# De Kerels van Vlaanderen

## Part 10

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-kerels-van-vlaanderen-13625/index.md

Zoo vervuld met onverwinnelijke droefheid, doch welberaden om niets te zeggen of te doen dat Placida of hare ouders kon kwetsen, bereikte hij sher Rijkaards Steen.

Op zijne vraag zeide hem de schalk, die de poort opende, dat mher Van Woumen sedert gisterenavond was teruggekeerd, maar nu daareven den Steen had verlaten. Jonkver Placida was te huis en wachtte zelfs op mher Robrecht, meende de schalk.

Hij leidde den jongen ridder over den neerhof en opende voor hem de deur eener kamer, waar Placida bij het venster was gezeten met hare oude dienstmeid Martha.

Op de tafel bemerkte hij met verwondering de dooze die zijne beloftegift bevatte. Placida had het juweel nog onlangs in de hand genomen, misschien had zij zich er mede versierd?

Hij keerde zijn oog van de dooze om zijne verloofde te groeten; maar de jonkvrouw richtte op hem eenen bijzonderen strengen blik verwijtend en zoo zonderling diep, dat Robrecht er gansch van ontstelde.

Hij boog zich voor de maagd en murmelde:

"Jonkver Van Woumen, ik bid u om verschooning. Zeker, mijn eerste plicht en mijn eerste wensch na mijnen terugkeer van Yperen, moesten zijn u een bezoek te brengen; maar zooals mijn bode u gemeld heeft, ik was gisteren onpasselijk, zeer ziek zelfs."

De jonkvrouw deed hare dienstmeid een teeken dat zij de kamer zou verlaten. Dan wendde zij zich tot haren verloofde.

"En mher Sneloghe is heden gansch genezen?" vroeg zij op eenen toon van half verborgen spot en met eene spijtigheid die Robrecht verbaasde. Hij aanschouwde haar zwijgend.

"Waarom mij bedriegen?" zeide zij. "Gij waart niet ziek, heer. Iemand anders moest gij bezoeken, niet waar?"

"Ik begrijp u niet, Placida", mompelde Robrecht. "Geloof mij, ik was gisteren zoo onpasselijk dat ik van den ganschen dag mijn bed niet kon verlaten."

"En niemand hebt gij gezien of gesproken?"

"Niemand dan mijne zuster."

Jonkver Van Woumen schudde ongeloovig het hoofd, terwijl een vinnige glimlach op hare lippen sidderde.

"Uw strenge blik beschuldigt mij", stamelde Robrecht. "Heb ik iets gedaan dat u op mij kon verbitteren, het was dan onwetend; want waarlijk, Placida, ik wensch niets meer dan al wat in mijne macht is aan te wenden om u te behagen."

"Ah, daarin juist bestaat uwe valschheid", zeide de jonkvrouw met eene gramschap die zij niet poogde te bedwingen.

"Mijne valschheid!" herhaalde Robrecht, wiens oog plotselijk eene genster van verontwaardiging uitschoot.

Maar hij bedaarde even spoedig en sprak:

"Placida, een man zou mij die beschuldiging niet ongestraft toesturen; in u evenwel eerbiedig ik niet alleen mijne verloofde, maar tevens de vrouw. Men heeft u bedrogen, ongetwijfeld; men heeft kwaad van mij gesproken en gij, gij hebt het geloofd! Ik had recht op meer vertrouwen van uwentwege. Mijne valschheid! Gij acht mij valsch?"

Jonkver Van Woumen bleef eene korte wijl stilzwijgend, als raapte zij hare stoutheid of hare gemoedskracht te zamen tot het uitvoeren van een gewichtig besluit.

"Neen, beweer niet, heer, dat gij u oprecht jegens mij gedraagt", zeide zij. "Hoe? gij laat mij gelooven dat ik uwe genegenheid geheel zal bezitten? Ik aanvaard uwe hand.--Ah, dit zou men geene valschheid moge noemen?--Wetens en willens veroordeelt gij mij om mijn treurig leven te slijten met eenen echtgenoot wiens gedachten verre van mij zijn en die het mij nimmer vergeven zou aan zijne zijde de plaats eener andere vrouw te hebben ingenomen. Het is zulk lot dat gij mij wilt bereiden?"

