Part 20
"Vrienden, om redenen, welke gij licht zult begrijpen, acht ik het noodig nu deze vergadering en zelfs de stad Veurne te verlaten In het Wolvennest-bosch zullen wij elkander wederzien. Daar zullen wij uwe keus met veel plecht, in tegenwoordigheid van het vergaderde leger, afkondigen; want dan eerst zullen wij de macht hebben om haar tegen andersdenkenden te verdedigen. Tot dan houdt alles, wat hier beslist is geworden, zoo geheim mogelijk. In het Wolvennest zullen wij te zamen regelen wat nog te regelen is. Hebt betrouwen in onze zaak, gezellen. Ik heb reeds jaren lang oorlog gevoerd tegen Karel van Denemarken, en hem bijna overwonnen, alhoewel ik mij slechts door een gering gedeelte der Kerels geholpen zag. Nu gaat gansch Kerlingaland opstaan tot het verdedigen zijner vrijheid. Sterk door zulke eendracht, wat zouden wij vreezen? Wij zijn onverwinnelijk!"
"Ja, ja, onverwinnelijk! Leve Willem Van Loo, onze graaf!" riep men met geestdrift van alle kanten.
"Ik herhaal u nog eens mijne oprechte dankbetuiging voor uw vertrouwen in mij", zeide Willem. "Blijft in deze zaal, vrienden, en zet vreedzaam uwe beraadslagingen voort; doch haast u, na afgedane zaken naar uwe Ambachten weder te keeren, om daar zonder tijdverlies alles te bereiden. Vaartwel, tot wederziens in het Wolvennest!"
Eene laatste toejuiching dreunde hem achterna, toen hij de zaal verliet.
Burchard, die hem alleen volgen zou, doch niet met hem in de straten van Veurne wilde gezien worden, bleef nog eene wijl met Disdir Vos in stilte kouten. Dan, naar de deur stappende, ging hij tot Robrecht Sneloghe en zeide hem met eenen glimlach:
"De zaken zijn hier niet afgeloopen naar uwen wensch?"
"Niet gansch, inderdaad", antwoordde Robrecht. "Wat beslist is eerbiedig ik evenwel en onderwerp er mij aan."
"En gij zult den nieuwen graaf verkleefd zijn en gehoorzamen?"
"Zeker, hij is der Kerlen vorst."
"En gij zult zijne bevelen volbrengen zonder onwil?"
"Blindelings. Het is mijn plicht. De uitspraak van den Hoop aanvaard ik als eene onverbrekelijke wet."
"Alzoo, wij mogen u in het Wolvennest verwachten met de mannen van Houthem?"
"En met de mannen van Ravenschoot en nog anderen: te zamen meer dan vijfhonderd man."
"Gij zijt een eerlijk en edelmoedig ridder", zeide Burchard, hem de hand reikende. "Ik zal u in de gunst van onzen graaf bevelen. Nu vaarwel!"
"Gij ziet wel dat gij u over Robrecht misgrijpt", murmelde hij aan het oor van Disdir Vos, die deze samenspraak had afgeluisterd "Hij is bereid om mher Van Loo in alles zelfs blindelings te gehoorzamen."
Disdir Vos schudde zwijgend het hoofd.
Na eenen handdruk met hem te hebben gewisseld, verliet Burchard de zaal en haastte zich, in eene herberg aan het uiteinde der stad, Willem Van Loo te gaan vervoegen.
Deze zat reeds te paard met vier andere ruiters, die hem als lijfwacht hadden vergezeld. Een der ruiters hield een los paard voor Burchard Knap gereed.
Zoohaast deze laatste opgestegen was, reed het gezelschap de stadspoort uit en vervorderde zijnen weg op eenen goeden draf, totdat men Bulscamp voorbij was en Wulveringhem ging naderen.
Dan vertraagde Willem den gang van zijn paard en gaf den wapenlieden bevel om op eenigen afstand achteruit te blijven.
