De Kerels van Vlaanderen

Part 18

Chapter 18 3,716 words Public domain Markdown

"Ik weet waar hij zich ophoudt: hij zal een bijzonderen brief van mij ontvangen en in vrede blijven, ten minste tot den dag van den Hoop. Hij heeft mij dit reeds plechtig beloofd."

"Alzoo, wij hoeven ons te bereiden tot den oorlog?" vroeg de kastelein.

"Bereiden, voorzeker", antwoordde hem zijn broeder de proost, "maar die noodlottige worsteling is nog niet volstrekt onvermijdelijk. Wie zegt ons dat, indien onze graaf het oor aan den raad onzer vijanden heeft geleend, het niet alleenlijk is, omdat de oorlog in Aquitanië, en nu op de grenzen van Normandië, hem dwingt naar middelen uit te zien om zich eene groote hoeveelheid gelds te bezorgen? Indien de Kerels hem eene bede toestonden van eenige duizende marken zilvers?"

"Alweder toegevendheid en gebeden?" morde Robrecht; "kunnen wij dan niets meer dan smeeken? Gij weet, oom, hoe ik onzen graaf verkleefd was, ondanks het onrecht dat ons werd aangedaan. Vorst Karel had mijnen vader zaliger vereerd en bemind. Ik was hem daarvoor dankbaar. Nu moet ik die dankbaarheid in mijn hart versmachten. Ik heb te kiezen tusschen den oorlog tegen den graaf en de vernedering van mijn vaderland, het verlies onzer vrijheid. De overtuiging dat onze vorst door de booze Isegrims is misleid maakte mij die keus nog pijnlijk, ik beken het; maar de stem van mijn geweten ..."

"Zwijg toch", onderbrak hem de proost, "Gij wordt even voorbarig en oploopend als de woeste Burchard. Luister toch eerst naar de kalme rede. Indien wij door zulke geldelijke opoffering het edict en de schrikkelijke rampen afweren, die ons geslacht en ons vaderland bedreigen, zoudt gij mij laken den raad daartoe te hebben gegeven?"

"Neen, neen, oom; maar alle hoop op rechtvaardigheid, alle hoop op vrede is dood in mij!"

"Welnu, ik zal pogen te weten wat zulk aanbod bij den graaf vermag. In alle geval, de Hoop te Veurne zal over de zaak beraadslagen; en wij allen, onzen Gilden-eed getrouw, zullen ons aan zijne beslissing onderwerpen. Laat ons nu naar de proostdij gaan, Hacket; de tijd is ons kostelijk; wij moeten met spoed onze voorzorgen nemen om, tot de beslissing van den Hoop, alle beroerte in de Ambachten te beletten."

In den gang zeide de proost nog:

"Wij zullen terloops Segher Wulf vaarwel wenschen; hij zal misschien ontwaakt zijn."

Robrecht hield hen terug en deed hun begrijpen dat zij in tegenwoordigheid des zieken van het afgekondigde besluit niet mochten gewagen. Segher Wulf, die zich gelukkig achtte, zijn leven te hebben gewaagd, in de gedachte dat hij door het storten van zijn bloed de vrijheid der Kerels tegen allen nieuwen aanval had behoed, kon een noodlottigen slag ontvangen, indien hij nu vernam dat de Isegrims zelfs het oordeel Gods niet hadden geëerbiedigd.

Zijne ooms erkenden de gegrondheid dezer bemerkingen en beloofden den zieke van niets te spreken.

Alzoo zij nu door de gang traden, hoorden zij eensklaps op eenigen afstand bazuintonen hergalmen.

"O! mijn God!" kreet Robrecht verschrikt, "daar komt men nu in deze straat het noodlottig besluit afkondigen. Mher Wulf zal het hooren. Wat schromelijke slag!"

"De snoodaards!" morde de kastelein. "Wie weet, hebben zij de wapenboden daartoe geen bijzonder bevel gegeven? Onverbiddelijk zijn de Tancmars in hunnen haat."

"Maar neen, de wapenboden zijn nog verre; mher Wulf kan niets van de afkondiging verstaan", bemerkte de proost.

"Ach, hij hoort zoo verwonderlijk scherp, en hij ligt onder het venster bij de straat", klaagde Robrecht.

"Kom, kom, gij bekommert u ten onrechte", zeide de proost, terwijl hij de deur der ziekenkamer opende.

Segher Wulf lag nog met geslotene oogen, en nevens hem stond Dakerlia met angst en vervaardheid op het gelaat; want zij insgelijks had de bazuintonen gehoord.

