# De Kerels van Vlaanderen

## Part 14

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-kerels-van-vlaanderen-13625/index.md

Bertulf en Hacket, zijne ooms, spanden alle moeite in om hem tot bedaren te brengen; doch de stem van Rambold, die hij zoolang had moeten hooren, was alleen toereikend geweest om zijn geduld te vernietigen en hem in woede te doen ontvlammen.

Nu werd hij zelf opgeroepen en de maarschalk vroeg wat hij tegen Rambolds aantijgingen in te brengen had.

Burchard trad met fierheid en zichtbaar toornig voor het hof.

"Wat die listige mensch u zegt is valsch, geheel valsch!" riep nij met kracht. "De grond was mijn eigendom; ik heb hem geërfd van mijne moeder zaliger. Men heeft u bedrogen, heer graaf. Haddet gij geweten dat de weide en de boomgaard te Straten u niet toebehoorde, gij zoudt deze goederen zeker niet weggeschonken hebben, want ook de vorst moet elks recht eerbiedigen...."

Een afkeurend gemor, dat onder de Tancmars en zelfs onder eenige leden der rechtbank opsteeg, onderbrak zijne rede.

Hij, daarover gekwetst, hief het hoofd met trotschheid op, stuurde fonkelende blikken tot de bank zijner vijanden, en riep uit:

"Vleiers en valschaards zijn zij die alle mannelijke openhartigheid terzijde stellen en hier durven beweren dat de vorst het recht bezit om onrechtvaardig te zijn, daar de God des hemels zelf dit recht niet heeft!"

Deze vermetele worden ontrukten al den ridders eenen kreet van verontwaardiging; het gelaat des graven was versomberd door eene uitdrukking van beklemden toorn.

Bertulf, de proost van St-Donaas, die het gevaar merkte, stond op en naderde tot zijnen neef, met wien hij in stilte eenige haastige en driftige woorden wisselde. Burchard keerde onwillig naar zijne plaats op de bank terug. De oude Bertulf wendde zich met eene diepe buiging tot het hof en zeide:

"Genadige heer graaf, en gij, heeren rechters, de beschuldigde gevoelt wel dat hij, ondanks zijnen eerbied voor het hof, door ontsteltenis in gevaar zou komen van dingen te zeggen welke hem niet zoo in het gemoed liggen. Hij heeft mij, zijnen oom, aangesteld als zijnen woordvoerder, en in deze hoedanigheid zal ik spreken, indien de vorst en de heeren rechters gelieven mij aan te hooren."

Er werd over deze vraag eene wijl in stilte beraadslaagd. Vele rechters getuigden door ontkennend schudden des hoof dat, dat zij van gedachte waren den woordvoerder van Burchard niet te aanvaarden en deze te dwingen zijne eigene verdediging voor te dragen. Dit was inderdaad een onfeilbaar middel, niet alleen om hem te doen veroordeelen, maar tevens om den graaf tot eene strenge en onmiddellijke straf pleging aan te drijven. Maar Willem, de burggraaf van Yperen, deed den vorst begrijpen dat men den beschuldigde de gewone middelen tot verdediging niet mocht ontzeggen.

Men besliste dus dat men de vraag van den proost van St-Donaas zou inwilligen.

De maarschalk stond op en riep:

"Onze genadige heer graaf en het hof stemmen er in toe den woordvoerder van Burchard Knap te hooren. Dat hij spreke!"

"Heeren", begon Bertulf op zeer kalmen toon, "om te kunnen oordeelen wie hier de ware plichtige is, hoeft men niet te onderzoeken wien de boomgaard en de weide te Straten toebehoorden. Het is genoeg te weten dat de heer graaf bevolen had dat men, tot zijnen terugkeer van den oorlog, desaangaande alles zou laten in den toestand waarin het bij zijn vertrek zich bevond. Wie heeft allereerst dit hoog bevel overtreden? Is het niet Rambold Tancmar die nog onlangs dien grond met paalwerk deed omsluiten? Heeft mijn neef iets gepleegd dat buiten zijn recht was, toen hij de palen uitwierp en den grond in den staat herstelde waarin onze genadige heer graaf had bevolen hem te laten?"