Hij begon in vol vertrouwen met Burchard te kouten over zijne kiezing door den Hoop, over den oorlog en over zijne uitzichten voor de toekomst. Dat de koning van Frankrijk zich met de zaak zou willen bemoeien en zich in dit geval tegen de Kerels zou verklaren, dit moest men als mogelijk aanzien; maar Willem Van Loo zou onmiddellijk boden uitzenden om de hulp des konings van Engeland te verzoeken, en men mocht verhopen dat er zoohaast mogelijk eene Engelsche vloot in het Swin zou verschijnen om de Kerels te ondersteunen. De twijfel aangaande de vraag, welk gedrag de koning van Frankrijk in dezen strijd voor de kroon van Vlaanderen zou houden, bekommerde mher Willem evenwel zeer. Het Fransche leger was toch zoo dicht bij de grenzen van Kerlingaland! En daarenboven, Karel van Denemarken was door vleierij en door slaafsche onderwerping den koning niet alleen een knecht, maar tevens een lieveling geworden.
Ter gelegenheid dezer bedenking, stortte Burchard geheel zijnen haat tegen Karel van Denemarken uit; hij noemde hem huichelaar, valschaard, bedrieger en dief; ja, hij zeide dat de gelukkigste dag zijns levens die zou zijn waarop hij zou vernemen dat die verachtelijke Karel gestorven of gesneuveld was, en dus eindelijk zijne ziel der helle, waaraan zij toebehoorde, had overgeleverd.
Deze taal behaagde Willem Van Loo ten uiterste; want in zijn hart lag evenveel haat tegen graaf Karel, iets dat genoeg te begrijpen was, aangezien hij hem kon beschuldigen de kroon van Vlaanderen hem te hebben ontroofd.
Nadat zij dus langen tijd waren voortgegaan met gal tegen hunnen gemeenen vijand te spuwen, zagen zij van verre twee ruiters in vollen draf hen te gemoet komen.
Het verwonderde hen in het eerst, maar toen zij meer genaderd waren, herkende Willem eenen der beide ruiters als zijnen dienaar.
Deze hield zijn paard voor zijnen meester staan en zeide:
"Heer burggraaf, ziehier een man die u zoekt; hij komt van Atrecht en heeft eene haastige boodschap van mher Godevaart Van Belle voor u."
"Komt gij van het leger? En weet gij wat uwe boodschap behelst?" vroeg mher Willem.
"Ik kom van het leger, heer", antwoordde de bode, "maar de tijding die ik u breng is mij onbekend."
Dit zeggende, haalde hij eenen gesloten brief van onder zijn kleed, en reikte hem mher Willem toe, die hem met zekere bekommerdheid opende.
Wat daarin te lezen stond, moest hem onaangenaam verassen, want hij scheen te verbleeken. Hij bedwong evenwel onmiddellijk zijne ontsteltenis en stak den brief in zijne tasch, terwijl hij tot zijnen dienaar zeide:
"Rijdt in allerhaast terug naar Loo met den bode; geef hem eten en drinken. Hij wachte mij daar; ik moet hem spreken."
Hij deed teeken tot zijne wapenlieden, dat zij achteruit zouden blijven, zette zijn paard op eenen langzamen stap en sprak dan met eenen diepen zucht tot Burchard:
"Noodlottige tijding, mijn vriend: de kroon die ik reeds op mijn hoofd voelde, ontsnapt mij!"
"Wat wilt gij zeggen, heer graaf?" mompelde Burchard verschrikt.
"Weet gij wat dien brief mij meldt? Morgen zal er een leger ridders, met hunne wapenlieden tweeduizend sterk, allen Isegrims, uit Atrecht vertrekken, om de Kerels tot het eerbiedigen van het edict over den balfaart te komen dwingen. Zij zullen onmiddellijk door talrijke benden wapenlieden te voet worden opgevolgd; met hoe weinig spoed deze ridders ook reizen, zullen zij in Kerlingaland verschijnen voordat ons leger vergaderd zij."
"Maar laat ons in allerijl naar Veurne terugrijden en bevelen dat men de mannen der Ambachten onmiddellijk tot u zende", antwoordde Burchard. "Zoo zouden de ridders eenen krachtigen wederstand ontmoeten, en wij zouden tijd winnen tot het verzamelen onzer heirkrachten."
