De Kerels van Vlaanderen

Part 1

Chapter 1 3,807 words Public domain Markdown

HENDRIK CONSCIENCE

De Kerels van Vlaanderen

Brussel

[1883]

De Kerels van Vlaanderen

I

Op eenen herfstmorgen van het jaar 1126 weergalmden de plechtige tonen van eenen lofzang binnen de kerk van Onze-Lieve-Vrouwe te Brugge.

Ongetwijfeld zaten onder hare breede gewelven gansche scharen nedergeknield; want nu en dan riep het gerinkel der schellen de geloovigen tot een inniger gebed.

Evenwel, op het doodenveld, dat den tempel omringde, heerschte de volledigste eenzaamheid. Geen ander gerucht stoorde er de stilte dan het aanhoudend geschreeuw eener vlucht zwarte kauwen, die daarboven, op meer dan vierhonderd voet hoogte, de lucht met hun treurig gekras vervulden en als een onweerswolk rondom de spits van den reusachtigen toren vlogen en slingerden.

Aan eene groeiende rots gelijk, schoot het logge gevaarte zijne bonkige freiten en graten ten hemel, en hief het teeken der verlossing zoo hoog boven de stad, dat de scheepslieden, van uren en uren verre in zee, deze baak konden herkennen....[1]

Een man trad langzaam op het kerkhof, luisterde eene wijl op de statige galmen die in den tempel herklonken en stapte dan verder in het kronkelend voetpad.

Hij naderde een steenen kruis,--godvruchtige gedachtenis aan eenen dierbaren doode,--leunde met den elleboog er tegen en bleef zoo, half glimlachend, naar de kerkdeur blikken, als wachtte hij met vurig verlangen op iemand wiens verschijning hem gelukkig kon maken.

Deze man had wel de dertig jaar bereikt; zijne weinig verhevene gestalte en de magerheid zijner leden deden hem echter jonger schijnen dan hij was. Met vrij regelmatige wezenstrekken en diep zwarte oogen mocht hij sommigen toeschijnen als niet beroofd van zekere schoonheid; maar zware wenkbrauwen en scherpgeslotene lippen gaven zijn gelaat een zuur en onvriendelijk voorkomen dat, bij den eersten blik, twijfel of mistrouwen aangaande zijne inborst kon verwekken.

Zijne kleeding liet gissen dat hij tot den ridderstand behoorde; want zijn overkolder was van fijn groen laken en de draagband, waaraan zijn zwaard hing, glinsterde van gouden en zilveren stikwerk In diepe gedachten was hij verslonden. Had in het eerste een glimlach van blijde verwachting de harde plooi zijner lippen gematigd, nu toch schoot er insgelijks eene bedroevende overweging door zijnen geest; want hij sidderde van verborgene gramschap en sloeg met zijne vuist aan den arm van het kruis waartegen hij leunde, als wilde hij den steen vermorzelen.

Dan was zijn aangezicht terugstootend van bitterheid en haat.... Maar nu traden er eenige lieden uit de kerk--en de glimlach verscheen weder op des ridders mond, terwijl hij verder het doodenveld overstapte om niet te laten vermoeden dat hij daar wachtend had gestaan.

De godsdienstige plechtigheid moest ten einde zijn; want uit de nauwe tempeldeur stroomde een vloed geloovigen van allen ouderdom en stand.

Al hadde ook het dragen der lange zwaarden en rijke kleederen de ridders tusschen de menigte niet aangewezen, hunne trotsche houding en de dienaars welke hen ootmoedig volgden waren toereikend geweest om hen en hun huisgezin van de Poorters[2] of burgers te doen onderscheiden.

Deze laatsten, ernstig en bescheiden, droegen eenen langen kolder van donkerkleurig laken, meest zwart of bruin, waarboven, aan eenen gordelriem, de lederen tassche hing met een mes in eene scheede.

