Part 22
Disdir Vos ging terug over de Kranebrug, maar nauwelijks had hij eenige stappen in de enge Robijnstraat gedaan, of hij bleef staan en keerde zich om; zijne gedachten veranderden echter weder en hij zette, in zich zelven sprekende, zijnen weg voort.
"Ja, dat Burchard en de anderen weder te zamen zijn, daarvan ben ik zeker", mompelde hij. "Zij hebben zich willen ontdoen van Robrecht en van mij, die inderdaad nooit den minsten lust had om aan dit helsche waagspel deel te nemen. Eilaas, ik heb mijnen slag gemist! Hij was zoo goed berekend nochtans! Had Robrecht tot den moord des graven toegestemd, ik hadde hem in eenen strik doen vallen, waaruit hij niet levend zou losgeraakt zijn ... Maar wij zijn nog niet dood ... tijd genoeg om mij te wreken ... zijn huwelijk is nog niet voltrokken ..."
Terwijl Disdir dus denkend en mijmerend voortstapte, wandelde er op den Dyver, niet verre van de Eeckhoutstraat, een man over en weder, die met inspanning zijner gezichtskracht door de duisternis poogde te dringen om te zien of niemand in de verte naderde.
Hij had reeds eene lange wijl gewacht, toen hij meende een gerucht van stappen te hooren. Sluipend week hij terug tot tegen de poort van eenen Steen, op den hoek der Eeckhoutstraat.
Iemand naderde hem.
"Vliegt de Blauwvoet?" murmelde hij.
"Storm op zee!" antwoordde eene grove stem.
Hij duwde de poort open, trad met zijnen gezel binnen en sloot ze weder.
"De vrienden zijn reeds hier", morde de eene. "Wij gingen haast vreezen dat u een ongeval was geschied."
"Ik dwaalde van mijne baan", antwoordde de andere. "Om de Markt te ontwijken, sloeg ik het Palmstraatje in. Daar hoorde ik stappen van menschen. Eene wacht misschien. Ik heb eenen langen omweg gedaan.--Nu, geenen tijd meer verloren! Leid mij tot de vrienden."
Zij traden schuins door den neerhof en gingen in eene kamer, waar eene kleine lamp brandde.
"De schalken zouden ons kunnen afspieden", zeide degene die den andere had ingeleid. "Ik doof het licht uit.--Spreek zeer stil![52]"
Daar zaten zij nu in eene zoo volledige duisternis dat zij elkaar niet konden zien.
"Gelukkiglijk zijn wij van de twijfelaars verlost", murmelde er een met verdoofde stem. "Niets kan ons nog verhinderen ons besluit uit te voeren. Haast gemaakt dus, en geene overbodige woorden."
"Maar de zaak van het feestmaal is verloren. Wat gaan wij doen?" vroeg iemand.
"Ik heb tijd gehad, om alles te overwegen", antwoordde de man met de zware stem. "Ziehier mijne meening. Wij moeten ons eerste ontwerp hervatten. Karel van Denemarken, zijt des zeker, gaat alle dagen ter vroegmis in de bovenkerk van St-Donaas. Iedereen mag er de mis bijwonen. Het is met deze korte dagen dan nog bijna donker. Mijn paard staat buiten de Zandpoort. Ik zal mij haasten naar Bethferkerke. Daar heb ik eene bende onverschrokken Houtkerels onder de hand. Komt morgen in de vroegmis op den burg; gij zult mij en mijne mannen daar, verspreid zien onder de beuken en tusschen de geloovigen; misschien zult gij ons niet herkennen. Het is gelijk, ik zal het sein geven door den dwingeland te treffen. Op den roep van 'Harop! Harop!' sluit gij alle uitgangen af. Geen Isegrim mag ontsnappen. Aanvaardt gij het voorstel, leggen wij dan nog eens daarop de handen te zamen[53]."
Zij zochten tastend elkander en zwoeren zwijgende den gruwelijken eed.
