De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven

Part 8

Chapter 8 3,729 words Public domain Markdown

Wanneer een man als Ary Prins schrijft zijn "Heilige Tocht", dan moet hij dat met een dergelijke bedoeling doen. Met een eenigszins sterker pessimistischen kijk op de moderne wereld, laat hij zich daarvan afdrijven en tracht in een vroegeren tijd bij een heel ander leven het sublieme terug te vinden. Ik geloof, dat er nog altijd in ons dagelijksch leven heel fijne momenten zijn, waarin subliem gevoeld wordt, en dat is het eenige dat mij aantrekt in het leven, dat mij ook aantrekt in de kunst, en dat ik daarom geven wil.

Nu is natuurlijk maar de vraag: wat bedoel je met "het sublieme"? In dat opzicht ben ik misschien eenigszins een rare kerel. Ik vind bijv. subliem, laat ik zeggen, in een stillen nacht een moeder, die met haar kind zit bij een nachtlichtje en niet naar bed wil gaan, ofschoon haar voeten ijskoud zijn, omdat het kind op haar schoot zoo lekker slaapt. Ik geef maar een voorbeeld, om te zeggen, dat ik niet wil trachten in hoog geestelijke gesprekken het sublieme te benaderen, omdat ik overtuigd ben, dat iemand in zijn eenvoud, wanneer hij maar tracht zichzelf te zijn, de subliemste momenten bereikt. Daarom ook voel ik mij in de Nederlandsche literatuur het meest aangetrokken tot Van Looy, omdat niemand meer dan hij in onze moderne literatuur dat bereikt heeft: de verheerlijking van het leven en de goddelijkheid van den mensch te bewijzen in zijn woord.

--Hier merkte ik op, dat mij nu, evenals in de beschrijving van zijn wording als schrijver, getroffen had, hoe hij uitging van het gewone dagelijksche leven en hierbij stilzwijgend aannam, dat dit overwegenden invloed uitoefende boven het hooger geestelijk leven, ja, daarboven te stellen was. Is dit inzicht van mij juist? vroeg ik.

--In zekeren zin komt het daarop neer. Het diepste gevoelsleven kan zich dagelijks in de meeste dingen uiten, en juist wanneer je er hard naar streeft, zul je het niet bereiken. Wanneer je gewoon maar je gang gaat, en doorvoelt wat je voor de hand vindt te liggen en je het mooiste vindt, dan zul je heel dikwijls vanzelf het sublieme bereiken.

Ik kan dit ook toepassen op het terrein van de kunst. Er is een boel zoogenaamde didactische literatuur geschreven, waarin getracht wordt de menschen beter en braver te maken, terwijl de echte artiest wel weet, dat dat allemaal eenvoudig verkeerd is en je niets beters kunt doen dan mooie dingen maken. Dat komt doordat juist het aller-subliemste in den mensch, het edelste, door iemand die er didactisch naar zou streven niet kan worden bereikt. U moet weten, ik ben nu een beetje vol van de "Heilige Tocht" van Prins, omdat ik dat boek juist ernstig bestudeerd heb. Ik heb er van geschreven: dat er absoluut geen moralistische strekking in gezocht kan worden, maar dat er wel een hoog moreele, of liever ethische, werking van uitgaat, omdat er ethisch niets hoogers bestaat dan de schoonheid. Ik geloof, dat iemand alleen maar goed is in zijn schroomvollen eerbied voor het heilige, het kinderlijke en het vrouwelijke. Wanneer men dat gevoelt is men goed. Maar zoodra men gaat denken, komt men tot allerlei vertroebelingen. Dat zou Vader Cats den menschen in zijn gedichten niet hebben kunnen vertellen, niet waar? Zoodra je didactisch te werk gaat, moet je de menschen al redeneerend er toe brengen goed te zijn. Maar wanneer je de menschen kunt ontroeren door schoonheid, dan worden zij vanzelf goed. Ik herhaal: het is nooit mijn bedoeling geweest, de menschen met mijn boeken beter te maken, maar iedereen, ook een artiest, heeft toch behoefte aan de ethische verdediging van zijn werk.

Nu moet u _dit_ goed in het oog houden. In hoogeren zin erken ik geen verschil tusschen ethiek en aesthetiek, en dat kan ik heel goed verdedigen.

