Part 2
"Die zal ik u gaan verhalen, Witta. Luister slechts.... Toen wij te Lampernisse op de hofstede mijner moei kwamen, was zij zoo ziek dat wij haar onzen innigen dank betuigden omdat zij ons had laten roepen. Nadat ik bijna twee weken nevens haar bed had gewaakt, haar had getroost en verpleegd, werd zij eensklaps beter, en een paar dagen daarna gevoelde zij zich reeds tot zooverre hersteld dat zij van den bedde opstond en met mij in den hof wandelde...."
"Hoe? Uwe moei is genezen!" kreet Robrechts zuster verwonderd.
"Maar neen, Witta. Laat mij toch voortgaan. Zij scheen geheel genezen en onze zorgen niet meer te behoeven. Te Veurne, dat schier aan Lampernisse paalt, vernam mijn vader dat eenige kooplieden, vrije mannen en Kerels als hij, voorgenomen hadden in gezelschap naar Witzand te reizen, eene zeehaven in het graafschap van Boonen[5] gelegen. Dit bracht mijnen vader op de gedachte deze gelegenheid waar te nemen om zijnen broeder te bezoeken die niet verre van daar te Helbedinghem woont, en welken hij in tien jaar niet meer had gezien. Het was wel dertig uren verre; maar toch, ik, nieuwsgierig om dit gedeelte van het oude Kerlingaland te kennen...."
"Dertig uren verre over zee? En gij hebt aanvaard?" kreet Witta verbaasd.
"Dan nog niet, vriendin. Wij reisden over land, en kwamen na vier dagen behouden te Witzand aan."
"Maar hebt gij niets merkwaardigs of zonderlings onderwege gezien, Dakerlia? Vertel mij toch iets van uwe lange reis!"
"Wat zal ik u vertellen? Het land, alhoewel wat heuvelachtig, ziet er uit als hier; de lieden zijn er Kerels van ons geslacht en spreken er hetzelfde Dietsch als wij, Kerels van Vlaanderen[6]."
"Zij zijn dus ook vrije mannen?"
"Dat weet ik niet al te wel", gaf Dakerlia, het hoofd schuddende, ten antwoord. "Het schijnt dat hunne voorvaders vroeger door de graven van Gwynen en van Boonen wreedelijk zijn verdrukt geworden, en dat zij nu in eene halve dienstbaarheid leven. Het recht tot het voeren van wapens is hun ontroofd. Zij betalen eene schatting om eene houten kolf tot verdediging te mogen dragen, en die verlaten zij nooit. Daarom noemt men hen de Kolvekerels, en die onrechtvaardige schatting, de Kolvekerlij[7]. Deze menschen, wanneer de vrije Kerels uit Vlaanderen zien, klagen over hun lot en drukken de hoop uit dat zij nog wel eens uit de dienstbaarheid zullen opstaan. Anders zijn zij van opzicht, gestalte en kleeding geheel gelijk aan onze Kerels die de Ambachten bewonen. Meer weet ik u van hen niet te vertellen."
"Maar hoe geraakt gij op de zee, Dakerlia?"
"Het is gansch eenvoudig. Te Witzand lag een schip van Brugge, dat met eene lading koren en schapevachten naar het Swin[8] zou varen. De stuurman was een Kerel van Uitkerke die mijn vader goed kende. Hij stelde ons voor ons onderweg te Sandeshove[9], op de Vlaamsche kust, aan wal te zetten. Daar wij geen gezelschap hadden om over land terug te keeren en de reis over zee korter en gemakkelijker is, besloot mijn vader het aanbod van den stuurman te aanvaarden, indien ik toestemde. Ik durf het wel bekennen, Witta: ik was een beetje verschrikt van de overvaart op den grooten, wilden plas; maar de tegenwoordigheid van eenen Walschen priester, die naar Rodenburg[10] wilde en met ons zou varen, gaf mij moed."
"En gij deinsdet niet terug van eene zoo lange zeereis, Dakerlia?"
"Neen, vermits een priester ze zonder kommer wilde ondernemen."
