De Kennemer Vrijbuiter

Part 8

Chapter 84,034 wordsPublic domain

De Noord-Hollandsche Vrijbuiters hadden hun tijd niet in ledigheid doorgebracht. Overal zwierven zij op de wateren rond, en zij waagden zich zelfs op het IJ, tot in de nabijheid van Amsterdam. Zij leefden thans van den behaalden buit, want door het wegrooven hunner koeien waren zij zonder middel van bestaan. Dikwijls bestegen zij den hoogen Westzaner toren om den omtrek te verkennen, en wee dan de kleine afdeelingen Spaansche soldaten, die hier of daar langs den landweg trokken, uitgaande op roof. Schielijk stapten de Vrijbuiters in hunne vaartuigen, en verscholen achter groote rietvelden kozen zij den kortsten weg, om de vijanden onverwachts te bespringen. 't Oude Hoen en zijne Vrijbuiters waren de schrik der Spanjaarden geworden, en de naam van den aanvoerder alleen was soms reeds in staat, hen op de vlucht te doen slaan.

Marten en Aelbert ondernamen dikwijls de stoutste stukjes, ja, waagden zich zelfs in Amsterdam, om daar den stand van zaken op te nemen. Zij hadden eene flinke visschersboot, waarmede zij in den nacht het IJ opvoeren om de netten uit te werpen. Was het geluk hun dienstig, zoodat zij een flinken voorraad visch vingen, dan voeren zij brutaalweg naar Amsterdam, om den visch daar aan den man te brengen, maar stapten dan ook meermalen aan wal, om rond te spieden, de vijanden uit te hooren en met het gehoorde hun voordeel te doen.

Zoo maakten zij ook kennis met een voornaam Overste, die een groot liefhebber van visch was en 's morgens vroeg al op den uitkijk stond om te zien, of de beide jongelieden haast kwamen. Zoodra hij ze ontdekte, stapte hij in een bootje, om de eerste keuze te hebben, want hij wist het bij ondervinding: Amsterdam telde meer vischliefhebbers dan hem alleen. En al menigmaal was hem een heerlijk middagmaal voor den neus weggekocht.

Toen Marten en Aelbert weer eens een dergelijken tocht hadden gemaakt en huiswaarts voeren, zei Marten: »Mij dunkt, Aelbert, dat het zoo moeilijk niet zou zijn, dien Overste eens eene poets te spelen, die hem levenslang heugen zou."

»Hoe bedoel je dat?"

»Wel, als wij willen, kunnen wij hem gemakkelijk genoeg gevangen nemen..."

Aelbert schoot in een lach.

»Ben je dwaas, Marten?" riep hij uit. »Zou je dien overste, die bepaald een hoogen rang in het leger bekleedt en een adellijk personage is, uit Amsterdam durven weghalen, terwijl zijn vrienden hem omringen? Dat is àl te dwaas!"

»Ja, ik geloof toch wel, dat ik het zou durven, en dat het wel slagen kon ook," hield Marten vol. »Hoe dikwijls stapt hij niet bij ons aan boord, om zelf de visch uit te zoeken? Wij hebben dan eenvoudig de riemen te grijpen en hard weg te roeien...."

»En dan neemt hij intusschen zijn rapier en steekt ons op zijn gemak allebei dood, heel eenvoudig," lachte Aelbert. »'t Is gemakkelijk genoeg, dat geef ik toe, maar ik bedank voor de eer."

»'k Geloof toch, dat het wel kan," hield Marten vol. »Wij zouden natuurlijk met de grootste voorzichtigheid te werk moeten gaan en niet handelen, zonder zeker van onze zaak te zijn. Ik moet er toch nog eens over denken, want hij is bepaald een rijk heer, die een goed losgeld kan betalen. En dat konden wij tegenwoordig best gebruiken. Die Spekken hebben ons totaal broodeloos gemaakt."

»Dat is waar, en ik geef toe, dat het een stout stukje zou zijn, wat me wel lijken zou,--maar 't is te gevaarlijk en heeft weinig kans van slagen."

