# De Kerels van Vlaanderen

## Part 21

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-kerels-van-vlaanderen-13625/index.md

"Het zij zoo, ik zal mijnen oom pogen te verontschuldigen ... Maar indien graaf Willem den proost eenige bevelen zendt, zal hij gehoorzamen?"

"Zonder twijfel, Robrecht. Wat mij betreft, ik verzoek u, mher Willem te melden, dat ik alles geheimelijk in gereedheid breng om den burg van Brugge voor de Kerels te behouden, en ik zijne bevelen afwacht om, waar het zijn kan, ze getrouwelijk te volbrengen. Blijf nu in vrede, mijn neef, en vergeet niet, wanneer gij in het leger zijt, ons zoo dikwijls als het mogelijk is tijding van u te zenden. Goeden nacht en goede reis!"

Robrecht vergezelde zijnen oom tot buiten de poort van den Steen. Dan keerde hij terug naar de zaal, legde zijn zwaard af en zette zich neder, met den elleboog rustend op de tafel en de oogen onvast in de ruimte gericht.

Hij overwoog het zonderling gedrag van zijnen oom Bertulf en voorzag dat uit den verborgen haat, dien hij en Willem Van Loo elkander toedroegen, nog ongelukkige verwikkelingen voor de Erembalds en misschien voor Kerlingaland konden ontstaan.

Dien dag was Disdir Vos op den burg gekomen en had lang met den proost over de beslissingen van den Hoop gesproken. De oude Bertulf had zijne ontevredenheid en zijnen afkeer van mher Willem niet verborgen. Indien de nieuwe graaf door Disdir Vos of door iemand anders daarvan kennis kreeg, zou hij dan niet de Erembalds vijandig worden? De proost, anders zoo wijs en zoo voorzichtig, liet zich nu door een gevoel van haat verblinden.

Terwijl mher Sneloghe daar bij de tafel zat en in verslondenheid den gevaarlijken toestand der zaken overdacht, stonden achter St-Janskapelle twee mannen, die in stilte doch met zekere driftigheid van hem spraken.

Nevens den muur der kapelle, was de duisternis nog dikker; geen mensch hadde kunnen zien dat iemand zich daar bevond; evenwel hadde men ze kunnen hooren, want zij spraken zeer stil.

"Nu, waarom wijkt gij terzijde? Waarom blijft gij staan?" vroeg de eene.

"Zeg wat gij wilt", antwoordde de andere, "zoo sla mij Thors hamer, indien gij ons niet eene gevaarlijke dwaasheid doet begaan!"

"Maar, neen", wedervoer de eerste fluisterende. "Het is tot het bereiken van ons doel volstrekt noodig dat Robrecht Sneloghe ons helpe."

"Hij zal weigeren."

"Geenszins."

"Hij eerbiedigt te veel zijne ooms, en dezen schrikken terug van alle krachtdadigheid."

"Dit is grondig veranderd. Robrecht staat op tegen zijne ooms en beschuldigt ze van lauwheid en ontrouw. Ik heb hem dezen morgen luidop tegen den proost hooren roepen dat hij, Robrecht, voor niets meer achteruitwijken wil en bereid is, met blinde onderwerping onzen nieuwen graaf te gehoorzamen; ja, dat hij voor hem zonder aarzelen goed en bloed zal ten offer brengen."

"En evenwel kan ik het niet uit mijn hoofd krijgen dat wij eene domheid begaan."

"Gij hebt mijne redenen goedgekeurd, gij en onze vrienden. Waarom dwingt gij mij nu ze alweder te herhalen? Wat wij gaan ondernemen belaadt ons met eene schromelijke verantwoordelijkheid. Om te beletten dat de proost en de kastelein zich tegen ons keeren, moeten wij mher Sneloghe met ons doen samenspannen en samenwerken. Zoo zullen dan de hoofden der Erembalds, uit verkleefdheid en liefde voor hem, ons allen beschermen en verdedigen Zeg Robrecht, dat onze graaf het beveelt of verlangt, en gij zult zien dat hij onmiddellijk zal toestemmen. Of twijfelt gij daaraan?"