"Onmogelijk. De meeste leden van den Hoop hebben Veurne reeds verlaten; het daglicht vermindert, de avond zal welhaast vallen. En daarbij, wat zou het helpen? Meent gij dat ik met eenige bijeengeraapte mannen de kans zou wagen tegen tweeduizend ridders? Eilaas, de hemel is ons niet gunstig! De Isegrims zullen metterhaast alle burgen en kasteelen bezetten, en dan zijn onze pogingen op voorhand verijdeld. Ik ben reeds in zulken ongelukkigen oorlog bezweken. Nu wil ik het zwaarwichtig spel niet meer wagen, zonder eenige kans op overwinning. Wij moeten plooien en betere tijden afwachten. Ik zal boden naar alle Ambachten sturen om voorloopig eene lijdzame onderwerping te doen veinzen."
Burchard gromde wel in zich zelven en knarste de tanden; maar hij zeide niets: de erge tijding vervulde hem met angst.
"De listige, booze Karel van Denemarken!" morde hij eindelijk "Dit geheele spel van rechtsverkrachting en huichelarij was op voorhand bestoken!"
"Ja, Karel van Denemarken is ons te slim!" zeide Willem met eenen zucht. "Mocht hij van zijn paard storten of op eene andere wijze den hals breken, dan waren wij van den dwingeland verlost, en de ridders zelven zouden mij als graaf van Vlaanderen erkennen. Maar dit is eene ijdele wensch. Het staat daarboven geschreven, dat ik nimmer den troon mijner vaderen zal beklimmen Waarom langer worstelen tegen het onverbiddelijk noodlot? Onderwerpen wij ons verduldig. Anders blijft mij niet meer over ..."
Beiden zwegen eene wijl, als neergedrukt onder de overtuiging hunner onmacht.
Eensklaps slaakte Burchard eenen zonderlingen kreet. Mher Willem zag hem verwonderd aan.
"Indien iemand u kwam zeggen: Karel van Denemarken is dood", vroeg Burchard met verdoofde stem, "zoudt gij den bode gunstig onthalen?"
"Ik ware bekwaam om hem op mijn hart te drukken!"
"En zoudt gij hem vragen op welke wijze Karel van Denemarken is gestorven?"
"Wat geeft het mij, indien Vlaanderen slechts van den vreemden overweldiger wordt verlost?"
"Hoor mij aan met aandacht, heer graaf", sprak Burchard, "en heb vertrouwen in mij. Vraag mij niets meer, geen enkel woord; laat de Kerels binnen zes dagen vergaderen op de aangewezene plaats, en wacht op eene ontzettende tijding van mij. Ik hoop dat gij mij hebt begrepen? Uw handdruk is mij daarvan een bewijs. Welnu, laat mij vertrekken; ik wil over Beerst en Thourout naar Aartryke. Daar moet ik zekere Houtkerels spreken. Morgennacht ben ik in Brugge. Wederhoud mij niet, graaf, het is nu bijna duister: alles begunstigt mij. Vaarwel!"
En zonder eenigen anderen uitleg dreef hij zijn paard in eenen aardeweg. Willem Van Loo, ontsteld en stom, schouwde hem achterna, totdat hij tusschen de eerste boomen van een klein bosch uit zijn gezicht verdween.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 49: "De _Hoop_ was eene volksvergadering waar men over de staatsbelangen der bevolking van de Vlaamsche zeegewesten beraadslaagde."
VICTOR DE RODE. _Ann. Fl. de Fr._, t. VIII, p. 113.]
[Voetnoot 50: Dat niemand zich verstoute den eed te zweren, waarmede men zich pleegt aan de gilden te verbinden. Welke ook de voorwaarden zijn, dat niemand zich bij eede verplichte tot geldelijke bijdrage, aangaande de gevallen van schipbreuk of van brand.
_Capit. Caroli Magni_ a. 779, art. XIV.]
XII
Het was reeds lang duister; in de straten der stad Brugge heerschte eene volledige stilte.
