De Kerels van Vlaanderen

Part 11

Chapter 11 3,839 words Public domain Markdown

"Ik heb haar reeds mijne beloftegift aangeboden."

"Hoe? wat zegt gij? En zij heeft ze aanvaard?"

Mher Sneloghe knikte bevestigend.

"Alles, alles mislukt ons!" klaagde de oude Bertulf. "Er drijft een onweder boven onze hoofden te zamen. Wanneer zal het losbarsten? Ik weet het niet. Misschien is het nog af te keeren, ondanks wederwaardigheid en tegenspoed. Voorzichtig moeten wij zijn en waakzaam als de zeeman die zijn schip door golven en klippen in de haven hoopt te brengen. Daarom, Robrecht, beloof mij dat gij uw voornemen om Dakerlia Wulf tot bruid te nemen niet openbaar zult maken voordat ik mher Van Woumen heb gesproken."

"Uwe hoop is ijdel, heer oom: ik blijf onplooibaar in mijn besluit."

"Beloof mij dat gij het evenwel nog eenige dagen zult geheimhouden."

"Daarin ben ik bereid mij volgens uwen wensch te gedragen."

De kletterende stappen van een dravend paard hergalmden tot in de zaal.

"Daar is nu onze neef Burchard!" zuchtte de proost ontevreden. "Wat zal dien onbedwingbare woestaard ons te melden hebben?"

Hij had deze woorden niet geheel geëindigd, toen Burchard binnentrad en zijne ooms en Robrecht met eenen glimlach groette.

De reusachtige Kerel liet zich op eenen stoel vallen en zeide vroolijk:

"Ha, ik breng goede tijding."

"Zoo! het is een wonder", mompelde de kastelein.

"Ja; ik ben te Oudenburg, te Ghistel, te Moere en in de omstreken geweest. Gij hadt moeten zien en hooren hoe de Kerels daar om wraak riepen en naar eenen onmiddellijken oorlog wenschten, zoohaast ik hun had gezegd dat de Isegrims zich bereiden om hun den balfaart op te dringen. Zij zijn moedig, onze Kerels der Ambachten; zij snakken naar het oogenblik dat het hun toegelaten worde de burchten der Isegrims af te branden en te verdelgen tot in den grond. Laat onze vijanden maar komen! Al stond de graaf zelf aan hun hoofd, geen enkele zal levend terugkeeren uit Kerlingaland!"

"En gij noemt dit eene goede tijding?" schertste de kastelein. "Beter en wijzer ware het dat gij u stilhieldet. Wij hebben moeite genoeg om den landsvrede in de Ambachten te doen eerbiedigen. Door uwe roekeloosheid zult gij den graaf aandrijven om den raad onzer vijanden te volgen."

"Zoo, zoo! Meer zou het u behagen misschien dat ik u kwame zeggen: de Kerels hebben den moed verloren en zullen als lafaards met het hoofd in den schoot de slavernij aanvaarden? Gij gelooft dat alles met lijdzaamheid en geduld te winnen is? Gij zult het zien. Laat den boog maar plooien, altijd plooien, en als het oogenblik komt dat gij hem moet gebruiken zal hij zijne laatste veerkracht verloren hebben. Wat mij betreft, liever breken: anderen breken of zelf breken; maar niet laffelijk buigen, als waren wij vreesachtige vrouwen! Ha, was ik meester!"

"Gij zoudt onfeilbaar ons de ongelukken op den hals halen die wij reeds zoolang door voorzichtigheid hebben afgeweerd", bemerkte de kastelein. "Met wijsheid kunnen wij misschien Kerlingaland beslissend tegen de aanslagen onzer vijanden behoeden."

"Ja, ja, mijne ooms, gij zijt de verduldigheid zelve", lachte Burchard. "Blijft maar op den edelmoed der Isegrims hopen, en den eenen of anderen dag zullen de Kerels ontwaken met de keten der slavernij aan de beenen. Gij zult verwonderd staan, woedend worden misschien; maar dan zal uw beschuldigend geweten u toeroepen: te laat! te laat!"