"Ontstel u niet zoozeer, jonkvrouw; uw vader slaapt en de bazuinblazers zijn weg", fluisterde de proost aan haar oor.

Maar nauwelijks waren deze stille woorden zijnen mond ontglipt of de stem van den afkondiger verhief zich onder het venster zelf.

Een pijnlijke kreet ontsnapte Dakerlia, terwijl zij de bevende handen over haren vader uitstrekte, als poogde zij de noodlottige klanken te onderscheppen.

De zieke opende de oogen wijd en luisterde. Hij bleef rustig; geene plooi op zijn gelaat duidde aan dat hij verstond wat men daarbuiten zoo luid afriep.

Reeds was de klerk zeer verre in het lezen van het besluit gevorderd, en nog had Segher Wulf geen teeken van ontroering gegeven. De omstanders meenden te mogen hopen, dat hij niets van het besluit zou verstaan.

Maar toen de afkondiger het tweede punt van het noodlottig edict bereikte, werd de zieke eensklaps als door eenen geweldigen slag getroffen: al zijne leden trokken zich krampachtig te zamen en, ofschoon de klagende Dakerlia en de verschrikte geneesheeren hem poogden te bedwingen, duwde hij zijne twee armen op het bed, spande al zijne zenuwen en riep uit, terwijl hij zich met verwonderlijke kracht in de hoogte hief:

"Slaven! De Kerels slaven! Wraak, wraak, o, mijn God!"

Eilaas! Zijn slecht geheeld sleutelbeen brak opnieuw, zijne wond scheurde open, het bloed golfde hem over de borst en hij viel met eenen akeligen noodkreet achterover ...

"Het is niets, geen gejammer, geen gekerm!" riep een der geneesheeren, den proost haastige teekens doende, dat men de jonkvrouw zou verwijderen.

Allen verstonden hem. Robrecht en zijne ooms grepen Dakerlia bij de armen en schouders, en hoe zij ook als zinneloos worstelde, zij leidden ze met geweld in eene ver afgelegene kamer. Daar poogde men haar te doen gelooven dat het ongeval geene erge gevolgen zou hebben. De geneesheer had immers zelf gezegd dat men niet mocht bekommerd zijn? Een nieuw verband zou alles weer herstellen.

Maar Dakerlia, door eenen doodelijken schrik aangejaagd, was niet te bedaren.

"De wreedaards, de Isegrims!" riep zij uit, terwijl men haar poogde van de deur terug te houden. "Zij hebben hem in den kamp niet kunnen overwinnen. Vermoorden moesten zij hem, met valschheid, met lafhartigheid! O, mijn vader, mijn arme vader, wie zal u wreken? Wie zal het edel bloed herkoopen, dat gij voor de vrijheid van Kerlingaland hebt vergoten?"

"Wees gerust, Dakerlia", antwoordde Robrecht Sneloghe. "De noodhoorns gaan galmen over Kerlingaland. Het is een oorlog om leven en dood. Ik zal te midden des gevechts de vijanden uws vaders opzoeken en ze treffen, zoolang mijn arm de macht heeft tot het verheffen van een zwaard."

De maagd slaakte eenen angstkreet, legde zich de handen voor de oogen en begon overvloedig te weenen; maar zij was zoo aangejaagd dat zij bijna onmiddellijk weder naar den ingang der kamer sprong en zich de handen ten bloede werkte om de geslotene deur open te rukken.

Zij viel op de knieën voor den proost en kermde en bad met saamgevoegde handen, om tot haren vader te mogen gaan. Hij kon sterven, haar verkrampend hart riep het luid. Mocht zij hem dan niet een laatst vaarwel wenschen en hem de oogen sluiten? Zou hij ten hemel varen zonder zijn kind aan zijne zijde te zien?

Eindelijk door medelijden overwonnen, zeide de proost tot haar, dat hij den kastelein zou verzoeken naar de ziekenkamer te gaan om het oorlof der geneesheeren af te smeeken, indien Dakerlia toestemde bedaard te wachten op de tijding welke hij hun zou brengen.

Men opende met voorzorg de deur en Hacket begaf zich naar de kamer aan de straat.

Hier ontvloog hem een kreet van schrik, ofschoon de geneesheer door zich den vinger aan den mond te leggen, hem tot stilte aanmaande.

