klaagde Dakerlia
"Ons wacht de rechtvaardige wraak des hemels!" murmelde Witta snikkende.
"Ja, ja, men zou zich den naam van Kerel schamen", gromde Robrecht met toorn. "Ach, ik verbrijzel veel liever mijn zwaard dan het aan de zijde van moordenaars te moeten voeren!"
En onder het uitspreken dezer woorden trok hij zijn zwaard uit de scheede; doch, eensklaps zich bedenkende, stak hij het weder in en zeide op droeven toon:
"Mijne ooms! ik mag ze niet verlaten; ik moet ze steunen, beschermen misschien. Hoe zullen zij bedrukt zijn en schrikken, zij, de hoofden van ons geslacht! Men zal hen verantwoordelijk maken, de misdaad op hen wreken, op hen, die onschuldig zijn.... Keer terug naar huis, Dakerlia, of blijf hier met mijne zuster. Ik moet mij haasten naar den burg. Mijne ooms zullen zich tegen Burchards gewelddadigheid verzetten. Hij is in zijne blinde woede bekwaam om hen te mishandelen...."
De beide jonkvrouwen, in de gedachte dat Robrechts leven kon bedreigd zijn, wilden hem wederhouden; maar roepend dat het niet op zulk gevaarvol oogenblik was dat hij de vervulling van zijnen plicht zou verzaken, rukte hij zich los uit hunne armen en verliet de zaal, ondanks hun gekerm.
In de Hoogstraat zag hij vele lieden, die met gebaren van ontsteltenis en schrik van den kant van den burg kwamen. Onder hen bemerkte hij eenen poorter die hem goed bekend was. Dezen staande houdende, vroeg hij:
"Nu, Thiebald, wat geschiedt er op den burg?"
"O, mher Sneloghe, het is afgrijselijk! De graaf is vermoord in de vroegmis; zijn lijk ligt nog in zijn bloed op den vloer der kapelle!" antwoordde de poorter.
"Ik weet het. Waart gij er tegenwoordig?"
"Ja, ik sidder er nog van in al mijne leden."
"Ik bid u, Thiebald, zeg mij in eenige woorden: hoe is dit schromelijk ongeluk gebeurd?"
"De graaf zat geknield voor het autaar. Burchard Knap is genaderd en heeft hem met eenen enkelen slag het hoofd gekloofd. Ingelram Van Eessen heeft den hofraadsheer Tancmar den schouder afgehakt; Isaac Van Eeninghe heeft den hofbottelier bij de poort der kerk vermoord...."
"IJselijk, ijselijk!" morde Robrecht, de handen met wanhoop wringende.
"Kent gij niet mher Disdir Vos?" vroeg hij.
"Zeker, heer, ik ken hem wel."
"Was hij in de kapelle met de moordenaars?"
"Neen, hij was er niet, anders hadde ik hem gezien."
"En is Burchard Knap nog op den burg?"
"Neen, hij is daareven met zijne bende Houtkerels de stad ingeloopen, om Tancmars zonen te gaan dooden. Wee, wee ons, mher Sneloghe! de wrake Gods gaat nederstorten op onze stad, die besmet werd met zulke euveldaad."
Vier of vijf andere poorters waren genaderd; een hunner, die de laatste klacht had gehoord, riep dreigend uit:
"Wat raast gij daar, Thiebald? Dat gij een bloodaard zijt, weet iedereen. Hoe? gij beklaagt de dwingelanden? Gave God dat al de Isegrims dus naar de helle werden gezonden; dan zou Vlaanderen van zijne booze verdrukkers voor eeuwig zijn bevrijd!"
"Zinnelooze, gij weet niet wat gij zegt", morde Robrecht met eenen blik van misprijzen, doch hij liet de poorters staan twisten en haastte zich naar den burg.
Voor de poort der kerk greep hem eene ijskoude siddering aan en hij weerhield zijnen stap, als dede iets akeligs hem twijfelen of hij wel verder zou gaan. Daar lag een groote plas bloed, ter plaatse waar men den hofbottelier had gemarteld.