"Hij heeft er gewapende lieden op gezet en mijnen neef eene oorlogsverklaring toegezonden", onderbrak de raadsheer Tancmar.

"Maar had mher Rambold niet reeds gewapenderhand de gezellen van mijnen neef mishandeld en verjaagd?" wedervoer Bertulf. "Dan, tot dit oogenblik was er nog niets geschied, dat de gewelddaden, die wij allen in het diepste van ons hart betreuren, kon veroorzaken. Maar Rambold, den landsvrede op eene bloedige wijze willende breken, is met macht van wapenen op de gezellen van mijnen neef gevallen, heeft er een gedeelte van vermoord, en dooden en gevangenen den rechtervoet afgehakt. Deze voeten heeft hij in eenen korf gelegd en ze, in de proostdij te Brugge, mijnen neef Burchard als een geschenk toegestuurd, den bode de gruwelijke woorden in den mond leggende: 'Rambold Tancmar zendt Burchard Knap deze vruchten van eenen nieuwen grond; hij hoopt dat het gezicht daarvan hem zal verblijden.' In dezen korf vond mijn neef insgelijks den voet van den zoon zijner zuster zaliger, een kind van veertien jaar, dat hij beminde als het licht zijner oogen. Ik beroep mij op uw hart, heer graaf, en ik spreek tot uw gemoed, heeren. Wat zoudt gij bij zulke ijselijke wreedheid, bij zulken helschen spot hebben gedaan? Recht geëischt bij onzen genadigen heer graaf, zult gij zeggen? Inderdaad, maar vergeet niet dat mijn neef mensch is, en meer dan mensch zou moeten zijn om bij zulken bloedigen hoon niet onder zijne wettige wraakzucht te bezwijken."

"Het hof late mij toe eenige woorden tot terechtwijzing te spreken", zeide de hofraadsheer Tancmar. "Zeker, hadde mijn neef Rambold de voeten van mher Burchards lieden afgesneden zonder daartoe uitgedaagd te zijn geworden, het ware eene onmenschelijke wreedheid en eene helsche spot geweest, zooals de heer proost zegt. Maar hier valt aan te merken dat Burchard Knap in het openbaar mijnen neef gedreigd had zulks aan zijne lieden, ja, aan hem zelven te doen, indien iemand hunner den voet op den betwisten grond durfde zetten."

"Wie dit gezegd heeft is een valschaard: hij liegt!" riep Burchard rechtspringende.

Een strenge oogslag van den proost dwong hem echter weder tot stilte.

"Heeren, de wraak die mijn neef Burchard te Straten gepleegd heeft", hernam Bertulf, "is wreed en bloedig geweest. Mij doet het pijn, ja, mij grieft het diep dit te moeten bekennen. Maar was zij wreeder dan de moorderij door Rambold vroeger aangericht, en welker ijselijkheid hij zelfs niet onder den naam van wraak kan pogen te verminderen? Rambold heeft de gezellen van mijnen neef vermoord en het kind zijner zuster van het leven beroofd na het onmenschelijk te hebben verminkt. Burchard heeft de lieden van Rambold vermoord, en in de woestheid der wraakpleging heeft men Rambolds zuster insgelijks het leven benomen. Wanneer men alleenlijk de daden beschouwt, dan zouden zij beiden even plichtig zijn; want wat de tweede deed is de herhaling van wat de eerste had gedaan. Evenwel, de rechters verzuimen nooit de oorzaak der dingen te onderzoeken om te weten wie de stichter was van het kwaad en dus met vrijen, onbelemmerden wil heeft gehandeld, niet om wraak te plegen, maar uit enkele nijging tot vijandschap en tot wreedheid. Wie was hier de eerste stichter van de afschuwelijke gewelddaden welke het geheele land met ons betreurt? Uw antwoord kan niet twijfelachtig zijn, heeren rechters. De overtuiging welke mijn neef, omdat hij niet gewoon is in het openbaar te spreken, verkeerdelijk heeft uitgedrukt, ligt ook in onze harten: Onze heer graaf kan niet onrechtvaardig zijn, omdat zijne wijsheid, zijne grootmoedigheid en zijne vaderlijke bezorgdheid voor het welzijn van zijn volk zulks onmogelijk maken. Daarom, wij berusten in het recht onzer zaak en zien met vertrouwen een gunstig vonnis te gemoet."