Er bestaat maar één mooi, en dat is voor alle menschen hetzelfde. En of dat nu is een boom of een stuk kunst of een daad, het blijft hetzelfde. Ik geloof juist, dat de schoonheid van de daad voor de minst ontwikkelden het meest begrijpelijk is.

Als je gaat onder het volk, dan merk je wel, dat zij voor de kunst niet voelen, de schoonheid in de natuur niet zien. Maar wanneer iemand verricht een of andere faire daad, géén wraak neemt, of edelmoedigheid betracht tegenover een vijand, of iemand hulp biedt onder moeilijke omstandigheden, dan wordt door het volk gezegd: dat is mooi. En dat soort ontroering, waarbij zij blij zijn dat zij menschen zijn, dat is altijd weer de schoonheidsaandoening, en het is precies hetzelfde of je een mooien boom ziet, een mooi landschap, een stuk kunst. In hoogeren zin is er geen verschil tusschen ethisch en aesthetisch mooi; er is maar één mooi.

--Mocht ik dus aannemen, dat in zijn levens-systeem de eenvoudige daad gesteld werd boven wat men zou kunnen noemen den geestelijken bovenbouw in het menschelijk leven, dat de geestelijke uitingen beheerscht werden door wat men zou kunnen noemen het practische leven,--"practisch" genomen in de beteekenis van "handelend"?

--Ik geloof, dat het geheele leven geleid wordt door het Onbewuste. Je kunt je best doen om je leven uit te denken, om heelemaal bewust te leven, maar de eigenlijke impulsen komen voort uit je diepere zijn, dat op zich zelf een mysterie is en dat je begrip niet aanraken kan. Ik ben wel lid van de S.D.A.P., maar ik zou heelemaal niet toe wenschen te geven de theoretische bewering van het historisch materialisme, dat je het geestelijke heelemaal kunt beschouwen als een bovenbouw, zooals de gewone uitdrukking luidt, van de toestanden die ontstaan zijn door de productiewijze. Ik begrijp volkomen, dat iemand tot deze bewering gekomen is. Je ziet bij alle mogelijke ontdekkers in de wereld dat, wanneer zij iets ontdekt hebben dat een groote waarheid bevat, zij de neiging hebben om te denken dat dit nu _alles_ is. En zoo is het ook gegaan met Marx en zijn tijdgenooten, die de groote waarde van de productiewijze hebben doorzien. Maar zooals de theorie luidt, is zij een uitschakeling van het mysterie. Er zijn geestelijke stroomingen, waarvan de oorzaken geheel en al mysterieus zijn. Is het bijv. niet absoluut geheimzinnig, dat alle geestelijke stroomingen gaan tot een zekere mate van verzadiging en dan komen tot hun tegendeel en omslaan in reactie? Dat kunt u onmogelijk verklaren uit een theorie, die eenvoudig aanneemt, dat het geestelijke zou zijn een bovenbouw van het materiëele. Maar, al ben je geen theoretisch aanhanger van het historisch materialisme en alle theorieën van Marx, kun je heel goed lid zijn van de S.D.A.P. en met alle kracht medewerken in die richting, omdat je overtuigd bent, dat wij nu zeker een paar eeuwen lang werken moeten in de richting van het gemeenschappelijke, voordat wij weer aan de rechten van het individu denken. Want de waarheid ligt voor mij in een zoo natuurlijk mogelijke harmonie van individu en gemeenschap, zooals dat bijv. in "Civitas", het boek van Treslong, zoo juist is uitgedrukt. Hij zegt duidelijk, dat de menschen niet alleen hebben neiging tot zelfbehoud en zelfverdediging, maar dat ieder zich voortdurend voelt lid van de gemeenschap. Dat ieder tot op zekere hoogte even goed kuddedier is als individualist, omdat louter individu zijn met het menschelijke in het algemeen niet vereenigbaar is, geestelijke afdwalingen daargelaten. En dat is ook daardoor te bewijzen, dat zooveel van die boeken, die zoogenaamd sterk individualistisch zijn, minstens voor tachtig procent algemeen menschelijke gevoelens bevatten.