"Een priester is een man; wij zijn zwakke vrouwen."
"Maar, onnoozele Witta, onderscheidt de zee?"
"Het is gelijk, Dakerlia; gij doet mij kiekenvleesch krijgen. Vertel haastig: gij gingt op het schip?"
"Ja. Den vijfden dag na onze aankomst te Witzand, met eenen zachten, gunstigen wind, staken wij des morgens in zee. Het was helder weder en, ofschoon zeer verre van de kust, konden wij de zandduinen langs het strand in de zon zien schitteren. De Walsche priester koutte met mij en toonde mij in de verte de havens en dorpen welke hij herkende. Zoo voeren wij voorbij eene stad die mijn vader Rembrechtsgat noemde en de priester mij met den naam van Calaisiacum of Kales aanwees. Daar viel, nevens ons schip, een groote vogel uit de lucht, die duikelde en met eenen visch in den snavel opwaarts steeg. Deze vogel was een zee-arend en had blauwe beenen. Mijn vader zeide mij ter dier gelegenheid dat de Kerels van de zeekust, om te betuigen dat zij stoute en behendige stuurlieden zijn, zich zelven Blauwvoeten noemen, dit wil zeggen: arenden der zee. Daarvan komt het, Witta, dat onze vijanden alle Kerels dien naam als een spotwoord toewerpen[11]."
"Ja, maar de Kerels noemen de Leenheeren Isegrims, dat is wolven. Het is niet schooner...."
"Later op den dag zagen wij Mardyck en de nieuwe kerk in de duinen, die de priester Dino-Clesia heette, dat is Duinkerke. Schoon en zacht was het weder tot dan gebleven; ik had den ganschen dag op het dek gestaan, uitkijkend naar de duinen, of mijnen blik badend in het kolkachtig en onbestemd verschiet der groene zee, toen eene grauwe wolk zich aan den gezichteinder vertoonde. Alhoewel nu en dan een zwakke weerlicht uit den schoot der donkere streep opwalmde, begreep ik niet waarom de schipper onmiddellijk ongerust werd en met stille stem geheimzinnige bevelen aan zijne bootsgezellen gaf. Maar de wolk groeide al spoedig tot eenen zwarten berg aan, schoot als een loodvervige muur voor de zon, ontplooide zich over den ganschen hemel en dompelde ons in eene angstwekkende duisternis. Onder voorwendsel dat het sterk zou regenen, had men mijnen vader en mij naar beneden in de kamer van het schip doen gaan. Daar hoorden wij weldra doffe, doch akelige donderslagen. Het bliksemlicht was zoo hevig dat het ons scheen te willen verblinden. Tot dan besefte ik niet dat eenig bijzonder gevaar ons bedreigde; want het schip lag stil en rustig, dacht mij. Ik geloofde mijnen vader die poogde mij te overtuigen dat hier geene reden bestond om ongerust te zijn, en ik toonde mij zelfs zeer tevreden, omdat iets nieuws de eentonigheid onzer reis ging onderbreken.... Maar, Witta lief, eenige oogenblikken daarna zat ik nevens mijnen vader geknield, hem met de eene hand vasthoudend om niet te vallen, en de andere in de hoogte heffende om 's hemels bijstand af te smeeken. Een woedend orkaan was over de zee gerezen en hief nu de golven tot bergen in de hoogte. Het schip slingerde heen en weer, het draaide, het wentelde, het kraakte! Tweemaal werd ik met mijnen vader tegen den wand geslagen; doch wij stonden telkens op om nog inniger te bidden. Donder, hagel, wind huilden daarbuiten, als ware het einde der wereld verschenen...."
"O, mijn God!" zuchtte Robrechts zuster, "ik beef! Het koude zweet staat mij op het voorhoofd! En gij zijt niet van schrik gestorven, Dakerlia?"