Marten gaf zijn plan echter niet op, en toen de Vrijbuiters eens bij Jan Slob aan den Westzaner Overtoom bijeengekomen waren, om plannen te beramen en een glas van diens lekker bier te drinken, kwam hij met zijn voorstel voor den dag, hetwelk met de noodige belangstelling werd aangehoord.

Jan Slob vooral had er schik in, en hij riep uit:

»Bijloo, mannen, dat noem ik een mooi zaakje. Als het gelukt, geef ik een vaatje van mijn fijnste bier present. Wat zou het heerschap vroolijk kijken, als jelui hem hier brachten en wij de kan op Zijn-Edeles gezondheid ledigden."

Deze voorstelling van den vroolijken waard had een algemeen gelach tengevolge, en maakte de tongen los. De Vrijbuiters hadden wel lust in de zaak. Het avontuurlijke trok hen aan. Maar Aelbert gaf zich niet zoo dadelijk gewonnen.

»'t Is een onmogelijkheid," riep hij uit. »'t Is altoos druk aan den IJkant, en de Overste is meestal in gezelschap van eenige krijgslieden, die maar niet goedschiks zullen toelaten, dat wij hun hoofdman tegen wil en dank meenemen. Bovendien is hij nooit ongewapend, zoodat het een hoogst gevaarlijke onderneming zou zijn."

»Gevaarlijk!--Gevaarlijk!" mompelde 't Oude Hoen, die zijn zoon niet zonder eenig misnoegen aanzag. »Al onze ondernemingen zijn gevaarlijk, en wij, Vrijbuiters, mogen dat woord niet kennen. De vraag is alleen: Is de zaak uitvoerbaar. Zoo ja, dan wagen wij de kans, zoo niet, dan stellen wij ons haar uit het hoofd. En ik geloof, dat zij wel slagen kan."

't Was Aelbert niet ontgaan, dat zijn vader hem van lafheid scheen te verdenken, en dat kon hij niet verdragen. Daarom zei hij:

»U moet niet denken, dat de vrees mij zoo doet spreken, Vader. Ik ben niet bang en geloof, dat al meermalen getoond te hebben..."

»Dat heb je!" werd hij van verschillende kanten in de rede gevallen. En Symensen, een van de voornaamste Vrijbuiters, sprak luide, terwijl hij hem op den schouder klopte:

»'t Jonge Hoen bang? Wij denken er niet aan, jongen. Je bent wat dapperheid betreft de waardige zoon van je vader, en die gelooft het zelf ook niet."

»Mijn meening is alleen, dat de onderneming schipbreuk moet lijden," hernam Aelbert, die zich gestreeld voelde door de goede meening, die de Vrijbuiters omtrent hem koesterden. »Amsterdam is de stad der Spekken..."

»Ja, ja, dat is waar," viel Symensen in, »maar 't zaakje lijkt me toch te mooi toe, om er niet eens over te praten."

»Och, wàt praten!" riep Jan Slob uit. »Praten helpt niets, zeg ik altoos, maar dòèn, dàt is je ware."

»En goed overleg is het halve werk, Jan," zei 't Oude Hoen ernstig. »Ik geloof, dat ik wel een plan weet."

De oogen der Vrijbuiters tintelden van genoegen bij deze woorden. Zij namen hunne bierkannen in de hand en schoven wat naderbij. Als 't Oude Hoen zeide, dat hij een plannetje had, was het gewoonlijk wat goeds, dat wisten zij bij ondervinding.

»Laat hooren," klonk het nieuwsgierig. En 't Oude Hoen hernam:

»Als gewoonlijk gaan Aelbert en Marten uit visschen, en als zij een goede vangst gehad hebben, roeien zij niet in de eerste plaats naar Amsterdam, maar komen hier in deze herberg, om ons daarvan mededeeling te doen."