"Burchard heeft gelijk!" riep Robrecht Sneloghe met eene uitdrukking van verontwaardiging. "Wij zijn te lijdzaam; men zal haast gaan denken dat de Kerels niets dan melk in de aderen hebben!..."

"Gij ook, mijn neef!" viel de proost half spottend hem in de rede. "Hoe laat gij u toch zoo spoedig verleiden door de grootspraak van Burchard? Het zijn al dwaasheden die hij uitkraamt. Wij zullen wachten en voorzichtig toezien totdat de graaf van het leger zij teruggekeerd. Zoolang de vorst afwezig blijft, hebben wij niets te vreezen. Wij kunnen zijne eindelijke beslissing niet vooruitzien. Zouden wij door gewelddadigheid hem redenen geven tot wettige verbittering tegen ons?"

"Welnu, ooms, blijf bij uw gevoelen", zeide Burchard. "De toekomst zal bewijzen wie er gelijk had."

De hand tot Robrecht reikende, sprak hij:

"Ha, mher Sneloghe, laat mij toe u geluk te wenschen over uw schitterend huwelijk met jonkver Van Woumen."

"Mijn huwelijk is verbroken", antwoordde de jonge ridder. "Gij schudt het hoofd en gelooft mij niet, Burchard? Placida heeft mij mijne beloftegift teruggegeven."

"Doemenis, ik heb gedacht dat het zoo zou eindigen!" kreet Burchard met plotselijke woede. "Waar een Tancmar omtrent kan mag een Erembald zich aan hoon of onheil verwachten. Gij zijt het slachtoffer eener snoode kuiperij, Robrecht. Misschien wist gij het niet; maar Ghyselbrecht Tancmar heeft insgelijks naar de hand van jonkver Placida gestaan. Van daar komt u deze vernedering."

"Inderdaad, het is op den raad van mher Tancmar dat de huwelijksbelofte werd verbroken."

"Dien hatelijken Ghyselbrecht zal ik wel vinden", gromde Burchard. "Wees zeker, hij zal sterven door mijne handen!"

"Bah, bah, het is altijd hetzelfde met u", schertste de kastelein.

"Ik zal hem vermoorden zeg ik u!" bulderde Burchard. "De tijd der wraak zal wel eens verschijnen. Rust zal ik toch in mijn leven niet meer vinden voordat ik den laatste dezer booze Tancmars het hoofd gekloofd hebbe!"

"Gij spreekt als een redelooze woestaard", bemerkte de proost. "Al wat men uit uwen mond hoort is vermoorden, verdelgen, verpletteren. Wat recht hebben wij om over onze vijanden te klagen indien wij wreeder, boozer en gewelddadiger zijn dan zij?

Indien gij zoo blijft voortgaan, zult gij ons groote onheilen op den hals halen en, wat het ergste is, wij zullen ze verdiend hebben."

"Gij hoeft over het verbreken mijner huwelijksbelofte geene wraak te zoeken", zeide Robrecht. "Is Ghyselbrecht Tancmar er de oorzaak van, ik ben hem zeer dankbaar; want hij heeft mij eenen onschatbaren dienst bewezen en mij gelukkig gemaakt."

Burchard zweeg eene wijl en zeide dan eensklaps, zich met de hand op het voorhoofd slaande:

"Ik ging het vergeten; maar de nieuwe snoodheid der Tancmars doet er mij aan denken. Het is eene zaak die mij geheel persoonlijk is en dus niemand anders aangaat; maar ik wilde er u van spreken om u niet te laten denken dat ik ze met inzicht u heb verzwegen."

"Wat zal het nu weder zijn?" mompelde de proost met kommer.