Rambold Tancmar hield daarop eene tegenrede; de proost van St-Donaas antwoordde hem eene tweede maal; de hofraadsheer poogde nog van tijd tot tijd door eene onderbreking zijnen neef behulpzaam te zijn; ook Burchard riep nog twee- of driemaal dat de Tancmars wetens en willens logen; maar al deze pleitredenen en woordenwisselingen brachten niets nieuws aan den dag, en lieten de zaak zooals zij zich van den beginne had voorgedaan.

Op deze wijze liep het geding ten einde. De graaf en de leden van het hof verlieten de zaal, om in een ander vertrek over het vonnis te raadplegen.

Intusschen bleven de Tancmars en de Erembalds op hunne plaatsen zitten en koutten met hunne vrienden, en berekenden de kansen eener gunstige uitspraak.

Terwijl de meeste Erembalds den glimlach op de lippen hadden en luidop spraken, fluisterden de Tancmars in stilte. De eersten, door de welsprekendheid van Bertulfs pleitrede aangemoedigd, twijfelden niet aan den goeden uitslag hunner zaak; de vrienden van Rambold vreesden integendeel dat hij, als stichter en als eerste oorzaak van het kwaad, zou worden veroordeeld. Wel hielden zij zich overtuigd dat de graaf de Erembalds haatte en tegen de Kerels in het algemeen was verbitterd; maar hij was zoo zonderling en zoo ondoorgrondelijk van gemoed. Daarenboven, iedereen wist dat graaf Karel zijnen hoogmoed stelde in de faam van een streng, doch rechvaardig vorst te zijn. Zou hij nu niet terugwijken voor eene veroordeeling van Burchard, indien de welberekende pleitrede van den proost hem deed vreezen dat zulke veroordeeling als een onrecht zou worden aangezien?

Het hof bleef zeer lang in beraadslaging.

Naarmate de tijd verliep, groeide de hoop op eenen goeden uitslag onder de Erembalds aan, omdat zij elkander moed inspraken en door allerlei gunstige vooruitzichten Burchard poogden te bedaren.

De Tancmars, integendeel, door het gevoel van Rambolds plichtigheid reeds in twijfel gebracht, verloren bij het gezicht der welgemoedheid hunner vijanden bijna alle hoop.

De oude Bertulf, die de ridders als vijanden der Erembalds mistrouwde en de mogelijkheid der veroordeeling zijns neefs in zijn gemoed erkende, nam den tijd waar om Burchard tot het aanvaarden van het vonnis te bereiden, hoe het ook mocht zijn. Hij deed hem begrijpen dat alle opstand, alle oneerbiedig geschreeuw den graaf slechts kon verbitteren en hunne zaak bederven. Hij bezwoer hem uit liefde, uit opoffering voor zijn geslacht en voor Kerlingaland, met verduldigheid des vorsten uitspraak aan te hooren en, al ware het slechts in schijn, zich er aan te onderwerpen Hij verkreeg door welsprekendheid en door lang aandringen zooveel op zijnen neef, dat deze beloofde zijnen raad te volgen.

Eindelijk verscheen weder het hof in de zaal. De graaf en de rechters gingen tot hunne vorige plaatsen; de trompers hieven een kort geschal aan; de jonge Frumold, als schrijver van het hof, kwam vooruit en las, met luider stemme, terwijl de diepste stilte in de zaal heerschte, het uitgesproken vonnis.