Dakerlia, gansch in rouwgewaad, zat voor eene tafel in haren Steen. Bij de smokige vlam der koperen lamp loste haar bleek gelaat zonderling op haar zwart kleedsel uit. Van tijd tot tijd rolden er nog eenige tranen op hare wangen; want ondanks de pogingen harer vriendin Witta, die nevens haar was gezeten, ontstond het beeld haars vader immer opnieuw voor hare oogen. Zij hoorde zijnen laatsten noodkreet in hare ooren klinken; zij zag hem met de doodkramp op de lippen en het kruis op de borst uitgestrekt liggen; zij zag hoe men te midden van het Mariakerkhof zijn lijk in het graf nederliet; in haar sidderend hart hergalmde nog het doffe gebons der aarde, door magen en vrienden als een laatste vaarwel op de lijkbaar geworpen ...
Maar hare bedruktheid was rustig geworden en in eene lijdzame mijmerij veranderd.
Op eene vertroosting van Witta antwoordde zij met gelatenheid:
"Lieve vriendinne, waarom toch vermoeit gij u, om mijne droeve gedachten af te keeren? Het is vruchteloos. Zou ik nu een enkel oogenblik mijnen armen vader kunnen vergeten? Hem, die mij zoo beminde! Toen op den noodlottigen dag der afkondiging zijne wonde openscheurde, stuurde hij mij nog eenen blik toe, zoo vol eindelooze liefde, zoo vol treurnis ... En ik zou er niet aan mogen denken?"
"Daar weent gij nu alweder", zeide Witta. "Gij zijt niet redelijk, Dakerlia. Uw vader is daarboven bij den Heer. Hij ziet ons ongetwijfeld. Meent gij dat het zijne zalige ziel verblijden kan dat gij u ziek maakt?"
"Eilaas, ik weet het wel, Witta, en ik zeg het mij zelve genoeg, dat tranen dit schromelijk ongeluk niet kunnen herstellen; maar tranen verlichten mijne smart. Mettertijd zal ik allengs wat moed terugvinden.... Morgen, niet waar? Morgen zeer vroeg zullen wij naar het kerkhof gaan en langer nog dan heden op zijn graf bidden?"
"Zoolang gij wilt, Dakerlia; maar spreken wij nu van andere dingen."
[Illustratie: Willem Van Loo ontsteld en stom schouwde hem achterna]
"Van wat kunnen wij spreken?"
"Van mijnen broeder."
"Ja, van Robrecht. Hij insgelijks is ontroostbaar. Zijn medelijden met mijne smart is oneindig. Toen hij dezen namiddag hier met u was, kon hij nauwelijks spreken, omdat ik mij door de smart liet overwinnen. Hij zou mij willen troosten en schijnt geene rust meer te hebben ..."
"Zeker, zijn verdriet is groot; maar dit is het niet", bemerkte Witta met verdoofde stem. "Wat hem onrustig maakt en hem aanjaagt is een geheim, dat hem op het hart ligt."
"Een geheim?"
"Ziet gij, Dakerlia, hij is dezen nacht van Veurne wedergekeerd Toen ik in den vroegen morgen, zonder u te wekken, dezen Steen verliet, om ten onzent bevelen tot den huisdienst te gaan geven, vond ik mijnen broeder reeds beneden met het hoofd in de handen en diep in gedachten verzonken. Ik vroeg hem wat men in den Hoop te Veurne heeft verricht; maar hij gaf mij afwijkende antwoorden. Ik ken hem, en het was mij gemakkelijk te raden dat eene zeer gewichtige zaak hem bezighoudt ... Gij luistert niet, Dakerlia; gij denkt weer aan droeve dingen ..."
"Ach, neen", zuchtte jonkver Wulf, "ik luister ... Welke zaak zou hem bezighouden? Het is te vermoeden, Witta. De Hoop te Veurne heeft kennis genomen van het edict op den balfaart. Misschien heeft men daar besloten, zooals de kastelein Hacket het moest voorstellen, nederige pogingen bij den graaf aan te wenden om het onrechtvaardig edict te doen intrekken. Dit slaat Robrecht met spijt en droefheid; want zoo leidt men de Kerels naar de eindelijke slavernij. Het is zijn gevoelen, en hij heeft gelijk."