Zijnen moed te zamen rapende, sprong Robrecht met eene breede schrede over de gruwelijke vlek, beklom de trap en ging in de kapelle. Hier zag hij niemand dan eenige mannen, die met bloote zwaarden bij de deur van de gang naar het paleis op wacht schenen te staan, vijf of zes priesters, die met diep gebogen hoofde in de gestoelten zaten te bidden, en drie vrouwen, bij het altaar ten gronde geknield, die nevens het lijk weenden.
Akelig en doodsch was het hier als in een graf; slechts nu en dan werd de stilte door eenen pijnlijken snik der treurende vrouwen onderbroken.
Mher Sneloghe naderde tot het altaar en blikte lang met stommen schrik op het lijk van vorst Karel, dat daar nog in zijn bloed lag uitgestrekt, zooals het onder den slag van Burchards zwaard was neergestort[61].
De jonge ridder kon zijn medelijden niet bedwingen; hem borsten de tranen uit de oogen; maar welhaast ontstond er een grijns van diepe verontwaardiging op zijn gelaat, en hij dreef zijne tranen met geweld terug.
Tot de priesters gaande, zeide hij hun:
"Maar, eerwaarde heeren, waarom laat men het lijk van onzen armen vorst dus schandelijk liggen? Bewijst hem ten minste de eer die men allen dooden schuldig is."
De priesters schenen verwonderd over deze taal.
"Ach, mher Sneloghe, wij durven niet", antwoordde de kanunnik Ludgard, die hem een vriend was. "De moordenaars hebben gedreigd de kerk van St-Donaas te verdelgen, indien wij het lichaam van graaf Karel eenige eer bewijzen. Zij zwoeren bij duren eede, den eerste die zijnen dood durft beklagen, zonder genade neder te hakken. Zij gaan wederkeeren ..."
"En toch, wij mogen geenen godsdienst oefenen, geene plechtigheden vervullen in eenen tempel die door eenen moord ontheiligd is", bemerkte de oude kanunnik Littra.
"Het zij zoo", antwoordde Robrecht, "maar roept eenige broeders, doet het lijk zooveel mogelijk van bloed reinigen, legt het op eene baar en verbergt zijn hoofd en zijne gruwelijke wonde met een linnen kleed."
"Wij zijn u dankbaar, mher Sneloghe, voor uw Christelijk medelijden", zeide Ludgard. "Wij zullen gelukkig zijn dezen plicht jegens de stoffelijke overblijfsels van onzen vorst te mogen vervullen; maar wie zal den tempel en wie zal ons tegen de wraak zijner wreede moordenaars beschermen?"
"Wie, heeren? Ik zal u behoeden, al ware het zelfs ten koste van mijn leven. Zegt dat de proost het u heeft bevolen."
"De proost!" herhaalde de priester op eenen zonderlingen toon, die Robrecht verbaasde en verschrikte.
"O, mijn God!" kreet hij, "spreek toch duidelijk. Wat wilt gij zeggen? Beschuldigt gij den proost?..."
"Neen; maar hij is oom van Burchard. De ijselijke misdaad heeft hem zoodanig ontsteld, dat hij van moed en wil is beroofd. Hij bemoeit zich met niets meer, zegt hij. Hem ontbreekt de macht om ons te beschermen."
"Welnu, heeren, doet alles op mijn bevel, ik blijf verantwoordelijk. Wil iemand u hinderen, men roepe mij in de proostdij; ik zal onmiddellijk komen en verantwoorden wat ik u heb geraden."
Dit zeggende verliet hij de kapelle en ging over het middelplein van den burg, om zijnen oom te gaan spreken.
Een huisschalk hield hem terug, onder voorwendsel dat de heer proost bevolen had niemand tot hem toe te laten, wie het ook ware. Hij was zeer aangedaan en bedrukt, en wilde alleen zijn.