Dit stuk was zeer lang. Het verhaalde, tot in de minste bijzonderheden al de feiten die zoowel door Rambold Tancmar als door Burchard Knap waren gepleegd geworden, zonder dat men uit deze bloote beschrijving der voorvallen kon opmaken wat het besluit van het vonnis kon zijn.

Ook luisterden de aanwezigen met overspannen aandacht en veler hart popelde van vrees of van ongeduldige verwachting, totdat eindelijk een zegevierende lach op de aangezichten der Tancmars verscheen en de oude proost van St-Donaas, met eenen kreet van angst en medelijden, zijnen neef omhelsde en hem, bij al wat hem duurbaar was, bezwoer zijne verontwaardiging te bedwingen.

Burchard Knap was schuldig verklaard en veroordeeld; Rambold Tancmar kwam er niet alleen gansch ongestraft van af, maar hem werd nog daarenboven schadevergoeding toegekend!

Wel liet Burchard een versmacht gegrom hooren als van eenen getergden leeuw, maar hij hield het hoofd gebogen en roerde zich niet, terwijl de schrijver dus voortlas.

"Ten eerste, wij bevelen dat de burcht te Straten, ten koste van den veroordeelden Burchard Knap, weder zal worden opgebouwd zooals hij te voren was.

Ten tweede, wij bevelen, omdat de veroordeelde den landsvrede heeft gebroken, dat zijn huis te Bethferkerke zal worden afgebrand en vernietigd, hem verbiedend, op lijfstraffe, voortaan in het Ambacht van Brugge eene woning op te richten of te hebben[45].

Ten derde, wij bevelen dat de veroordeelde Burchard Knap uit onzen Lande van Vlaanderen blijve gebannen, gedurende den tijd van tien achtereenvolgende jaren. Wij willen en bevelen dat hij, te beginnen van heden met zonneondergang onze stad Yperen ontruime en voorts den grond van ons graafschap na den derden dag, gevende al onzen ridders, kasteleins, wapenlieden, poorters en laten recht en bevel hem aan den lijve te gaan en hem te dooden, indien hij ooit, in miskenning van dit ons vonnis, voor den gemelden tijd van tien jaren, binnen de palen van ons graafschap zich durfde vertoonen."

Burchard, die tot dan, door zijne gemoedssterkte te overspannen zich had kunnen bedwingen, sprong nu eensklaps recht en bief de dreigende vuist tegen den graaf op, terwijl uit zijne borst onverstaanbare vermaledijdingen opstegen: maar de proost, de kastelein, Robrecht, Segher Wulf, Yorg Koevoet, Matfried Wezel en andere vrienden omringden hem, biddend en smeekend, of omarmden en weerhielden hem met geweld.

Eindelijk rukten zij hem uit de zaal, terwijl de trompers de opheffing der rechtbank verkondigden.

Hem omringende en het nieuwsgierige volk terugdrijvende, sleurden zij hem met groote haast tot in de herberg de Gulden Liebaart, en brachten hem hier in eene zaal waarvan zij de deuren toesloten.

Burchard, uitzinnig van woede over het schreeuwend onrecht dat, volgens zijne meening, hem was aangedaan, bulderde van niets min dan van den graaf en al de rechters die hem veroordeeld hadden te vermoorden en hun de meineedige tong uit den mond te rukken.

Disdir Vos gaf hem gelijk en ging zelfs nog verder: hij was van gedachte dat men den nacht moest afwachten en het vuur aan de vier hoeken van den burg steken, om den graaf en de hatelijke Isegrims, die hem het onrecht geraden hadden, te verbranden en onder de puinen van den burg te begraven.