»Mooi zoo," zei Jan Slob, zich de handen wrijvende van genoegen, »dan zoek ik er eerst de lekkerste paling uit, want daar zijn mijn vrouw en ik groote liefhebbers van.--Dat is goed bedacht, 't Hoen!"

»Jij blijft er nuchter van!" zei Symensen lachende.

»En verder?"

»Wij brengen dan eenige groote tobben aan boord, en in elke tobbe neemt een Vrijbuiter plaats...."

»O jé, wat dikke palingen!" lachte Jan Slob. »Veel te dik, zelfs voor de maag van een Spek."

Een daverend gelach weerklonk door de herberg, en Jan Slob kon men er gemakkelijk bovenuit hooren. Hij had zelf kolossaal veel pret over zijne grap.

»Zou je dan denken, 't Hoen, dat die Spanjaard geen verschil kan zien tusschen een Vrijbuiter en een paling?" vroeg een ander.

»Elke tobbe wordt toegedekt met een andere tobbe, die wij er omgekeerd bovenop plaatsen. Dan roeien de jongens naar Amsterdam en zien den Spanjaard aan boord te lokken en aan de praat te houden, terwijl zij de boot langzaam laten afdrijven. Zijn ze ver genoeg van den walkant, dan springen de Vrijbuiters voor den dag, rekenen den Spek in...."

»En brengen hem hier!" vulde Jan Slob aan. »Een vat van het fijnste bier zal den goeden uitslag loonen."

»Top! Aangenomen!" klonk het vroolijk. »Zoo kan de zaak best gelukken...."

»Maar als zij nu niet eens gelukt?" vroeg Symensen. »Als die Overste nu eens te vroeg ontdekt, welke dikke palingen in die tobben zitten,--wat dan? Dan zijn onze twee dappere jongens onherroepelijk verloren en kost het hun het leven."

»Daarom moeten wij zorgen dicht genoeg bij de hand te zijn, om ter hulp te kunnen komen, als dat noodig mocht blijken," zei 't Oude Hoen. »Er zijn rietzudden in overvloed in den omtrek daar, en als wij het wat slim aanleggen, kan er menige boot van de Vrijbuiters tersluiks heenroeien en den loop van zaken afzien."

»Juist,--dat kan," sprak Engel Lastpenning. »Bovendien is het niet waar, dat de twee jongens onherroepelijk verloren zijn, als de list ontdekt wordt. Zij moeten natuurlijk de meest snelvarende boot hebben, en de mannen, die zich in de tobben verbergen, moeten flinke roeiers zijn. Ziet nu die Hoofdman, dat er verraad in het spel is, welnu, dan springen de mannen direct te voorschijn, nemen hem zijn rapier af en grijpen de riemen, om zoo gauw mogelijk weg te komen. De vijanden hebben maar niet dadelijk eene boot bij de hand, om hen te kunnen vervolgen...."

»Dat is waar,--maar zij hebben musketten en kunnen dus schieten," viel Aelbert in. »Doch dat doet er niet toe. Ik krijg zin in het zaakje en waag het er op.--En jij, Marten?"

»Dat behoef je niet te vragen!" riep deze uit. »'t Is mijn eigen plan, dus 't spreekt van zelf, dat ik meêdoe. Wanneer zal het gebeuren?"

»Hoe lang is het geleden, dat de Overste 't laatst visch van jelui gehad heeft?" was de wedervraag van 't Oude Hoen.

»O, wel al eene week," was het antwoord. »Hij heeft bepaald wel weer trek in een lekker zoodje...."

»Dikke paling," vulde Jan Slob lachend aan. »De brave man zal ditmaal over de dikte geen klagen hebben."

»Ik wil wel voor paling spelen," zei Claes Kees Symensen. »En ik beloof den Overste, dat ik moeilijk te verteren zal zijn. Kom, Jan Slob, geef mij nog een kan bier."

»En mij ook!" riep Jan Walichs uit. »Ik houd je gezelschap, Claes!"

»Ook in een tobbe? Uitstekend."