"Het is dan, Witta, dat ik Onze-Lieve-Vrouwe van Brugge mijn gouden kruis met de groene smaragden heb beloofd op te dragen, indien zij mijnen vader en mij geliefde tegen dezen akeligen dood te beschermen. Zij heeft mijn gebed verhoord. En ik, zoohaast dezen morgen de zon was opgerezen, ben met mijnen vader ter kerke gegaan om er de gedane gelofte te vervullen. Wij zijn zeer lang blijven bidden en danken ... en dit is de reden waarom ik zoo laat tot u ben gekomen."
"Maar Dakerlia", murmelde Witta, "dit is een verbazend mirakel! Viel het schrikkelijk onweer zoo eensklaps door de voorspraak van Onze-Lieve-Vrouw?"
"Neen, het duurde nog lang voort; maar het verminderde allengs. Ik werd ziek van de zeekwaal en bleef dien geheelen nacht te bedde, schrikkelijk lijdend, doch bijna bewusteloos. Des anderen daags rees de zon weder aan eenen blauwen hemel op, en ik was geheel genezen. De stuurman liep de haven van Sandeshove binnen en zette ons daar aan wal. Wij, uiterst welgemoed over onze behoudenis, trokken langs Veurne naar Lampernisse...."
Hier werd Dakerlia's stem eensklaps dof en zij onderbrak haar verhaal.
"Welnu?" vroeg Robrechts zuster. "Wat geschiedt u? Tranen in uwe oogen?"
"Ja, Witta; wij meenden mijne goede moei gansch hersteld te vinden ... en oordeel over onze droefheid: toen wij de hofstede binnentraden en de armen reeds uitstaken om haar te omhelzen, toonde men ons...."
"Hemel, wat toch?"
"Haar lijk, Witta!"
Een kreet van medelijden klonk door de zaal, en de beide jonkvrouwen bleven eene poos zwijgend. Dan zeide Witta:
"Kom, Dakerlia, troost u in de gedachte dat de Heer haar eene plaats in zijnen schoonen hemel heeft gegund. Zij was reeds oud, ongetwijfeld, en wij zijn allen sterfelijk."
"Het is waar, mijne goede Witta; genoeg reeds heb ik ginder geweend; want gij zoudt niet gelooven, vriendinne, hoe treffend en hoe roerend de lijkplechtigheden zijn onder onze Kerels der Ambachten!"
"De Kerels zijn immers Christenen als wij?" bemerkte Robrechts zuster, "Het moet te Veurne bijna toegaan gelijk hier te Brugge."
"Neen, toch niet. Wel zijn zij Christenen; maar zij hebben nog vele voorvaderlijke gewoonten behouden, welke wij, Kerels in de steden, sedert lang hebben vergeten. Van den kerkelijken dienst moet ik u niet spreken, die is inderdaad overal dezelfde. Het lijk mijner moei lag in hare schoonste zondagskleederen uitgestrekt op eene breede tafel, met een spinrok in den arm, even alsof zij nog leefde. Iemand zeide mij sedert, dat men nevens het doode lichaam van eenen man een naakt zwaard legt en de afgestorvene kinderen met speelgoed omringt....[12] Aan het voeteneinde mijner moei stonden drie schotels, de eene met gebraden vleesch, de andere met gortebrij, de derde met kleine koeken van weitebloem, en daarnevens eene groote kruik met hoppebier. Met welk inzicht zulks geschiedde, kon men mij niet goed verklaren. Oude vrouwen schenen te gelooven dat 's menschen ziel, wanneer zij eens van het lichaam is gescheiden, nog kan eten, en men daarom voedsel bij het lijk moet zetten. Vindt gij die gedachte niet zonderling, Witta?"
"Het is bijgeloof, zondig bijgeloof, Dakerlia."