Robrecht werd door deze onverwachte aantijging diep getroffen. Hij zag de jonkvrouw zwijgend en met verbaasden blik aan.

"Het is dus waar! Gij bekent het!" kreet zij met eenen spotlach.

Eenen geweldigen strijd doorstond de jonge ridder. Hij voelde zich bloedig gekwetst en worstelde tegen zijne mannelijke waardigheid die hem aandreef om den hoon af te weren; maar dan overwoog hij hoe zijn oom en al de zijnen hem zouden beschuldigen van lafheid of van zelfzucht, indien hij eenige redenen gaf tot het verbreken der huwelijksbelofte. Dan zouden de Erembalds in Rijkaard Van Woumen niet eenen machtigen vriend, maar eenen onverzoenbaren vijand vinden, en hij, Robrecht, zou misschien de schuld van der Keerlen verderf zijn. Deze gepeinzen sloegen hem met droefheid en spoorden hem aan tot eindeloos geduld.

"Jonkver Placida", zeide hij zonder driftigheid, "onze ouders hebben geoordeeld dat een huwelijk tusschen ons wenschelijk was voor het welzijn van beide geslachten. Zij hebben onze harten niet geraadpleegd; zij konden het niet doen, wij kenden elkander nauwelijks. Wat mij betreft, ik heb uit plichtgevoel die verbintenis aanvaard met de hoop, bijna met de zekerheid dat ik u zou beminnen. God heeft u begaafd met schoonheid ..."

"Hoe kondet gij dit hopen, heer?" onderbrak Placida, "dewijl uw hart geheel is ingenomen door hetzelfde gevoel voor eene andere vrouw?"

Robrecht, gemarteld door eene pijnlijke verlegenheid, murmelde eene onverstaanbare terechtwijzing.

"Wie toch kon weten", schertste Placida met misprijzen op de lippen, "dat gij u vereerd zoudt achten met de hand eener edelgeborene jonkvrouw? Gij zijt een Kerel; een Kerlinne alleen is uwer liefde waardig! Dakerlia wone dus op Ravenschoot! Wees zeker, heer, ik benijd de dochter van Segher Wulf dit geluk niet!"

"O, ik smeek u", riep Robrecht met sombere ontstelde stem, "hoon jonkver Dakerlia Wulf niet in mijne tegenwoordigheid! Laat mij bedaard blijven. Ik zal alles verdragen, alles lijden, maar eerbiedig Dakerlia!"

"Genoeg, ik weet genoeg", wedervoer Placida. "Nu ben ik overtuigd dat men mij de waarheid heeft gezegd. Gij zelf, heer, ontkent het niet. Alles zij dus gedaan tusschen ons. Neem uwe beloftegift terug ..."

"Eilaas, jonkver Placida, wat doet gij?"

"Neem uwe gift terug; ik ontsla u van uwe belofte: gij zijt vrij."

"Maar wat zal uw heer vader zeggen?"

"Mijn vader weet wat ik voornemens was heden te doen. Hij betreurt mijn besluit, doch wil mij niet dwingen."

"En hij zal ons ten vijand worden?"

"In het geheel niet. Neem uwe beloftegift terug, heer!"

"Maar berekent gij dan niet, Placida, dat mijne maagschap, dat de Erembalds het breken dezer verbintenis als eenen bloedigen hoon zullen beschouwen? Wat al ongelukken kunnen daaruit ontstaan!"

"Gij bedriegt u, heer. Mijn vader zal uwen oom, den proost, gaan spreken en hem doen begrijpen dat ik alleen de schuld ben van alles; dat ik dit huwelijk van de hand wijs, ondanks den wensch mijner ouders. Uw oom en uwe magen zullen, meen ik, den wil eener vrouw eerbiedigen, en mijnen vader daarom niet haten ... Neem uwe beloftegift terug, heer!"

"Eilaas, het zij zoo!" zuchtte Robrecht, de juweeldoos van de tafel nemende.

"Alles is dus tusschen ons verbroken?" vroeg hij droef.

"Alles", was het koele antwoord.

"Onherroepelijk en voor altijd?"

"Voor altijd!"