"Ik geloof dat gij u misgrijpt", wedervoer jonkver Sneloghe, "want toen ik hem dezen morgen van den balfaart sprak en de Kerels beklaagde, ontschoot eensklaps eene vonk van verontwaardiging zijnen oogen, en met eenen spotlach op de lippen, riep hij uit: "De balfaart? Nooit, nooit!" Hij bedwong zich even ras en ging morrend uit de kamer, alsof hij onwillig iets van het groote geheim had laten ontsnappen ... Gij zwijgt, Dakerlia. Begrijpt gij niet wat ik zeg? Immer dit treurig droomen!"
"Ik begrijp", antwoordde jonkver Wulf. "Ach, indien mijn goede vader nog leefde! Hij wiens heldenmoed men roemde! Maar hij kan de vrijheid niet meer verdedigen; hij ligt in het koude graf."
"Wees zeker, Dakerlia, het gaat oorlog worden."
"Misschien."
"Neen, twijfel er niet aan: mijn broeder heeft heden zijne beste wapenrusting overzien, en ze op eenen wagen bedektelijk naar Ravenschoot doen voeren. Dit beduidt toch wel iets, meent gij het niet?"
En zoo, waarschijnlijk haar eigen vermoeden overdrijvend, spande de goede Witta alle mogelijke pogingen in om de gepeinzen harer vriendin van den dood haars vaders af te wenden. Het gelukte haar slechts bij poozen de aandacht van Dakerlia voor een oogenblik te vestigen, doch zij hield niet op en zette met vindingrijken geest hare liefdetaak voort, totdat het uur om ter rust te gaan was verschenen. Sedert het overlijden van Segher Wulf, sliep zij in Dakerlia's woning, om hare arme vriendin nimmer alleen aan hare treurnis overgeleverd te laten.
Zij ontstak eene kaars en zeide:
"Nu, Dakerlia, wij hebben lang genoeg gewaakt. De nachtrust versterkt den mensch. Wij zullen boven nog wat bidden."
Maar nu werd de deur der kamer geopend, en Robrecht Sneloghe trad binnen.
Hij ging tot zijne verloofde, drukte haar teederlijk de handen en sprak eenige zoete troostende woorden tot haar.
Na eene wijl stilte zeide hij zeer ernstig:
"Dakerlia, en gij, mijne zuster, ik bid u, luistert met aandacht op wat ik u ga melden. Morgen vroeg vertrek ik uit Brugge. Het is mogelijk dat er vele dagen, dat er weken verloopen voordat gij mij wederziet."
"O, hemel, gij verlaat ons!" kreten de beide jonkvrouwen te gelijk, met angstige verrassing.
"Blijft zonder de minste vrees", ging Kobrecht voort. "Ik heb alles voorzien en geschikt, opdat geen gevaar in mijn afwezen u bedreige. Trouwe, verkleefde dienaars zullen waken over uwe rust. Gebeurde er iets in de stad of in het land, dat u om meerderen steun of om eene veiligere schuilplaats deed wenschen, gaat naar den burg. In den Steen van mijnen oom Hacket zijn kamers voor u en voor uwe dienstmeiden in gereedheid gebracht. De proost van St-Donaas zal u onder zijne bescherming nemen en u dagelijks meer dan eens bezoeken."
De beide jonkvrouwen zagen hem met verschriktheid aan.
"Het wordt dus oorlog?" vroeg Dakerlia.
"Het geheim van den Hoop moet elkeen heilig zijn, die het kent", antwoordde Robrecht. "Poog dus niet van mij te weten waarom ik u ga verlaten."
Dakerlia en Witta begonnen te weenen, doch zonder klagen.