»Twee is genoeg, vrienden," zei 't Oude Hoen. »Meer dan twee zou direct de aandacht trekken. Wij moeten de zaak dus morgen wagen. Als Aelbert en Marten dezen nacht een goede vangst hebben, zou ik niet weten, waarop wij wachten moesten."

»Bravo, dus morgen kost het mij een vat bier, als het goed afloopt," zei Jan Slob. »Ik heb het er graag voor over."

»Wij moesten maar dadelijk de netten gaan uitwerpen," stelde Aelbert voor. »Dezen keer hebben we een extra goeden voorraad noodig, zoodat de Overste niet dadelijk zijne keus bepaald heeft."

Marten vond het goed, en nadat de Vrijbuiters afgesproken hadden, den volgenden morgen tijdig bij Jan Slob in de herberg te zullen zijn, gingen zij uiteen.

De twee knapen stapten in de boot en roeiden het IJ op, koers zettende naar Ruichoort. Zij wisten, dat de visch zich gaarne in de omgeving van dat eiland ophield. Marten was er in den laatsten tijd meermalen geweest, en altoos bracht het hem den vreeselijken dag in herinnering, die hem van zijne ouders beroofd en van zijne zuster gescheiden had. En terwijl hij de netten uitzette of inhaalde, waren zijne gedachten bezig met de vraag, waar Anna toch kon gebleven zijn, van wie hij in al dien tijd taal noch teeken ontvangen had. O, hij begreep zeer goed, dat de toestand in Kennemer- en Waterland veel te gevaarlijk was voor een meisje, om er te kunnen reizen, en hij duidde het haar in het geheel niet ten kwade, dat zij niet gekomen was, om hem te zoeken. Hij wist wel, dat dit eene onmogelijkheid was, maar toch,--dat zij hem nooit eenig bericht gezonden had omtrent de plaats van haar verblijf, dat kon hij zich niet begrijpen en stemde hem verdrietig. Zij wist toch, hoeveel hij van haar hield, hoe lief hij haar had. O, hij verlangde onuitsprekelijk naar haar....

»Waar denk je zoo ernstig over, Marten?" riep zijn vriend hem toe, die zag, hoe hij de armen slap liet hangen en peinzend op het water staarde. »Speelt zuster Anna je weer door het hoofd?"

»Ja," zei Marten zacht. »Ik kan het niet helpen, Aelbert. Altoos als ik hier bij Ruichoort kom, nemen mijne gedachten denzelfden loop, en 't is nu al zooveel weken geleden, dat zij is weggegaan."

»Moed houden, Marten! We hebben alles gedaan, wat we konden, om haar te zoeken, en we zullen haar eenmaal vinden ook, daar twijfel ik niet aan..."

»Ja, maar dat zij nooit eenig bericht heeft gezonden, maakt me toch wel bezorgd en angstig," viel Marten in. »Ik vrees, dat haar een ongeluk overkomen is, of dat zij wellicht in de handen der vijanden viel. O, dat zou verschrikkelijk wezen."

»Hoe had ze je bericht kunnen zenden?" vroeg Aelbert schouderophalend. »In de eerste plaats weet ze niet, waar je bent, en is het dus onmogelijk om met den een of ander bericht meê te geven, en dan nog wemelt het hier van vijanden, die.... Och kom, wees toch wijzer! Je weet zelf wel, dat je het onmogelijke van haar vergt.--Willen we de netten nu weer inhalen? De visch heeft tijd genoeg gehad, om er in te zwemmen."

Zoo werd gedaan, en de vangst was niet onvoordeelig. Enkele karpers, een paar palingen en wat witvisch werden opgehaald en in de kaar gedaan. Daarna werden de netten weer uitgezet, en roeiden de jongens naar een andere plaats, om ook daar den oogst binnen te halen. Zoo bleven zij den geheelen nacht bezig, met het gevolg, dat zij vroeg in den morgen naar de herberg van Jan Slob konden terugkeeren in het bezit van eene ruime vangst, die menigen lekkerbek kon doen watertanden.