"Het scheen mij insgelijks zoo. Maar het is niet alles. Gedurende de drie dagen dat mijne moei boven de aarde bleef liggen, zaten immer twaalf vrouwen rondom het lijk te krijschen en te huilen, dat men het wel op honderd stappen buiten de hofstede kon hooren. Deze vrouwen woonden in de gebuurte of waren bloedverwanten of bekenden, en alle drie uren wisselden zij elkander af. Mij kwetste dit overdreven misbaar; maar men deed mij begrijpen dat, hoe meer en hoe heviger er werd geweend en geklaagd, hoe grooter eere der afgestorvene werd bewezen.--Den avond voor de begrafenis had men mij uit de doodenkamer doen gaan; maar men riep mij een half uur daarna terug. Daar vond ik al onze bloedverwanten, vrouwen en mannen, in grooten ernst en plechtigheid rondom de lijktafel. Een stokoud man, met eenen langen witten baard, deed eenige zonderlinge teekens over mijne moei en scheen iets in haar oor te prevelen; dan nam hij de weitekoekjes, brak ze aan twee en gaf den omstanders elk een stuk. Iedereen begon er van te eten. Mijn vader, die mijne aarzeling bemerkte, deed mij de anderen navolgen. Ik mocht niet weigeren deel te nemen aan deze plechtigheid, die men _het doodenmaal_ noemde. Daarna schonk men bier uit de kanne in eenen grooten hoorn en men dronk _de doodenminne_ in het ronde, terwijl de oude man met den witten baard eenige druppels uit de kan rondom het lijk stortte en vreemdklinkende woorden mompelde. Voor het laatste moesten wij tot vaarwel het lijk eenen kus op voorhoofd en lippen drukken, en dit heet men daar de _doodenzoene_, die alle reden tot wrok, haat of vijandschap vernietigt welke er tusschen de afgestorvene en iemand der aanwezigen zou kunnen bestaan."
"Maar, lieve hemel!" zuchtte Robrechts zuster, "men zou zeggen dat gij van Heidenen spreekt! En gij hebt aan deze onchristelijke plechtigheden deelgenomen, Dakerlia?"
"Ik moest wel, mijn vader gebood het mij. En toch, wat kwaad bestaat daarin, Witta? Het zijn onze voorouderlijke gewoonten."
Robrechts zuster schudde afkeurend het hoofd.
"Kom, laat ons nu daarover niet twisten", hernam Dakerlia "Waren wij in de Ambachten geboren en opgevoed, wij zouden deze gewoonten noch vreemd noch laakbaar vinden."
"Maar, Dakerlia, een kanunnik van Poperinghem zeide mij eens dat de Houtkerels, die in de bosschen wonen, den boozen geest aanbidden."
"Deze kanunnik heeft men bedrogen. De Kerels hebben vele vijanden die kwaad van hen spreken; maar geloof mij, Witta, de lieden van Kerlingaland[13] denken aan God bij al wat zij doen."
"Welnu, ga voort, Dakerlia. Was de begrafenis uwer moei prachtig?"
"Prachtig, zooals wij het verstaan, neen; maar er was groote toeloop van volk. Het lijk, door vrouwen gedragen, was opgevolgd door wel vijfhonderd menschen, allen met bukstwijgen of wijpalmtakken in de hand. De wijpalm is in Kerlingaland de boom der dooden. Al de mannen hadden lange baarden, die afhingen tot verre op de borst, en aan hunne zijde een krom zwaard, dat zij eene schermzeis noemen[14]. Elk gehuwde Kerel was vergezeld van zijne vrouw en kinderen. Ik zag er die er wel zeven of acht rondom zich hadden."
"En gingen die kinderen ter begrafenis, Dakerlia?"
"Het is eene wonderlijke gewoonte, ginder, Witta. Waar het niet volstrekt onmogelijk is, heeft de Kerel altijd zijne vrouw bij zich, en zijne kinderen zelven verlaten hem zelden. Wat eerbied en wat genegenheid een Kerel zijne vrouw betuigt, is bijna niet begrijpelijk. Ook, wie ginder, buiten zake van oorlog of veete, eene vrouw durft hinderen of hoonen, wordt, het geheele Ambacht door, als een eerlooze veracht en gehaat. Van de begrafenis zelve zal ik u niet veel zeggen; zij geschiedde op geheel christelijke en stichtende wijze. Maar toen wij op de hofstede terugkeerden, begon daar een feest dat mij eerst zeer verbaasde, doch eindelijk mij, als een vreemd schouwspel, met groote belangstelling de oogen uit het hoofd deed kijken. Men had de groote schuur geledigd en vele banken en tafels er in gesteld. Daar werden nu groote ketels brij, een kalf en twee schapen gebraden en gezoden opgediend. Al deze lieden, mannen, vrouwen, kinderen, begonnen te eten met zulken lust dat het zonderling was om te zien. Een paar vaten lagen in eenen hoek der schuur, en men dronk mee en bier bij herhaalde teugen, telkens daarvan eenige druppels ten gronde stortende. Eene vrouw, die ik naar de reden dezer vreemde gewoonte vroeg zeide mij dat men dus van den drank een weinig ter aarde werpt voor de ziel van den afgestorvene, welke onzichtbaar het doodenfeest bijwoont. Eene andere, integendeel, beweerde dat men het doet als een offer om de Drollen te bevredigen."