"Ik weet waarlijk niet", gromde de andere, half schertsende, "waarom gij zoo vurig en zoo onverwinnelijk aandringt om Robrecht deel aan onze onderneming te geven. Ik zou haast gaan denken dat gij de zaak voor eene gevaarlijke halsbrekerij aanziet, en daarom mher Sneloghe het spel wilt doen wagen. Uit genegenheid zeker niet, gij haat hem."

"Neen, ik heb alle vijandschap afgelegd. Geene andere beweegreden drijft mij aan dan alleenlijk de voorzorg om het gelukken onzer poging, ook na den slag, te verzekeren."

"Welaan, het zij dan zoo. Wij zullen zien hoe hij het voorstel onthaalt. Aanvaardt hij het, hij zal zijn woord getrouw blijven tot het einde. Daarvan ten minste mogen wij zeker zijn. Gedragen wij ons evenwel voorzichtig met hem. In zijnen Steen zullen wij hem het ontwerp niet te kennen geven. Als hij Willem Van Wervick, Isaac Van Reninghe en Ingelram Van Eessen ziet, zal hij beter gelooven dat de zaak niet roekeloos door mij wordt gewaagd ... Kom nu, laat ons gaan, maar zwijgen wij!"

Zij stapten met looze treden de St-Jansstraat in, keerden achter den hoek der Ridderstraat, en slopen dan voort door de onpeilbare duisternis tot voor de poort van sher Robrechts Steen.

Een hunner liet den ijzeren klopper driemaal met zekere berekende tusschenpoozen nedervallen.

Dewijl men daarbinnen nog waakte, kwam schier onmiddellijk een schalk achter de poort staan.

"Wie daar?" riep hij door het kijkgat.

"Spreek stil", werd hem geantwoord. "Ga, zeg uwen meester dat vrienden hem wenschen te spreken. Hij kome zelf om ons te herkennen."

Na eene korte wijl vroeg hem eene andere stem:

"Vliegt de Blauwvoet?"

"Storm op zee!" antwoordde een hunner. "Doe ons open, Robrecht."

"O, mijn God, Burchard!" morde iemand achter het kijkgat.

"Stil, stil, en ontsluit de poort!"

Robrecht opende metterhaast en leidde de twee ontijdige bezoekers zonder spreken tot in de zaal, welke hij zooeven had verlaten. Hij sloot de deur en zeide met verrassing:

"Burchard, gij hier! Vreest gij dan niet voor uw leven? Indien men u herkende!"

Burchard antwoordde schertsend:

"Zonderlinge vraag op het oogenblik dat wij allen lijf en have voor de vrijheid van Kerlingaland gaan wagen! Vreest mijn vriend Disdir Vos eenen banneling in de straten van Brugge te vergezellen? De tijd is gekomen dat elke Kerel moet spotten met den dood!"

"Het is waar", bevestigde Robrecht. "Gij hebt mij ongetwijfeld iets bijzonders te melden, heeren; want zoo, te midden van den nacht, bezoekt men toch zijne vrienden niet zonder gewichtige redenen."

"Ik kom vanwege den graaf van Vlaanderen tot u."

"Vanwege graaf Willem!" kreet Robrecht twijfelende.

"Vanwege den eenig wettigen graaf van Vlaanderen", herhaalde Burchard met nadruk. "Gij weet het, of anders maak ik het u bekend, ik geniet gansch zijne gunst en ben zijn vertrouweling. Hij heeft mij met eene moeilijke onderneming belast. Wat ik u kom vragen, Robrecht, is of gij bereid zijt, op mijn verzoek en ten dienste van Kerlingaland, alles te wagen, zelfs uw leven."

"De vraag is kwetsend!" morde de jongeling.

"Hij heeft gelijk", zeide Disdir Vos. "Gaf mher Sneloghe ooit iemand recht om aan zijne onversaagdheid te twijfelen? In deze zaak is eer en roem te behalen. Hoe zou hij kunnen weigeren?"