--Geloofde hij dan niet, dat de groote waarde van den kunstenaar, en in het bijzonder van den schrijver, daarin is gelegen, dat hij, staande tegenover de gemeenschap, aan die gemeenschap nieuwe geestelijke wetten toont, en haar leert de dingen met een nieuwen maatstaf te meten? Kon hij niet toegeven, dat de schrijver wezenlijk is een held in den zin van Carlyle, een absolute, bewegende kracht in de geschiedenis, die zijn beteekenis juist aan zijn volstrekt alleenstaan ontleent?

--Och ja, gaf hij ten antwoord, de beschouwingswijze van Carlyle heeft ook haar tijd gehad. Hij kijkt zeer juist door den bril van de winnende liberale bourgeoisie, en dat heeft ook zijn waarde. Maar voor mij is het ideaal de toestand van de middeleeuwen, waarbij wij niet eens weten, wie een bepaald kunstwerk gemaakt of een bepaald boek geschreven heeft. De artiest is waarschijnlijk in veel opzichten een fijner bewerktuigd wezen dan de meeste andere menschen, maar een held die verdienen zou gewaardeerd of gehuldigd te worden boven andere menschen, die óók heel verdienstelijk werk presteeren, ben ik heelemaal niet geneigd hem te noemen. Hij kan ook nooit nieuwe waarden brengen, maar door zijn zuivere uiting van wat er in zijn tijd, zooals die geworden is in de ontwikkeling van de historie, diep leeft in de zielen van sommige menschen, kan zijn beschouwingswijze voor veel andere menschen nieuw lijken. Maar ik zie niet in, dat hij ooit nieuwe levenswaarden kan schéppen. Trouwens, waarom zou een schrijver alleen zoo fijn bewerktuigd zijn, dat men aanleiding ziet tot den paradox: hoe zieker zenuwen, hoe beter kunst? Er loopen genoeg timmerlui en metselaars rond met zenuwen, die op dezelfde manier ziek zijn.

--Maar, merkte ik op, dit ziet men toch niet aan hun werk. Een overgevoelig timmerman zal, als hij een lijst maakt, die evengoed haaksch maken als een gewoon timmerman.

--Natuurlijk is het waar, dat iemand die zich geestelijk uit, van zijn zieke zenuwen meer in het openbaar zal doen blijken, en natuurlijk vind ik een groot artiest en in zeker opzicht een genie, (want dat is nog een heel ander begrip, laat ik dit even mogen opmerken) een fijn bewerktuigd en zeer interessant mensch. Maar ik vind de artiesten volstrekt niet de besten, zoodat ik ze helden of iets dergelijks zou moeten noemen. Ik geloof ook, dat er diep eerbiedwaardige helden bestaan, waar wij nooit van hebben gehoord en die, als ik ze kende, ik ontzaglijk veel beter zou vinden dan,... nou dan zoo menig bekend artiest! Allemachtig!

--Hier merkte ik op, dat uit hetgeen hij tot nog toe gezegd had, ook zijn meening viel af te leiden over de toekomst van literaire kunst en kunst in het algemeen, indien de samenleving zich in sterk socialistische richting mocht ontwikkelen. Daar hij toch de grenzen tusschen het ethisch schoone en het aesthetisch schoone vervaagde; de waarde van den artiest meer zocht in een verheerlijking van het eenvoudige dan van het geestelijk gespannene, van het algemeen menschelijke, dan van het verfijnd individueele; en bovendien het gemeenschapsgevoel in den modernen zin des woords beschouwde als een ingeschapen trek van het oorspronkelijk menschelijk gemoed, en dus ook de grenzen tusschen de huidige chaotische samenleving en een mogelijk toekomstige, minder scherp zag dan de socialisten zoowel als hun tegenstanders,--kon hij niet aannemen, zoo meende ik, dat een ingrijpende verandering in het wezen der kunst door een min of meer compleete overheersching van de massa viel te verwachten.

--Inderdaad, zoo antwoordde hij mij, is de wereldgeschiedenis voor mij een voortdurend voortgaande stroom. Een van mijn grootste bezwaren tegen veel schrijverij van de socialisten is ook hun schelden op personen en groepen van personen. Dat vind ik zeer verkeerd, want deze personen en groepen zijn hoogst noodige schakels in de ontwikkeling, en die personen zijn evengoed slachtoffers van de omstandigheden als de armste proletariër. Je kunt absoluut niet helpen in welke wieg je geboren bent. Er zijn maar heel weinig menschen die werkelijk hun arbeidsveld kiezen. Dit inzicht blijkt ook duidelijk uit mijn "Roman van een Gezin". Daar heb ik juist sympathie gevraagd voor een kapitalistisch patroon en, dunkt mij, aangetoond, dat zoo iemand evengoed zijn functie vervult en sympathie verdient als zijn arbeiders, die hij gedwongen is te verdrukken.