"De Drollen, wat is dit?" mompelde Witta verrast.
"Ja, dit weet ik reeds sedert jaren", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader heeft mij er meer dan eens van gesproken. Vroeger tijd, toen de Kerels nog geheel Heidenen waren, had elk zijn huisgod, wiens beeld nevens den haard in een klein kapelleken stond; en, wat men at of dronk, men smeet er een weinig van ten gronde om hem te vereeren. Deze huisgoden noemde men de Drollen, en onze Kerels gelooven nu, dat deze Drollen kwade geesten geworden zijn.--Daarvan, Witta, dat wij nog, in al onze schoorsteenen, zulk kapelleken hebben, alhoewel wij er nu een beeldje der heilige maagd Maria inzetten ...[15] maar ik ga voort met u te vertellen van het feest. Eindelijk, als dit groote doodenmaal ten einde was, haalde men een paar doedelzakken voor den dag, en al deze mannen met hunne lange baarden, en de vrouwen en de kinderen begonnen te dansen en te zingen, op de maat der speeltuigen, dat ik er schier blind en doof van werd. Dit duurde zeer laat op den dag, totdat twee Kerels, door de mee en den dans verdwaasd, "kamp! kamp!" riepen, hunne zwaarden trokken en elkander het hoofd wilden klooven. De twist werd door vrienden bijgelegd, en men besliste daarop dat het tijd was om huiswaarts te keeren. Zingende en springende door veld en bosch, ging elke Kerel met vrouw en kinderen zijnen weg; en een vierendeel uur later was het zoo stil op de hofstede alsof er niets was geschied."
"Mij schijnt", bemerkte Witta, "dat de Kerels in de Ambachten grof en woest moeten zijn."
"Toch niet; zij zijn zeer goed, vroolijk, trouw, dienstvaardig en arbeidszaam; maar hunne trotschheid is iets opmerkelijks. Bij den minsten hoon grijpen zij naar hunne schermzeis...."
De huisknecht opende de deur en meldde zijne meesteresse dat er een schildknaap was gekomen met eene boodschap voor mher Robrecht, welke hij slechts aan haar wilde afgeven.
Jonkver Sneloghe ging daarop ter zaal uit en liet hare vriendin alleen. Korten tijd daarna keerde zij echter terug en zeide tot Dakerlia:
"Dit is een schildknaap van mehr Rijkaard Van Woumen, die mijnen broeder laat weten dat hij hem heden voor den middag ten zijnent zal verwachten. Ik denk er nu eerst aan, Dakerlia: gij hebt mij nog niet eens gevraagd hoe het met mijnen broeder gaat."
Jonkver Wulf, door dezen onverwachten oproep verrast, murmelde eene onduidelijke verschooning.
"Inderdaad", bevestigde Witta, "al die vervaarlijke geschiedenissen van den storm op zee en de akelige lijkplechtigheden der Kerels beletteden u aan Robrecht te denken."
"Neen, neen, ik wist van uwen huisschalk dat zijn meester welvarend is en reeds dezen morgen, zeer vroeg en opgeruimd van geest, is uitgegaan."
"Opgeruimd van geest? Heeft de schalk zulks gezegd, Dakerlia?"
"Ik meen het zoo te hebben verstaan."