De lijfeigenen of dienstbare lieden,--die men nog met den akker, waarop zij geboren waren, kon koopen en verkoopen,--waren gekleed in ongebleekt linnen of in grof roestvervig laken, onzindelijk en slordig. Velen zelfs gingen met armen en voeten naakt.

Geen dezer ongelukkigen hadde eenig wapen durven dragen, al ware het slechts een schier onzichtbaar mes geweest. Het teeken hunner slavernij bestond in de berooving van alle verdedigingsmiddel, en eene wreede straf wachtte dengene die de onedelheid zijner afkomst poogde te verbergen.

Reeds hadden vele geloovigen zich verwijderd, toen een bejaard ridder met zijne dochter uit de kerk kwam en bij de ingangdeur bleef staan, om met haar over iets te spreken.

Burgers en mindere lieden schikten zich met eerbied op eenige stappen rondom hem en keken stil en verbaasd op de jonge maagd, wier schoonheid elkeen met bewondering trof.

Deze ridder, Segher Wulf van Lampernisse, was weduwnaar; zijn eenig kind, hem dierbaar als het licht zijner oogen, heette Dakerlia.

Alhoewel zij door hare opgeschotene gestalte en sterken lichaamsbouw de andere vrouwen scheen te overheerschen, was zij echter nog zeer jong. Dit getuigde het donzig waas op hare beroosde wangen, de zoete schuchtere blik harer diepe bruine oogen, het koraal op haren fijnen mond en iets onbestemds in haren gang.

Maar het geviel tevens dat zij, haastig met haren vader sprekende, meer nadruk aan haar woord wilde geven, en dan ontschoot aan dit helder oog eene vonk van gemoedskracht die de omstanders met verwondering trof en deed denken dat in dit zoete maagdelijk wezen eene sterke ziel moest wonen.

Zelfs murmelde op dit oogenblik eene oude burgersvrouw schier onhoorbaar:

"Ho, de lieve jonkvrouw! Prachtige Kerlinne van het zuiverste bloed!"

Dakerlia droeg een onderkleed van witte gebloemde zijde met enge, spannende mouwen; daarop een lichtblauw overkleed, waarvan de mouwen integendeel wijd en afhangend waren. Haar golvend zwart haar was boven haar hoofd met eenen witten sluier bedekt en te zaam gehouden door eenen platten band van zuiver goud, die als eene kroon aan haar voorhoofd blonk.

Haar vader drukte haar de hand en meende haar te verlaten; de dienstmeid, door hem geroepen, naderde reeds om hare jonge meesteresse te vergezellen toen eensklaps de man, die op het kerkhof had gestaan, met vele buigingen tot hem kwam en onder vriendelijk glimlachen zeide:

"God geve u alle heil, mher Wulf en u, jonkver Dakerlia. Welkom, welkom! Hoe verblijdt het mij u behouden weder te zien na zulke lange afwezigheid!"[3]

"Zulke lange afwezigheid, mher Disdir Vos?" schertste Segher Wulf. "Nauwelijks eene maand."

"Het schijnt zeer lang voor die u eeren ... en beminnen", antwoordde Disdir, terwijl hij met eenen zucht de oogen op de jonkvrouw richtte.

"Ik dank u voor uwe genegenheid", zeide Segher Wulf, minzaam lachende, "maar gij zult het mij vergeven, mijn goede Disdir, indien ik niet langer met u kan kouten. Ik ben slechts gisterenavond van den zeekant teruggekeerd en moet onmiddellijk bij den proost van St-Donaas eene gewichtige boodschap gaan vervullen. Indien gij waarlijk nieuwsgierig zijt om te weten hoe het ons op de reis is gegaan, Dakerlia kan er u iets van zeggen, terwijl gij haar een eindweegs huiswaarts vergezelt."

"O, God, alleen met haar!" mompelde Disdir Vos binnensmonds terwijl zijne oogen van blijdschap glinsterden.

En zich tot de jongvrouw keerende, vroeg hij met zekere aarzeling:

"Gij stemt toe, Dakerlia?"