"Op weg nu! Verlaten wij, de eene na den andere, dezen Steen. Ik vertrek eerst; want mij is de tijd het kostelijkst. Tot morgen, heeren; ik betrouw op u als op mij zelven."
Hij werd door een der aanwezigen tot buiten de poort geleid en liep met lichte doch haastige stappen vooruit in de duisternis.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 51: "Isaac, Burchard, Willem Van Wervick, Ingelram en hunne medeplichtigen ... riepen tot dien eed den jongen Robrecht; maar de edele jonkman, verschrikt en tranen stortende, zeide: verre van mij het inzicht onzen vorst te verraden! Indien gij van uw opzet niet afziet, zal ik uw verraad den graaf openbaren."
GALBERTUS. in de _Mém rel. à l'hist. de France,_ tom. VIII, p. 258.]
[Voetnoot 52: "Binnentredende, doofden zij hunne vuren uit, opdat degenen, die in het huis waakten, hen niet zouden herkennen."
GALBERTUS, p 259.]
XIII
De kerk van St-Donaas, binnen den burg, was een schoone, groote tempel van Romaansche bouwstijl.
Hare middelbeuk was zeer verheven; maar van wederzijde verlengde zich eene lage, donkere nevenbeuk, waarvan het neergedrukte welfsel op korte pijlers rustte. Daarboven liep, rondom de geheele kerk, eene opene gaanderij, vanwaar de geloovigen even goed als beneden de priesters aan den autaar konden zien en de goddelijke diensten bijwonen.
De Zuidelijke zijde dezer gaanderij had men van het overige gedeelte afgescheiden, en tot eene kapelle voor den graaf van Vlaanderen ingericht.
Zij was versierd met een prachtig altaar en met schoone heiligenbeelden. Een kostbaar gesnedene knielbank voor den graaf prijkte in haar midden, bijna aan den voet des altaars. Er stonden aan beide zijden gestoelten voor de lieden van het hof en, meer naar den gemeenen ingang, vele rijen houten banken voor de geloovigen, die 's graven misse wilden bijwonen; maar vooral voor de arme menschen, die gewoon waren hier in menigte te komen, met de hoop van den vorsten aalmoezen te genieten.
Deze verhevene kapelle, die men de opperkerk noemde, had eenen ingang voor het volk, die met eenen engen steenen trap onder de lage beuk der benedenkerk uitkwam; maar dicht bij het altaar was eene tweede deur, uitsluitelijk bestemd ten gebruike des graven. Een gewelfde gang liep van daar over de Hoogpoort naar het paleis, op zulke wijze dat vorst Karel, uit zijne slaapkamer tredende, zich ter kerk kon begeven zonder het plein van den burg te moeten overstappen.
De nacht was ongewoon donker geweest, ter oorzake van eenen dikken mist, die reeds van den avond te voren als een somber baarkleed over de aarde was nedergezakt.
Nu ging de morgenstond aanbreken; maar nog was de nevel zoo dik, dat men nauwelijks op een paar stappen verre de voorwerpen als onduidelijke schaduwen kon onderscheiden.
In de opperkerk van St-Donaan hadden de broeders en klerken van het klooster een aantal waskaarsen op en nevens het altaar aangestoken, in afwachting dat het uur der vroegmis verscheen.
Vele geloovigen,--poorters uit de naburige straten, of arme menschen, waartusschen ook eenige vrouwen,--traden onder de donkere poort der kerk en beklommen langzaam den steenen trap, om in 's graven kapelle de misse te gaan hooren.
Maar wat niemand bemerkte was, dat nu en dan vele mannen met bruine mantels en breede hoeden den steenen trap voorbijstapten om zich in de duisternis onder de lage nevenbeuk der benedenkerk te gaan verbergen.
