Part 13
Gi, rudders, dwingers, maect u van cant, Hier sijn de Kerels van Vlanderlant! Gi, Isegrims, hoedt u vor den Blauvoet, Of gi selt voelen wat sine clau doet. Onse vaderen waren vri, En vri so bliven wi, So lanc een hert, dat lafheid haet, In enen Keerlenboesem slaet.
Doedele, bommele, romdomdom, Houd u recht en sie niet om!
VOETNOTEN:
[Voetnoot 37: Men noemt heden nog, In eenige streken van Vlaanderen, de bewoners der bosschen _Boschkerels_ of _Houtkeerlen_.
Zie J. HUYTTENS, _messager des Sc. etc. de Gand_, 1860, pp. 215 et 420.]
[Voetnoot 38: "Le mot _Commune_ (gemeente) est relativement moderne; ceste chose s'appelait _minne_ (amitiƩ), _gilde_, association."
V. DE RODE, _Ann. du Com. Pl. de Pr._, t. VIII, p. 96.]
[Voetnoot 39: WARNKOENIG, _Hist. de Fl., traduct. de Gheldorf_, t. II, pag. 123.]
[Voetnoot 40: Vinca pervinca.]
[Voetnoot 41: "La cornemuse (doedelzak), instrument national des Kerls." VICTOR DE RODE, _Ann. du Com. Fl. de Fr._, t. VIII, pag. 75.]
[Voetnoot 42: De _Runen_ waren de letterteekens van het oudste Germaansch schrift; zij dienden later tot zoogezegde tooverij of waarzeggerij.]
[Voetnoot 43: Zie aangaande de verdelging van Tancmars burcht, te Straten, door Burchard, KERVYN DE LETTENHOVE, _Hist. de Fl._, I, 370.]
VII
Toen de gevluchte Rambold Van Straten te Atrecht kwam, en met groot misbaar den graaf de verwoesting van zijnen burcht en den wreeden moord zijner zuster en zijner dienaars klaagde, ontvlamde de vorst in eenen onuitsprekelijken toorn.
Terwijl Rambold zijne eigene gewelddadigheden verzweeg of verbloemde, lieten Tancmar en zijne vrienden niet na de Erembalds en de Kerels in het algemeen van medeplichtigheid aan deze euveldaad te beschuldigen. Zij poogden de verontwaardiging des vorsten tot het uiterste aan te vuren en hem over te halen om onmiddellijk met een sterk gedeelte des legers verdelgend in de vrije Ambachten te vallen. De gelegenheid was nu gunstig, meenden zij: niemand zou de Kerels helpen of beklagen; en, kon men ze dwingen eens voor goed den nek onder het juk der dienstbaarheid te buigen, dan ware het voor eeuwig met dit wreed en overmoedig ras gedaan.
Graaf Karel, alhoewel hij niet gewoon was zonder lange overweging eenig gewichtig besluit te nemen, had hun laten denken dat hij, ditmaal ten minste, gansch hunne woede deelde en hunnen raad zou volgen.
Maar nog denzelfden dag had de proost van St-Donaas eenen bode naar Atrecht afgezonden met eenen langen brief waarin hij den graaf het gebeurde verhaalde van zijnen eersten oorsprong af en Rambold Tancmar beschuldigde den bloedigen twist te hebben begonnen door het vermoorden van Burchards gezellen. De proost, in zijnen brief, betreurde diep wat er voorgevallen was en drukte de vaste hoop uit dat de vorst, in zijne wijsheid, uitspraak zou doen tusschen de beide vijanden, volgens rede en recht, opdat verder bloedvergieten mocht worden voorkomen.
Dit schrijven deed den vorst wankelen. Ofschoon zeer trotsch van gemoed, wist hij zich zelven genoeg te bedwingen. Daarenboven hield hij er aan door het Vlaamsche volk als rechtvaardig te worden geacht. Ook kwam hij allengs tot het besluit Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het hooger ridderhof te dagen, en dus over dit schuldig verbreken van den landsvrede in het openbaar een plechtig en onpartijdig vonnis te doen vellen.