Segher Wulf lag uitgestrekt op het bed, met een kruisbeeld op de borst. Zijn gelaat was loodvervig en toonde de doorschijnende tint der bloedeloosheid. Witta zat ten gronde geknield en weende bitter.

De kastelein naderde met kloppend hart en aanschouwde den geneesheer.

"Niets meer dan een lijk!" murmelde deze.

"Wel zeker?"

"Hoe anders? Al zijn bloed is hem ontloopen."

"Wat akelige ramp!"

"Ja, een ijselijk voorval; maar klagen kan hier niet helpen, heer kastelein. Gij moet tot de jonkvrouw gaan; haar eerst met halve woorden een ongeluk doen voorgevoelen, haar dan van een groot gevaar spreken en zoo allengs haar den dood haars vaders melden, opdat de slag haar niet plotselijk treffe."

De kastelein verwijderde zich stilzwijgend, om de droeve zending te gaan vervullen; maar nauwelijks was hij eenige oogenblikken weg, of men horde in den gang eenige wanhopige klachten hergalmen.

Dakerlia stortte in de kamer en liep tot bij het bed. Een eerste blik zeide haar alles: zij slaakte eenen machtigen schreeuw, eenen noodkreet, die het gansche huis doorschalde, en viel gevoelloos met het hoofd op de borst haars vaders.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 48: Bij de Angel-Saksen noemde men het Gemeentegoed of vrij geweide _folcland_ (ager publicus), een land, waarvan het bezit door eene geschrevene oorkonde vanwege den vorst was toegestaan of bevestigd, _bocland_ (geboekt land).

Zie LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_ t. I, pp. 578 en 579.]

XI

De dag waarop de Hoop[49] zou gehouden worden, was verschenen.

Reeds van in den vroegen morgen krielde de stad Veurne met lieden die zich uit alle gewesten van Kerlingaland zich derwaarts hadden begeven, en nog zag men elk oogenblik groote overdekte wagens voor de bijzonderste herbergen stilhouden.

Niet al deze bezoekers waren geroepen, om als afgevaardigden der Ambachten in den Hoop te zetelen. Eenigen moesten zich aanbieden voor het beroepsgerecht of _jaarwaarhede_, anderen zouden zekere zaken aangaande hunne betrekkingen met het Gilde vereffenen; de meesten evenwel hadden de reis ondernomen uit enkele nieuwsgierigheid of om vrienden of bekenden te ontmoeten.

Rondom den Kerkhofsmuur van St-Walburgis stonden kramen met eetwaren, met fruit en lekkernijen, met landbouwgereedschap, met huisgerief en kleederstoffen, zoodat de plaats naar die zijde geheel het voorkomen had eener jaarmarkt of eener kermis.

Daar was groote toeloop van volk. De Kerels herkende men aan hunne lange baarden en aan hun breed zwaard of schermzeis. Tusschen hen kon men de Houtkerels onderscheiden aan het diepere blauw hunner kleeding en aan hunne hoeden, waarvan de randen achter en terzijde in vorm eener klak waren opgeslagen, terwijl de Veld- en Duinkerels breedgerande hoeden droegen, die met eene veder van den Blauwvoet of Zeearend waren gesierd.

Men bemerkte zelfs hier en daar eenen Kolvekerel uit het graafschap Gwynen, die gansch in kleeding en voorkomen aan de andere Kerels geleek, tenzij dat hij tot eenig wapen eenen houten kolf of knots in de hand of op den schouder droeg.

De poorters of burgers van Veurne hadden geenen baard, en slechts de bijzondersten onder hen droegen een kort mes boven de lederen tassche aan hunnen gordel. Zij lieten zich niet veel in met de Kerels, die overigens hen met hoogmoed bejegenden en zorgvuldig vermeden over de zaken der Ambachten in hunne tegenwoordigheid te spreken.

Inderdaad, de Kerels zagen de poorters der steden als lieden aan die hunne onafhankelijkheid hadden verloren en van de voorvaderlijke vrijheden niets meer bezaten dan wat de vorst hun willekeurig en uit genade had laten behouden.

Vroeger genoten al de gedeelten van Kerlingaland dezelfde onafhankelijkheid, en hadden geenen anderen dienstplicht jegens den graaf dan het leveren van krijgslieden tot 's lands verdediging Zij betaalden gewilliglijk alle tollen van doorvaart op koopwaren, havenrechten en burggelden aan 's gravens ambtenaars, voor zooveel deze belastingen niet als een persoonlijke hoofdtol konden worden beschouwd. Daarenboven, in oorlogstijd of in andere gewichtige omstandigheden, wanneer de vorst hun eene _bede_ toerichtte, verleenden zij hem vrijwilliglijk aanzienlijke hulpgelden uit den gildeschat.