Alhoewel van zulke gewelddaden niet sprekende, beklaagde Robrecht Sneloghe met ware deelneming het onrechtvaardig vonnis en drukte de meening uit dat het waarlijk tijd was om geweld tegen geweld te stellen, wilde men niet door de Isegrims zelven worden aangezien als lafaards, die men zonder vrees van tegenstand mag vervolgen en verdrukken.

Segher Wulf sprak in denzelfden zin, en was zeer verbolgen over eene veroordeeling welke hij aanschouwde als eene daad van wraakroepende dwingelandij.

De oude Bertulf riep zijne overheid in, als hoofd der Erembalds, om zich te doen aanhooren, en wendde al zijne welsprekendheid aan om zijnen neef en de anderen tot eene kalme overweging van hunnen toestand te brengen. Volgens hem had men door kuiperijen en bedrog den graaf verrast en hem dit onbegrijpelijk vonnis doen bezegelen. Men moest de gemoederen slechts tijd geven om een weinig te bedaren, en door onderwerping den vorst laten gelooven dat men zijne besluiten wilde eerbiedigen. Hij, proost van St-Donaas, zou persoonlijke pogingen bij het hof doen. De graaf zou voor eenige dagen te Brugge komen verblijven; dan konden de Erembalds en hunne vrienden bijna dagelijks den vorst naderen. Men mocht de hoop voeden, men mocht bijna zeker zijn dat de graaf de ongerechtigheid van zijn vonnis zou erkennen en het zou herroepen.

Burchard viel in nieuwe wraakreten uit, beschuldigde zijne ooms van lafheid en riep dat hij niemands hulp noodig had om de Kerels te wapen te doen loopen. Men zou het wel zien eer acht dagen voorbij waren, hoe de burchten der Isegrims over geheel Kerlingaland in vuur en vlam zouden staan, en hoe de kroon, welke de graaf slechts droeg om onrecht te plegen, hem van het hoofd zou worden gerukt.

Maar de proost verloor zijn geduld niet en zette onverstoord zijne bedarende rede voort. Hij deed elk begrijpen dat men niet om het kwaad dat een enkel persoon werd aangedaan, het geheele Kerlingaland tot een bloedbad mocht maken, niet alleenlijk omdat zulks in zich zelven eene onrechtvaardigheid was, maar bovenal omdat de wetten der Gilden verboden iets gewichtigs te ondernemen zonder eerst hunne vertegenwoordigers te hebben geraadpleegd. Binnen drie weken zou te Veurne de jaarlijksche _Hoop_ der Gilden van Kerlingaland te zamen komen. Gunstiger omstandigheid kon zich niet voordoen. Men zou in de Hoop kennis geven van het gebeurde en van den ergen toestand der zaken, en dan, na rijp beraad, de afgevaardigden laten oordeelen wat de Kerels behoorden te doen. Besliste men daar tot den opstand en tot den oorlog, welnu de proost, de kastelein en alwie het met hem hield, zouden de besluiten van den Hoop aanvaarden en ze helpen uitvoeren, ten koste van goed en bloed. Burchard kon in afwachting eene schuilplaats bij zijnen vader te Rodenburg vinden. Niemand zou hem daar durven opzoeken en veel min vervolgen. Hij, de proost, zijn oom, zou hem nu en dan gaan bezoeken om hem kennis van den gang der zaken te brengen.

Eindelijk door de vereenigde pogingen zijner magen en vrienden overwonnen, of eerder vermoeid van hen tegen te spreken, scheen Burchard eenigszins gestild en stemde er in toe, dewijl het daglicht verzwakte, met hen Yperen te verlaten, volgens het bevel des graven.

Men hoorde de opgezadelde paarden in de straat trappelen en hinniken, en reeds opende de proost de deur om de zaal te verlaten, toen een ridder binnentrad en, recht tot Burchard gaande, hem met een woord van troost de hand drukte.

"Mher Willem Van Loo, burggraaf van Yperen, wilt gij graaf van Vlaanderen zijn?" riep Burchard.

"Ik graaf van Vlaanderen?" stamelde Willem verwonderd.