De Vrijbuiters waren daar reeds bijeengekomen, in afwachting van de tijding, die de knapen zouden brengen. En toen zij vernamen, dat de vangst voorspoedig was geweest, meesmuilden zij in hun ruwen baard en wreven zich de handen van genoegen bij de gedachte aan de poets, die zij den Overste gingen spelen. En Jan Slob lachte luidkeels en trommelde genoeglijk met zijne vingers op zijn dikken buik. Hij had schik in de zaak.

»Kijkt eens hier, wat prachtige tobben!" riep hij uit. »Daar kan Claes Kees Symensen zoo gemakkelijk in liggen, of hij in Abrahams schoot lag. Deze tweede is wat kleiner, en zal wel geschikt zijn voor Jan Walichs. Nu,--wat zeg je er van? Heb ik niet goed gezorgd?"

»Opperbest," zei 't Oude Hoen. »Laten wij de tobben aan boord brengen. De schuit van Marten loopt zoo licht, als ik er geen tweede ken, en is dus uitstekend voor ons geschikt."

[Illustratie]

Jan Slob droeg met een anderen vrijbuiter de tobben naar het schuitje, en zei lachend:

»Zie zoo, de paling kan er in. Als de Overste zijn tanden maar niet stuk bijt op de graten. Komaan, Claes, rol je op!"

Claes keek eerst de pistolen, die hem in den gordel hingen, nog eens goed na, voelde naar den dolk, dien hij in zijn wambuis verborgen had, en stapte in de tobbe. Hij werd zorgvuldig met eene tweede toegedekt. Toen kroop Jan Walichs in de andere, de twee jongens grepen de riemen, en de tocht nam een aanvang.

De overige Vrijbuiters verdeelden zich twee aan twee in andere schuitjes, en roeiden hen snel vooruit, om zich in de onmiddellijke nabijheid van Amsterdam tusschen de rietzudden te verbergen, ten einde, als dat noodig mocht blijken, dadelijk te hulp te kunnen snellen. Marten en Aelbert haastten zich daarom niet. De anderen moesten gelegenheid hebben, om hen een goed eind vooruit te komen. Stil en onder den indruk van het stoute waagstuk, dat zij thans gingen ondernemen, roeiden zij bedaard verder. Jan Slob stond nog op den dijk, om hen na te kijken, en hij wuifde hun telkens toe met de hand, of zwaaide met zijne muts.

De jongens waren met pistolen en dolken gewapend, maar deze waren zorgvuldig onder hun wambuis verborgen. De Overste moest natuurlijk in hen slechts een paar jonge visschers zien, die in Amsterdam kwamen, enkel om wat te verdienen.

Soms keken zij even achterom, teneinde te zien, hoever de anderen hen reeds voor waren.

»Zijn we er haast?" werd er uit de tobbe geroepen. »Ik kan niet zeggen, dat het me hier erg bevalt."

»Wij beginnen pas," zei Aelbert lachend. »Maar u moet niet praten, Claes Symensen, want de kleinste onvoorzichtigheid kan ons noodlottig worden."

»Je hebt gelijk. Ik zal zoo stom wezen, als een--paling," was het antwoord.

»Zeg je wat?" riep Jan Walichs uit de andere tobbe.

»Houd je stil, er zijn Spanjaarden dicht in de nabijheid," antwoordde Marten gekscherend, maar Jan Walichs schrok er toch zoo erg van, dat hij verder op de geheele reis geen geluid meer durfde geven.

Amsterdam kwam meer en meer in het gezicht, en hoe dichter het gevaar naderde, hoe stiller de twee jongelieden werden. Dat was ook waarlijk geen wonder, want hunne onderneming was een brutaal stuk, dat groote gevaren opleverde. Eindelijk konden zij de menschen aan den IJkant reeds duidelijk onderscheiden, en het rumoer van het stadsgewoel drong tot hen door. Hier en daar zagen zij tusschen de rietschooten eene enkele visschersboot, waarvan de bemanning ijverig in de weer scheen te zijn, zonder echter een enkel net uit te werpen. De knapen herkenden hen zeer duidelijk, en Marten sprak:

»Nu dubbel voorzichtig, mannen! Wij naderen de stad."