"Gij weet het niet", ging Burchard voort. "Sedert het laatste bezoek van den graaf te Brugge, is Rambold Tancmar met zijnen vader den burcht te Straten komen bewonen. Daar stak iets achter dat zich welhaast zou openbaren. Men moest mij honen en mij tergen. Terwijl ik naar Rodenburg was gegaan, om mijnen vader te bezoeken, is Rambold Tancmar met vele werklieden te Bethferkerke verschenen en heeft begonnen den grond die mij ten onrechte wordt betwist, met paalwerk te omsluiten. Mijne gezellen wilden zich tegen die aanmatiging verzetten, maar zij werden mishandeld en moesten onderdoen voor de overmacht, bovenal omdat ik hun wel strengelijk had verboden zich tot geweldige twisten met Tancmars lieden te laten verlokken. Gij weet dat ik een zoontje van mijn zuster zaliger met mij te Bethferkerke heb. Een onnoozel kind van veertien jaar, met Kerlenbloed in de aderen toch; want hij weerstond het langste aan Tancmars lieden. Men heeft den kleinen Eric zoo onmenschelijk geslagen, dat hij er van te bedde ligt."

"Laffe wreedheid!" riep Robrecht. "Ha, gij hebt het arme kind gewroken, niet waar?"

"Hemel! en wat hebt gij gedaan?" zuchtten terzelfder tijd de proost en de kastelein.

"Gij gelooft", antwoordde Burchard, "dat ik ginder te Straten al degenen verpletterd heb die zich met de zaak hadden bemoeid. Ik beken dat het gedurende een geheel uur mijn voornemen was, maar ik heb het gelaten uit ontzag voor u, mijne ooms."

"Ah, God dank!" riep de proost. "Gij deedt mij beven van schrik."

"En gij hebt van alle wraak afgezien?" vroeg Robrecht Sneloghe verwonderd.

"Ik heb eenvoudig Tancmars lieden verjaagd, het paalwerk omvergeworpen, opnieuw bezit van mijn land genomen, er een twintigtal gewapende gezellen op gesteld en Rambold Tancmar eenen bode gestuurd om hem te zeggen dat ik voortaan mijn eigendom met geweld zal verdedigen."

"Gij hebt wel gedaan", zeide Robrecht.

"Maar dit is eene oorlogsverklaring!" riep de kastelein.

"Welnu, Rambold mag het nemen zooals hij wil: ik ben bereid."

Er heerschte eene wijl stilte. Wat Burchard had gezegd, vervulde zichtbaar zijne beide ooms met vrees.

"Eilaas! En wat heeft Rambold Tancmar geantwoord?" vroeg Bertulf.

"Niets; ik heb van hem niets meer gehoord. Gij ziet wel, heer proost, dat er met lankmoedigheid niets is te winnen. Eene enkele stoute daad brengt deze in schijn zoo trotsche Isegrims tot zwijgen."

"Het is onnatuurlijk; daar moet eene list onder verborgen liggen", bemerkte de kastelein.

"Die Tancmars zijn voor ons ongeluk geboren", morde de proost. "Zij zoeken met eene helsche spitsvondigheid alle gelegenheden op om ons tot ongeduld en geweld te drijven. Die gelegenheid hebben zij nu gevonden. Gij meent dat zij ze zullen verzuimen of laten ontsnappen? Gij verlaat uw landgoed te Bethferkerke alsof gij den terugkeer van Rambold onmogelijk geloofdet!"

"Mijn eigendom is goed bewaard", zeide Burchard met fieren glimlach. "Ik vrees Rambold Tancmar niet meer."

"Maar indien hij met overmacht komt? Wat is twintig man? De ondadigheid van uwen vijand verontrust mij als de kwaadvoorspellende stilte die een onweder voorafgaat ..."

De deur werd geopend en een huisschalk verscheen bij den ingang der zaal met eenen zwaren korf aan de hand.

"Mher Burchard", zeide hij, "er is een bode van St-Andries gekomen met dezen korf. Hij verzocht mij hem u onmiddellijk te behandigen. Het is een geschenk van Mher Rambold Tancmar, heeft hij gezegd, vruchten van een nieuwen grond, waarvan het gezicht u zal verblijden."