[Illustratie: "Het is Rambolds zuster." (Bladz 151)]
De Tancmars toonden zich bedroefd en ontevreden over dit besluit en klaagden dat de graaf, in zijne overdrevene zucht tot rechtvaardigheid, weigerde tusschen den schuldige en zijn slachtoffer eenig onderscheid te maken. Het was list en veinzerij van hunnentwege; want zij wisten dat zij, door zulke eerbiedige tegenstreving, den vorst in zijn genomen besluit konden bevestigen. Zij waren wel overtuigd dat een rechtbank die, als het ridderhof, geheel uit vijanden der Erembalds en der Kerels was samengesteld, niets anders kon doen dan Burchard veroordeelen, hij mocht dan al zijne wraakpleging kunnen verrechtvaardigen of niet.
Daarop werden naar Brugge en naar andere steden boden gezonden, dragers van 's graven bevelbrieven, waarbij afgekondigd werd dat, vijf dagen later, het hooge ridderhof onder het voorzitterschap des vorsten te Yperen zou vergaderen, om Rambold Tancmar en Burchard Knap aangaande de gepleegde moorderijen te hooren en te vonnissen.
De gestelde dag was nu verschenen; te twee uren namiddag zou te Yperen, in de zaal op den Burg, de vorstelijke vierschaar worden geopend.
Volgens de gewoonte van dien tijd, zouden de bloedverwanten en bijzonderste vrienden der beschudigden dezen ter vierschaar vergezellen, hetzij om hen desnoods voor het gerecht te verdedigen, hetzij om, door hunne tegenwoordigheid, te betuigen dat zij de achting veler lieden genoten of tot eene machtige maagschap behoorden.
Zoo kwam het dat op dien dag, in den morgen, de Erembalds van Brugge, ten getalle van wel dertig, omtrent Staden, op de baan naar Yperen voorbijreden.
Zij hadden den nacht te Thorhout doorgebracht en waren laat genoeg te paard gestegen om niet voor het bepaald uur te Yperen aan te komen. Bertulf, de proost van St-Donaas, had het dus goedgevonden om reden dat hij het oploopend gemoed van Burchard vreesde, en zooveel mogelijk hem de aanraking met zijne vijanden, de Tancmars, wilde doen vermijden.
Wel is waar dat, door de dagvaarding voor 's vorsten rechtbank, er tusschen de belanghebbenden en hunne vrienden een plechtige vrede was gebannen, dien men op de doodstraf moest eerbiedigen; maar Burchard had reeds zoovele blijken van ontembaarheid en van blinde gramschap gegeven, dat de oude Bertulf alle vertrouwen in zijnen woesten neef had verloren.
Alhoewel de proost in den grond zijns harten bekende dat Rambold Tancmar de eerste oorzaak der betreurlijke moorderijen was geweest en Burchard eene wettige wraak had uitgeoefend, beschuldigde hij niettemin zijnen neef van onvoorzichtigheid en wreedheid. Zulks was insgelijks het gevoelen van Hacket, den kastelein, en van vele andere leden van hunne maagschap.
Waarschijnlijk hadden zij gedurende hunne reis deze meening herhaalde malen uitgedrukt; want nu waren zij sedert een uur opnieuw daarover in een hevig gesprek met Burchard, wier onverduldigheid zooverre ging, dat hij den proost en al wie zijne zienswijze deelde van lafheid durfde beschuldigen.
Door eene strenge vermaning zijner ooms gekwetst, hield Burchard zijn paard terug en betuigde in toornige woorden het inzicht voortaan op eenigen afstand achteruit te blijven om zulke bewijzen van kleinhartigheid niet meer te moeten hooren.
Nauwelijks was hij eenige oogenblikken alleen, of een ander ridder vertraagde insgelijks den stap van zijn paard totdat hij zich terzijde van Burchard bevond. Dan zeide hij met eene stem die versomberd scheen door een diep gevoel van verontwaardiging:
"Het is om rood te worden van schaamte, bij elk woord dat ze ginder spreken! Ha, mher Burchard, de Erembalds, behalve gij en een paar anderen misschien, zijn geene Kerels meer!"