"Nu, laat ons klaar zijn; de tijd is kostelijk", viel Burchard hem in de rede. "Ziehier, Robrecht, waarom wij tot u gekomen zijn. Iemand heeft onzen graaf Willem een ontwerp medegedeeld dat, kan het uitgevoerd worden, de vrijheid der Kerels voor altijd moet redden en waarschijnlijk den oorlog nog zal voorkomen. In alle geval zal het de macht onzer vijanden eenen ontzaglijken slag toebrengen. De graaf heeft dit ontwerp goedgekeurd en mij belast in Brugge eenige moedige ridders op te zoeken om het uit te voeren. Het is een moeilijk waagspel, dit wil ik u niet verbergen; er is onversaagdheid, zelfs vermetelheid toe noodig. Ik heb gedacht, Robrecht, dat ik, naar manhaftige ridders zoekende, het recht niet had u te vergeten."

Robrecht stapte naar eenen hoek der zaal en zeide:

"Ik trek mijn maliehemd aan; want men kan ..."

"Neen, neen, nuttelooze voorzorg", onderbrak hem Burchard; "de onderneming is niet voor heden. Nu gaan wij slechts naar eene vergadering van vrienden, die op u wachten om te beraadslagen over de beste middelen tot gelukken. Daar zal men u kennis geven van het ontwerp. Binnen een uur zijt gij hier terug."

"Welaan, ik volg u, heeren", zeide Robrecht, terwijl hij zrijn zwaard aangordde. "Gij twijfeldet aan mijne bereidwilligheid? Is er waarlijk eene poging, hoe vermetel ook, ten voordeele van Kerlingaland te beproeven, ik zal u toonen dat niets mij kan doen aarzelen; integendeel, ik ben u innig dankbaar omdat gij in zulke omstandigheid aan mij hebt gedacht."

"De graaf weet dat gij van de onzen zult zijn. Hij zelf duidde u aan."

"Hoe is het mogelijk, Burchard? Kent hij mij?"

"Wie kent u niet onder de ridders van Kerlingaland?"

"In alle geval, ik zal bewijzen dat ik zijn vertrouwen waardig ben. Vertrekken wij!"

Toen zij bij de poort waren en in de straat zouden stappen, fluisterde Burchard:

"Zwijgt nu en volgt mij. Langs de St-Jansstraat mogen wij niet gaan. Laat ons afdalen tot op de Spiegelrei: daar is de weg gansch eenzaam."

Na eenigen tijd door de duisternis te hebben voortgeslopen, kwamen zij in de Grauwwerkersstraat voor eenen grooten Steen, waarvan de poort op een enkel teeken van Burchard werd geopend.

Men leidde Robrecht over den neerhof tot in eene zaal, die in de diepte van het gebouw was gelegen.

Burchard sloot de deur en stak bedektelijk den sleutel in zijne tassche.

Hier zaten rondom eene tafel drie ridders, die Robrecht kende als zeer manhaftige Kerels, en wier ouderdom en goede faam hem een vol betrouwen in hunne oprechtheid moesten inboezemen. Het waren Ingelram Van Eessen, Isaac Van Reninghe en Willem Van Wervick.

Deze ridders betuigden eene groote blijdschap bij de intrede van Robrecht; zij stonden van hunne zetels op, gingen hem te gemoet en drukten hem de handen, met allerlei vleiende bewoordingen hem lovende voor zijne bereidwilligheid.

Het was bovenal Isaac Van Reninghe, die meer dan anderen prijs aan de tegenwoordigheid van mher Sneloghe scheen te hechten.

"Maar, heeren", vroeg Robrecht met eenige spijt in de stem "twijfeldet gij aan mijnen moed?"

"In het geheel niet", antwoordde Willem Van Wervick, "maar het ontijdig uur, de bijzondere, de ongewone aard onzer onderneming ..."

"Hoe het zij, heeren", morde Robrecht, "ik zal mij wreken over uw mistrouwen, door u te toonen dat ik niet gierig ben op mijn bloed."

"Het is Burchard die ons wilde doen gelooven dat gij niet zoudt komen", bemerkte Isaac.