"Van Rambold Tancmar!" riepen allen verbaasd. "Wat mag het zijn?"

"Wij gaan het weten", morde Burchard, naar de deur stappende.

Hij bracht den korf bij de tafel en terwijl de anderen waren opgestaan en hunne oogen op zijne handen gevestigd hielden, rukte hij de banden en den doek van den korf.

"Appelen, schoone appelen, ik ken dit ooft, het is op mijnen grond gegroeid", sprak Burchard schertsend.

Maar eensklaps bemerkte hij iets dat hem eenen schreeuw van afgrijzen ontrukte en de anderen deed verbleeken en beven.

Onder deze eerste laag appelen vertoonde zich een afgehakte menschenvoet, met verkrampte teenen en nog bevlekt met bloed.

Burchard stortte de appelen ten gronde ... nog meer afgehakte yoeten bevatte de nootlottige korf![36]

Zwijgend en als versteend staarden allen op deze teekens eener afschuwelijke wraak.

Onderwijl gromde Burchard onverstaanbare vermaledijdingen en, alsof hij zich zelven wilde tergen, nam hij de loodvervige roeten een voor een bij de teenen, hief ze uit den korf en telde: één, twee, drie, vier ...

Al deze voeten waren naakt; maar nu haalde Burchard, van den grond der mande, eenen kleineren voet op die nog een blauw schoeisel droeg.

Een akelige noodkreet bonsde door de zaal; Burchard, de harde de sterkmoedige Kerel, liet zich op eenen zetel vallen en begon overvloedig te weenen.

"Eric! Eric! Het kind mijner zuster!" klaagde hij. "Dood, dood! En hem niet weder levend kunnen maken, zelfs niet in stroomen bloed!"

"Ho, het is gruwelijk!" morde Robrecht, sidderende van verontwaardiging en toorn. "Bij zulke heuveldaad wordt de wraak een plicht. Geschiedde wat wil, geduld is hier lafheid!"

De proost en de kastelein hadden Burchards handen gegrepen en poogden hem te stillen en te troosten.

"Welnu, ooms, wat denkt gij?" zuchtte Burchard met heesche stem. "Nu is al mijn moed gestorven; maar indien mij nog kracht overbleef, zoudt gij zeggen: geef toe, wees voorzichtig, verdraag alles?"

"Neen, neen, het is te veel!" antwoordde de oude Bertulf. "Rambold Tancmar moet zijne wreedheid boeten; maar laat u niet aldus door uwe wettige woede tot uitzinnigheid vervoeren; in alles moet de mensch met beradenheid te werk gaan."

Burchard bleef eene wijl hoorbaar hijgen. Dan sprong hij eensklaps recht, dreef zijne ooms van zich weg en liep buiten de zaal.

"Mijn paard, mijn paard!" klonk het op den neerhof met zooveel kracht, dat de andere gebouwen van den burg er van weergalmden.

De kastelein was Burchard achterna geloopen en bracht hem nu terug in de zaal, hem smeekende zich niet zoo in het openbaar ten schouwspel te geven. Men mocht vreezen dat, indien de misdaad bekend werd, er een volksoploop zou geschieden en dit moest men, als een even groot ongeluk, voorkomen.

Hem nogmaals met medelijden de hand nemende, poogde de proost hem te doen begrijpen dat men, om der wraak zeker te zijn, eenige voorzorgen moest nemen en niet dwaselijk mocht te werk gaan. Hij zou zijnen neef helpen, hem de middelen bezorgen om de Tancmars te straffen. Nu was het te laat voor heden: de avond begon reeds te vallen.

Maar Burchard hoorde niets; hij hield, met eenen lach als een tijgergrijns op den mond, zijnen blik naar de deur ...

"Nu, Burchard, blijf moedig; wees getroost", zeide hem Robrecht Sneloghe. "Ik zal mijne mannen van Ravenschoot halen; wij zullen te zamen naar Straten gaan. Gij zult gewroken worden ..."