"Blijf dus met God, jonkver Van Woumen. Hij late u gelukkig zijn, dit is mijn oprechte wensch", murmelde Robrecht, terwijl hij de doos in zijne tassche stak en aarzelend nog bleef staan.

"Geene hoop meer?" zuchtte hij.

"Geene. Vaarwel!"

Robrecht groette nog diep en verliet sher Rijkaards Steen.

Toen hij in de straat kwam, helde zijn hoofd voorover en hij stapte eene lange wijl als bewusteloos voort; maar dan verhelderde allengs zijn blik, totdat hij eensklaps het hoofd ophief en met eenen begeesterden lach op het gelaat in zich zelven mompelde:

"Vrij? vrij? Ik heb mijnen plicht betracht, hoon en laster verdragen, de slachtoffering verduldig aanvaard tot het uiterst einde ... en toch ben ik vrij! Ha, dank, o God, dat gij mij dit leven van eeuwige treurnis hebt gespaard ... Dakerlia! Dakerlia!"

En onder den invloed dezer blijde gedachten verhaastte hij zoodanig zijnen stap dat hij weinige oogenblikken daarna de Spiegelrei bereikte.

Hier zag hij tusschen de boomen eene vrouw wier nederige kleeding eene dienstmeid scheen aan te kondigen. Zij trad in zijne baan, als wachtte zij hem af, liet hem nader komen, schikte zich nevens hem en vroeg met verdoofde stem:

"Heer, herkent gij mij niet?"

"Ja, gij zijt Brigitta, de dienstmeid van jonkver Placida", mompelde Robrecht, haar beziende.

"Ik heb u iets te zeggen, heer. Verraad mij nimmer. Wat ik doe is uit eerbied, uit liefde tot u, en ik waag er misschien mijn leven aan ... Mijne jonkvrouw heeft uwe beloftegift u teruggegeven niet waar? Heeft zij u niet beschuldigd eene andere vrouw, eene Kerlinne, uwe liefde te hebben geschonken?"

"Hoe weet gij dit? Gij waart niet tegenwoordig!" vroeg Robrecht verwonderd.

"Dit is wat ik u wilde verklaren, heer. Gisterenavond is mijn meester van de reis te huis gekomen. Hij heeft zich met jonkver Van Woumen in eene kamer opgesloten om haar over iets gewichtigs te onderhouden. Ik heb schier alles gehoord. Mher Van Woumen zeide dat gij eene andere jonkvrouw bemint en bijna al uwen tijd in haar gezelschap slijt. Hij noemde daarbij vele malen eenen mher Tancmar en andere ridders, die hem te Rijssel dringend aangeraden hebben de huwelijksbelofte zijner dochter te breken. Men besloot het te beproeven, maar dewijl mher Van Woumen de wraak uwer bloedverwanten niet op zich wilde laden, zou men jonkver Placida pogen over te halen om uit eigene beweging het huwelijk af te wijzen. Daarom moest men haar tegen u verbitteren. Men deed mijne jonkvrouw roepen en men overtuigde haar dat gij sedert lang eene zekere Dakerlia Wulf bemint. Mijne jonkvrouw, door deze lasterlijke aantijging bedrogen, stemde in alles toe. Gij ziet het dus wel, heer, men heeft eenen verraderlijken aanslag tegen u gesmeed en mijne jonkvrouw bedrogen. Alle hoop is niet verloren. Bewijs uwe onschuld: het moet u gemakkelijk zijn; jonkver Placida zal terugkomen op haar besluit ... Nu keer ik spoedig weder naar onzen Steen. Bedank mij niet: ik ben nu eene slavinne, maar mijne ouders waren vrije Kerels. God geleide u, heer!"

Robrecht zag haar eene wijl denkend achterna. Dan keerde hij zich om, vervorderde haastig zijnen weg, en zeide in zich zelven, met eenen helderen glimlach op het gelaat:

"Ha, ha, het is te Rijssel dat men besloten heeft dit huwelijk te beletten! Ik heb er dus geene de minste schuld aan. Mijn geweten is onbeladen en mijn oom kan mij niets verwijten. Tancmar, altijd die Tancmar! Hij vervolgt ons zonder verpoozing. Die bloedvijand van ons geslacht heeft nu toch zijn doel gemist. Hij meende mij diep te honen en doodelijk te bedroeven ... en hij maakt mij den gelukkigste der menschen! Nu heb ik mijne vrijheid weder. Er is niet meer op terug te komen. Geene macht op aarde kan mij nog dwingen mij voor Placida Van Woumen te vernederen. Dakerlia, Dakerlia zal mijne levensgezellinne zijn!"