Eenigen dezer scheidden zich echter zonder spreken bij de groote ingangpoort van hunne makkers en bestegen den trap. Onder het opklimmen fluisterden zij nog elkander geheime woorden toe, doch zoohaast zij de deur der opperkerk bereikten, hielden zij zich alsof zij elkander geheel vreemd waren, en stapten stil en met zedige houding, ieder in eene verschillende richting, door de geloovigen, om plaats op eene der knielbanken te zoeken.
Zoo naderde er nu een man, die op eenen stok leunde, tot eene der voorste banken en knielde neder tusschen twee vrouwen. Zij bezagen hem, voor zooveel het schemerlicht der waskaarsen het hun toeliet; zijne hooge gestalte verwonderde hen. Maar de man moest ziek of zeer oud zijn; want hij ging diep gebogen, en dat hij noodlijdend was, kon men genoeg bemerken aan zijnen gelapten en gescheurden mantel. Ongetwijfeld kwam hij, evenals vele andere arme lieden, in de kapelle om deelachtig te worden aan de aalmoezen welke de graaf gewoon was in de vroegmis uit te deelen.
Van zulke zonderlinge arme lieden bevonden er zich nu een zeker getal in de kapelle tusschen de geloovigen verspreid; maar alhoewel de eerste dagschemering als een flauwe melkachtige schijn zich aan de buitenvensters vertoonde, was het nog zoo donker in het diepe der kapelle, dat men zelfs de lieden, nevens wie men onmiddellijk was gezeten, niet duidelijk kon onderscheiden.
Het uur der vroegmis moest verschenen zijn; want alles was gereed op het altaar. Een koorknaap hield zelfs de hand aan het zeel eener klok, om op het eerste sein te kleppen; ja, in de opene deur van het sakristijn, vertoonde zich nu en dan een priester in plechtgewaad, die als met ongeduld naar de deur blikte, om te zien of de graaf nog niet kwam.
Ook de arme man met den gescheurden mantel scheen door ongeduld aangejaagd; want, ofschoon hij diep voorover op zijne knielbank gebogen lag, hief hij bij het minste gerucht het hoofd op en liet het dan weer nederzakken, onder het slaken van een versmacht gemor. De nevenszittende vrouwen meenden, dat hij zuchtte van verdriet, omdat degene, van wien hij hulp voor zijnen nood verhoopte, zoolang zich liet wachten.
Maar zij bedrogen zich in hun medelijden; want in het hart, dat onder den gescheurden mantel onstuimig klopte, woelde de vurigste haat en gloeide de dorst naar bloed. Indien de graaf, door Robrecht Sneloghe gewaarschuwd, of door onpasselijkheid belet, in de vroegmis niet verscheen, dan ontsnapte hij aan de wraakzucht van zijnen vijand, en verijdeld werd de zoo wel beraamde aanslag! Alle hoop was dan voor Burchard verloren; want het leger van Atrecbt was misschien reeds in Vlaanderen, en graaf Karel, door zulke macht van ridders omringd en beschut, zou niet meer naakbaar zijn voor een balling, die in het diepe van Kerlingaland eene schuilplaats zou moeten zoeken.
Terwijl de moordzuchtige Burchard dus in zich zelven het dreigend lot vermaledijdde en eene klimmende hopeloosheid in zijn hart voelde zinken, kwam er uit het sakristijn een priester, dien hij voor den hofkapelaan herkende. Deze verdween in de deur welke toegang gaf tot het paleis. Burchard twijfelde niet of hij wilde naar de reden van des graven afwezigheid gaan vernemen. En inderdaad, hij misgreep zich niet; want de priester begaf zich voor de gang naar de nachtvertrekken des vorsten. In eene voorzaal ontmoette hij Jan Cauwenoghe, den kamerdienaar des graven, die op zijne vraag antwoordde:
"Onze heer graaf heeft zeer slecht geslapen dezen nacht: hij gevoelt zich niet wel en is later dan naar gewoonte opgestaan; maar nu is hij gekleed en komt oogenblikkelijk. Er is geen belet: ga maar binnen, heer kanunnik."