"Hij zal niet wel gezien hebben: mijn broeder is integendeel, sedert meer dan drie weken, zwaarmoedig en diep treurig zelfs."
"Hij heeft verdriet? Waarom?"
"Ik weet het niet; hij verbergt het mij. Het moet een geheim, een pijnlijk geheim zijn; want hij is ontevreden en verlegen als ik hem naar de reden zijner afgetrokkenheid vraag.--Wel poogt hij dan mij te doen gelooven dat niets hem bekommerd, en veinst hij opgeruimdheid; maar evenras vervalt hij in stille mijmerij en murmelt treurige woorden in zich zelven. Nauwelijks waart gij vertrokken, Dakerlia, of mijn broeder werd dus droefgeestig en zwijgend; nu, sedert eenige dagen is zijn verdriet nog aangegroeid. De reden daarvan meen ik te kunnen raden. Verbeeld u, Dakerlia, dat onze oom, de proost van St-Donaas, en Hacket, de kastelein, zich in het hoofd gestoken hebben mijnen broeder met Placida Van Woumen te doen trouwen...."
"Mijn God ... trouwen ... wat zegt gij, Witta?" stamelde jonkver Wulf, sidderend van het geweld dat zij deed om den diepen indruk dezer tijding op haar te verbergen.
"Het zou voorwaar een eervol huwelijk zijn, Dakerlia. Mher Rijkaard Van Woumen is een zeer geacht ridder en uiterst machtig bij den graaf."
"Maar die Placida, kent gij haar, Witta?"
"Zeker. Men roemt hare schoonheid. Wel zegt men dat zij trotsch is, doch dat misstaat eene edelgeborene jonkvrouw niet. Daarbij, zij is eene der rijkste erfgenamen van Vlaanderen."
"Maar, Witta, haar vader is een Isegrim; een dergenen die samenspannen met de Tancmars, onze vijanden, en met de Leenheeren, die de Kerels der Ambachten van hunne vrijheid hebben willen berooven."
"Mijn oom, de proost van St-Donaas, zegt, dat men hem ten onrechte zulks ten laste legt. Hij heeft integendeel de Kerels bij den graaf verdedigd."
"Maar, Witta, jonkver Van Woumen moest trouwen met Ghijselbrecht Tancmar, den rusteloozen vijand der Erembalds?"
"Van dit huwelijk is er geen spraak meer."
"Het is gelijk: Placida is geene Kerlinne; het bloed der verdrukkers vloeit in hare aderen."
Robrechts zuster, verwonderd over den scherpen toon van Dakerlia's stemme, aanschouwde haar twijfelend.
"Gij verwondert mij", zeide zij. "Hoe zijt gij nu eensklaps zulke onverzoenbare Kerlinne geworden? Men zou gaan vermoeden dat gij die schuldelooze Placida eenen bijzonderen haat toedraagt."
Jonkver Wulf antwoordde niet; zij scheen vertoornd, alhoewel hare glinsterende oogen vochtig waren en zij zichtbaar geweld deed om opwellende tranen te bedwingen.
Zij stond op en zeide:
"Ik gevoel mij niet al te wel; ik heb pijn in het hoofd en moet rusten. Naar huis wil ik gaan."
Witta greep haar de hand en sprak lachende:
"Kom, kom, blijf met mij. Gij veinst! Maar hoe kan toch zulk onbeduidend nieuws u dermate ontstellen?"
"Robrecht zal ongelukkig zijn."
"Indien hij met jonkver Van Woumen trouwt?"
"Ja, zeer ongelukkig."
"Waarom?"
"Ah, Witta, gij kent haren hoogmoed niet! Zij zal hem later de eer verwijten die zij meent hem aan te doen door hare hand hem te schenken."
"Hoe toch? mijn broeder is rijker dan zij."
"Ja, maar zij waant zich van edeler bloed dan een Kerel. Nu stemt zij misschien toe het te vergeten; maar er zijn honderden Isegrims in haar eigen maagschap, die later haar deze verbintenis met eenen Blauwvoet zullen verwijten. Arme Robrecht, welk lot voor zijne fiere mannelijke ziel!"