--Hier bracht ik bescheidenlijk de strekking van mijn uitvoerige en met een Fénélon-geste voorgedragen vraag in herinnering: Zal het karakter van het dichterschap onder den invloed van een overwinning der arbeidende klasse, met wat daaraan vastzit, zich wijzigen?--

--Och, zei hij kalmpjes, ik geloof, dat ieder de neiging heeft zichzelf te handhaven en te verdedigen en uit te spreken in zijn werk. Dat heeft ieder die maar iets kan scheppen. Wanneer hij niet heelemaal bedorven is, dan heeft hij de neiging om iets van zijn persoonlijkheid in zijn werk te leggen. Als je boekhouder bent is het verduiveld moeilijk iets van je persoon te leggen in de wijze waarop je de posten boekt, dat is zoo, en toch is mij dikwijls opgevallen bij de verschillende boekhouders, die ik gekend heb, dat daarin groote individueele verschillen zijn waar te nemen.

--Ik merkte op dat hij de scheidingslijn tusschen kunstenaar en massa dus niet zoo scherp handhaafde als gewoonlijk gedaan wordt.

--De oprichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, zeide hij, hangt met deze idee heelemaal samen. Ik vind dat de artiesten, de geheele negentiende eeuw door, zich veel te veel afzijdig hebben gesteld van de maatschappij. Zij zijn heelemaal een soort van wilde dieren geworden, die met hevige belangstelling door de rest van de burgerij worden bekeken. Zij hebben zich zeer buitenmaatschappelijk gevoeld en doen dat voor een groot deel nog. Een man als Boutens, die intusschen ook veel voor het vereenigingsleven doet en nog pas vice-voorzitter van de Vereeniging van Letterkundigen is geworden, merkte mij onlangs op: ik heb met de maatschappij niets te maken, die gaat mij niets aan. Ik vind, dat de artiesten midden in de maatschappij moeten staan, en al wat zij de maatschappij ten goede kunnen brengen, moeten zij geven. Ik vind het een abnormale toestand, dat tegenwoordig door lichamen, die heelemaal buiten de kunst staan, wordt geoordeeld over allerlei zaken van schoonheid. Dit oordeel moet weer komen aan de geschoolde kunstenaars, zooals het vroeger, en zéker in de middeleeuwen, is geweest. Denkt u, dat die enorme werken in de middeleeuwen, die kathedralen, zouden ontstaan zijn, zonder dat het artistieke element een ontzaglijken invloed heeft gehad? Als toen de macht in handen was geweest van menschen, die het te doen was om zooveel mogelijk geld te sparen en hun politieke bedoelingen te verwerkelijken, dan waren die groote werken nooit tot stand gekomen. Doch het is waar ... die groote eensgezindheid van toen werd door het geloof geïnspireerd.