De priester klopte en opende de deur. Hij vond den graaf staande te midden der kamer, terwijl een andere dienaar hem hielp om de kap op zijn hoofd te schikken.
"Ik vraag u verschooning, kapelaan", zeide de vorst. "Laat ik u wachten, het is mijne schuld niet. Nog een paar minuten."
"Maar indien Uwe Hoogheid onpasselijk is", bemerkte de priester, "ware het beter nog wat te bedde te blijven en te rusten."
"Neen, neen, heer kanunnik, ik voel heden, meer dan andere dagen den nood om God te bidden. Ik heb zoo slecht geslapen, den gansenen nacht gedroomd van ijselijke dingen, koortsig geweest en gewoeld, als ware het bed mij eene pijnbank geworden[54]. Kanunnik, gij kent de Kerels, gij; zouden zij inderdaad bekwaam zijn om mij bij verrassing te dooden?"
"U dooden?" herhaalde de priester verschrikt. "Vreest gij dit, heer graaf?"
"Men heeft het mij gezegd; nu heb ik herhaalde malen er van gedroomd."
[Illustratie: ...Met gekloofd hoofd op den vloer der kerk ... (Bladz. 267.)]
"Het is misschien eene waarschuwing des hemels!" zuchtte de kanunnik. "Blijf in uwe kamer, heer vorst, de kapel is vol volk. Wie weet?"
"Is er niet dagelijks volk in de kapelle? God houdt mijn leven in Zijne handen", zeide graaf Karel met eenen glimlach. "Heeft Hij er over beschikt, dan kan een moordenaar mij even goed hier treffen als in de kerk. Zou ik nalaten mijne Christelijke plichten te vervullen, omdat een zwarte droom mijne nachtrust heeft gestoord Ik volg u, kapelaan."
Hij duwde eene andere deur open en zeide tot de ridders die daar op zijne bevelen stonden te wachten:
"Heeren, wij zijn gereed en gaan ter misse. Gelieft ons te volgen."
Hierop trad hij met den kapelaan uit de kamer. Na hem kwamen de volgende personen: Tancmar Van Straten, zijn geheimraadsheer; Gervaas Van Praet, zijn opperkamerling; Walter Van Lokeren, zijn hofbottelier, met dezes broeder Eustaas Frumold, Arnold en Ogier, zijne schrijvers en rekenmeesters met nog vier of vijf andere hofbedienden.
Toen de graaf in de kapelle verscheen, klepte men het klokje, dat bij het sakristijn hing.... Een onwillige kreet ontsnapte den man met den gescheurden mantel; maar hij boog onmiddellijk het hoofd zoo diep dat, al hadde er meer licht in de kapelle geheerscht, men toch zijne wezenstrekken niet zou herkend hebben.
Graaf Karel knielde neder op weinig afstand van het altaar; de lieden van zijn gevolg namen plaats in het gestoelte. De mis begon....
De priesters zongen de morgengebeden, en de vorst, zijne stem met de hunne parende, zeide de psalmen Davids op, terwijl in het overige der kerk de diepste stilte heerschte. Toen de misse eenigszins gevorderd was en graaf Karel met luider stemme den _pater_ opzeide, verliet Tancmar Van Straten het gestoelte, haalde eene zijden beurs uit zijne tasch en legde, volgens de dagelijksche gewoonte, eene handvol deniers op het rustbord van 's vorsten knielbank.
Dit was een teeken voor de arme lieden, die nu van tusschen de banken en zoo stil mogelijk den graaf naderden om eene aalmoes uit zijne hand te ontvangen.
Ook de hoogstaltige man met den gescheurden mantel stond op. Zich diep gebogen houdende en leunende op eenen staf, als hadde hij moeite om zijne verstijfde beenen te sleepen, stapte hij langzaam vooruit en schikte zich tusschen andere noodlijdenden, achter des graven rug.