Maar voor twee eeuwen hadden de graven van Vlaanderen, om het land tegen de invallen der Noormannen te kunnen verdedigen, met de toestemming der Kerels zelven, verschillende steden met muren omsingeld en er een sterk kastel of burg gebouwd, waarin een ambtenaar, door den vorst aangesteld, als kastelein of burggraaf het bevel voerde.

Van dit oogenblik af zag de graaf het gebied van den burg als een leen der Kroon aan, en werden de inwoners der steden zijne leenmannen, met de uitzondering nochtans, dat hij hun zekere vrijheden liet behouden, en deze bevestigde door eene vorstelijke vergunning. Hij gaf zulke _gemeente_ bestierders of _schepenen_ en liet er het recht uitoefenen in zijnen naam, onder de hooge bewaking van den kastelein.

Geheel anders was het met de Kerels buiten de bemuurde steden gesteld. Dezen hadden nog hunne voorvaderlijke inrichtingen behouden en bestierden zich zelven en oefenden den rechtspleging zonder de minste tusschenkomst eener hoogere overheid. Eén of meer dorpen, onder een gemeenschappelijk bestier, noemden zij eene _minne_, en verscheidene zulker _minnen_ vormden een Ambacht. Schepenen hadden zij niet; hunne bestierders, jaarlijks door hen gekozen, noemden zij Keurmans. Dezen waren belast met het beredderen der openbare belangen van de minne, en zetelden in de vierschaar en vonnisten, zoowel over stoffelijke gedingen als over wetsovertredingen en misdaden.

Binnen de stad Veurne zelve, naar eenen hoek der Markt, was er nog eene vrije plek grond, die niet aan de overheid van den kastelein was onderworpen. Daarop hadden de machtige Kerels van Veurne-Ambacht hunne groote Gildehalle gebouwd, om er hunne gemeene zaken te behandelen en er de wekelijksche rechtspleging te oefenen.

Van buiten beschouwd, had deze Halle het voorkomen van een onmatig lang en breed huis, zonder verdiep, welks eenvormige lijnen slechts onderbroken waren door een hoog torentje, waarin twee klokken hingen van verschillende grootte. De vensters waren zeer hoog boven den grond en met ijzeren staven gesloten.

Nu stonden voor de ingangspoort tien of twaalf langgebaarde mannen, met uitgetogen schermzeis, die de poorters en vreemdelingen van de Halle hielden verwijderd.

Dit opzicht van ongastvrijheid en van verborgenheid moest doen denken dat de Kerels, bij den bouw der Gildehalle, voor doel hadden gehad, alle bespieding van buiten af te weren en het geheim hunner beraadslagingen te vrijwaren tegen de nieuwsgierigheid zulker lieden, die niet door den Gildeneed met hen waren verbonden.

Van binnen was de Halle niet zoo somber; want de vensters, die op den neerhof uitzagen, waren zeer breed, en geen traliewerk onderschepte er het daglicht. Hare grootste uitgestrektheid was ingenomen door eene lange zaal, waarvan het gewelf, met zijne veelvuldige graten, op twee rijen lage pijlers rustte, die met zonderlinge beeldsieraden waren overdekt.

Men had nu, tot het houden van den Hoop, in deze zaal eene verhevendheid getimmerd en er talrijke banken gezet.

Nog vele min wijde vertrekken, elk tot een bijzonder gebruik bestemd, lagen achter de groote zaal en hadden eenen gemeenen uitgang op den neerhof, niet verre van de plaats waar, onder de opene lucht, de vier banken der _vierschaar_ tusschen eene ringvormige haag waren geschikt.

Tot dan hadden de Kerels rondom het kerkhof gewandeld of in groepen op de Markt over de zaken van Kerlingaland gekout en getwist, immer zorgende dat zij niet door de poorters werden gehoord.

In de Halle bevonden zich geene andere personen dan eenige Keurlieden en klerken, die alles in gereedheid brachten tot den dienst waarmede elk hunner belast was.

Nu evenwel werd op het torentje de kleinste klok geluid. Vele Kerels traden in de Halle, en begaven zich in verschillende vertrekken, volgens de zaken welke zij te bezorgen hadden.