De bedoeling van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen is tweeledig: naar binnen en naar buiten. Naar binnen is het doel, om door voortdurende aanraking van verschillende artiesten onderling, vooral door ze te leeren samenwerken aan de gewoonste dingen, te doen ontstaan meer eenswillendheid, daardoor meer harmonie, en zoo, willen wij hopen, in een toekomst die ik heelemaal niet beleven zal, te krijgen een monumentaler kunst. Wij kunnen niet meer komen tot den toestand van de middeleeuwen, doch nu wij ons bewust zijn welke de groote voordeelen van dien toestand zijn geweest, kunnen wij toch in die richting streven. En naar buiten is de bedoeling eenvoudig, aan den geheelen artiestenstand meer macht te verzekeren, en dan bedoel ik natuurlijk macht in de zaken die hun het meest ter harte gaan. Vanaf de groote renaissance hebben alle kunsten zich eenzijdig ontwikkeld, niet alleen de verschillende kunsten, maar ook in de kunsten zelf de verschillende richtingen. Dat is heel goed, daardoor zijn tal van verfijningen ontstaan, die anders nooit zouden zijn geboren, wanneer men zich niet gespecialiseerd had, maar daardoor is verloren gegaan de groote samenwerking tusschen de kunsten onderling, en zoo ook het monumentale. Die kathedralen, die alleen door de eensgezindheid van talrijke kunstenaars konden ontstaan, die zijn voor mij het symbool van deze samenwerking. Op een manier die voortgekomen is uit mijn inzicht in het maatschappelijke, wil ik komen tot iets als Wagner bedoelde met zijn opera's. Die bedoelde ook: een harmonie tusschen de verschillende kunsten. Hij schreef zijn teksten, maakte zijn muziek, nam ook de leiding bij het vervaardigen van de décors en zoo. En nu is het Verbond van Kunstenaars een poging, en dat kan juist in een klein land als het onze, om de artiesten te oefenen in het samenwerken. Ik maak mij geen illusie dat dit pogen direct tot groote dingen leiden zal, ik vind het al prachtig dat voor verleden jaar bijv., op de algemeene vergadering van het Verbond, allen gezamenlijk zich hebben uitgesproken over het leelijke affiche van de Vierjaarlijksche tentoonstelling van schilderkunst. Wanneer je dat principe doorvoert op dingen van veel grooter beteekenis, dan zult u begrijpen wat ik bedoel met "samenwerking naar binnen en naar buiten".

Vóór dien tijd hebben de kunstenaars zich veel te veel als buitenmaatschappelijke schepselen begrepen. Weet u wel, dat er vóór de negentiende eeuw geen kwestie is van zoogenaamde "philisters"? Die hebben wij in de negentiende eeuw uitgevonden. Ik weet wel dat er tegenwoordig nog een heeleboel zijn, die wat wij nu trachten te doen ook "philisterhaft" vinden, een soort van burgerlijk werk, en zij schelden je uit voor vergaderingratten en denken, dat wij dit allemaal doen enkel voor het pleizier van vergaderingen houden! Dat vergaderen is eenvoudig een noodzakelijk kwaad, maar ook daarin kan wel iets moois zijn, en er zijn heel mooie momenten geweest op sommige vergaderingen die wij hebben gehouden.

--Ik vroeg nu zijn meening over de richting die zegt weer te geven hetgeen er omgaat of sluimert in de ziel des volks, en of hij niet geloofde, dat een dichter nooit iets anders moet uitspreken dan wat hijzelf rechtstreeks in eigen binnenste voelt.

--Natuurlijk, zoo antwoordde hij, het eenige wat wij kunnen doen om vooruit te komen, d.w.z. om beter kunstenaar te worden, is aan onszelf werken. En wat wij altijd doen moeten is zuiver onszelf uitspreken. Er is niet anders. Uitspreken wat in het algemeen eenige groep van menschen voelt of denkt te voelen, dit is niet mogelijk. Ik tenminste houd het voor absoluut onmogelijk. Critiek kan ook niet anders zijn dan subjectief. Men heeft geen andere hulpmiddelen, men heeft geen ander instrument, als zijn eigen innerlijk. Zooals je een peer alleen proeven kunt met je eigen tong, zoo kun je een boek alleen proeven met je eigen ziel.

Iets anders is natuurlijk, dat men het gemeenschappelijke, het algemeen menschelijke, in zichzelf min of meer kan aankweeken, kan trachten een zoo breed mogelijk mensch te zijn en zooveel mogelijk menschen te begrijpen, kortom zoo ruim mogelijk te worden. De tachtigers hebben over het algemeen, uit een heel begrijpelijk streven om niet banaal te zijn, wat ook een zeer artistiek streven is, het gezocht in een uitdrukkingswijze die zij meenden dat van hen alleen was. Maar met dat verschil in uitdrukkingswijze is heelemaal niet bewezen, dat wat zij uit te drukken hadden sterk individueel was.

--Hieruit zou bijna zijn af te leiden, dat volgens u zij, die zich er wel op toeleggen uit te drukken wat in eenige groep menschen leeft, zichzelf als kunstenaar benadeelen.