"Ik begrijp en ik gevoel wel aan mijn eigen hart dat dit onverwacht vaarwel u moet bedroeven", zeide Robrecht, "maar troosten wij ons, in de gedachte dat ik waarschijnlijk binnen weinige dagen hier reeds terug zal zijn. Hoe het weze, in deze erge tijden, moet elk onzer zijne rust en zijne pogingen ten offer brengen voor de vrijheid. Aarzelen is eene lafheid, weigeren, zelfs door eenen geheimen wensch des harten, is eene misdaad. Ik mag dus met recht verwachten dat noch mijne verloofde, noch mijne zuster het zullen afkeuren dat ik, als trouw lid van het Gilde, mijnen plicht vervul. Gij zijt Kerlinnen en gij bemint uw land!"
Deze strenge woorden brachten eenen plotselijken ommekeer in het gemoed der jonkvrouwen. Witta stortte nog eenige tranen, ofschoon zij zichtbaar geweld deed om haren angst te bedwingen. Dakerlia hief het hoofd met fierheid op, en terwijl een vreemde glimlach op hare lippen verscheen, zeide zij:
"God dank, ja, wij zijn Kerlinnen, en zullen toonen dat zelfs de diepste smart ons het niet kan doen vergeten! Ga, Robrecht, ga waar de plicht u roept. Wij zullen bidden voor u en voor Kerlingaland en met vertrouwen afwachten wat het lot zal beslissen ... Gij vertrekt morgen zeer vroeg! Voor zonsopgang?"
"Neen, ik zal den klaren dag afwachten; mijn vertrek is niet zoo haastig."
"Welnu dan, mijn vriend, waarom zoudt gij nog dezen avond afscheid van ons nemen? Is er iets dat u belet ons morgen vaarwel te komen wenschen, wij onderwerpen ons gereedelijk; maar anders zullen wij zeer vroeg opstaan. Kan het zijn, gun ons nog dit geluk."
"Het zij zoo, Dakerlia", antwoordde de jonge ridder. "Blijft dus met God tot morgen."
Door zijne verloofde gevolgd, richtte hij zich naar de deur.
Hier drukte hij nog teederlijk hare handen, neigde zijn hoofd over haren schouder en murmelde aan haar oor:
"Wees tevreden, Dakerlia, wij gaan uwen vader wreken! Ik zal aan u denken altoos; uw beeld zal mijne star zijn; de vijand, terwijl hij valt onder mijn zwaard, zal terzelfdertijd uwen naam en den naam uws vaders hooren. Houd dit geheim!"
De maagd wierp eenen diepen blik in zijne oogen en antwoordde:
"Dank, dank, mijn vriend, doe uwen plicht!"
"Goeden nacht, zuster, tot morgen."
Met deze woorden verliet hij de zaal.
Toen hij op het neerhof kwam, vroeg de schalk, die hem de poort opende, of hij mher Sneloghe niet met licht zou vergezellen; want het was zoo donker op de straat dat men de huizen niet kon ontwaren.
Robrecht weigerde dezen dienst; zijn Steen toch was slechts eenige stappen verwijderd.
De schalk sloot dus de poort achter hem en stak de grendels in.
Terwijl Robrecht nu over de straat stapte en zijne woning naderde, scheen het hem dat eene menschenschaduw langs den muur voortsloop en naar hem toekwam. Hierover verwonderd, bleef hij staan, legde de hand aan het gevest van zijn zwaard, liet den onbekende naderen en vroeg dan met verdoofde stem:
"Vliegt de Blauwvoet?"
"Storm op zee!" antwoordde de schaduw zonder aarzelen.
"Mijn oom Hacket! Gij hier op dit uur?"
"Stil!" fluisterde de kastelein, "ik kwam u opzoeken in uwen Steen. Ik heb eene boodschap u te vertrouwen."
"Het is een wonder dat ik nog niet slapen ben."
"Ik hadde bevel gegeven om u te wekken, mijn neef. Nu, doe de poort openen."
Robrecht klopte op eene hem gewone wijze, en schier onmiddellijk kwam er een schalk achter de poort staan.
"Zijt gij het, mher Sneloghe?" vroeg hij.
Op het bevestigend antwoord werd Robrecht met zijnen oom binnengelaten.