Eene zieke vrouw, met een kind op den arm, stak het eerste hare hand uit, om den denier te ontvangen, dien graaf Karel haar toereikte.... Maar op dit oogenblik wierp Burchard den gescheurden mantel zich van de schouders; een zwaard bliksemde in zijne handen, en hij sloeg het neder met zulk wreed geweld, dat de arme graaf, zonder zelfs eene klacht te kunnen uiten, met gekloofd hoofd op den vloer der kerk achterover stortte ...[55]
De arme lieden vluchtten weg van het autaar en vervulden de kapelle met den weekreet: "Wacharm! Wacharm! Wacharm!"
Maar boven dit noodgekerm heerschte de machtige stem van Burchard, die schreeuwde:
"Harop! Harop! Leve Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen! Heil Willem! Heil! Heil!"
In de benedenkerk hergalmden even ras dezelfde kreten, alsof van daar honderd verwarde stemmen het akelig moordgeroep hadden beantwoord.
Door de afschuwelijkheid zelve der ongehoorde misdaad verstomd dachten de ridders des graven in den eerste op geene tegenweer welke zij overigens als onmogelijk aanzagen. Zij waren terzijde gesprongen, om de slingeringen van Burchards zwaard te ontwijken; twee of drie waren zelfs langs de naaste deur in bet paleis gevloden om daar hulp te zoeken.
Tancmar Van Straten wilde hen volgen; maar Ingelram Van Eessen, die nu met vijf of zes man toeschoot, gaf hem eenen wreeden zwaardslag. Met geopenden schouder viel de hofraadsheer levenloos in zijn bloed ten gronde[56].
De geloovigen liepen kermend naar den uitgang en verpletterden elkander bij de nauwe deur om te ontvluchten. Velen waren reeds op den steenen trap geraakt; maar daar ontmoetten zij de mannen van Burchard die, als een woeste drom, de vliedenden terug naar boven dreven en achter hen met woedend wraakgeschreeuw de kapelle binnenstormden.
In deze drukke verwarring was het onmogelijk iemand te herkennen of te vervolgen; de moordenaars zelven werden voortgewoeld en onweerstaanbaar tot tegen den autaar gedrongen. Dit gaf den meesten van 's graven lieden tijd en middel om te ontkomen; doch, dewijl Ingelram Van Eessen de deur naar het paleis hield bezet, zagen zij zich gedwongen een anderen weg te zoeken of zich te verbergen. Dan eerst werd de uitgang naar de benedenkerk vrij; ook bleef er, een oogenblik daarna, niemand meer in de bovenkerk dan de moordenaars en drie of vier priesters, die bevend en weenend op het bloedige lijk van Karel staarden, zonder het evenwel te durven raken.
De moordenaars, vreugdedronken over hunne gemakkelijke zegepraal, deden niets dan juichen en schreeuwen:
"Heil Willem, heil den nieuwen graaf van Vlaanderen! Heil! heil!"
Maar Burchard, door eenen schallenden klank zijner stem, gebood hun de stilte en zeide:
"Zwijgt, mannen, ons werk is niet volvoerd. Met den graaf waren hier een tiental vermaledijde Isegrims. Zij kunnen niet ontvlucht zijn; de uitgangen der kapelle waren bezet; zij zijn dus verborgen. Doorzoekt alle hoeken en kanten; en, vindt gij iemand, brengt hem hier voor mij. Wie mij Walter Van Lokeren levert, of Gervaas Van Praet, of den schrijver Frumold, dien geef ik drie marken zilvers!"
Zijne mannen, door het gezicht van twee lijken en van plassen bloed aangehitst, en door de hoop op de aanzienlijke belooning verlokt, begonnen hunne opzoekingen niet alleen in de kapelle, maar tevens in de benedenkerk.
Walter Van Lokeren, na Tancmar de heetste vijand der Kerels, hield zich verborgen achter het orgel. Een kerkdienaar had eenen mantel over hem geworpen, en hij zat, op den houten vloer ineengekropen, onder dit wijde kleedsel.