[Illustratie: Ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen!]

"Uw gezelschap is vereerend voor mij, mher Vos", stamelde zij, "maar, ik bid u, geef deze moeite niet; mijne dienstmeid zal mij vergezellen."

Haar vader drukte Disdir de hand en verwijderde zich in de richting naar den Dyver; Dakerlia, door hare meid gevolgd, stapte aan de zijde van Disdir de Maria-straat in.

Eene wijl gingen zij stilzwijgend. De ridder hield de oogen zijdelings op haar; zijne borst zwoegde en zijn blik ontvlamde, als bereidde hij zich tot eenen harden strijd waarin hij eene pijnlijke wonde moest bekomen.

Eensklaps zeide hij op eenen hollen toon, die van zijne overmatige ontsteltenis getuigde:

"Dakerlia, ik ben ongelukkig; ik doorsta smarten die mij het leven ondraaglijk maken. Reeds tweemaal heb ik u durven bekennen wat onverwinnelijk gevoel voor u in mijnen boezem is ontstaan. Gij hebt eerst ongevoelig den spot met mijn lijden gedreven, daarna koel en bitter mij afgewezen. Ach, sedert dan is die vonk in mijn hart tot een verterend vuur aangegroeid...."

"Maar bedwing u, heer", murmelde Dakerlia op strengen toon. "Spreek zoo niet tot mij."

"Uw vader, die mij acht en mij met zijne genegenheid vereert, gaf mij er het recht toe. Hem heb ik de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft ze mij toegestaan op voorwaarde dat ik uwe toestemming verwierf. Dakerlia, heb medelijden; blijf niet onmeedoogend mij veroordeelen!"

"Ik ben te jong nog om aan zulke dingen te denken", zeide de jonkvrouw.

"Te jong nog?" schertste Disdir. "Gave God dat het zoo ware!... Maar versmachten wij den wreeden worm die daar binnen knaagt.... Dakerlia, het lot heeft mij begunstigd: wij zijn alleen. Ik wil u mijne bekentenis herhalen, al dreigde mij daarom de dood zelf. Ja, Dakerlia, ik bemin u; niet zooals een ander man u zou kunnen beminnen, neen, meer dan het leven, meer dan mijne plaats in het Walhalla der vaderen, meer dan mijner ziele zaligheid...."

"Schromelijk!" zuchtte de maagd. "Wat gij zegt, heer, is eene godslastering!"

"Eilaas, het is waar: ik ben blind, betooverd, zinneloos", ging Disdir voort. "Wees toch genadig, Dakerlia; red mij uit deze hel van vertwijfeling door een enkel minzaam woord! Gij zwijgt, o wreede?"

"Wat kan ik antwoorden op zulke taal?" morde de jonkvrouw met ontevredenheid.

"Zeg mij, zeg mij, om Gods wil, dat ik mag hopen!"

"Ik zou liegen, Disdir."

"Gij zoudt liegen! Wee mij! Er is dus geene de minste vonk van genegenheid voor mij in uw ijskoel hart?"

"Vriendschap, genegenheid kan ik u gunnen, als aan elk der bekenden mijns vaders", antwoordde het meisje, "maar het gevoel dat gij van mij eischt, mher Disdir, is iets dat zich niet laat gebieden, gij weet het wel. Is uwe smart ongeveinsd, dan heb ik waarlijk medelijden met u. Meer kan ik u niet geven."

Als geheel ontmoedigd, liet de ridder het hoofd op de borst vallen en stapte eenige oogenblikken zwijgend voort.

Eene rilling doorliep welhaast zijne leden, en hij sprak tot de maagd op zoeteren, doch niet min ontstelden toon:

"Dakerlia, gedurende deze vier eindelooze weken uwer afwezigheid heb ik aan niets gedacht dan aan u alleen; mijne ziel is vervuld gebleven met uw beeld; nacht en dag hebt gij voor mijne oogen gewaard. Ik heb gedwaald als een verloren geest, u zoekende in de straten, in de bosschen, in de woestijnen; en overal klonk mij in de ooren het onverbiddelijke "neen, neen!" dat gij mij, als een gloeiend ijzer, op het bloedend hart hebt gedrukt. Dakerlia, uw vader stemt toe in ons huwelijk. Verwerp mij niet voor eeuwig. O, laat mij hopen! Bedrieg mij, maar laat mij hopen!"