"Mher Sneloghe is tot nu toe toe min of meer van het gevoelen zijner ooms geweest", zeide Burchard, "die gelooven dat men Kerlingaland kan redden met voor zijne dwingelanden te knielen en om genade te smeeken. Heb ik mij aangaande mijnen vriend Robrecht misgrepen, het verheugt mij, en ik wensch hem uiterharte geluk. Nooit heb ik aan zijne dapperheid getwijfeld."

"Mij toch kan mher Sneloghe niet beschuldigen", riep Disdir Vos. "Getuigt het, heeren, dat ik van den beginne af mij borg heb gesteld voor zijnen moed en zijne bereidwilligheid."

"Ik dank u, Disdir", murmelde Robrecht, zonder eenig mistrouwen de hand van zijnen geheimen bloedvijand drukkende.

"Nu, zitten wij neder, heeren", sprak Ingelram Van Eessen. "Deze betwisting is overbodig: onze blijdschap over de tegenwoordigheid van mher Sneloghe moet hem bewijzen hoe wij allen hem liefhebben en eerbiedigen. Gaan wij over tot de zaak welke ons hier doet vergaderen."

En toen allen gezeten waren, hernam hij:

"Is mher Sneloghe bereid om met ons de handen te zamen te leggen, als eenen eed van getrouwheid jegens elkander, en als eene belofte dat hij verborgen zal houden wat hij hier gaat vernemen?"

"Ik ben er toe bereid", antwoordde Robrecht. "Ziedaar mijne hand, heeren; ik beloof u te helpen als een trouw gezel, en verbind mij tot het geheimhouden van alwat ik hier kan vernemen."

Allen stonden op en traden in het midden der kamer, waar zij met Robrecht de handen te zamen legden. Dit was onder de Kerels de vorm van den duursten eed, en daardoor verbonden zij zich te gader en elk jegens al de anderen tot het trouw vervullen der aldus bezworene beloften.

Ieder nam weder zijne plaats bij de tafel.

"Nu gaat gij alles weten, mher Sneloghe", zeide Ingelram Van Eessen. "De verklaring der zaak eischt niet veel woorden. Tweeduizend ridders, gevolgd door talrijke benden wapenknechten zijn uit Atrecht vertrokken om ons het slavenjuk te komen opdwingen. Dit leger zal te Yperen zijn voordat de Kerels der Ambachten in het Wolvennestbosch kunnen vergaderen. Kerlingaland is dus beslissend verloren, indien wij het niet redden door eenen stouten slag. Met goedkeuring van onzen graaf en veldheer Willem Van Loo, gaan wij dien slag wagen. Overmorgen, in den namiddag, geeft Karel van Denemarken eenen grooten maaltijd ter eere der twee gezanten, die vanwege den Keizer aan zijn hof zijn gekomen. Natuurlijk zullen de voornaamste Isegrims, de gezworene vijanden der Kerels, aan den disch zitten. Het feestmaal zal lang duren; de dagen zijn kort; het wordt vroeg donker. Welnu, een vijftigtal onbevreesde Houtkerels, meer, indien het noodig is, wachten slechts een bevel van ons, om bedektelijk in de stad te vergaderen. Wij stellen ons aan hun hoofd, sluipen, door de duisternis begunstigd, op den burg, stormen in de feestzaal, vallen op de Isegrims en dooden al de dischgenooten, behalve de afgezanten des Keizers ..."

"En de graaf?" morde Robrecht ontsteld.

"Onze eerste slag is voor Karel van Denemarken; hij vooral moet sterven, de dwingeland!"

Mher Sneloghe sprong recht; hij was bleek en scheen te beven.

"Maar het is een sluipmoord, eene afschuwelijke misdaad!" riep hij uit. "En gij hoopt dat ik mijne handen zal doopen in het bloed van vorst Karel? Bij verrassing? als een struikroover die nederstort op een weerloos slachtoffer? Nooit! nooit!"

"Uw eed; gij zijt verbonden!" kreet Burchard.

"Gij hebt mij bedrogen, door listige woorden mij verleid", wedervoer Robrecht. "Het is eene snoodheid. Ik moodenaar? Ha, nu begrijp ik uw mistrouwen en ik roem er op! Ja, heeren, gij waart rechtvaardig jegens mij, toen gij vreesdet dat ik zou weigeren deel te maken van zulk gruwelijk verbond."