"Zijt gij niet de wettige erfgenaam onzer vorsten?" vroeg Burchard, zeer aangejaagd en als door eene hevige blijdschap ontroerd. "Heeft niet deze Karel van Denemarken u de kroon ontroofd?"

Willem van Yperen deed een teeken dat men de deur der zaal zou sluiten; dan zeide hij tot Burchard:

"Mher Knap, spreek toch hier van zulke dingen niet. De graaf is in Yperen met vele ridders en wapenlieden; hij kan met u doen wat hij wil. Zeker, indien men het recht had geëerbiedigd, zou ik nu op den grafelijken troon zitten en zulke ongehoorde wetsverkrachting, als wij heden hebben bijgewoond, zou op Vlaanderens grond niet geschieden; maar het lot heeft zich tegen mij verklaard en ik heb mij gebogen onder het geweld der wapenen ..."

"De tijden zijn veranderd", viel Burchard ongeduldig in zijne rede. "De maat der ongerechtigheid is vol. Wilt gij graaf van Vlaanderen zijn, mher Willem? Zeg één woord!"

"Eilaas, wie kan mij mijn erfdeel terugschenken?" zuchtte Willem Van Loo met een moedeloozen glimlach.

"Wie? Ik!" riep Burchard.

"Maar welke middelen meent gij te hebben?"

"Ha, dit is mijn geheim", morde Burchard, zich met de vuist op het voorhoofd slaande.

"Kom, kom, dit zijn droomen, onmogelijke droomen", zeide Willem. "Ik ben u dankbaar voor uwen goeden wil ten mijnen opzichte; maar, gekwetst en verbitterd als gij nu zijt acht gij mogelijk wat geheel onmogelijk is."

De proost had reeds tusschen deze zonderlinge samenspraak eenige bemerkingen geworpen, om te doen gevoelen hoe zinneloos en hoe gevaarlijk zulke bedreigingen tegen den vorst waren, en hij drong weder met kracht op het vertrek aan. De zon zou welhaast onder den gezichteinder wegzinken, en wie kon verzekeren dat niet de eene of andere ridder of dienaar des graven op het leven van Burchard zou toeleggen, aangezien het gevelde vonnis zulks iedereen ten plichte maakte?

Allen verlieten op zijnen raad de zaal en gingen buiten de herberg.

Willem van Yperen had Burchard gevolgd.

Op het oogenblik dat deze te paard zou steigen, neigde hij zich naar mher Willem en fluisterde aan zijn oor:

"Burggraaf, wij zien elkander spoedig weder."

"Maar gij zijt gebannen!" bemerkte de andere, niet zonder verschriktheid. "Ik mag u niet onder mijn dak onthalen."

"Als de graaf vertrokken is. Des nachts. Vrees niet. Ik heb gewichtige zaken u mede te deelen: uw geluk en onze vrijheid hangen er van af."

En na het uitspreken dezer woorden sprong hij te paard en volgde de andere Erembalds die reeds vooruit waren, als hadden zij groote haast om de poort te bereiken en de stad te verlaten.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 44: _Loki_ is de duivel der oud-Germaansche godenleer.]

[Voetnoot 45: Zie over het vonnis tegen Burchard, door den graaf te Yperen uitgesproken, KERVYN DE LETTENHOVE, _Hist. de F._, t. #I#, 371.]

VIII

Dakerlia Wulf stond alleen in eene groote kamer van haar vaders woning, voor eene tafel die beladen was met velerlei kostbare voorwerpen, als gebeeldhouwde schrijnen en doozen, vergulde lampen, kristallen drinkvaten, zilveren dischgerief, een kruisbeeld van elpenbeen; alles zoo kunstrijk, zoo zeldzaam en zoo prachtig dat, hoe weinig plaats het ook besloeg, men het evenwel als eenen aanzienlijken schat moest beschouwen.