"Gij hebt wel gelijk, mher Disdir Vos", antwoordde Burchard. "Het leven in de stad, het genot van hooge ambachten heeft hen bedorven. Zij stellen de Romaansche voorzichtigheid boven de Germaansche koenheid."
"Gave God dat zij u geleken, Burchard, dan zouden de Isegrims het niet durven bestaan de Kerels te hoonen of te bedreigen. Ik heb hier niet veel te zeggen, dewijl ik geen Erembald ben en slechts naar Yperen ga uit achting, ja, uit bewondering voor u; maar gij hebt gehoord hoe ik evenwel uw recht tegen den proost verdedigde?"
"Ja, en ik ben er u dankbaar voor, het heeft mij verheugd omtrent mij toch eenen Kerel te vinden die zich nog den mannelijken trots der vaderen in het harte voelt."
Disdir Vos scheen eene wijl te overwegen.
"Het is pijnlijk zulk iets te moeten denken, Burchard", zeide hij, "maar het zou mij niet verwonderen indien sommige Erembalds u op het oogenblik van gevaar verzaakten en verlieten, om zich aan de zijde uwer vijanden te schikken."
"Neen, neen, dit toch niet!" kreet Burchard, "uwe vrees is overdreven."
"Gij meent het?" wedervoer Disdir Vos, die ongetwijfeld met verborgen inzicht den gramstorigen Kerel tegen zijne magen aanhitste. "Bemerkt gij dan niet dat er reeds zekeren uwer naaste bloedverwanten van nu af u verlaten?"
"Wie zou dit zijn?" vroeg Burchard verwonderd.
"Waarom is mher Sneloghe niet in uw gezelschap?"
"De proost heeft mij gezegd dat hij gisteren te Brugge moest blijven om eene gewichtige zaak af te doen; maar dat hij heden evenwel intijds te Yperen zal aankomen."
Disdir Vos schudde het hoofd met eenen scherpen spotlach op de lippen.
"Sa, Disdir", morde Burchard, "ik meende dat gij een vriend van Robrecht waart, en gij beticht hem van ontrouw en lafheid! Wat doet u denken dat hij niet zal komen?"
"God gave dat ik mij bedroge! Maar ziet gij niet, Burchard, hoe Robrecht alle moeite aanwendt om door prachtige kleeding, door overdrevene heuschheid en door verfijnde spreekwijze zelfs aan de leenheeren te gelijken? Hij snakt om tusschen de Isegrims als een hunner te worden aanvaard. Zal een echte Kerel kruipen en vleien, zooals hij gedaan heeft, om de hand eener edele jonkvrouw te bekomen?"
"Bij Loki![44] gij zijt zinneloos, Disdir, en weet niet wat ge zegt!" viel Burchard met ongeduld uit. "Robrecht zou de Isegrims vleien en voor hen kruipen? Wat domheid toch! Ja, hij luistert te veel naar zijn oom; maar, wees zeker, het Kerlenhart klopt hem op de goede plaats. Waren al de Erembalds hem gelijk, er kwame spoedig een einde aan den overmoed onzer vijanden. Het is mher Sneloghe niet die de hand van jonkver Placida heeft gevraagd; het is zijn oom de proost. Zijne huwelijksbelofte met Placida is verbroken. Hij gaat trouwen met Dakerlia Wulf. Gij moet het weten."
"Eilaas, ja, ik weet het tot mijn ongeluk!" zuchtte Disdir. "Snode spot! Robrecht had de wreedheid zelf mij zijn huwelijk met Dakerlia aan te kondigen, ofschoon hij wist dat zulke tijding als een moordpriem mij door het hart moest gaan."
"Versta ik wel? Gij insgelijks bemindet jonkver Wulf?"
"Ach, meer dan mijn leven!"
"Dan beklaag ik u, mijn arme Disdir. Het bij eene vrouw op mher Sneloghe te winnen, dit hebt gij wel zeker nooit gehoopt?"