Maar Burchard, als antwoordde hij zich zelven, gromde verwardelijk:

"Neen, neen, gij zijt niet wreed genoeg; gij zoudt mijne wraak wederhouden ... Alleen, alleen ... geene voorzichtigheid ... andere mannen: Blauwvoeten met baarden! Ha, ik hoor ... daar is mijn paard!"

Hij liep naar den korf, raapte den kleinen voet met blauw schoeisel van den grond op, stak hem met koortsige haast in zijne gordeltasch en ijlde dan, door zijne verschrikte ooms gevolgd, naar buiten.

Hier sprong hij op zijn brieschend paard en drukte het de spoor door de huid. Het dier huilde van pijn en schoot als de pijl uit den boog over het binnenplein van den burg.

Burchards ooms hadden hem gevolgd tot buiten de proostdij; zij stonden daar nu klagend en met de armen opgeheven, en riepen hem nog bij zijnen naam; maar hij hoorde hen niet en verdween uit hun gezicht onder de hofpoort.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 36: KERVYN DE LETTENHOVE. Histoire de FL, t. I, pag. 369.]

VI

Ten zuiden en ten oosten van Brugge was het land weleer gansch overdekt geweest met een enkel oorspronkelijk woud, slechts hier en daar onderbroken door zandige moerassen en turfachtige poelen.

Een taaie, werkzame volkstam had voor eeuwen bezit van dien verlaten grond genomen, vele bosschen uitgeroeid en tot vruchtbare akkers herschapen, de lage boorden der beken van alle houtgewas gezuiverd, de staande wateren door dijken en grachten afwatering bezorgd en zoo, door geduld en arbeid, de woestijn gedwongen tot het voeden van talrijke bewoners.

De reizende koopman, die het waagde in het gunstige jaargetijde deze streken te doorloopen, keek verwonderd op, wanner hij eensklaps, in den schoot van het bosch zelf, of langs de grasrijke boorden der beken een ontelbaar hoornvee of groote kudden schapen ganzen en zwijnen zag grazen.

Zoo werd de grond bebouwd tot aan den voet der eeuwenheugende wouden, overal waar het zonnelicht eene vlakte kon beschijnen. Alles was benuttigd: de waterloopen tot het bewegen van molens, de poelen tot het kweeken van visch, de bosschen tot het hakken van brand- en timmerhout, ja, de moerassen zelve tot het baggeren van derring of turf.

Het bedrijvige volk, dat deze wonderen had gewrocht, woonde niet in dorpen; zijne huizen of hutten stonden eenzaam en als bij geval gezaaid langs de beken of de boorden der bosschen. Enkele zelfs waren verdoken in het diepste van het woud.

Hierom noemden de lieden van meer vlakke gewesten deze uitroeiers der bosschen de Houtkerels[37].

Weinig in aanraking komende met de poorters der steden of met vreemdelingen, hadden de Houtkerels meer nog dan de overige bewoners van Kerlingaland hunne voorvaderlijke gewoonten schier onveranderd behouden. Alhoewel zij Christenen waren en des Zondags in de naastgelegen dorp ter misse gingen, oefenden zij nog vele gebruiken die klaarblijkend heidensch waren, en vermengden dus, soms zonder het te weten, de plechtigheden van den Christenen-godsdienst met de overblijfselen der vroegere vereering van Wodan, Thor en Freya.

Dewijl zij niet gaarne in de dorpen of steden zich begaven en zeer verspreid leefden, zouden zij, bij gebrek aan middelpunt, weinig verkeer met elkanderen gehad hebben; maar daarin waren zij voorzien.

Al de bewoners eener beperkte streek vormden eene gemeente welke zij _Minne_ noemden, dat is _vriendschap_[38].

In het midden dezer Minne, dikwijls bij eenen waterloop, stond een groot huis, bewoond door eenen bierbrouwer, waarnevens eene zeer wijde schuur was getimmerd, die men _zale_ of _zele_ heette. Hier hielden zij hunne vergaderingen van allen aard. Men koos er, bij meerderheid van stemmen, de Keurmans of bestierders en rechters; men beraadslaagde er over de gemeene zaken, men bracht er zijnen jaar- of maandpenning in den Gildenschat, men vierde er doopen, huwelijken en uitvaarten.