En nog meer zijnen stap bespoedigende, bereikte hij welhaast het einde der Ridderstrate.

Hij klopte aan de poort van zijnen Steen, ging den schalk zonder spreken voorbij en liep tot in de zaal waar zijne zuster, voor een kruisbeeld geknield, in een innig gebed was verslonden.

Zijne verwarde zegekreten deden haar verbaasd opspringen, en zij wilde hem vragen wat hem dus was overkomen; maar hij sloot haar in zijne armen en zeide:

"Witta, de Hemel is ons barmhartig! Ik trouw niet met Placida; zij zelve heeft onze belofte verbroken en mijne gift mij doen terugnemen. Het is onherroepelijk. Ik ben vrij, Dakerlia zal met ons wonen, zij zal mijne bruid en uwe zuster zijn, totdat de dood ons scheide!"

Het jonge meisje, door deze tijding gansch buiten zich zelve van gelukkige verrassing, hief de handen in de hoogte en riep uit:

"O, dank, dank, God, Gij hebt mijn gebed verhoord!"

Maar Robrecht greep haar den arm en trok haar naar de deur, terwijl hij haastig zeide:

"Kom, kom, zuster: Dakerlia moet het weten."

Het meisje weerstond hem eensklaps.

"Dakerlia?" morde zij, "o, neen, nog niet!"

"Zij is droef, zij lijdt, Witta."

"Ja maar, die onverwachte tijding ..."

"Welnu?"

"Die onverwachte tijding zou haar kunnen ziek maken, haar kunnen doen sterven. Zij is zoo uiterst gevoelig."

"Gij verschrikt mij! inderdaad ..."

"Laat mij alleen tot haar gaan", zeide Witta. "Ik zal het haar voorzichtig bekend maken. Eenige woorden zijn genoeg om haar te behoeden voor eene plotselijke ontsteltenis. Kom gij dan straks."

"Ga, ga, zuster, uw raad is wijs en goed; maar haast u toch, ik smeek u!"

Het meisje begaf zich naar sher Wulfs Steen.

Toen zij de achterzaal binnentrad, zag zij Dakerlia met eenen witten doek in de hand voor het venster zitten. De hopelooze had waarschijnlijk in hare droeve eenzaamheid alweder tranen gestort.

Robrechts zuster meende tot haar te loopen en hare treurnis door eene onmiddellijke veropenbaring van het gelukkig nieuws te verdrijven; maar zij weerhield zich, naderde tot Dakerlia, nam haar de hand en zeide:

"Nu, ween niet meer, vriendinne ..."

"Ach, ik kan mijne smart niet bedwingen; ik zal zeker ziek worden, ik gevoel het wel!" riep jonkver Wulf.

[Illustratie: "Aanvaard het uit mijne hand." (Bladz. 123.)]

"Ik kom om u iets te zeggen, Dakerlia ..."

"Gij hebt nooit afgunst gevoeld, Witta; de minnenijd heeft nooit u den boezem verteerd.

O, behoede de barmhartige God u voor zulk akelig lijden! Het is eene slang die om ons hart gekronkeld ligt en het vezel voor vezel verbijt en verscheurt."

"Maar laat mij spreken", morde Witta, hare klacht onderbrekende. "Ik heb eene verrassende tijding u mede te deelen. Het schijnt dat het huwelijk mijns broeders met Placida Van Woumen eenig beletsel ontmoet."

Dakerlia zag haar als verschrikt aan en begon te sidderen.

"O, hemel, wat zegt gij?" mompelde zij schier onverstaanbaar. "Spreek, spreek!"

"Gij zijt zoo ontsteld, vriendinne; ik zeg immers niet dat dit huwelijk verbroken is?"