Met den glans des geluks in de oogen en den glimlach der bewondering op de lippen, staarde Dakerlia droomend op deze tafel, nam het een of ander voorwerp in de hand, keerde het om, bezag het langs alle zijden en hief dan, als aangedreven door een gevoel van dankbaarheid, den blik tot God.

Het gerucht van stappen in den gang stoorde haar eindelijk in zulk dankgebed. Een blijde kreet ontsnapte haar; met de handen uitgestrekt, keerde zij zich naar de deur en murmelde:

"Ha, hij is daar ... mijn verloofde!"

Robrecht en zijne zuster vertoonden zich bij den ingang der kamer. Zij waren gevolgd door eenen schalk die een zwaar kunstvoorwerp op den arm droeg. Het geleek aan eene kerk, met vensters en torens, gansch van glinsterend goud, en hier en daar opgeluisterd met een fonkelend gesteente.

De schalk zette, naar aanwijzing zijns meesters, het gulden kerkje op de tafel en verliet de kamer.

Dan eerst greep Dakerlia ontroerd den jongeling de beide handen en riep:

"Ach, Robrecht, wilt gij mij dan zinneloos maken van geluk en fierheid? Is die wonderschoone kapelle voor mij?"

"Alweder een geschenk voor u, lieve Dakerlia,", antwoordde mher Sneloghe.

"Hoe zal ik ooit uwe goedheid, uwe liefde kunnen erkennen?"

"Uwe tevredenheid, uwe blijdschap alleen, Dakerlia, is mij eene voldoende belooning ... Maar ken mij toch "de verdienste van dit echt vorstelijk geschenk niet toe. Het is eene gift van mijnen oom, den proost. Zie, Dakerlia, de dubbele poort van het kerkje kan men openen. Hierbinnen, op eene soort van altaar, staat een zilveren doosje. Wist gij, lieve, wat het bevat, het geschenk zou honderdmaal meer prijs nog in uwe oogen hebben...."

"Welnu? Een heiligdom?"

"Ja, een vingerbeen van den grooten heiligen Donaas, patroon van Brugge."

"Dank, dank zij den heer proost! St-Donaas zal ons beschermen!"

"Gij moet de kostbare reliquiekas in uwe slaapkamer zetten", bemerkte Witta, "dan zal de booze geest onmachtig zijn ooit uwen slaap te storen."

"En wij zullen te zamen er voor knielen en God en zijnen dienaar St-Donaas dagelijks loven en danken, niet waar, Robrecht?"

"Zonder twijfel, Dakerlia. In onze slaapkamer, op Ravenschoot, is eene breede schoorsteentafel. Daarop zullen wij het zetten, nevens dit schoone kruisbeeld, tusschen gene twee albasten vaten, die ik zal doen vullen met geurige bloemen. Het zal zijn als een autaar, Dakerlia, waarvan het gezicht uw godvruchtig hart immer zal verblijden."

Nadat zij dus nog eene korte wijl hunne bewondering voor het kostbaar geschenk en hunne innige vreugde hadden uitgestort, greep de jonge ridder zijne verloofde de hand en leidde haar tot eenen leunstoel; hij zette zich nevens haar, schouwde haar diep in hare oogen en zuchtte met het licht der zielsvreugde op het gelaat:

"Ha, Dakerlia, nog acht dagen, en de hemel opent zich voor ons!"

"Nog acht dagen!" herhaalde jonkver Wulf, blozend van maagdelijke schuchterheid.

Witta, die aan hare andere zijde was gezeten, legde den arm over haren hals, trok haar tegen haar hart en riep tusschen een zoeten kus:

"Ja, ja, nog acht dagen, dan wordt gij mij een onafscheidbare zuster!"

Toen jonkver Sneloghe haren arm van den hals harer vriendin terugtrok, rolden twee dikke tranen, als glinsterende parelen, op Dakerlia's wangen.

"Welk kommervol gepeins schiet u dus eensklaps door den geest?" vroeg Robrecht verwonderd.