In eene groote kamer zaten de ontvangers van den gildeschat met hunne klerken. Hier kwamen opvolgend de afgevaardigden der Ambachten het geld storten dat zij voor elk lid van het Gilde als jaarlijksche bijdrage waren verschuldigd.

Daarnevens en van de ontvangers gescheiden, zaten de betaalders die, op vertoon van oorkonden, door aangestelde opzichters en schatters afgeleverd, de hulpgelden uitdeelden voor brand van huizen of vergaan van schepen of schuiten; want de gildeschat was voor de Kerels tevens eene kas van onderlinge verzekering.[50]

In een ander vertrek zaten de beheerders van wegenissen en van water- en dijkwerken, die ten laste van meer dan één Ambacht moesten worden onderhouden.

Maar de toevloed van volk was het grootst op den neerhof, in en rondom de vierschaar.

Hier zetelden afgevaardigde Keurmans van de groote Ambachten, ondere anderen van Veurne, Capellebrouck, Berg, Brouckburg, Hazebrouck en Duinkerke. Te zamen vormden zij een gerechtshof, dat elken Kerel moest aanhooren die beweerde dat hem, in zijn Ambacht, onrecht was gedaan of recht was geweigerd. Deze vierschare, die men _jaarwaarhede_ noemde, vonniste diensvolgens als een hof van beroep; zij was onafhankelijk van den Hoop en zetelde verscheidene dagen.

Al deze bijzondere verrichtingen namen den ganschen morgen in, en het was slechts ten één uur namiddag, na men den afgevaardigden den tijd had gegund om te eten, dat de groote klok de opening van den Hoop aankondigde.

Men had eenigen tijd te voren iedereen, wie hij ook ware, de Halle doen ontruimen. Nu werd niemand toegelaten, tenzij na onderzoek der volmacht, hem afgeleverd door de Keurlieden van het Ambacht, dat hem als zijnen vertegenwoordiger had gekozen.

De groote zaal geraakte allengs vol. Elk nam plaats naar zijne geliefte, nevens zijne vrienden of bekenden.

Hacket, de kastelein van Brugge, bevond zich daar als afgevaardigde van het Brugsche Vrije; nevens hem, Robrecht Sneloghe, als vertegenwoordiger van Houthem; en, meer naar achter in de zaal, Disdir Vos, Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen en andere ridders, door verschillige Ambachten afgevaardigd.

Dewijl de Hoop nog niet was geopend, en de Kerels met luider stemme hun gevoelen uitdrukten over de zaak van den balfaart en over hetgeen men in deze erge tijdsomstandigheden te doen had, heerschte er in de gansche zaal een verward gerucht als van eenen ronkenden bijenzwerm ... Maar daar verschenen nu de afgevaardigden der groote Ambachten op de verhevenheid en, terwijl zij plaats namen in de leunstoelen, die men daar voor hen had geschikt, zetteden al de aanwezigen zich op de banken neder.

Het gedruisch begon echter opnieuw, totdat de Voorman of voorzitter met eenen zwaren houten hamer zoo hard op de eiken tafel sloeg, dat de galm als een donder door de zaal dreunde.

Elk zweeg en de diepste stilte verving het gerucht.

De Voorman of de voorzitter was een Keurman van Hazebrouck met eenen langen sneeuwwitten baard. Hij wierp eenen tragen blik door de zaal, klopte dan nog eens met den hamer, stond op en sprak:

"Gezellen, Gildebroeders, toen wij, uwe zaakgelastigden, voor eenige weken ons wilden bereiden tot het houden van den Hoop, hadden wij eenige min of meer belangrijke voorwerpen uitgekozen om aan uwe beraadslaging te worden onderworpen. Sedert dan heeft onze heer graaf tegen de Kerels een edict uitgevaardigd dat, moest het van kracht blijven, ons en onze kinderen in eeuwige slavernij zou dompelen. Zoo zwaarwichtig is voor ons deze zaak, dat ik ze alle andere doen voorafgaan. Ik hoop dat gij niet alleen met de verontwaardiging van diepgehoonde, maar tevens met de bedaardheid van wijze en bezadigde lieden zult onderzoeken en overwegen wat ons te doen staat om de vrijheid van Kerlingaland te redden en ongeschonden te behouden. En, ten einde het rechtverkrachtend besluit van onzen heer graaf iedereen geheel bekend zij, zal ik den klerk verzoeken het u voor te lezen."