Eenen zwaren zucht slakende, riep Dakerlia klagend uit:

"Ach, Witta, Witta, waarom pijnigt gij mij zoo wreedelijk?"

Jonkver Sneloghe verkeerde in eene lastige verlegenheid. Haar broeder ging komen; zij moest zich haasten en de groote ontstelbaarheid van Dakerlia maakte hare taak zoo moeilijk! Tot een besluit gedwongen, verzamelde zij haren moed en zeide:

"Dakerlia, ik heb gewichtige dingen u te openbaren: maar gij moet bedaard blijven of ik verlaat u oogenblikkelijk ... Het is waarschijnlijk dat de huwelijksbelofte mijns broeders zal verbroken worden."

"Waarschijnlijk?" herhaalde Dakerlia, met eenen hoopvollen lach van haren zetel opstaande.

"Bijna zeker."

"Ach, mocht dit geschieden, hoe zou ik God zegenen!"

"Het is geschied, Dakerlia: het huwelijk is verbroken."

Jonkver Wulf vloog hare vriendin aan den hals en lachte en stortte tranen, als hadde deze tijding haar van blijdschap zinneloos gemaakt.

De deur werd geopend, en Robrecht trad binnen.

Een kreet ontsnapte Dakerlia; zij rukte zich los uit de armen harer vriendin en meende met uitgestrekte handen Robrecht te gemoet te loopen; maar een hevig schaamrood klom op haar voorhoofd en zij bleef, met neergeslagen blik, te midden der kamer staan.

Dezelfde ontsteltenis had den jongeling getroffen; maar hij, het eerst de bewegingen van zijn hart bedwingende, ging tot haar, nam haar de hand en sprak op schier plechtigen toon:

"Dakerlia, mijne zuster heeft u gezegd, niet waar, dat ik verlost ben van den dwang die mij ongelukkig maakte. De wreede beproeving, welke wij moesten onderstaan, heeft ons toegelaten in elkanders hart te lezen. Na zulke bekentenis hoef ik u niet te vragen, Dakerlia, of uwe ziel dezelfde wenschen voedt als de mijne. Ik kan niet meer leven zonder u te zien, zonder uwe stem te hooren, zonder mijn heil uit uwen zoeten blik te putten. Vrienden als te voren kunnen wij niet meer zijn. Wij moeten iets anders voor elkander worden. Stemt gij toe?"

Dakerlia wilde antwoorden; maar de spraak verstikte in hare keel en zij begon overvloedig te weenen. Deze onverwachte vraag had haar zoodanig ontsteld, dat zij wankelend tot haren zetel liep en met de handen voor de oogen er zich op liet nedervallen. Maar de stilte die haar omringde riep haar tot bewustzijn terug.

"Ach, Robrecht, Witta, vergeeft het mij!" kreet zij. "Er is een geluk zoo eindeloos groot dat het ons verplettert. Komt, komt hier bij mij, geeft mij de hand ... Laat mij ademhalen. Waarom stort de genadige God ... dus in eens over mij ... al de zaligheden van een gansch leven uit?... Zoo, zit zoo nevens mij!"

"Bedaar toch, lieve Dakerlia", murmelde mher Sneloghe.

"Ach, hoe duister mijne hersens! Alles draait in mijn hoofd. Gij hebt mij iets gevraagd, Robrecht. Zou ik wel begrepen hebben? Is het eene begoocheling mijner zinnen?"

"Wilt gij mijne bruid worden?" vroeg de jonge ridder.

"Ik uwe bruid? Onmogelijk! Het is een droom!"

"Ja, ja, Dakerlia, het is de zoete droom onzer harten die zich verwezenlijken gaat."

"Het zou waar zijn? Ik, Dakerlia, ik zou uwe echtgenoote worden? Ik zou met u leven, u nimmer verlaten, uwe vreugde, uwe smarten deelen, nevens uwe zijde staan tot aan het graf? Ach, ik kan aan zooveel geluk niet gelooven!"

Robrecht nam de juweeldoos uit zijne tasch, opende ze en reikte de jonkvrouw het kostbare halssnoer.

"Dakerlia", zeide hij, "gij weet tot welk einde mijne moeder op haar sterfbed mij dit juweel heeft geschonken. Aanvaard het uit mijne hand."