--Ja, maar ik geloof niet, dat iemand het kan. Zoo iemand heeft eenvoudig geen hoûvast meer, hij wordt tegenover zichzelf oneerlijk. Ik zou durven zeggen, dat hetgeen hij voortbrengt geen kunst meer is. Zoodra iemand voorbedachtelijk tracht gevoelens van een groep personen, waartoe hij min of meer behoort, weer te geven, en niet zichzelf uit te spreken, levert hij geen kunst meer. Bij dit zichzelf uitspreken, denken wij voornamelijk aan de lyriek, maar in de epiek, in een verhaal, spreekt iemand zich natuurlijk ook zuiver uit, in het algemeene idee van een boek, het karakter, de compositie....

Laten wij er om denken, dat al onze onderscheidingen in de literatuur, al de "ismen" en "ieken", de scheiding tusschen roman en novelle, zelfs die tusschen proza en poëzie, heel nuttig zijn, maar toch betreffen betrekkelijke bijzaken. Er is iets in ieder werk, en dat is het voornaamste, dat hier boven uit gaat. Dat is de smaak van het boek, het karakter, iets onuitsprekelijks, en dat is toch het essenciëele. Dat is ook de persoonlijkheid. Men heeft gezegd: "le style, c'est l'homme". Heel best, wanneer men het woord "style" neemt zoo breed mogelijk, ik zou zeggen in de beteekenis van den "Gesamteindruck". Ieder doet toch wat hij op het moment goed vindt. Hij kan er later wel over gaan nadenken, nou ... ik voor mij heb altijd maar gedaan wat ik op het moment voelde dat ik moest doen.

--Ten slotte stelde ik nog de vraag of een verbetering in de maatschappelijke verhoudingen, waardoor de vele conflicten die uit die verhoudingen voortkomen worden vermeden, volgens hem geen nadeeligen invloed zou hebben op het ontstaan en op de vorming van kunstenaars, die toch een groot deel van hun taak vinden in het uitspreken van die conflicten en van de inzichten die daar rechtstreeks uit voortkomen.

--Als de maatschappij zich verbetert, zeide hij, en wanneer het werkelijk komt tot een redelijker en zedelijk hooger staande maatschappij, hoe meer men daartoe komt, des te meer zullen de conflicten zich verfijnen, zij zullen zich verhoogen, mooier en grooter worden. Er zullen wel altijd dichters zijn die blijven bezingen wat zij waarnemen, de lyrische dichters, en epische kunstenaars die er van vertellen, en dramatische kunstenaars die het vertoonen. En wanneer die conflicten zullen zijn van meer geestelijken aard, in het algemeen van een hoogere orde, welnu, _tant mieux_!

BIBLIOGRAPHIE:

Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde Plant (1895.)--De Roman van Bernard Brandt (1897)--De Bruidstijd van Annie de Boogh (1901)--Van Stilte en Stemming (1905)--De Roman van een Gezin I (1909), II (1910)--Helene Servaes (1914) en een aantal verspreide opstellen.

IS. QUERIDO

(* 1874)

Hij zat daar boven, aan zijn bureau, op den ouwerwetschen matten stoel, dien men wel van de portretten kent.[5] Zeer eenvoudig, zijn studeerkamer, maar royaal en practisch; groote boekenkasten: een er van in vakken verdeeld, die, blijkens opschriften, bevatten het materiaal voor de Rousseau-studie, het materiaal voor het werk over crimineele anthropologie.... Enkele antieke gravures aan de wanden, een portret van den pianist Schäfer, en een portret van Willem Royaards met opdracht ... tullen gordijntjes ... in een hoek de telefoon, die ons opvallend dikwijls stoort. Boven de schrijftafel een lamp met zacht-gele kap. Bijna geen versiering, geen stijl-meubelen, geen dik tapijt, geen Dante-kop. Wel een potkachel, die, omgeven door een wal van briquetten, ongenadig gloeide. En de man, op wien ik het gemunt had, stierenek bloot, in de tropische hitte erg op zijn gemak.

De meid bracht koffie, de dichter rookgerei. En waarmee hij mij van dienst kon zijn, vroeg-ie al gauw. Ik het gewone praatje, een beetje mooier dan gewoonlijk, omdat iedereen zei, dat Querido wel veel bedenkingen zou maken. Alle argumenten, die moeten bewijzen, dat een dichter als hij aan het publiek een interview verschuldigd is, had ik al bij de hand.