"Bedriegen kan ik niet; bedriegen wil ik niet", zuchtte de maagd, droef en ongeduldig.

"Niets voor mij dan afkeer en misprijzen!" huilde Disdir op versmachten toon. "Zelfs geene genegenheid genoeg om mij uit medelijden te bedriegen! Welaan, het zij dan zoo! Liefde of verachting, mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!"

"Ik uwe vrouw?" kreet de maagd met verontwaardiging. "Welk ridder, welk vrijgeboren man zou eene vrouw door geweld tot een huwelijk zonder genegenheid willen dwingen?"

"Eene liefde als de mijne is blind en kent geene wetten. Wat mij verhindert, wat mij in den weg staat zal ik verbrijzelen!"

"En ik zal mijnen vader zeggen wat schaamtelooze taal gij tot zijn kind durft voeren."

"Hij zelf schonk mij uwe hand."

"Gij weet wel, heer, dat dit onwaar is. Mijn vader laat mij de vrije keus. Hij heeft niet verzuimd het u uitdrukkelijk te zeggen. Daarbij, ik herhaal het u, ik ben veel te jong om aan zulk iets te denken."

Hij schouwde haar diep in de oogen en vroeg met ontstelde stemme:

"Dakerlia,--o, folterend vermoeden!--Dakerlia, gij bedriegt mij. Ware uw hart vrij, gij zoudt niet zoo onmeedoogend voor mij zijn. Durf zeggen dat gij niet reeds uwe keus hebt gedaan!"

Een hevige schaamteblos kleurde het voorhoofd der maagd. Zij voelde zich gekwetst, aanzag Disdir met fieren blik en antwoordde:

"Wat geeft u de stoutheid om dus beschuldigend mij te ondervragen? Zijt gij een eerlijk ridder en een Kerel? Waarom vergeet gij dan dat ik eene vrouw ben en recht heb op uwen eerbied?"

"Nu, durf spreken!"

"Verwijder u, verlaat mij!" gebood de jonkvrouw op ontzagwekkenden toon.

"Ja, ik zal mij verwijderen!" gromde Disdir, uitzinnig van spijt. "Ik weet wel wie het is die mij belet in uw hart de minste plaats te vinden, omdat hij het geheel vervult. Robrecht Snelhoge, niet waar? Hij is een Erembald, hij is machtig, rijk als een vorst; en de hoop dat gij nevens hem zult schitteren...."

"Onbeschaamde, gij verzaakt zelfs mijne achting!" onderbrak de maagd met gramschap. "Ga uwen weg; ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen!"

"Ach, vergiffenis, medelijden!" smeekte Disdir, die beefde onder den vertoornden blik der maagd. "Laat mij eene vonk, eenen schemer slechts van hoop!"

"Mijnen vader zal ik verzoeken u mijn verbod te doen eerbiedigen; en wij zullen zien of gij den ouden krijgsman zult durven trotsen en zijn kind blijven hoonen."

"Doemenis, doemenis!" kreet Disdir, van vertwijfeling de vuisten wringende. "Gij veroordeelt mij tot eeuwige wanhoop?... Ah, neen, neen, mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!"

En onder het uiten dezer woorden keerde hij zich om en liep met hevige gebaren terug in de straat.

De jonkvrouw hield vol ontroering den blik nederwaarts en stapte in gepeinzen voort. Het was haar bang om het hart en zij schudde soms het hoofd in pijnlijken twijfel. Niet omdat de laatste woorden van mher Vos haar verschrikten; want zij kende hem als een grootspreker wiens overdrevene woorden en wiens bedreigingen weinig te vreezen waren; maar hij had haar iets gezegd dat haar als eene angstwekkende veropenbaring had getroffen.