Voor de deur, te midden van een grasplein, stond de hooge wip, om met hand- of kruisboog naar den gaai te schieten.

Een weinig terzijde, tusschen eene groene haag, die eenen halven kring vormde, kon men vier zodenbanken zien. Dit was de plaats waar de Keurmans, volgens oud Germaansch gebruik, de misdadigers veroordeelden of boeten uitspraken tegen degenen die de wet van het Gilde of der Minne hadden overtreden; en dewijl eene bank bij hen den naam van _scarne_ droeg, noemden zij dit rechtsbeluik _vierscarne_ of vierschaar[39].

Onder deze Houtkerels waren geene onvrije menschen; allen waren gelijk, met dit eenige onderscheid dat men eigenaar van eenen akker moest zijn om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Om deze reden zelve was de grond zeer verdeeld, en bijna ieder weerbaar man bezat er in vollen eigendom een gedeelte lands.

Tusschen Zedelghem en Aartryke stond zulke groote brouwerij, die de naam van Krekaarzele droeg.

Op zekeren avond waren vele Houtkerels daar vergaderd tot het vieren van een huwelijk. De groote schuur was er geheel opgevuld met mannen van allerlei ouderdom, met vrouwen en kinderen. Hier en daar hingen steenen lampen, uit welker dikke lemmers, zwemmende te midden van drabbige olie, het roet in smookige kronkels opklom. Langs de wanden liep een houten bank, waarboven een schab of berd vooruitstak, om er de stoopen en drinkkannen op te zetten.

Al de lieden die hier tegenwoordig waren droegen hunne beste feestkleederen. De mannen hadden voor deze omstandigheid hunne lange baarden zorgvuldig gewasschen, gekamd en geglimd; de vrouwen en meisjes hadden zich vol goud en zilver gehangen.

De bruid herkende men aan haar wit gewaad, dat zacht en sneeuwig uitloste op al het blauw dat haar omringde; daarenboven terwijl bij de ongehuwde meisjes het haar tot op den rug nederviel, had de bruid, ten teeken dat zij geene dochter meer was, het haar zeer gekort. Zij droeg eene kroon van wit gebloemte; hare jonge gezellinnen hadden integendeel hunne vlottende haren met eenen groenen krans van maagdenpalm[40] bevestigd.

Aan de eene einde der zaal, op eene tafel, zaten drie speellieden: twee doedelpijpers[41] en een bommelaar.

Een dans was geëindigd: men genoot een oogenblik rust. Gasten en speellieden hijgden naar hunnen adem. Jonge gezellen liepen met groote stoopen door de schuur en vulden alle kannen met schuimend gerstebier. Maar nauwelijks had elk zijnen dorst door eenen teug gelescht, of de doedelpijpers en de bommelaar begonnen een aanjagend deuntje, en gaven dus het sein tot nieuw vermaak.

Al de aanwezigen sprongen recht, liepen bij paren te midden der zaal en begonnen te dansen, te wiegelen en te draaien met zulke snelheid dat het gezicht van dit driftig gewoel eenen koelen aanschouwer het hoofd duizelig zou gemaakt hebben. Evenwel was er zekere orde in dezen woesten dans. Bij tusschenpoozen hielden al de paren stil op eenen vasteren slag der maat, om oogenblikkelijk weder met vernieuwde kracht dooreen te springen en te zwieren ... Men lachte, men juichte, men zong; en zelfs de kinderen huppelden dooreen aan het einde der schuur, even vroolijk en even uitgelaten als hunne ouders ...

De dansers hadden tusschen al het gerucht der doedelzakken en der bommel niet gehoord dat een dravend paard voor de deur van het huis had stilgehouden ... maar nu klonk, eensklaps, boven het geluid der speeltuigen en boven de galmen hunner vroolijkheid, een machtige stem en de kwaad voorspellende roep: "Harop! Harop!" die aan elk het voorgevoel gaf van een onverwacht gevaar.