"Doemenis, doemenis! Robrecht heeft mij snood bedrogen", klaagde Disdir Vos met versmachte woede. "Ik maak u rechter tusschen ons beiden, Burchard. Oordeel of ik niet het slachtoffer eener hatelijke kuiperij mij mag noemen. Het is reeds lang dat ik jonkver Wulf bemin. Zeker, zij hadde mijne hulde aanvaard indien Robrecht mij dit geluk niet had benijd. In alle geval, hij heeft, toen er spraak was van zijn huwelijk met Placida, mij verklaard dat hij beslissend van Dakerlia's hand afzag."
"Ik geloof het wel", bemerkte Burchard. "Men trouwt niet met twee vrouwen te gelijk."
"Neen, zoo eenvoudig was zijne verklaring niet. Hij beloofde mij zelf ten mijnen gunste bij Dakerlia te pleiten. Nu breekt hij, als een valschaard, zijne plechtige belofte en vernietigt mijne levenshoop voor altijd. Ho, beken het, Burchard, het is een wraakroepend verraad."
"De minnenijd berooft den mensch van zijn verstand, ik zie het", schertste Burchard. "Wel, wel, mijn arme Disdir, het zijn dwaasheden die gij uitkraamt, dunkt mij. Dakerlia Wulf is geen kind meer, en ik ken haar genoeg om te weten dat zij, minder nog dan een man misschien, in de beschikking over haar hart zich zou laten dwingen. Bemint zij u? Dit is de vraag ... Gij antwoordt niet? Zij bemint dus Robrecht. Gij moet hare beslissing eerbiedigen."
"Robrecht is een veinsaard; hij heeft mij laffelijk bedrogen; ik zal mij wreken!" riep Disdir, knarsetandend van spijt en woede.
"Gij zult u wreken? op Robrecht?" herhaalde Burchard glimlachende. "Het is uwe zaak, maar uit vriendschap tot u kan ik niet nalaten u van twee dingen te verwittigen. Ten eerste, Robrecht is sterker dan gij en wordt geroemd om zijne bedrevenheid in het behandelen der wapenen. Hij zal geenen hoon verdragen. Ten tweede, hij wordt zoo algemeen geacht en bemind dat, indien het u gelukte hem in eenen kamp te treffen, twintig anderen u opvolgend zouden uitdagen. Ik zelf zou naar uw bloed moeten staan. Gij begrijpt, het is alsof gij reeds dood waart ..."
"En toch zal ik mij wreken!" gromde Disdir Vos.
"Kom, kom, gij droomt. Uwe spijt zal bedaren. Wat onzin Gij zoudt u wreken over een ongelijk dat niemand u aandoet. Overweeg toch: wie ter wereld die eene vrouw bemint en zich door haar bemint weet zal deze vrouw verzaken uit toegevendheid voor eenen anderen man? Zoudt gij het doen? Waarom verlangt gij het dan van mher Sneloghe?"
Eene stem riep nu van de andere zijde der baan Burchard eenen goeden dag toe.
"Doemenis, daar is hij!" zuchtte Disdir Vos bevend van angst of van toorn.
Inderdaad, Robrecht en Dakerlia's vader reden hen voorbij, om den proost en den kastelein, die vooruit waren, hunne groetenissen te brengen. Na eene lange wijl de oogen met nijdigen blik op Robrecht te hebben gehouden, zeide Disdir tot Burchard:
"Gij ziet wel hoe hij u ontwijkt. Nauwelijks gunt hij u eenen korten groet, en vervordert zijnen weg, schier zonder u te bezien."
"Neen, neen", antwoordde Burchard, "ik ken Robrecht beter ... Daar keert hij reeds zijn paard om tot ons te komen."
Mher Sneloghe naderde inderdaad tot Burchard, drukte hem de hand en wisselde eenige woorden met hem over het geding dat ging geopend worden. Hij drukte de vaste hoop uit dat Rambold Tancmar zou veroordeeld worden; want, volgens zijn gevoelen, had Burchard niets gedaan dan eene wettige wraak uitgeoefend. Wel was deze wraak bloedig geweest, maar wreeder toch niet dan de onmenschelijke moord door Rambold op den kleinen Eric en op de Kerels van Bethferkerke gepleegd.