"Gij hebt gezworen en zijt slaaf van uwen eed!" zeide Ingelram Van Eessen.

"Dien eed hebt gij door vuige list mij ontrukt. Ik verbreek hem. Hoe? Gij komt mij vragen of ik bereid ben mijn leven voor de vrijheid van Kerlingaland te wagen ... en nu eischt gij dat ik het helpe vermoorden door de schandelijkste euveldaad?... Ja, vermoorden! De gansche wereld zal tegen ons opstaan; de Kerels der Ambachten zelven zullen terugschrikken; de wapens zullen hunne handen ontvallen; uit schaamte zullen zij het hoofd buigen en moedeloos het juk aanvaarden, als eene rechtvaardige straf der ijselijke misdaad!..."

"Gij hebt te Veurne onzen graaf Willem eene blinde gehoorzaamheid beloofd", zeide Burchard.

"Ha, daarin bestaat vooral uw bedrog", wedervoer Robrecht met verontwaardiging. "Gij wilt mij doen gelooven dat graaf Willem dezen moord goedkeurt? Welnu, het is niet waar, het kan niet waar zijn! Gij lastert hem. Hij zou u geboden hebben Karel van Denemarken te dooden? bij verrassing? als laffe sluipmoordenaars?"

"Het vonnis is geveld, Karel moet sterven!" gromde Willem Van Wervick.

"Welnu, neen, hij zal niet sterven!" riep Robrecht met kracht. "Uw afschuwelijk opzet wil ik beletten. Morgen vroeg reeds zal de proost van St-Donaas weten wat hier is beraamd ... en, moest ik zelf tot graaf Karel gaan om hem te waarschuwen, ik zou niet terugtreden voor zulke daad!"

Isaac Van Reninghe was opgestaan en legde nu den arm over Robrechts schouder.

"Kom, mijn vriend, bedaar toch; gij dwaalt", zeide hij. "Er is geen ander middel meer om Kerlingaland voor eeuwige slavernij te behoeden. Karel van Denemarken is de valschte mensch der wereld, hij verdient honderdmaal den dood. Wees beter beraden; aanvaard de dwingende noodzakelijkheid."

Robrecht, door eene plotselijke gemoedsomkeering ontroerd, stiet langzaam den arm van sher Ingelram terug, aanschouwde met diepe droefheid de andere ridders en hief de handen als eene klacht ten hemel.

"Wat? Tranen in zijne oogen!" schertste Willem Van Wervick "Hij bemint wel vurig den dwingeland, dat de gedachte zijns aanstaanden doods hem doet weenen[51]!"

"Ik ween, ja", antwoordde Robrecht, "van afgrijzen, van medelijden! Mijne tranen vlieten over Kerlingaland, dat gij ten prooi gaat geven aan de vermaledijding der gansche Christenheid; over u, die u zelven en de Kerels gaat bevlekken met eeuwige schande ..."

Hij meende te bemerken dat Disdir Vos en Isaak Van Reninghe hem met min onwil dan hunne gezellen aanhoorden. Dit boezemde hem eenige hoop in. Hij trad een paar stappen vooruit en sprak biddende:

"Ach, vrienden, hoort mijnen raad aan! Gij zijt de speelbal van den boozen geest, die u met verblindheid slaat. Karel van Denemarken eenen koningszoon, eenen telg onzer graven, vermoorden laffelijk, bij verraad? O, ik smeek u, doet het niet! Het is nog tijd; keert terug op uw noodlottig besluit. Ik bezweer u, doodt toch niet zoo uitzinnig onze vrijheid en ons vaderland!"

"IJdele woorden, wat besloten is zal uitgevoerd worden!" antwoordde Ingelram met somberen toon. "Al haddet gij gelijk in uwe voorspelling, Kerlingaland is toch verloren. Welnu, het verga veeleer gewroken dan machteloos en vernederd. Noodlottige gedachte die ons deed besluiten de hulp te vragen van iemand wien de sterkmoedigheid ontbreekt om den reddenden slag te wagen!"

