# De Kerels van Vlaanderen

## Part 19

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-kerels-van-vlaanderen-13625/index.md

Hacket begon eene rede, waarin hij de vergadering aanraadde de zaak wel en met bedaarden geest te overwegen, vooraleer eene misschien overijlde beslissing te nemen. Het was telkens een groot ongeluk wanneer een volk gedwongen was op te staan tegen zijnen wettigen vorst, en eene misdaad wanneer zulken opstand gebeurde zonder dat men alle middelen had uitgeput om hem te ontwijken. Men mocht niet vergeten dat graaf Karel in den grond een edelmoedig vorst was. Hij had het genoeg bewezen tijdens den laatsten hongersnood, toen hij zijnen ganschen schat had uitgeput om de noodlijdenden te spijzen, zonder eenig onderscheid te maken tusschen de lieden der kroonsleenen en de lieden van Kerlingaland. De kastelein scheen te worstelen tegen een voorstel dat nog niet gedaan was. In alle geval moest hij voorzien dat zijn neef Burchard of anderen den graaf met hevigheid zouden beschuldigen; want hij haalde vele redenen aan, om te bewijzen dat de Isegrims alleen schuld hadden aan de grieven der Kerels en vorst Karel, zonder het te weten, door hen was bedrogen en misleid. Dan schilderde hij af hoe het geheele land, indien men den oorlog moest beginnen, met bloed en puinhoopen zou overdekt worden en alle welvaart voor vele jaren vernietigd. Bestonden er middelen om dit onheil nog af te keeren, het was de plicht der vergadering zulke middelen te beproeven. Na deze voorbereiding sprak hij van de hoop die men nog moest koesteren dat de graaf, indien men hem een aanzienlijk getal marken zilvers uit den gildeschat toestond, het noodlottig besluit zou intrekken. Wat was toch eene geldelijke opoffering, die in alle geval nog het tiende gedeelte van de kosten des oorlogs niet zou bereiken? Hij deed kennen dat de proost van St-Donaas in dien zin pogingen bij het hof had begonnen, en hij eindigde met het voorstel, hier slechts een voorwaardelijk besluit te nemen en de wapens niet op te vatten voordat men zeker ware van de mislukking aller min geweldige middelen.

Deze vreedzame redevoering werd met een hevig gemor van afkeuring begroet.

"Altijd dezelfde vrouwentaal!" riep Burchard. "Wij hebben reeds den strop aan den nek; geeft onzen vijanden dan den tijd om ons geheel te verworgen!"

"Onze flauwheid stort Kerlingaland in het verderf. De vrijheid eischt bloed, geven wij ons bloed!" schreeuwde Disdir Vos, harder nog dan Burchard, die hem daarom de handen drukte.

"De beurt is aan Alyn Van Ghistel", zeide de Voorman.

Een zeer oud man stond op. Zijne gedachten, die hij zeer onduidelijk voordroeg, kwamen hierop uit, dat men zich wel in allerhaast ten oorlog hoefde te bereiden, doch niet nalaten mocht het middel tot verzoening te beproeven dat door den vorigen spreker was aangeduid.

De vergadering hoorde zijne rede met onverschilligheid aan.

"Mher Robrecht Sneloghe van Houthem mag spreken" riep de Voorman.

Robrecht begon dus zijne rede:

"Gezellen, velen uwer weten dat ik nauw vermaagdschapt ben met den kastelein van Brugge en den proost van St-Donaas. Zij zijn mijne ooms. Ik huldig hier in het openbaar hunne oprechte en vurige verkleefdheid aan de belangen van Kerlingaland; maar, hoe het mij ook leed doe, in de gewichtige zaak waarover wij beraadslagen, kan ik hun niet terzijde blijven. Integendeel, de plicht, de diepgevoelde plicht dwingt mij dezelfde overtuiging uit te drukken als mijn vriend Disdir Vos van Bekeghem, en met hem te roepen: Ja, onze lankmoedigheid stort Kerlingaland in slavernij! Niet meer gewacht, niet meer geaarzeld; de verdediging der vrijheid eischt bloed, geven wij zonder dralen ons bloed!"

Deze laatste woorden werden luidruchtig toegejuicht, en menige kreet van "leve Robrecht Sneloghe!" liet zich hooren; want de jonge ridder was in de Ambachten algemeen gekend en door iedereen bemind.