Burchard zeide, spottende, dat hij naar Yperen ging om zijne ooms deze bevrediging te geven; maar dat hij het deed met de vaste overtuiging dat de ridders hem zouden veroordeelen. Welke rechtvaardigheid mocht een Kerel toch verwachten in eene vierschaar die slechts samengesteld was uit de heetste Isegrims, en voorgezeten door Karel van Denemarken, den huichelenden en valschen vijand der Kerels en der Erembalds?
Disdir Vos scheen in gedachten verslonden en bemoeide zich met de samenspraak niet.
Eene nauwe brug over eenen waterloop dwong hen welhaast hunne paarden het eene achter het andere vooruit te laten stappen Deze omstandigheid waarnemende, zeide Robrecht tot Disdir: "Ik wenschte wel een ogenblik alleen met u te kunnen spreken, mher Vos. Verleen mij een kort onderhoud, ik bid u."
"Onmiddellijk, als gij wilt", was het antwoord.
Nu kwam Burchard hen weder terzijde. Robrecht verzocht hem om verschooning, zeggende dat hij met Disdir eene wijl achteruit zou blijven, om met hem over iets bijzonders te kouten.
"Ik weet wel wat gij samen te verhandelen hebt", zeide Burchard glimlachend. "Liefdezaken, uw huwelijk met Dakerlia, niet waar?"
"Hoe? Heeft mher Disdir u daarvan gesproken?"
"Ja, het schijnt dat hij wel gaarne in uwe plaats zou zijn."
"Is het zoo, dan behoef ik hem niet alleen te spreken, en gij moogt het wel hooren, Burchard, wat ik hem te zeggen heb. Het zal kort zijn."
Hij wendde zich tot Disdir en zeide hem op kalmen, doch nadrukvollen toon: "Mher Vos, ik heb u plechtiglijk mijn aanstaande huwelijk met jonkver Wulf aangekondigd. Na onze woordenwisseling over deze zaak hebt gij, in schijn ten minste, als vriend afscheid van mij genomen. Waarom veinst gij nu te vergeten wat ik u heb gezegd?"
"Is het om dus hoonend mij te ondervragen dat gij mij alleen moest onderhouden?" gromde Disdir. "Ik ben onbedreven in het oplossen van raadsels."
"Welnu, ja, laat ons klaar zijn. Mher Vos, zoolang gij niet wist dat er tusschen jonkver Wulf en mij eene huwelijksbelofte bestaat kondet gij u vrij achten tot het aanwenden van pogingen om, ware het mogelijk, u door Dakerlia te doen beminnen. Nu is u daartoe het recht benomen. Dakerlia heeft mij geklaagd dat gij haar vervolgt, dat gij haar afspiedt als zij ter kerke gaat of er van terugkeert, en dat gij, ondanks hare herhaalde afwijzing, haar lastig valt met de betuigingen uwer liefde. Mij is het nu een plicht geworden mijne bruid te doen eerbiedigen. Ik hoop, mher Vos, dat deze weinige worden voldoende zullen zijn om u insgelijks uwen plicht jegens Dakerlia en jegens mij te doen begrijpen."
"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Disdir.
"Dat gij jonkver Dakerlia voortaan met vrede zult laten."
"Ik heb van niemand bevelen te ontvangen."
"Aldus, gij zijt voornemens voort te gaan met mijne bruid te hoonen?"
"Ik zal doen wat mij goeddunkt."
"Het zij dan zoo, vermits gij het verlangt", zeide Robrecht. "Mij spijt het zeer eenen vriend dus toe te spreken, maar gij dwingt er mij toe. Wordt er bloed tusschen ons gestort, het valle dan op u, mher Disdir. Daar, aanvaard dit pand!"
En dit zeggende, bood Robrecht zijnen handschoen aan Disdir Vos. Deze verbleekte en aanschouwde zijnen uitdager met scherpen blik.