"Alles wil ik wagen, alles wil ik opofferen voor de vrijheid", sprak Robrecht, fier het hoofd verheffende, "Met blijdschap zou ik sterven voor Kerlingaland ... in den oorlog, tegen gewapende vijanden, als een man, als een ridder. Maar weerlooze menschen gaan vermoorden, terwijl zij aan tafel zijn gezeten? Het denkbeeld zulker lafheid alleen doet mij sidderen van schaamte ... Gij blijft bij uw afschuwelijk besluit? Welnu, worstelt dan tegen mij; ik ben uw vijand, ik zal uw verfoeilijk opzet verijdelen! Neen, neen, gij zult ons dierbaar Kerlingaland niet met u nederstorten in eenen afgrond van vermaledijding en schande. Hoopt niet Karel van Denemarken te treffen: Kerels, zoo onversaagd als gij, zullen waken rondom hem. Vaartwel, ik wil niets gemeens meer hebben met moordenaars!"

Deze stoute taal trof al de aanhoorders met verbaasdheid. Ingelram Van Eessen raasde als een dolzinnige, en sprak van niets min dan van Robrecht het hoofd te klooven, om hem te beletten zijne eedgenooten te verraden. Isaac Van Beninghe had veel moeite om hem te wederhouden van zijn zwaard te trekken. Wat Burchard Knap betreft, wonderlijk genoeg, die scheen te droomen en zeide niets.

Onderwijl was mher Sneloghe naar de deur der zaal gegaan en meende deze te openen; maar hij vond ze gesloten.

Daar stond hij nu, de andere ridders met vlammende oogen en met eenen grijns van misprijzen te bezien.

"Beloof ons ten minste dat gij ons geheim zult bewaren", zeide Isaac Van Reninghe.

"Neen, neen", kreet Robrecht zeer aangejaagd, "integendeel, ik zal het openbaren! Uwe namen zal ik verzwijgen; maar vorst Karel doen verwittigen, daarvan weerhoudt mij niemand!"

"Zijt gij dan een verrader? een verborgen vijand der Kerels?" vroeg Willem Van Wervick.

"De vijanden der Kerels zijn degenen die ons arm vaderland het brandmerk van den sluipmoord op het voorhoofd willen drukken!"

"Maar, vermetele", bulderde Ingelram, "weet gij niet waartoe uw eed ons recht geeft? Gij zijt in onze macht. Zoo het ons lustte in uw bloed het geheim te versmachten dat wij u hebben toevertrouwd?"

"Wat doet mij zulke bedreiging?" wedervoer Robrecht met eenen zuren spotlach. "Al spookte de dood voor mijne oogen, hij deed mij niet terugwijken voor het vervullen van mijnen plicht."

"Heeren", zeide Disdir Vos, als hadde hij iets uitgevonden dat alle moeilijkheid uit den weg kon ruimen, "ik bid u, blijft eene korte wijl nog bedaard en laat mij toe eenige woorden alleen met mher Sneloghe te wisselen."

Na een oogenblik wederstand te hebben geboden, gaf Robrecht toe aan zijn dringend verzoek en volgde hem tot in eenen hoek der zaal, waar beiden begonnen te kouten, Disdir ernstig en vleiend, Robrecht met onwil en spijtige gebaren.

Ondertusschen staken de anderen bij de tafel, op eenen wenk van Burchard, de hoofden bijeen en beraadslaagden geheimelijk over hetgeen hun te doen stond; want dat mher Sneloghe zou weigeren, daarvan achtten allen zich zeker.

Disdir Vos keerde tot zijne makkers en zeide:

"Vergeefsche moeite, heeren. Ik zelf begin te twijfelen of onze vriend Robrecht niet zou kunnen gelijk hebben. Ware het inderdaad niet raadzamer dat wij met gemeene toestemming van de gevaarlijke onderneming afzagen?"

En daar hij bemerkte hoe een glimlach van misprijzen Burchards lippen samentrok, haastte hij zich er bij te voegen:

"De verwijdering van mher Sneloghe bedroeft mij, ik beken het: maar ik wil evenwel mijnen eed getrouw blijven."