Een enkel woord uit de tobben gaf te kennen, dat de waarschuwing gehoord was en opgevolgd zou worden.

't Was een vrij vermoeiende roeitocht geweest, want de wind blies sterk uit het Oosten, wat zij bij de uitvoering van hun plan in hun voordeel hadden. Langzaam roeiden zij naar den walkant, en omziende ontdekten zij den Overste, die hunne nadering reeds had opgemerkt. Hij was een echte smulpaap, bijzonder op visch verlekkerd. Toen de jongens even omkeken, riep hij hun uit de verte toe:

»Goede vangst gehad?"

»Die is Goddank wèl, al kon het beter," schreeuwde Aelbert terug. De aankomst van de jongelieden was door meer Amsterdammers opgemerkt, wat bleek uit de vraag:

»Hei daar, visschers, legt hieraan, als je wilt. Heb je wat goeds in de kaar?"

»Wij komen!" was het antwoord, »en je zult eens zien, wat een prachtige waar wij hebben."

Ze meenden er echter niets van, want aanleggen lag ditmaal heelemaal niet in hunne bedoeling. Zij hoopten natuurlijk, dat de rijke Overste de eerste keuze zou willen hebben en met een bootje bij hen komen. En dat gelukte. De lekkerbek maakte zich inderdaad bevreesd, dat de andere kooplustigen hem vóór zouden wezen en hem de lekkerste visch voor den neus zouden wegkapen. Daarom riep hij hun toe:

»Wacht nog even. Ik kom bij je."

»Goed zoo, Heer," mompelde Marten zacht voor zich heen. En Aelbert antwoordde:

»Als u dan maar wat spoed wil maken, Heer, want wij zien daar heel wat koopers..."

De Overste stapte in een bootje, greep de riemen, en roeide naar de visschersboot, tot groote verontwaardiging van de andere kooplustigen, die aan den wal moesten blijven staan.

»Hij zal de beste visch wel eerst uitzoeken," mopperde er een. »Die groote Heeren hebben altoos een schreefje voor."

Nauwelijks had de Overste de groote tobben opgemerkt, of hij zeide, terwijl hij zijn schuitje met een touw aan het roeibankje van de andere schuit vastbond:

»Zoo, zoo, je schijnt een heelen voorraad te hebben. Zijn die groote tobben dáár vol visch?"

»Allemaal witvischjes, Overste, voor den minderen man," antwoordde Aelbert. »De lekkerste visch hebben wij hier in de kaar, paling, om van te watertanden."

Hij deed het deksel van de kaar, greep een schepnet, en wilde de palingen opscheppen, maar met voordacht deed hij dat zoo onhandig, dat de dikste beesten hem telkens ontsnapten. De overste bleef in zijn eigen schuitje, wat natuurlijk niet in de bedoeling der jonge Vrijbuiters lag. Zoodra de twee booten aan elkander vastgelegd waren, hadden zij de riemen ingehaald, zoodat de vaartuigjes thans langzaam door wind en stroom werden medegevoerd en van de stad afdreven.

»Ha, dat ik dien dikkerd, daar in dien hoek, maar niet krijgen kan!" zei Aelbert, telkens vergeefsche pogingen doende, om hem in zijn net te krijgen.

»Je weet wel, Marten, dien dikkerd, dien wij al dadelijk voor den Heer Overste bestemd hadden. O, als U hem ziet, weet ik zeker, dat U hem hebben moet."

De Overste rekte den hals, om in de kaar te kijken, maar dat ging niet gemakkelijk. En toen het Aelbert maar in het geheel niet wilde gelukken, den heerlijken paling gevangen te nemen, kon hij zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Met een vlugge beweging stapte hij in de andere boot over.

De mannen in de tobben grepen onder hun wambuis en haalden hunne pistolen te voorschijn.