"Gij aarzelt?" kreet Robrecht verbaasd.
Maar Burchard, die de weigering van Disdir gansch goedkeurde en hem daarom uit de pijnlijke verlegenheid wilde redden, greep den handschoen.
"Hier is een misverstand; gij zult niet strijden!" riep hij.
"Maar weigert Disdir den aangeboden kamp? Ik moet het weten!"
"Bloed tusschen vrienden!" zuchtte mher Vos met eenen geveinsden afkeer. "Voor een ongeluk waaraan het lot alleen schuld heeft ..."
"Kom, Robrecht, wees redelijk", viel Burchard in. "Dat Disdir droef en spijtig is, zult gij hem daarom gaan haten? Indien Dakerlia u verstiet, zoudt gij niet treuren?"
"Zeker, zeker", antwoordde Robrecht getroffen. "Dat Disdir belove mijne bruid te eerbiedigen, en ik wil alles vergeten."
"Ik zal ze eerbiedigen", stamelde Disdir. "Deze verzekering hadde ik u gewillig gegeven, hadde gij niet, op eenen kwetsenden toon van bevel, mij ze hadt willen afdwingen. Ik ben ridder, ik ben ongelukkig, gij behandelt mij zonder achting, zonder medelijden. Waart gij in mijne plaats en ik in de uwe, wees zeker, ik zou beter dan gij toonen dat ik gevoelig ben aan de wettige smart van eenen vriend."
Deze woorden, oprecht of geveinsd, hadden Disdir een pijnlijk geweld op zich zelven gekost. Tranen glinsterden in zijne oogen; hij scheen vernederd en beschaamd.
Mher Sneloghe, door deze teekens van diepe droefheid getroffen, reikte hem de hand en zeide met minzaamheid in de stem:
"Nu, Disdir, het is een misverstaan, inderdaad. Laat ons vrienden blijven. Geloof mij, had jonkver Wulf u hare genegenheid geschonken, ik hadde hare beslissing geƫerbiedigd. Evenals gij zou ik daarover getreurd hebben; maar daarom toch zou ik u niet vijandig geworden zijn."
Zij drukten elkaar de hand. In Disdirs oogen fonkelde nog de nijd, en zijne lippen waren scherp gesloten; maar Robrecht en Burchard meenden te mogen denken dat deze zure uitdrukking slechts het gevolg was van het geweld dat hij op zijn hart deed, om zoo beslissend eene lange hoop te verzaken. Zij mistrouwden zijne oprechtheid niet en prezen hem integendeel om zijn moedig besluit.
Robrecht verschoonde zich bij Burchard omdat hij niet langer zoo van de anderen afgescheiden met hen kon blijven, aangezien hij beleefdheidshalve zijne ooms en zijnen schoonvader gezelschap moest houden. Hij dreef daarom zijn paard vooruit en begaf zich naar het hoofd van den stoet.
Eenigen tijd daarna bereikten de Erembalds de stad Yperen.
Zij reden de Thorhoutsche poort binnen en namen hunnen intrek in de groote afspanning de Gouden Liebaart, om eene wijl te rusten en hunne kleederen van stof te zuiveren.
De stad Yperen, door zich zelve reeds volkrijk, had nog gansche benden bezoekers van Veurne, Dixmude, Roesbrugge, Steenvoorde Poperinghe en andere naastgelegene Ambachten ontvangen. Daarenboven, de gansche hofhouding des graven, benevens een honderdtal ridders met hunne talrijke wapenknechten, waren er dien morgen aangekomen, zoodat het in de straten krielde van allerlei lieden, en de stad een voorkomen aanbood alsof een leger er zich, te midden eener kermis, tot den oorlog bereidde.