En bij het uiten dezer laatste woorden legde Dakerlia zich de handen voor de oogen om de geweldige droefheid te verbergen die haar het hart beklemde.
Witta misgreep zich over de reden dezer ontsteltenis en voelde zich geneigd om de vrees harer vriendin te deelen. Zij sprak troostende:
"Nu, Dakerlia, dit huwelijk is nog niet gesloten. Mijn broeder heeft niet veel lust om te trouwen."
"Heeft hij u dit gezegd?" kreet Dakerlia met eene vonk van blijdschap in de oogen.
"Neen, duidelijk heeft hij het mij niet gezegd. Hij is ook voor deze zaak zoo achterhoudend, zoo stilzwijgend met mij! Ik heb reeds eens eenen geheelen nacht in stilte geweend, omdat ik meende zijn broederlijk vertrouwen te hebben verloren. Maar, Dakerlia, indien hij verheugd was over de pogingen die de proost van St-Donaas aanwendt om dit huwelijk mogelijk te maken, zou dan mijn arme broeder sedert vijftien dagen in eenzaamheid morren, het hoofd schudden en zijne vuisten wringen, als drukte hem een pijnlijk gewicht op het hart?"
"Ach, ik begrijp het, Witta: men wil hem dwingen!"
"Gij weet, Dakerlia, dat hij niet licht te dwingen is."
"Maar indien zijn oom, de proost, het gebiedt?"
"Hij zal toch weigeren."
"Hoe weet gij dit?"
"Hij heeft het gezegd."
"U gezegd?"
"Neen, maar ik hoorde eens, op eenen laten avond dat ik voorbij mijns broeders kamer ging, hoe hij met kracht uitriep: Nooit, nooit! Ik mag niet, ik kan niet!... Maar hoort gij het kort en snel geblaf van onzen wolfshond? Gij kent dit teeken: mijn broeder komt!"
Dakerlia beschouwde bevend rondom de kamer, als iemand die onbewust een middel zoekt om aan eene gevreesde ontmoeting te ontsnappen. Zij stapte zelfs naar de deur om heen te gaan; maar Witta hield haar terug en riep lachend uit:
"Maar wat is dit nu, lieve hemel? Zijt gij vervaard van mijnen broeder geworden? Hij is toch reeds in den gang; gij kunt hem niet beletten u welkom te heeten."
Nauwelijks was Dakerlia in de zaal teruggeweken, of Robrecht Sneloghe verscheen in de deur.
Hij was een jong ridder, rijzig van gestalte, sterk van leden, met schoon gelaat, glinsterende donkere oogen en lange bruine haren. Zijn degengevest was met gesteente afgezet, en zijn zwierig kleedsel met kostbaar gouden stikwerk geboord. Konden deze teekenen van rijkdom den eerbied der mindere lieden voor hem opwekken, zijn open doch mannelijk aangezicht, iets in zijne uitdrukking, zacht en fier tevens, stemde iedereen bij den eersten blik tot toeneiging voor hem.
Bij zijne intrede in de zaal onderbrak hij zijnen stap, als verraste de tegenwoordigheid van Dakerlia hem pijnlijk. Hij schouwde haar zoo diep in de oogen dat zij beefde onder zijnen blik; maar dan, zijne ontsteltenis meester wordende, ging hij tot de jonkvrouw, reikte haar de hand en zeide met eene stem, die eene uiterste moedeloosheid verried:
"Dakerlia, gij zijt terug van de reis? Wees welkom.... Ik hoopte evenwel dat gij nog meer dan eene maand te Veurne zoudt gebleven zijn."
De jonkvrouw staarde hem verwonderd aan.
"Zulke wensch schijnt u onbegrijpelijk, niet waar, Dakerlia? Ach, er gaat hier iets gebeuren dat mij verschrikt en doet lijden. Mijn verdriet kan u slechts bedroeven. Ik ga trouwen, Dakerlia!"
Een smartkreet ontsnapte jonkver Wulf.