De dwalende maagd greep het glinsterende snoer en drukte het aan hare lippen en op haar hart, terwijl zij hijgend uitriep:

"Het is waar, het is waar, ik kan niet meer twijfelen! Hoe looft mijne ziel, o, God! Aan mij dit pand, aan mij voor altijd!"

En Witta opnieuw in hare armen sluitende, begon zij te juichen van het geluk dat hen allen wachtte, van de eeuwige vriendschap, van de onverstoorbare liefde waarin zij te zamen zouden leven als in eenen immer wolkenloozen hemel. Robrechts zuster en hij zelf voegden nu en dan een woord bij hare verblindend schoone schildering der toekomst, maar zij liet hun niet veel zeggen en kon geen oogenblik zwijgen, zoo zeer gevoelde zij den dringenden nood tot uitstorting haars harten.

Robrecht stond op en zeide:

"Dakerlia, de zorg voor ons geluk dwingt mij u te verlaten. De dag zal niet lang meer duren. Mijn oom moet weten wat er is geschied; uit mijnen mond slechts mag hij vernemen aan wie ik nu mijne beloftegift heb aangeboden. Vrees niet meer. Uw vader zal mijn besluit toejuichen. Ik zal komen om mijnen plicht jegens hem te vervullen. Geene menschelijke macht kan ons nog van elkander scheiden. Blijf met mijne goede zuster.--Later zullen wij met meer bedaardheid doch met evenveel blijdschap ons toekomend leven overwegen."

Hij drukte Dakerlia teederlijk de handen en terwijl de verrukte maagd met tranende oogen zijnen naam liefdevol herhaalde, ging hij ter zaal uit.

Hij stapte met haast door de Hoogstraat en richtte zich naar den Burg.

Hier vond hij zijne ooms Bertulf, den proost van St-Donaas, en Hacket, den kastelein van Brugge, te zamen in eene kamer der proostdij. Zij schenen tevreden en welgemoed.

"Ah, goeden dag, mijne lieve neef", riep Bertulf. "U zijn wij dankbaarheid verschuldigd. Uwe opoffering heeft hare vruchten reeds gedragen. Ik heb tijdingen van Yperen. Mher Van Woumen heeft ons bij den graaf verdedigd en velen onzer vijanden tot zwijgen gebracht. Uw huwelijk met de dochter van dien machtigen ridder is een onschatbaar geluk voor ons en voor geheel Kerlingaland!"

"Mijn huwelijk? Mijn huwelijk is verbroken, heer proost", stamelde Robrecht, die wel voorzag welken pijnlijken indruk deze tijding zou doen.

"Verbroken? Uw huwelijk met jonkver Placida verbroken?" kreten zijne beide ooms.

"Ja, onherroepelijk verbroken; jonkver Van Woumen zelve dwong mij tot het terugnemen mijner beloftegift."

"Dan heeft het u aan moed of aan goeden wil gefaald", viel Bertulf beschuldigend uit. "Ik heb het gevreesd!"

"Uwe vrees was onrechtvaardig en ongegrond, oom", wedervoer Robrecht met stille fierheid. "Ik heb mij laten vernederen en honen met een geduld dat aan lafheid grensde, alleenlijk om in mijn geweten de overtuiging te hebben dat ik tot het einde mijnen plicht heb betracht, ten minste tot zooverre de menschelijke krachten reiken. Deze overtuiging heb ik."

"Maar welke reden gaf dan mher Van Woumen tot zulk onverwacht besluit?" vroeg de kastelein.

"Mher Rijkaard was niet tegenwoordig", antwoordde Robrecht. "Men had het zoo geschikt dat ik mij alleen met jonkver Placida bevond. Zij brak onze huwelijksbelofte, mij beschuldigende haar niet te beminnen en mijn hart eene andere vrouw te hebben geschonken."

"Valsche uitvindingen onzer vijanden!" morde de oude Bertulf. "Hoe komt het dat gij dien laster niet oogenblikkelijk hebt vernietigd?"

"Het was geen laster; ik kan niet liegen", antwoordde Robrecht. "Gij vergeet, heer oom, dat ik u aangaande jonkver Dakerlia Wulf heb gezegd ..."