Naarmate het uur van het vorstelijk geding naderde, drong de menigte meer en meer te zamen op het voorplein van den burg, om van de eene zijde de Tancmars, en van de andere de Erembalds te zien voorbijgaan. Hoezeer ook sommige Kerels of poorters lust hadden om een der beide geslachten toe te juichen of uit te jouwen, en dus hunnen haat of hunne genegenheid te betuigen, zij durfden het niet doen, omdat zulks door den gebannen vrede was verboden, en de wapenlieden met uitgetogen zwaard genoeg in machte daar stonden om de wet en des vorsten wil te doen eerbiedigen.
Nauwelijks was het bepaalde uur verschenen of de trompers gingen rond en daagden bij name Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het hooger ridderhof.
De geroepenen, door hunne bijzonderste bloedverwanten gevolgd, traden in de groote zaal van den burg. Hun werden, elk langs eene zijde, banken aangewezen, ten dien einde te midden der zaal gesteld.
De graaf zat op eene verhevenheid, onder eene soort van troon en achter eene breede tafel, waar rondom de leden van het hof, de maarschalk en de schrijvers plaats genomen hadden.
Al de leden van het hof waren vijanden der Erembalds, ten minste zij stonden bekend als Isegrims, dit is te zeggen als zulke lieden die den leenheeren alle macht en alle recht wilden toegekend zien, ten koste van het recht en van de vrijheid der poorters en der Kerels.
Eenen enkelen ridder, den kastelein of burggraaf van Yperen, die nevens den vorst zat, meende Burchard als eenen vriend en verdediger te mogen beschouwen. Het was Willem van Loo, afstammeling der graven van Vlaanderen, en die slechts na eenen ongelukkigen oorlog zich gedwongen had gezien de kroon aan Karel van Denemarken af te staan. Hij alleen had Burchard met een teeken des hoofds en eenen minzamen glimlach gegroet. Zijne tegenwoordigheid tusschen de rechters verheugde de Erembalds, ofschoon de proost Bertulf wel wist dat Willem van Loo eenen geheimen wrok tegen hem had, omdat hij, in den oorlog voor de kroon, zich ten voordeele van Karel van Denemarken had verklaard.
Nog werden de trompen aangeheven en eenige afkondigingen gedaan, waarna de maarschalk, woordvoerder des vorsten, Rambold Tancmar als aanklager opriep en hem vroeg waarover hij recht eischte.
Rambold verhaalde met berekende bedaardheid en geveinsde droefheid wat er te Straten was geschied. De graaf had uit grootmoedigheid zijnen raadsheer Tancmar eenige gronden, die de kroon toebehoorden, ter leen geschonken. Burchard Knap had beweerd dat de graaf geen recht had om over deze gronden te beschikken en had er zijne lieden op gesteld, om Tancmar den eigendom er van met geweld van wapenen te betwisten. Rambold, die door zijnen oom belast was geworden, gedurende zijne tegenwoordigheid in het leger zijne goederen te Straten te bewaren en te verdedigen, had zich verplicht gezien geweld tegen geweld te stellen en Burchards lieden van den bedoelden grond te verjagen. Wat Burchard dan had gedaan: hoe hij Tancmars lieden had neergehakt, hoe hij eene edelgeborene maagd, eene onschuldige jonkvrouw had vermoord, hoe hij al de lijken zijner slachtoffers en den burcht zei ven had verbrand, dit wist iedereen. De droeve mare zijner gruwelijke gewelddaden had geheel Vlaanderen met verontwaardiging vervuld; en uit alle burchten, uit elk ridderlijk hart steeg eene stem op tot den troon om recht en om wraak. Op den ijselijken dood zijner arme zuster wilde hij nu niet aandringen, om den vorst niet pijnlijk te ontroeren en zelf niet in rouwtranen te smelten. Hij putte sterkte en troost in de overtuiging dat de graaf recht zou doen met al de strengheid die zulke voorbeeldelooze wreedheid eischte.
Burchard, die met diepe aandacht de rede van zijnen vijand had afgeluisterd, en bij elk woord had gevoeld hoe deze, door het verzwijgen of verdraaien der omstandigheden, al de schuld hem op den hals poogde te schuiven, wrong zijne vuisten, trappelde met de voeten en morde hoorbaar vermaledijdingen tegen zijnen aanklager.