Robrecht Snelhoge!--Disdir had deze beschuldiging ongetwijfeld op een ijdel vermoeden gegrond; de schijn had hem bedrogen?

Als gebuurkind en vriendinne was Dakerlia, om zoo te zeggen, met Robrechts zuster opgevoed geworden. Van hare eerste stappen in het leven had zij Robrecht aan hare zijde gezien, en zij was allengs gewoon geworden hem als eenen broeder te beschouwen. Ofschoon eenige jaren ouder dan zij, had hij gedurende hare kindsheid wel dikwijls hare spelen gedeeld. Later was hij ernstiger geworden; maar hij was toch zoo goed en zoo minzaam voor haar gebleven dat zij dan met dankbaarheid aan hem en aan hare kinderjaren kon denken. Ach, was het iets meer dan broederlijke genegenheid, dit diep en innig gevoel dat hen alle drie reeds zoolang in den band der schuldelooze vriendschap hield gesloten?

Dit waren de angstige gepeinzen der maagd, terwijl zij langzaam de Hoogstraat instapte.

Van wederzijde dezer straat kon men drie slag van woningen bemerken. De talrijkste waren huizen tot welker bouw men terzelfder tijd hout en baksteenen had gebezigd. Eenigen dezer woonsteden van welhebbende poorters waren tamelijk hoog, en de stijlen hunner enge deuren en de omlijsten hunner rondbogige vensters waren met eenen overvloed van gesneden beeldwerk versierd. Het benedengedeelte dezer huizen was ingericht tot winkels of stapels van allerlei waren; men verkocht er laken en lijnwaad, leder, huisgerief, ijzerwerk, landbouwgereedschappen en vele andere benoodigheden des levens of voorwerpen des handels.

Daartusschen en bij groepen hier en daar te zamen geschikt, zag men ook houten hutten zonder verdiep, zeer laag en onzindelijk, die tot schuilplaats dienden aan onvrije of geheel arme lieden.

Verder, ten einde der straat, hieven twee ridderlijke Steenen[4] hunne ronde of achtkantige torens in de hoogte; zij schenen door hunnen loggen bouwtrant en door de schietgaten, die als zoovele wakende oogen over de poortershuizen heenkeken, al wat hen omringde te bedreigen en te overheerschen. En waarlijk, zulk sterk slot, te midden der stad zelve opgericht, moest in dien tijd den burgers en onvrijen lieden ontzag en vrees inboezemen voor de heerschzuchtige ridders, die met macht uit dit arendnest konden vallen, om onrecht te plegen, doch niet vervolgd konden worden achter muren welke de stormram zelfs onwrikbaar vond.

Van zulke versterkte Steenen stonden er velen binnen Brugge of in de nabijheid; want reeds alsdan ontkiemden niet alleenlijk in deze stad de Vlaamsche bedrijvigheid en de Vlaamsche koophandel; maar zij was tevens het gewoon verblijf van den graaf van Vlaanderen, wiens hofhouding talrijke edele landheeren uitlokte. Elk dezer machtige ridders had zich het recht aangematigd om een dergelijk bewald en immer dreigend kasteel te bewonen.

Dakerlia hield haren ontstelden blik gericht naar eene der beide ridderwoningen, welker gulden weerhanen in de verte boven de hoogste poortershuizen glinsterden.

Nu moest zij in hare overwegingen tot een besluit geraakt zijn, want zij zag er zeer droef en neerslachtig uit; ja, zij vertraagde nog haren gang, als hadde zij gevreesd het einde der straat te bereiken.

Daar stond nochtans de Steen haars vaders ... maar bijna recht er over stond de Steen waar de ouderlooze Robrecht Sneloghe met zijne jonge zuster Witta woonde.