"Maar hadt gij mij niet beloofd aan deze neiging uws harten te verzaken?"

"Inderdaad, en ik heb met oprechtheid en vasten wil deze belofte pogen te vervullen. Sedert mijn eerste bezoek bij jonkver Placida heb ik Dakerlia niet meer gezien; en ik wilde zelfs haren naam niet meer hooren uitspreken. Ik had besloten mij op te offeren voor het heil van Kerlingaland en, wat het mij ook moest kosten, ik zou de opoffering trouw volvoerd hebben. Nu dank ik den barmhartiger God, die mij verlost heeft van een pijnlijk leven; want, oom, men overwint zijn hart niet in éénen dag. Integendeel, de dwang doet het sluimerend gevoel tot eene beheerschende drift ontvlammen, evenals de wind de smeulende kolen tot een verterenden gloed aanblaast. Ik bemin Dakerlia Wulf uit al de krachten mijner ziel ..."

"Zwijg, zwijg", onderbrak hem de oude Bertulf met spijt, "Wilt gij dan de vijanden van Kerlingaland de zegepraal verzekeren? Ach, ik heb dit ongeluk gevreesd van het oogenblik af dat de arglistige Tancmar in de stad was verschenen!"

"Nu begrijp ik", zeide de kastelein, "waarom Rambold, Tancmars neef, zoo vol vertrouwen overal verzekerde dat Robrechts huwelijk met jonkver Van Woumen niet zou voltrokken worden. Hij wist het dus op voorhand!"

"Daarin misgrijpt zich mijn oom, de kastelein", zeide de jonge ridder. "Het is te Rijssel dat het verbreken van onze huwelijksbelofte werd besloten, en het is de hofraadsheer Tancmar met de Isegrims van 's graven gevolg, die Placida's vader er toe hebben overgehaald. Hoe het zij, ooms, nu het lot mij de vrijheid heeft teruggeschonken, moet ik het u verklaren: ik bemin Dakerlia Wulf, en geene andere vrouw op aarde wordt ooit mijne bruid!"

"Maar, maar het afbreken met jonkver Placida, met het machtige huis der Van Woumen kan niet beslissend zijn", morde de proost, spijtig het hoofd schuddende.

"Het is beslissend en onherroepelijk", bevestigde Robrecht.

"Wij zullen mher Van Woumen gaan spreken", zeide de kastelein. "Hij zal erkennen dat hij de speelbal is van arglistige vijanden der Kerels en dat men hem heeft bedrogen."

"Nutteloos, nutteloos", wedervoer Robrecht. "Wat men te Rijssel heeft besloten zal men hier niet veranderen. Daarenboven, ik weiger volstrekt alle nieuwe poging. Er is voor den man die zich zelven eerbiedigt een grenspaal aan het geduld en aan de vrijwillige vernedering. Men verwijt mij in sher Rijkaards Steen dat ik een Kerel ben. Welnu, deze Kerel buigt het hoofd niet voor trotschaards die zijn geslacht misprijzen!"

"Het wordt duister in onze toekomst!" zuchtte de proost met mismoed. "Ik had op onze verbintenis met het machtige geslacht der Van Woumens mijne schoonste hoop gebouwd. Tancmar zegeviert alweder over al mijne berekeningen, over al mijne moeite! Nu zal Rijkaard Van Woumen ons zeker een onverzoenbare vijand worden?"

"Toch niet, heer oom", antwoordde Robrecht. "Men heeft jonkver Placida doen veinzen dat zij dit huwelijk door eigene beweging verbreekt, om ons geene redenen tot vijandschap tegen mher Van Woumen te geven. Placida heeft mij zelfs verzekerd dat haar vader u zal komen spreken om zich bij u te verschoonen."

"Maar is het zoo, mijn neef, laat mij nog eene poging bij hem beproeven."

"Neen, neen, oom, ik heb u gehoorzaamd en mijnen plicht gedaan. Nu wil ik van dit huwelijk niet meer hooren en ik bevestig het u nog eens: Dakerlia Wulf wordt mijne bruid!"

"Eilaas, kan het anders niet!... Wij zullen zien nochtans."