De dans hield op; de mannen sprongen naar hunne zwaarden, die zij hier en daar op de houten bank hadden neergelegd; de vrouwen slaakten een angstgeschreeuw, de kinderen liepen te hoop in eenen hoek; maar allen hielden het oog naar de deur, waar nu een hoogstaltig man zich vertoonde. Bij zijne verschijning riep elkeen met verwondering:

"Mher Burchard Knap!"

Velen gingen naar hem toe om te vernemen waarom hij zoo onverwachts hunne hulp eischte; maar hij deed een teeken met de hand dat hij spreken wilde, stapte dan te midden der zaal, haalde uit zijne tasch eenen kleinen menschenvoet waaraan nog bloed kleefde en toonde dien met eenen pijnlijken spotlach op de lippen. Hij meende te spreken, doch de tranen borsten hem uit de oogen.

Velen der omstanders waren bij het gezicht van den bebloeden voet teruggeweken; doch de smart van Burchard, wiens sterkmoedigheid zij kenden, deed hun voorgevoelen dat hem een groot ongeluk moest gebeurd zijn. Meer tot hem naderende, ondervroegen zij hem, ongeduldig en reeds in toorn ontvlammende.

Burchard, door eene geweldige beweging der hand, wreef de tranen uit zijne oogen en zeide hun op heeschen toon:

"Gezellen, ik ben doodelijk in het hart getroffen. Gij kent Eric, het schoone kind dat mij somtijds hier ter jacht vergezelde. Hoe dikwijls heeft hij de warme melk onder uw gastvrij dak gedronken! Gij hadt hem lief om zijne geestigheid. Ik beminde hem als mijnen zoon, niet slechts omdat hij het kind mijner zuster zaliger was, maar bovenal omdat het Kerlenbloed zoo zuiver door zijne aderen vloeide en er uit hem een wondersterke man moest groeien. Eilaas, mijn arme Eric! hij is dood, dit is zijn voet!"

"Dood!" riepen al de omstanders.

"De kleine Eric dood!" klaagden de vrouwen met opgeheven armen.

"Wie? wie?" gromden de mannen.

"De Isegrims!" antwoordde Burchard.

Gedurende eene wijle tijds zag men niets dan vuisten wringen en zwaarden opsteken, hoorde men niets dan wraakkreten en knarsing der tanden. Maar Burchard verhief de stem en zeide:

"Vrienden, gij hebt meer dan eens mij uwe hulp aangeboden; die hulp kom ik nu eischen, niet alleen van u, maar van al de Houtkerels die tot onze Gilde van Krekaarzele behooren. Dat degenen die last van vrouw of kinderen hebben te huis blijven; jonge mannen zoek ik, en die zijn er genoeg. Gaat nu naar huis, wekt onderwege de Kerels en zendt ze herwaarts. Zegt hun dat zij hunne korenwannen medebrengen. De Isegrims, die mijnen armen Eric vermoord hebben, wonen op eenen sterken burcht. Dit nest moeten wij bestormen om er het wolvengebroed in te verpletten. Ladders en boomen, tot beukrammen, zullen wij ginder gereed vinden. Haast u; wie zich lust gevoelt keere hier weder. Wij gaan het noodvuur opsteken en den hoorn blazen. Tot straks, gezellen!"

Door al de bijzijnde lieden gevolgd, stapte hij buiten de schuur. Hier verspreidden zich de Kerels met hunne vrouwen en kinderen door verschillige wegen. Men hoorde reeds in de bosschen den diepen, klagenden toon van den noodhoorn hergalmen.

Burchard naderde tot de wip, die men had neergehaald. Drie of vier jonge mannen waren bezig met aan de ijzeren stangen groote vlokken kemp te hechten, die vroeger reeds in gesmolten harst waren gedoopt geworden.

"Nog niet vaardig, Wijgbert?" vroeg Burchard.