Kon Dakerlia, na eene maandlange afwezigheid, nalaten hare trouwe vriendin Witta te bezoeken? Onmogelijk!... maar indien Robrecht te huis was en zijn oog haren vreesachtigen blik ontmoette? Zou zij niet beven, schaamrood worden en den angst haars harten verraden?

Ja, nu toch zag zij klaar in hare eigene ziel. Hoe had zij het zoolang voor zich zelve kunnen verborgen houden? Het nijdig woord van Disdir Vos was er noodig geweest om haar die geheimenis te veropenbaren: uit hare zusterlijke vriendschap voor Robrecht was een ander gevoel ontstaan!

Nu wist zij waarom zij, maanden reeds voor haar vertrek, eene onweerstaanbare neiging had gevoeld om hare bezoeken bij Witta in getal te verminderen en in duur te verkorten; waarom zij zwijgend was geworden in Robrechts tegenwoordigheid en den blik nedersloeg als hij haar bezag.... Ah, daarom had het beeld van Robrecht op geheel deze reis haar vervolgd als een onverjaagbare droom!

Zij stond voor de poort van haars vaders Steen, toen zij met een treurig knikken deze laatste gedachten bevestigde. Zij meende binnen te treden, want de meid had reeds den ijzeren klopper laten nedervallen; maar eensklaps ontsnapte haar een lange zucht; zij richtte het hoofd als met fierheid op en murmelde in zich zelve:

"Waarom zou ik beschaamd zijn? Ben ik schuldig? Heb ik voor mij zelve het zoolang kunnen verborgen houden, waarom zou mij dan de noodige sterkte ontbreken om het voor alle anderen te verbergen? En indien Robrecht niet vermoedt wat er in mijn hart omgaat?... Misschien is hij niet te huis? Ik kan toch niet als eene vijandin afbreken met zijne goede zuster. Wat kwaad heeft zij mij gedaan? Kom, ik zal moed hebben, mij sterk houden en God bidden dat Hij mij machtig make tegen een gevoel dat mij verschrikt...."

Zij wenkte de meid en zeide haar:

"Ga binnen, Gertrudis; ik behoef uwen dienst niet meer. Komt mijn heer vader te huis en vraagt hij naar mij, meld hem dat ik mijne vriendin Witta ben gaan bezoeken."

Zij richtte zich hierop tot den grooten Steen aan de overzijde der straat en vroeg eenen dienaar, die in de halfgeopende poort stond, of jonkver Witta Sneloghe te huis was.

Met een bevestigend antwoord leidde de huisknecht haar over den Neerhof. Zij volgde hem schier bevend; doch toen hij haar meldde dat zijn meester sedert den vroegen morgen reeds was uitgegaan, verlichtte haar gemoed en zij glimlachte zelfs met blijdschap, als viele er een drukkende steen van haar hart.

De dienaar bracht haar in eene kleine benedenzaal en schoof eenen leunstoel vooruit.

"Jonkver Wulf", zeide hij, "mijne meesteresse is boven en ongetwijfeld bezig aan haren opschik. Ik zal eene meid bevelen haar van uwe komst te gaan verwittigen. Gelief dus het mij niet ten kwade te duiden indien gij verplicht waart eene korte wijle te wachten"

Dakerlia zette zich neder en liet hare blikken, vrij en helder, rondom deze kamer dwalen, elk voorwerp glimlachend aanziende, als begroette zij oude, zeer oude vrienden, tusschen welke zij in reeds verre afzijnde tijden had geleefd.

Inderdaad, het speelzieke kind, het vrije en zorgelooze meisje, dat hier vroeger leefde, bestond niet meer; de tijd van heldere, belanglooze vriendschap was reeds het verleden geworden....

De zaal waarin zij zich bevond was tamelijk duister, dewijl de kleine, groenachtige vensterruiten slechts een beperkt en gematigd licht toelieten. Aan de voeten der jonkvrouw spreidde de vloer van kleurige baksteenen zijne gebloemde reken uit; boven haar hoofd rustte het verdiep op eiken balken, welker kanten en steunsels versierd waren met schoone beeldingen, schitterende van goud en allerlei prachtige verven. Eveneens bestond hier alle huisraad uit gesneden eikenhout dat, ofschoon donker en zwaar, de teekens droeg van geduldvollen arbeid en van rijkdom.