Hij hernam zijne rede:

"Neen, gezellen, laat u niet verleiden door de hoop op vrede. De Isegrims hebben gezworen dat zij hunne kuiperijen niet zullen staken voordat de Kerels machteloos en gedwee onder het slavenjuk gebogen liggen. Doet opofferingen van schatten gelds, verkropt hoon en onrecht, het kan niet helpen. Indien wij langer terugdeinzen voor eenen oorlog, die toch niet te ontwijken is, smeden wij zelven, als dwazen en als lafaards, de ketens die ons aan het juk der dienstbaarheid moeten vastklinken. Daarom met voorvaderlijke trotschheid opgestaan en met het zwaard het edict der slavernij verscheurd! Ja, ja, loopen wij te wapen, veeleer heden dan morgen! Wie aarzelt is half verwonnen.--Wat hebben wij te vreezen? Indien al de weerbare mannen van Kerlingaland te velde komen, wie zou ons dwingen? Ontbreekt het ons aan geld, aan wapens of aan moed?... Ziehier mijn voorstel, gezellen. Dat dezen nacht en morgen overal, waar de beslissing van den Hoop bekend wordt, het noodvuur vlamme en de noodhoorns galmen! Verkondigen wij den landstorm; bepalen wij eene vergaderplaats, hetzij Diksmuide, Ghistel of Oudenburg; benoemen wij in dezen Hoop zelven eenen ervaren veldheer en eenen krijgsraad. Onmiddellijk zullen wij eene aanzienlijke macht te wapen hebben. Met deze eerste benden zouden wij de versterkte burgen in Kerlingaland overrompelen en, zonder ernstigen tegenstand te ontmoeten, in bezit nemen. Tegen deze vestingen gesteund zouden wij in allerhaast ons leger tot eenen beslissenden oorlog inrichten, van daar in ontzaglijke drommen onze vijanden te gemoet trekken en Kerlingaland en de vrijheid wreken in het terugvinden dan nadat graaf Karel onze vrijheid opnieuw hebbe bezworen en gewaarborgd, en wij de vaste verzekering hebben bekomen, dat hij de Isegrims uit zijnen raad zal verwijderen en ons een rechtvaardig vorst wil zijn. Wat gij ook over deze voorstellen denkt, gezellen, gelooft mij, wachten, aarzelen is hier eene lafheid en eene misdaad. Gansch Kerlingaland loope te wapen als een enkel man, en verrassen en verbazen wij onze vijanden door plotselijke ontwikkeling van al onze macht!"

Er volgde eene lange en donderende toejuiching; vele stemmen zelfs schreeuwden luid dat men mher Sneloghe tot veldheer moest kiezen; maar Robrecht beriep zich op zijne jonkheid en onervarendheid en verklaarde dat hij deze zending niet kon of wilde aanvaarden.

Burchard Knap sprong recht en poogde te spreken; maar de Voorman ontnam hem onmiddellijk het woord en deed hem zitten, voor reden gevende dat, eer zijne beurt verschene, nog menig ander gezel moest worden gehoord.

Inderdaad, verscheidene afgevaardigden drukten, de eene na den andere, hun gevoelen uit. Één of twee rieden met weinig aandringen de voorzichtigheid aan en wilden het middel, waarvan de kastelein Hacket gesproken had, beproefd zien; al de anderen vielen met woede tegen de Isegrims uit, noemde alle lankmoedigheid verraad en lafhartigheid, en stemden voor het onmiddellijk beginnen van eenen oorlog zonder genade.

Eindelijk bekwam Burchard Knap het woord. Hij stond op en zeide met eene holle en krachtige stem, waarvan de ontzaggelijke toon alleen indruk deed op zijne aanhoorders.

"Gezellen, ik had honderd redenen gereed, om u tot eenen onmiddellijken oorlog te doen besluiten; maar dewijl ik zie dat het Kerlenbloed in uwe aderen niet min kookt dan in de mijne, zal ik u van wat anders, even gewichtig spreken. Heeft het u niet verbaasd dat men in deze vergadering den lof komt verkondigen van Karel van Denemarken, den huichelenden vijand der Kerels, die met zijne Isegrims in het donker onzen ondergang beraamt, en dan eensklaps voor den dag komt met het vloekbaar edict dat ons allen tot slavernij veroordeelt? Het spijt mij dat ik mijnen oom Hacket moet tegenspreken; maar de vrijheid voor alles en boven alles! Eerbied voor Karel van Denemarken? Was die vreemdeling niet van den dag zijner troonsbeklimming ons een gezworen vijand? Wat deed hij onmiddellijk? Hij vaardigde een edict uit dat hij den _Heerliken vrede_ noemde, waarbij hij allen onvrij geboren man op lijfstraffe verbood wapens te dragen. Heeft hij niet jaren lang gepoogd u tot het nakomen van dit edict te dwingen, alsof de Kerels zonder uitzondering in slavernij waren geboren? Heeft hij niet vrijgeweiden en vrijbosschen, die den armen lieden onzer Minnen of onzer Ambachten sedert eeuwen toebehoorden, aan leenheeren en abdijen weggeschonken, zonder eerbied voor ons recht van eigendom? Gelooft mij, de haat voor de Kerels, dien men aan het hof zoo openlijk toont, ligt niet alleen in het hart der raadsheeren van Karel van Denemarken, maar vuriger nog in zijn eigen hart ..."