Hij hoorde hoe men zijnen naam uitriep en hem eenen ijselijken dood toezwoer; het hart klopte hem van angst, en het koude zweet brak hem uit. Alle hoop had hem echter niet begeven, want tot dan had geen zijner vijanden er aan gedacht deze schuilplaats te doorzoeken.
Maar nu hoorde hij eene bende woedende mannen naderen. Welhaast beukten zij zoo geweldig met hunne zwaarden op de orgelkas, dat elke slag als een doodvonnis in de ooren van den armen ridder hergalmde.
Zeker dat zij hem gingen ontdekken, sprong hij op en liep dwars door zijne vervolgers in de kapelle, met opgeheven armen tot God om hulp roepende en zijne vijanden om levensgenade smeekende.
Burchard en Ingelram herkenden hem. Zij liepen hem achterna en huilden als bloedzuchtige tijgers:
"Sla dood, sla dood, den snooden Isegrim!"
Walter Van Lokeren viel geknield voor den autaar, op het oogenblik dat Burchard hem bereikte en hem met de eene hand bij het haar greep, terwijl hij met de andere zijn zwaard ophief om hem den doodslag te geven.
Een priester hield evenwel zijnen arm terug en smeekte, met tranen in de oogen, om genade voor den ongelukkigen ridder; en, toen hij op het wraakzuchtig antwoord van Burchard wel merkte dat het leven van den hofbottelier niet te redden was, verzocht hij den moordenaar toch niet langer aldus de kapelle met bloed te besmetten en het huis Gods te ontheiligen.
Burchard en zijne beide eedgenooten, Ingelram en Isaac sleurden den ridder bij het haar over den vloer der kapelle naar de uitgangdeur.
"O, mijn God, mijn God, erbarm u mijner!" kermde Walter Van Lokeren. "Spaart mij, spaart mij!"
"Wij zullen u sparen zooals gij ons bij den graaf heb gespaard, valsche lasteraar![57]" antwoordde hem Burchard.
Zij rukten hem van de trap, brachten hem voor de deur der kerk en hakten daar allen te gelijk op hem, met zooveel woede, dat zijn lichaam schier onkennelijk was, toen zij het verlieten om in de benedenkerk naar nieuwe slachtoffers te zoeken.
Onderwijl hadden hunne mannen in de kapelle, achter den autaar de ware schuilplaats der gevluchte ridders en hofbedienden ontdekt. Opvolgend hadden zij uit dit donker hol, waarin men gewoon was de minst kostbare sieraden der kerk te bergen, zeven of acht personen gerukt en ze te midden der kapelle gesleurd, om te herkennen of er tusschen hen zich niet een der ridders bevond voor wie Burchard de marken zilvers had beloofd.
Deze ongelukkigen stonden daar nu bevend, met den doodsangst op het gelaat, en schouwend op het lijk van hunnen vorst, dat nevens hen in zijn bloed lag uitgestrekt. Zij twijfelden niet aan het wreede lot dat hun was beschoren; de eenen knielden neder, de anderen vouwden de handen, eenigen smeekten de priesters, die bij het sakristijn stonden, hunne biecht te willen hooren; allen spraken met misbaar en tranen van hunne kinderen of van hunne ouders ...
Onder hen bevonden zich Arnold en Ogier, des graven schrijvers; Bertyn en Baldwyn, zijne kamerdienaars; Godbert, zijn schenker, en de jonge Frumold, zijn schatbewaarder.
Deze laatste was een dergenen, voor wier levering Burchard drie marken zilvers had beloofd; maar de moordenaars kenden hem niet. Daarom, alhoewel zij hunne zwaarden en knijven boven de hoofden der gevangenen zwaaiden, sloegen zij hen niet. Zij wilden op de komst hunnen aanleiders wachten, opdat zij hun aanwezen wie van dezen hun onbekende lieden moest vermoord of behouden worden.