"Welnu, heeren, opent men mij de deur, of niet?" vroeg Robrecht dreigende. "Moet ik met mijn zwaard het slot verbrijzelen en mij door geweld eenen vrijen weg banen?"

"Nutteloos, gansch nuttelloos, mijn vriend Sneloghe", zeide Burchard, opstaande. "Ik heb den sleutel en zal de deur openen, niet voor u alleen, maar voor ons allen, ongetwijfeld; en gij, Robrecht, zult des te geruster kunnen slapen, daar gij u zult mogen beroemen ons door uwe redenen te hebben overwonnen. Bezie mij zoo zonderling niet. Wat ik zeg, is waarheid. Ik heb op uwe woorden diep nagedacht. Gij hebt mij overtuigd dat zulke aanval bij verrassing, al gelukte hij ten volle, meer kwaad dan goed aan onze zaak zou kunnen doen. Waarschijnlijk is mher Isaac insgelijks van deze meening?"

"Inderdaad", antwoordde Isaac Van Reninghe.

"En indien mher Ingelram wil toestemmen om van de uitvoering van ons ontwerp af te zien?"

"Alleen kan ik niets ondernemen", morde Ingelram, in schijn verstoord.

"Wat Disdir Vos betreft, die heeft reeds zijnen twijfel bekend", hernam Burchard. "Aldus vriend Sneloghe, gij ziet het, wij laten op uwen raad de voorgenomen poging varen. Wees gedankt, gij hebt ons teruggehouden van eene onvoorzichtige daad. Dat Karel van Denemarken, als verdrukker der Kerels, den dood verdient, wie zou dit durven loochenen? Maar gij hebt gelijk, het is niet zoo dat wij zijn bloed moeten vergieten. Laat ons nu dezen Steen verlaten, heeren, en ieder rustig zijnen weg gaan. Het is reeds diep in den nacht."

Allen begaven zich naar de deur en verlieten de zaal.

Robrecht sprak niet. Hem verwonderde de plotselijke ommekeer in de gemoedsstemming zijner gezellen. Lag daaronder eene list verborgen? Zouden de eedgenooten evenwel den beraamden moord pogen te plegen? Hij kon het beletten en zou niet nalaten dezen plicht te vervullen. Hij behoefde slechts, zonder iemand te noemen, den kastelein Hacket te verwittigen van het gevaar dat graaf Karel gedurende het feestmaal kon bedreigen. Daartoe had hij tijd genoeg, en hij was zelfs niet verplicht de nachtrust zijner ooms te gaan storen, vermits het bedoelde feestmaal slechts overmorgen moest gehouden worden. De kastelein zou alle wegen tot den burg doen bewaken en al de toegangen der Loove met genoegzame macht bezetten. Indien dan de saamgezworenen op den burg traden, zouden zij wel bemerken dat hun aanslag was bekend en op voorhand verijdeld.

Maar toen Robrecht in de straat door zijne gezellen nogmaals in schijn rechtzinnig werd bedankt, en hij hen, na het murmelen van eenen goeden nacht, ieder zijnen weg hoorde gaan, begon hij meer en meer te denken dat zij waarlijk door zijne redenen waren overwonnen geworden. Alhoewel hij nog eenigszins twijfelde, verheugde hem dit gepeins; want hij achtte zich overtuigd dat hij in dit geval zijn land en zijn geslacht eenen onschatbaren dienst had bewezen.

Disdir Vos, na afscheid van de anderen te hebben genomen, volgde Robrecht en ging twee straten verre aan zijne zijde, hem vleiende en hem prijzende over zijnen wijzen raad en over zijne standvastigheid; maar mher Sneloghe antwoordde hem niet veel. Sedert dien avond toch was in hem een onuitlegbaar, doch diep gevoel van afkeer tegen Disdir Vos ontstaan. Waarom, dit wist hij niet wel; maar er groeide in zijn hart een vermoeden van valschheid tegen Disdir.

Het was zelfs met eene soort van blijdschap dat hij bij de St-Janskapelle afscheid nam van zijnen gezel en alleen zijnen weg vervorderde, om over den Maalberg de Hoogstraat en zijnen steen te bereiken.