Beiden begaven zich in eene zaal, waar eene brandende lamp aan het gewelf hing. De kastelein sloot de deur langs binnen, trok eenen gezegelden brief uit zijne tasch, en dien den jongen ridder toereikende, zeide hij:
"De proost is niet van zijn voornemen af te brengen. Nadat gij ons hadt verlaten, is hij er weder op teruggekomen en heeft eindelijk, ondanks mijnen raad, besloten toch eenen brief aan Willem Van Loo te schrijven. Dien brief zult gij hem overhandigen De proost verzoekt u de boodschap op uwe borst te verbergen; want, werd zij door 's graven lieden verrast, onze vijanden zouden het geheim van den Hoop geheel kennen."
"Heb geene vrees: ik zal de boodschap trouw volbrengen. Mag ik weten, oom, wat de brief behelst?"
"Gij kunt het wel vermoeden. Mijn broeder dringt bij Willem Van Loo op alle wijzen aan, om hem de vijandelijkheden te doen uitstellen, zelfs dan nog wanneer het Kerlenleger zal vergaderd zijn. Hij laat hem weten dat onze graaf Karel het oor schijnt te willen leenen aan het voorstel om hem eene aanzienlijke bede uit den Gildenschat toe te staan."
"Maar mijn oom de proost bedriegt zich!" riep Robrecht met ongeduld. "Veinst men aan het hof van goeden wil te zijn, het is slechts om tijd te winnen en ons in slaap te wiegen!"
"Zoo denk ik er nu insgelijks over, gij weet het, neef. Daarom evenwel moogt gij mij niet weigeren den brief aan Willem Van Loo af te geven. Hij kan dan nog beslissen wat hij wil."
"Inderdaad, oom. Ik zal doen wat de heer proost verlangt."
"Hij verzoekt u daarenboven zijne voorstellen bij Willem te ondersteunen en alle mogelijke pogingen aan te wenden om hem te doen aanvaarden."
"Dit kan ik niet", zeide Robrecht ontevreden. "Ik weiger volstrekt deze zending. Volgens mijne vaste overtuiging valt er niet meer te aarzelen. De omstandigheden schijnen ons zeer gunstig; men moet zonder omzien er gebruik van maken. Bij al dit omzien en dralen verliezen wij den moed en worden de Kerels hunnen vijand ten spot. Mijn oom de proost weet wel dat ik daarover van een geheel ander gevoelen ben dan hij."
"Doe naar uw goeddunken, neef."
"Maar zeg mij, ik bid u, kastelein, kent gij den inhoud van den brief dien ik dragen ga?"
"Ja, ik heb hem gelezen."
"Hoe noemt de proost daarin mher Willem?"
"Hij noemt hem burggraaf."
"Maar het is gevaarlijk; met allen eerbied voor mijnen oom zou ik schier durven zeggen dat hij zijnen gildeneed ontrouw is. De Hoop heeft te Veurne beslist dat al de Kerels Willem Van Loo als graaf van Vlaanderen zullen erkennen. Waarom weigert de proost hem graaf te noemen?"
"Gij weet het, Robrecht," antwoordde de kastelein, de schouders ophalende. "Mijn broeder heeft zich, in den vorigen oorlog voor de kroon, tegen mher Willem verklaard. Er bestaat tusschen hen, van wederzijde, een verborgene, doch diepe wrok. Het bedroeft hem oneindig dat men in den Hoop zulke gevaarlijke beslissing heeft genomen."
"En bedroeft het mij niet, oom? Maar de onderwerping aan de besluiten van den Hoop is eene heilige wet, waarvoor alle Kerels, grooten en kleinen, moeten bukken. Mher Willem, de graaf van Vlaanderen,--zoo noem ik hem--zal, bij het lezen van den brief, verbitteren, wanneer hij zal zien dat de proost weigert hem als graaf te erkennen."
"Ik heb er geene schuld aan, Robrecht; de proost heeft mijnen raad niet willen volgen. Hij kan er niet toe besluiten, mher Willem nu reeds als vorst te begroeten. Hij zal het later doen. Gij kondet de graaf uitleggen dat de proost nog geene bijzondere tijding over de verrichtingen van den Hoop heeft ontvangen."