Frumold, die zich op de knieën had laten vallen, sprak met luider stemme zijne biecht, en bekwam dan ook de vergiffenis zijner zonden van eenen priester.
Den ring van zijnen vinger trekkende, bood hij dien den geestelijke en zuchtte:
"O, vader, ik smeek u, geef deze laatste herinnering aan mijne dochter Aleidis! Zeg het ongelukkig kind dat ik haar zegen, dat ik daarboven God voor haar zal bidden. Weze zij de arme ziel haars vaders gedachtig ..."
En na deze woorden deed hij vruchteloos geweld om nog te spreken: tranen en snikken versmachtten zijne stem.
De priester, door medelijden geroerd, veinsde de ontvangene boodschap onmiddellijk te willen volbrengen, en begaf zich naar de deur van den trap, zonder dat iemand der moordenaars hem belette uit te gaan. Hij had nog eenige hoop den schatmeester des graven te kunnen redden, en liep met dat inzicht naar de proostdij, om Bertulf te gaan verwittigen en zijne hulp in te roepen.
Al deze dingen waren geschied op minder tijd dan er noodig is om ze te verhalen. Nog altoos heerschte er eene halve schemering in de kapelle, alhoewel er reeds eene grijze klaarheid in de benedenkerk zich verspreidde.
Nu kwam Burchard met zijne bloeddorstige vrienden terug in de kapelle.
Isaac Van Reninghe herkende des graven schatmeester. Hij sprong op hem toe, rukte hem, onder het bulderen van schromelijke vermaledijdingen, de kappe van het hoofd, greep hem bij het haar en sleepte hem over den vloer, om hem buiten de kerk te gaan vermoorden.
Maar daar trad de proost Bertulf hem te gemoet, met den ouden Frumold, des schatmeesters oom, die, ondanks zijne zwakheid, Isaac om de lenden vatte en hem dwong zijn slachtoffer los te laten.
Burchard kwam toegeloopen. De proost zeide hem met tranen in de oogen:
"Neef, neef, wat hebt gij gedaan? Vreest gij dan niet dat de wrake Gods om zulke misdaad ons geslacht verdelge als een ras van Caïn?"
"Geene laffe woorden!" riep Burchard zeer trotsch. "Willem Van Loo is graaf van Vlaanderen. Aan hem alleen heb ik rekening mijner daden te geven en, keurt hij goed wat ik doe, wie zou mij durven laken?"
"De dooden zijn noch door klachten noch door gebeden op te wekken", zuchtte de oude Bertulf, "maar uit liefde tot uwen grijzen oom, spaar het leven dezer arme lieden!"
"Frumold moet sterven!" gromde Ingelram Van Eessen.
"Ach, Isaac, mijn vriend", smeekte Frumold, "heb deernis met mij, ontferm u mijner arme kinderkens, die op de wereld zullen blijven zonder steun!"
"Hoe? medelijden met u?" schreeuwde Isaac Van Reninghe, spotlachend. "Zijt gij het niet, die, meer nog dan anderen, ons bij den graaf hebt gelasterd? Gij zult sterven, al boodt gij ons zooveel goud aan als de kapelle kan bevatten. Kom, kom, naar de deur der kerk; ik alleen kloof u het hoofd!"
Onderwijl had de proost nog eenige woorden met zijnen neef gewisseld. Deze verhief de stem en, als een veldheer gebiedende, riep hij:
"Stil! Men zal hier doen wat ik beveel."
En zich tot Frumold keerende, die nog biddend op de knieën zat, vroeg hij, in schijn meer bedaard:
"Gij hebt de sleutels van des graven schat in uw bezit?"
"Hier zijn ze", antwoordde Frumold, eenen reesel sleutels uit zijne tasch halende.
"Er moeten verborgene schatten zijn?" mompelde Burchard.
"Ja, zulke zijn er", bevestigde Frumold, die begon te hopen dat de tusschenkomst van den proost hem misschien nog het leven zou redden.