Mher Hacket en eenige anderen morden luid en riepen zelfs dat Burchard de dingen overdreef en den graaf ten onrechte beschuldigde; maar de overige leden der vergadering juichten den redenaar toe, en zoo ontstond er een groot gerucht in de zaal.

De stem verheffende, overneerschte Burchard al het gedruisch en sprak:

"Ik ben in het bezit van het woord en zal het behouden totdat ik gedaan heb!... Karel van Denemarken is ons vreemd; al zijne gedachten zijn Romaansch. Voor hem zijn er op de wereld slechts twee soorten van menschen mogelijk, dit is beheerders die gebieden en slaven die onder den stok der meesterschalken in het juk loopen. Dat er vrije menschen kunnen bestaan die ploegen, weven, handel drijven of de zee bevaren, dit begrijpt hij niet; ja, hij ziet het als eenen bloedigen hoon aan voor allen ridder van zoogezegde edele geboorte, dat nog anderen dan zij op persoonlijke vrijheid zich beroemen ..."

"Gij spreekt van de Isegrims en niet van den vorst!" onderbrak Robrecht.

"Ja, wij weten waarom mher Sneloghe den graaf wil sparen", wedervoer Burchard. "Het is ter gedachtenis van zijnen vader zaliger, die een vriend van Karel was. Ik zie het aan als eene slecht begrepene dankbaarheid, en herhaal hier met eene vaste overtuiging: die Karel van Denemarken is een bedrieger, een valschaard. Hij veinsde inderdaad veel prijs te hechten aan de faam van streng en rechtvaardig te zijn; maar, zegt het mij: heeft hij onder dien gehuichelden schijn ooit eenen Kerel recht laten wedervaren? Of willen wij nu het bloed bij stroomen gaan vergieten omdat wij den graaf te danken hebben voor zijne rechtvaardigheid? Dat de leenheeren hem prijzen en zijnen lof uitbazuinen, wat wonder? Hij is in alles hun beschermer en dus de natuurlijke vijand des volks ... Ja, betwist het zooveel gij wilt, mher Sneloghe, zelfs de poorters van Brugge, die van zijne willekeur afhangen, poogt hij te verdrukken. Gaat hij niet een groot gedeelte hunner nu den balfaart opleggen, alhoewel zij reeds hun deel in de lasten der poort betalen?... Wil ik u het eenige middel aanwijzen om onze vrijheid te behouden en zelfs in de toekomst tegen alle vervolging en alle verdrukking verzekerd te zijn? Wij moeten den graaf der Isegrims verloochenen en ons eenen graaf kiezen die geen vijand, maar wel een vriend der Kerels zij!"

Dit onverwacht voorstel trof de aanwezigen met verbaasdheid, en er bleef eene wijl eene betrekkelijke stilte heerschen, alhoewel eenige leden der vergadering met luider stemme tegen den vermetelen redenaar uitvielen.

"Ik heb niet gedaan", zeide deze, "maar ik wil toelaten dat mijne wederstrevers nu spreken, op voorwaarde dat mij het woord teruggegeven worde, zoohaast wij hunne opmerkingen zullen gehoord hebben."

Een algemeen handgeklap betuigde dat men dit voorstel goedkeurde.

Hierop stonden Hacket en nog twee of drie anderen beurtelings op en deden rechtzinnige pogingen, niet om den graaf te verrechtvaardigen, maar slechts om hem te verschoonen, als zijnde de grieven der Kerels hoofdzakelijk te wijten aan de Isegrims, die den graaf uitsluitend omringden en allen anderen invloed van hem hadden verwijderd.