De Overste bukte zich voorover, om in de kaar te kijken,--en had er geen erg in, dat de booten langzamerhand van de stad afdreven. Maar Aelbert en Marten zagen het wel, en ook, dat andere visschersbootjes langzaam van tusschen de rietschooten te voorschijn kwamen en ongemerkt naderden.

»Daar is hij weer!" riep de Overste uit. »Schep hem nu op!"

Aelbert deed het, maar zoo onhandig, dat de dikke paling weer ontsnapte.

»Daar gaat hij weer!" zei Aelbert boos. »Dat ding is zóó vlug..."

»Laat mij het probeeren," riep de Overste hem toe. »'t Is een prachtige paling, dat heb ik wel al gezien."

Hij nam het net van Aelbert over en dompelde het in de kaar. Maar nu zag hij zooveel heerlijke visch, dat hij bijna niet wist, welke het eerst te scheppen. Hij smakte met zijne tong tegen zijn verhemelte bij het vooruitzicht van het lekkere middagmaal, dat hem wachtte. En hij zag in het geheel niet, dat de boot thans reeds op een betrekkelijk flinken afstand van den walkant dreef. Evenmin merkte hij op, dat Marten het touw, waarmede de twee schuitjes aan elkander verbonden waren, losmaakte.

»Ha!" riep de krijgsman op verheugden toon uit, »daar heb ik den dikkerd! Een prachtstuk van een paling, dat moet ik..."

Opeens echter bemerkte hij, dat zijn boot geheel onbeheerd op eenigen afstand langzaam wegdreef, en tegelijkertijd trok het zijn aandacht, dat verscheidene visschersbooten, die hij straks niet had gezien, thans dicht in de nabijheid gekomen waren. En de bemanning daarvan boezemde hem in het geheel geen vertrouwen in. Snel wierp hij een blik op de beide jonge visschers, en de uitdrukking van hun gelaat zeide hem genoeg, dat hij in een valstrik gelokt was. Hij richtte zich op en trok met een snelle beweging zijn rapier.

»Wat heeft dat te beduiden,--schelmen, rakkers! Denk je soms, dat ik mij zoo gemakkelijk laat overrompelen!"

De overste was een moedig krijgsman, die zich nog in het geheel niet als een verloren man beschouwde. De vijand bestond immers slechts uit twee jongelingen, nauwelijks den kinderschoenen ontwassen! Hij zou ze spoedig genoeg onschadelijk gemaakt hebben, en dan naar Amsterdam kunnen terugkeeren. Maar Aelbert en Marten hadden met een snelle beweging hunne pistolen te voorschijn gehaald en de lonten aangestoken. Dat alles ging vliegensvlug in zijn werk. De Overste hief zijn rapier omhoog, om Marten een geduchten slag toe te brengen, toen plotseling eene tobbe hem zoo onzacht tegen de beenen terecht kwam, dat hij wankelde en bijna over boord viel.

»Hier heb je een paling, zooals je er nog nooit een gegeten hebt," riep Claes Symensen spottend uit, terwijl hij uit de tobbe wipte en den Overste van achteren aangreep. Aelbert en Marten hadden hem reeds het rapier ontwrongen, wat hun betrekkelijk gemakkelijk viel, omdat de Overste bijna overboord gevallen was en zich aan het boord moest vastgrijpen.

Nu sprong ook Jan Walichs uit zijn tobbe te voorschijn, tot groote verbazing van den Overste, die door hunne onverwachte verschijning zoo verrast was, dat hij bijna geen besef had, om zich te verdedigen.

En nu roeiden ook de andere Vrijbuiters met groote snelheid nader, lachende om het welslagen van hun list. Evenwel, er moest nog met grooten spoed gehandeld worden, want Amsterdam was nog dichtbij, en men had daar met niet weinig verbazing de overrompeling van den Overste aangezien. De soldaten legden hunne musketten aan en vuurden op de Vrijbuiters; maar de kogels sisten rondom de schuitjes in het water.