In het diepe der zaal verhief zich een hooge schoorsteen van blauw arduin, en daarboven prijkten eenige ridderlijke wapens, zooals een krijgsdegen, een maliehemd, een harnas en een ijzeren stormhoed.

Dakerlia was opgestaan en stapte rondom de kamer, als wilde zij elk der voorwerpen, welke er zich bevonden, van naderbij beschouwen. Misschien gaf zij slechts toe aan de onrustigheid die haar nog beheerschte.

Zij was blijven stilstaan voor eene halfgeopende kas waarin drie of vier boeken op een berd lagen. Met verslondenheid hield zij eene wijl de oogen er op gevestigd. Zij keek eensklaps bespiedend naar de deur der zaal, als iemand die aarzelt om eene laakbare daad te plegen, greep dan de deur der kas aan en opende ze verder....

Een zucht ontsnapte haar. Daar stond, nevens de boeken, eene dooze of zeer klein schrijn, met leder overtogen en met gulden inlegwerk gesierd, dat ongetwijfeld een juweel of eenig ander kostbaar kleinood moest bevatten.

Eene lange wijl staarde zij beweegloos doch met begeesterden blik op deze dooze, legde eindelijk aarzelend de hand er op en schouwde biddend ten hemel.

Zij murmelde zeer zacht, als vreesde zij dat haar gelispel door iemand kon worden gehoord:

"Dit schrijn bevat het levensgeluk eener vrouw! Toen zijne moeder haar einde voelde naderen, schonk zij hem het kostbaar juweel, en zeide tot vaarwel:'Robrecht, sier daarmede den hals uwer bruid tot mijne gedachtenis!' Wie? wie zal het zijn, o genadige God?"

Maar een gevoel van beschaamdheid greep haar aan; zij duwde de kas toe, keerde terug naar den leunstoel en liet er zich op nederzakken.

Waarschijnlijk zette zij den gelukkigen droom voort, die bij de kas hare dwalende ziel had gestreeld; want nog was haar oog helder en een blijde glimlach bleef op hare lippen zweven ... totdat eene nog jongere maagd dan zij in de zaal trad en, met opene armen op haar toesnelde terwijl zij uitriep:

"Ah, God dank, God dank, daar zijt gij behouden weergekeerd, lieve Dakerlia!"

"Goede, dierbare Witta", murmelde jonkver Wulf ontroerd, terwijl zij Robrechts zuster omhelsde, "hoe heb ik onverpoosd aan u gedacht! Nu toch ben ik wel gelukkig u weder te zien!"

"En ik, Dakerlia, ik was zoo bedroefd en treurig dezen morgen...."

"Treurig? Waarom, vriendinne?"

"Van gisterenavond heeft mijn broeder mij gezegd dat gij teruggekomen waart. Hij vernam het van onzen oom, den kastelein Hacket, die u in eenen wagen de Ezelpoort zag binnenrijden. Ik ben vandaag met de zon opgestaan en heb lang uitgezien of gij niet kwaamt. De vermoeidheid, niet waar? Gij hebt wat laat geslapen?"

"Maar neen, gij misgrijpt u", antwoordde Dakerlia, hare vriendin de hand nemende. "Kom, laat ons zitten en kouten. Het is eene gansche geschiedenis die ik u moet vertellen."

"De reden waarom gij zoo laat mij bezoekt?"

"Ja, Witta; het was eene gelofte die ik, op zee, aan Onze-Lieve-Vrouw van Brugge heb gedaan."

"Op zee, Dakerlia? In eenen storm? Geloofd zij de Heilige Moeder, die u heeft beschermd. Maar, lieve hemel, hoe geraaktet gij op de woeste zee?"