Robrecht Sneloghe riep eene andere reden in, om het voorstel van Burchard als ontijdig en schadelijk te doen verwerpen. Hij wees op de beroering, welke het verloochenen van den graaf door de vrije Ambachten in gansch Vlaanderen en zelfs tot in het hart van Frankrijk, waar Karel van Denemarken vele vrienden telde, zou veroorzaken. Zou men dus de Kerels blootstellen aan den haat van gansch de Westerwereld? En zouden zij niet onfeilbaar bezwijken, indien men hun zoovele vijanden te gelijk op den hals trok? Zij wilden hunne vrijheid en hun recht verdedigen; maar moesten zij daarom, zelfs voor het begin van den oorlog, den graaf van zijne kroon berooven?

Burchard antwoordde hierop, dat hij zich om de goedkeuring der Franschen niet bekreunde, die wel genoeg te doen hadden om zich tegen de Engelschen in Normandië te verdedigen. En wat de overige gewesten van Vlaanderen betrof, hij poogde te bewijzen dat de gemoederen daar niet minder ontevreden waren dan in Kerlingaland.

Wat konden de Kerels bij eene eindelijke zegepraal winnen, indien hun grootste vijand, indien Karel van Denemarken de kroon bleef dragen? Volgens hem moest men in dezen oorlog, wilde men een beslissend einde aan de vervolging zien, alles op het spel zetten en den graaf dwingen zijne kroon tegen de vrijheid der Kerels te wagen. Alle halve middelen doemde hij als ingesproken door vreesachtigheid en lage aarzeling.

Volgens de gewoonte zulker vergaderingen werden de woorden van Burchard het meest toegejuicht, alleenlijk omdat hij de geweldigste middelen voorstelde.

Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen hadden al zijne woorden met geestdrift toegejuicht, en nu en dan vuriger nog dan hij, hunnen haat voor graaf Karel uitgedrukt.

Na eenige wederspraak van beider zijde, staakten Hacket en Robrecht hunne vruchtelooze pogingen, daar de meerderheid hen met onwil aanhoorde en luidruchtig riep dat men tot de stemming zou overgaan.

De Voorman herhaalde in een kort begrip, wat de verschillende redenaars het gewichtigst over de hangende zaak hadden doen gelden.

Dan zeide hij:

"Gezellen, vooraleer tot de stemming over te gaan, meen ik u te mogen herinneren dat elk onzer door zijnen gildeneed verbonden is de besluiten van den Hoop te aanvaarden en rechtzinnig en trouw tot hunne uitvoering mede te werken, welke ook zijne bijzondere meening over deze besluiten zij. Wie deze verplichting niet geheel aanvaardt, dat hij opsta en het verklare!... Niemand antwoordt, het is wel. Nu zal ik de voorstellen u, onder vorm van vragen, toerichten. Wie de hand in de hoogte steekt antwoordt bevestigend, wie dit niet doe, stemt tegen het voorstel ... Ik vraag u dus ten eerste: zullen de vrije Ambachten van Kerlingaland de wapens opvatten en oorlog voeren tegen den graaf!"

De gansche vergadering sprong recht met de handen opgeheven.

En toen de Voorman uitriep:

"De Hoop besluit eenparig tot den oorlog!" volgde er onmiddellijk een langdurig gejuich, vermengd met blijde kreten en met woeste bedreigingen tegen de Isegrims.

De hamerslag hergalmde driemaal.

"Nu de tweede vraag", zeide de Voorman, "Verloochenen de vrije Ambachten Karel van Denemarken als graaf van Vlaanderen?"

Bij dit voorstel werd het noodig geoordeeld de stemmen te tellen; want een zeker getal afgevaardigden hadden de handen niet opgestoken.

Evenwel, men bevond dat de grootste meerderheid het voorstel aanvaardde, en de Voorman kondigde dus den uitslag af:

"De Hoop besluit dat de vrije Ambachten Karel van Denemarken niet meer als graaf van Vlaanderen erkennen."

Weder werd deze beslissing door luid gejuich begroet.

Eenigen der aanwezigen nochtans waren droef of schrikten terug van den gevaarlijken stap dien men hier zoo lichtvaardig waagde. Robrecht Snelooghe schudde het hoofd in diepe overweging; op het gelaat van Hacket stond eene zure grijns van ontevredenheid.

"Ik vraag het woord!" riep Burchard Knap.