De klerk stond op en begon de lezing van het edict. Schier bij elken regel werd zijne stem verdoofd door het toornig gemor der vergadering; maar wanneer iets bijzonder kwetsends in het besluit voorkwam, ontstond uit al de hoeken der zaal een onweder van wraakkreten en vermaledijdingen.

"Te wapen, te wapen! Sla dood de Isegrims! Stroome ons bloed voor de vrijheid! Heden nog! Gevloekt, gevloekt de balfaart der slavernij!" galmden de driftigsten.

"Stil! Stil! Laat af met dit woest geschreeuw: wij hooren niet!" riepen eenige anderen.

Zoo ging de lezing van het besluit met vele onderbrekingen tot het einde voort.

Nu nog heviger dan te voren, zou de meerderheid der aanwezigen hare verontwaardiging en hare woede door verwarde kreten lucht geven, maar de Voorman klopte zoo geweldig met den hamer, dat hij iedereen tot zwijgen dwong.

Hij zeide, dat hij de diepe onsteltenis der vergadering wel begreep, en daarom gedacht had de stilte niet streng te moeten handhaven. Nu evenwel verzocht hij zijne gezellen hun gevoel van wettige verontwaardiging te bedwingen, opdat de beraadslaging, die nu ging aanvangen, behoorlijk en met eerbied voor elke gedachte kon worden voortgezet. Hij zou van nu af geene onderbrekingen meer dulden, en niemand zou spreken dan met zijne toelating en op beurt.

Daarop vroeg hij of een der aanwezigen het woord verlangde; doch zoovele handen gingen terzelfder tijd in de hoogte en zoovele namen werden hem toegeroepen dat hij niet wist wien uit te kiezen tusschen al de sprekers die zich aanboden.

Op dit oogenblik werd de deur der zaal geopend.

Er trad een hoogstaltig man binnen, wiens fiere houding en stoute blik ook degenen met ontzag troffen die hem niet kenden. Hij was gekleed als een ridder en aan het gevest van zijn zwaard glinsterde eenig edelgesteente.

Zijne verschijning deed een algemeen gemor van verbaasdheid ontstaan, bovenal toen degenen, die hem herkenden, zijnen naam noemden.

"Burchard Knap! Hij is een banneling. Iedereen mag hem dooden! Hoe durft hij bij kiaren dage hier verschijnen? Heeft hij recht om in den Hoop te zitten?" vroeg men elkander.

Dit ongunstig gemompel scheen Burchard Knap te kwetsen. Met spijt in de stem riep hij uit:

"Gezellen, is het zoo dat gij een slachtoffer der dwingelandij begroet? Had iemand onzer gevreesd zich door de Isegrims te doen bannen, Kerlingaland zou nu niet op den boord des afgronds staan. Elkeen mag mij dooden. De minste schalk kan mij eenen pijl door rug en lenden drijven, ik weet het; maar, hoe de dood mij ook bedreige, hij kan mij niet weerhouden van hier mijnen plicht te komen vervullen. Ik ben afgevaardigde van Rodenburg en, als zulks, zal ik in den Hoop zetelen met evenveel recht als de beste die hier tegenwoordig is."

"Maar gij zijt gebannen!" riep eene stem.

"Wie heeft daar gesproken?" wedervoer Burchard met bedwongene gramschap. "Dat hij rechtsta en zich toone. Ik wil weten welke vrije Kerel zich hier aanstelt tot uitvoerder der vonnissen die onze verdrukkers tegen zijne broeders hebben uitgesproken."

"Niemand, niemand! Leve Burchard Knap!" klonk het door de zaal.

De slag van den hamer weergalmde.

"Gezellen", zeide de Voorman, "mher Burchard Knap van Bethferkerke is als ridder door het hooger hof der baroenen tot ballingschap verwezen. Als Kerel kon hij slechts door de Aldermans van zijn Ambacht worden gevonnist; als Kerel bevindt hij zich tusschen ons, niet als ridder. Wij aanvaarden dus in hem den vertegenwoordiger van Rodenburg."

Een bijna algemeen handgeklap juichte deze verklaring toe.

Burchard, hierdoor aangemoedigd en verstout, begon weder tot de vergadering te spreken; maar de Voorman onderbrak hem door herhaalde hamerslagen, en verzocht hem zich neder te zetten, hem zeggende dat hij stellig en streng hem verbood het woord te voeren voordat zijne beurt kwam. De onverduldige Kerel moest gehoorzamen en nam grommend plaats op de bank nevens Disdir Vos.

"Dat mher Hacket, kastelein van Brugge, spreke!" zeide de Voorman.