En zoohaast de Voorman toestemmend hem had geantwoord, sprak hij:

"Gezellen, ik wensch u geluk over uwe manmoedige besluiten. Gelooft mij, gij hebt gedaan wat Kerlingaland van zijne vrije, van zijne onversaagde zonen mocht verwachten. Nu hebben wij geenen vorst meer. Ik raad u aan, zonder deze zaal te verlaten, eenen anderen graaf te kiezen en uwe stemmen op zulken persoon te richten die als opperveldheer ons ten oorlog kan geleiden. Wij mogen geenen tijd verliezen om ons zulken leidsman te geven. Ik zal mij verstouten iemand aan uwe keus voor te stellen. Een afstammeling onzer wettige graven is mher Willem Van Loo...."

"Willem Van Loo, leve Willem Van Loo!" riepen velen der aanhoorders; maar de Voorman klopte met den hamer, en Burchard hernam:

"Laat mij voortgaan, gezellen: mher Willem Van Loo, thans burggraaf van Yperen, is een kleinzoon van onzen beroemden graaf Robrecht De Vries. De moeder van mher Willem was eene vrije Kerlinne; hem vloeit dus Kerlenbloed in de aderen. Hij kent ons en heeft zijn gansch leven in ons midden gesleten. Hij heeft reeds als veldheer groote legers aangevoerd en is een beroemd krijgsman. Schijnt het niet dat God zelf dezen telg van onzen ouden grafelijken stam heeft gespaard, om ons ter zegepraal te leiden? Welaan, roepen wij mher Willem Van Loo met eenparige stemmen tot graaf van Vlaanderen uit."

De kreten: "Leve Willem, graaf van Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" weergalmden zeer lang en zoo algemeen dat niemand het nuttig achtte de stemming door het opsteken der handen te bevestigen.

Toen het mogelijk was zich weder te doen hooren, vroeg iemand of men zich mocht verzekerd houden dat Willem van Loo uit de handen der Kerels de kroon van Vlaanderen zou willen aanvaarden. Deze kroon moest nog ten prijze van veel bloed misschien, en door zegepralen gewonnen worden. Zou mher Willem toestemmen om deze kans te wagen?

"Twijfel er niet aan", antwoordde Burchard. "Willem Van Loo stemt toe om zijn lot aan het lot der Kerels te verbinden; met ons zal hij overwinnen of bezwijken ... En, wil de vergadering mij oorlof geven om deze zaal eenige oogenblikken te verlaten, ik zal terugkeeren met mher Willem Van Loo, en hij zelf zal u van zijne aanvaarding verzekeren."

"Hoe? Wat beduidt dit? Hij kende dus op voorhand onze beslissing?" riep eene stem.

"Neen", wedervoer Burchard, "ik ben naar Yperen gegaan en heb hem medegedeeld welke voorstellen ik hier wilde doen. Ten volle zeker van uw besluit, omdat het alleen Kerlingaland kan redden, heb ik hem verzocht mij naar Veurne te vergezellen. Zoo spaar ik u veel verlies van tijd en langdradig gaan en komen. Heb ik onze taak daarmede niet eenen goeden dienst bewezen?"

"Ja, ja, eenen grooten dienst!" riep men van alle kanten.

"Welnu", zeide Burchard, "de Voorman geve aan de wachten en klerken, bij de deur der zaal en bij de poort der Halle, bevel om eenen ridder, die tot de Hoop niet toebehoort, met mij in de zaal te laten treden,"

Hierop verliet hij de Halle.

De vergadering bleef met groot gerucht over deze haastige keus twisten en kouten, totdat de deur weder werd geopend en mher Willem Van Loo waarlijk in de zaal trad.

Hij werd onder het herhaald gejubel van: "Leve Willem, graaf van Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" door Burchard op de verhevenheid geleid, waar de Voorman, met eenige woorden van hulde en gelukwensching, hem den middelzetel aanbood.

Willem Van Loo was een ridder van meer dan gewone gestalte en lichaamskracht. Zijn blik was trotsch en indrukwekkend, doch zijne lippen waren dun, en rondom zijnen mond liepen twee zonderlinge rimpels, die zijn gelaat een voorkomen van list of van achterdocht gaven.

Terwijl men nog immer voortging met hem als graaf van Vlaanderen toe te juichen, zette Willem zich neder; en toen hij bespeurde dat de welkomskreten verminderden, stond hij op en sprak dus tot de vergadering:

"Vrienden van Kerlingaland, gij biedt mij de kroon van Vlaanderen aan, die mijne voorvaderen zoo roemrijk hebben gedragen. Ik aanvaard ze uit uwe handen, dit is te zeggen, dat wij te zamen goed en bloed gaan wagen om ze den vreemden overweldiger te ontrukken. Elk uwer doe zijnen plicht als vrij man en als Kerel; ik zal den mijnen doen als uw aanleider en uw vorst. Eischt gij van mij eene belofte of eenen eed, ik zweer u dat ik uw recht en uwe vrijheid zal eerbiedigen; maar mij insgelijks zult mij beloven gedurende dezen oorlog mij in alles te gehoorzamen en mij willekeurig onze krijgsverrichtingen te laten leiden, zooals ik het goed zal vinden. Ik eisch deze belofte van u niet als vorst, maar als legeroverste. Zonder een éénig hoofd kan men in den oorlog niets ... Nu, belooft uwen veldheer deze gehoorzaamheid."

Al de handen gingen in de hoogte en de kreten: "Ja, ja, wij beloven het, wij zullen u gehoorzamen!" versmolten tot een verward en luidruchtig geraas.

Willem Van Loo moest reeds op voorhand overwogen hebben wat hij hier zou zeggen; want hij hernam onmiddellijk het woord.

[Illustratie: Vrienden van Kerlingaland (Bladz 232.)]

"Welaan dan, gezellen", sprak hij, "ziehier mijne eerste bevelen. Zooals gij het hebt besloten, zal gansch Kerlingaland zijne weerbare mannen te wapen roepen en ze tot mijne beschikking stellen, opdat ik ze aanvoere tegen den vijand. Het is niet raadzaam dat onze gewapende Kerels eenzaam of bij kleine benden de Ambachten doorkruisen, vooraleer wij eene zekere macht hebben verzameld. Daarom, bereidt alles metterhaast en in stilte, opdat uwe mannen allen te gelijk zich op weg kunnen begeven in den nacht van Maandag tot Dinsdag toekomende, dat is binnen zes dagen, op zulke wijze dat zij bij zonsopgang ter vergaderplaats des legers verschijnen. Deze vergaderplaats is het Wolvennestbosch boven Koyhem. Mijn ontwerp is gemaakt; het berust op mijne lange ondervinding van den oorlog in deze gewesten. Allereerst zullen wij in het vlakke veld ons leger goed inrichten, met den burg van Yperen, die in mijn bezit is, tot steunpunt en voorraadstapel. Men houde zich in de overige burgen, alsof men geheel vreemd was aan den opstand. Wanneer ik later met ons zegevierend leger opvolgend voor elken burg verschijn, zal het tijd genoeg zijn om van binnen ons te helpen. Onze macht mogen wij niet verstrooien: blijven wij overwinnaars in het open veld, dan zullen de burgen van zelf hunne poorten voor ons openen. Dit is voor alsnu mijn ontwerp; maar deden de voorvallen mijne gedachten desaangaande veranderen, gij zoudt allen zonder onderzoek en zonder vertraging mijne bevelen uit te voeren hebben. Van de macht, welke gij mij heden hebt toegekend, zal ik gebruik maken met onverbiddelijke strengheid, en degenen die mij gehoorzaamheid weigeren de straf der landverraders doen onderstaan. Het is noodig tot het bereiken van ons doel. Zoolang deze oorlog duurt, is uw veldheer alleen meester ..."

Eenig gemor liet zich hooren.

"Mishaagt u deze wet?" vroeg Willem ontevreden. "De vergadering zegge het mij, en ik verzaak onmiddellijk de zware taak die ik had aanvaard."

"Neen, neen; leve Willem, onze graaf!" riep men met herhaald gejuich.

"Wel zoo, gezellen", zeide Willem. "Doen wij nu allen onzen plicht met vastberadenheid en trouw ... Ik zie in de vergadering velen mijner vrienden, wien ik te dezer gelegenheid gaarne de hand zou drukken, en andere gezellen, met welke ik wensch kennis te maken. De Voorman hebbe de goedheid mij tot hen te geleiden en mij hunne namen te noemen, opdat ik ze herkenne, als wij te zamen tegenover den gemeenen vijand zullen staan."

Na deze woorden daalde hij met den Voorman van de verhevenheid en ging tusschen de banken, hier minzaam groetende, daar handen drukkende, overal vriendelijke woorden sprekende en elkeen door eenige aangename woorden gunstig stemmende. Deze verbroedering tusschen den nieuwen vorst en de afgevaardigden der Ambachten eenigen tijd geduurd hebbende, beklom Willem Van Loo opnieuw de trede en sprak:

