De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven

Part 7

Chapter 7 4,004 words Public domain Markdown

--Men pleegt altijd te zeggen, dat de kunst "de bloem" is van een bepaalde beschaving. Volgens de schatting van velen is een volk zonder kunst maatschappelijk dood, de kunst is de hoogste bloei van een volk. In de tweede plaats, meer in het bijzonder wat den taalkunstenaar betreft, is de taal heel het volk. Een man die tot den bloei van die taal bijdraagt en den taalschat vermeerdert, bewijst aan zijn volk minstens even groote diensten als een groot staatsman of een generaal. Dus bestaat voor de overheid de plicht, om zulke allerverdienstelijkste staatsburgers, behalve ze soms lofprijzingen te geven, ook in staat te stellen om hun schoonheidsbedoelingen in absolute vrijheid te verwezenlijken. Want de voorbereiding voor den kunstenaar is de meest omvangrijke, die er voor welk maatschappelijk métier ook zou kunnen bestaan. De noodzakelijkheid mag hem soms opleggen voor zijn dagelijksch brood te zorgen, eigenlijk moest dit niet het geval zijn. De kunstenaar moet in de tijden dat hij niet scheppend werkt door het zich eigen maken van elke geestesbeschaving, uit welken tijd ook, zijn geest kunnen verrijken. Niet om die geestesbeschaving na te maken, maar om aan wat hij neerschrijft de geestelijke diepte van die culturen mede te deelen. Al heeft een kind nog zoo goed de handgrepen van het pianospelen geleerd, aan den toetsaanslag van den volwassen man hoort men toch de levenservaring die in dien man leeft. Zoo kan de kunstenaar, na andere culturen te hebben verwerkt, in schijnbaar met die culturen niets te maken hebbende uitingen hun diepere gevoelsleven verwerken, naarmate hij meer met het diepere gevoelsleven van anderen heeft kennis gemaakt. Ik vind natuurlijk dat het goed is, eens aan te toonen, dat je als kunstenaar ook die maatschappelijke bezigheden wel kunt verrichten, dat je dus een normaal mensch bent, met iets er bij, maar ik acht dien toestand toch vicieus. Zooals ik zei: Gelijk Van 't Hoff in Berlijn gelegenheid kreeg om zich daar aan zijn studiën te wijden en maar één uur college in de week te geven, zoo moest men eventueel ook een dichter of proza-schrijver volkomen vrij maken. De menschen die arbeiden aan het instrument waardoor een volk een natie is, bewijzen aan dat volk de onwaardeerbaarste diensten, en die moeten worden op prijs gesteld....

Ja, ik geef u toe, practisch is het moeilijk uitvoerbaar, maar het zou moeten gebeuren b.v. door een Instituut van schoone kunsten, dat gevormd wordt niet door regeeringsambtenaren maar uit de gezaghebbende kunstenaars zelve. Zooals u weet, is men bij ons van plan zulk een instituut in het leven te roepen en dat zou eventueel kunnen uitmaken, wie in de termen vielen om van overheidswege onbekrompen geholpen te worden.

--Ik begreep nu wel, waarde lezer, dat ik op mijn vraag geen rechtstreeksch antwoord zou krijgen, en dat ik in het uitblijven van dit antwoord--ook een antwoord moest trachten te vinden. Maar op gevaar af, door Bastiaanse voor zeer onnoozel te worden gehouden, waagde ik nog een kansje:

--Ziet u, ik zal mij onduidelijk hebben uitgedrukt, zoo begon ik. Ik wilde eigenlijk van u weten, wat volgens u de dichter uitvoert in de maatschappij. Kan een betrekkelijk groote minderheid daar iets van bemerken? Welken dienst bewijst de dichter eigenlijk aan zijn lezerskring...?

--Om dat te weten te komen, antwoordde hij, zou men van overheidswege een decreet moeten uitvaardigen, dat in geen 25 jaren een boek, een tijdschrift of een courant zou mogen verschijnen. Dan moesten de menschen in den trein stom tegenover elkaar zitten, want dan hadden ze geen "Handelsblad" en konden 's morgens niet over Falkland praten. Dan konden de dochters van den huize niet den avond te voren den inhoud van "De Kleine Johannes" uit haar hoofd leeren, om tegen den volgenden dag conversatie te hebben, als ze op een studentensouper mede aanzaten. Dan hadden de boudoirs geen Eline Vere meer. De burgers waren aan de leegheid van hun eigen gedachten gedurende 25 jaren overgelaten. Dan zou men leeren begrijpen, welke diensten scheppers van geestelijke waarden, romanschrijvers, journalisten en ook dichters aan de gemeenschap bewijzen. Als gas- of waterleiding worden afgesneden, als de treinen niet meer loopen, dan weten de menschen pas wat ze daaraan gehad hebben.

Ze zijn nu zoo gewoon voor een appel en een ei geestelijke waarden te koopen, dat alleen de proefondervindelijkheid ze van de waarde daarvan het juiste begrip kan bijbrengen. Ze moeten dan praten over hetgeen hun eigen improductieve geesten opbrengen, ze zijn veroordeeld te leven in de hopeloosheid van hun eigen onvruchtbaarheid, ze hebben geen Heijermans en geen Royaards om hun avonden te vullen. Het is de dichter en de prozaschrijver die voor de menschen voelt en denkt en ze nieuwe stukken gedachten- en gevoelsleven geeft, dat ze uit hun eigen leven niet kunnen scheppen.

Het mag sommigen toeschijnen dat de scheppers van geestelijke waarden lichter gemist kunnen worden dan de dichter in zijn "eigenwaan" denken mag, lichter dan de scheppers van reeële, rendabele waarden. Daarop kan ik antwoorden, dat nagenoeg _alles_ wat bestaat slechts onmisbaar is voor een _deel_ van de menschheid of van de samenleving. Ik heb bijvoorbeeld nooit een voetbal noodig gehad of een bioscoop-voorstelling ....

--Mijnheer Bastiaanse, zal ik u eens wat zeggen? Mijn vragen stuiten op u af.

--Ja, u woudt de voegen in mijn pantser ontdekken, hé? Maar ik sta vàst in mijn overtuiging.

--Dat is juist het merkwaardige. Ik _vraag_ en u denkt dat ik _strijd_. U is het meest volmaakte type van den aesthetischen mensch, dat ik ooit ontmoet heb. U treedt niet in mijn gedachtengang, maar wat doet u? U leest mij verzen voor, u werpt brokken stemming in mijn schema, en ik had gewenscht dat uw inzichten op dit punt de mijne zouden ontmoeten....

Wij keken elkander een oogenblik aan; blijkbaar om ons te vergewissen of we goed waren of boos. Ik wilde verzachten: U begrijpt dat ik u begrijp, niet waar? Sommige dingen làten zich door u niet meer in gewone woorden zeggen en ik ben u dankbaar ... voor het genot ... voor de....

Toen lachten we beiden. Het gevaarlijke punt lag achter ons. De intellectualistisch gezinde had den aesthetisch gezinde gewaardeerd.

--Natuurlijk zei Bastiaanse, deze dingen kan niemand zoo uitdrukken als de dichter, en daarom heb ik u een paar maal den dichter laten hooren. In welken wezensstaat de mensch ook verkeert, wanneer hij als dichter de dichterlijke droom in zich voelt komen, dan is hij _de_ complete mensch....

--Dit is inderdaad een standpunt, merkte ik op. Waarom deed ik mij nuchterder voor dan ik ben?

Hij vertelde mij dien avond o.a. dat hij zijn vacantie in Zwitserland ging doorbrengen om er de rust te zoeken, die hij hier bij zijn velerlei bezigheden, waaronder het secretaris-schap van de Vereeniging van Letterkundigen, niet kan vinden. Weet u, vroeg hij bij het afscheidnemen op zijn langzame manier, weet u wat bij een vorige gelegenheid mijn hoofdindruk was van Zwitserland?--Gelukkig, dat ze _dat_ niet plat kunnen s_l_ijpen!

--Heeft hij erg gebromd? vroeg zijn vrouw mij, toen ze me uitliet.

Er lag een waereld van verstandhouding in die vraag.

BIBLIOGRAPHIE:

"Natuur en Leven" (1900)--"Gedichten" (W.B., 1909) [Van "Het boek Jeugd" verscheen een metrische vertaling in het Duitsch, van Peter Mühlfarth.]

Voorts een aantal verspreide studies, w.o. "Het spellings- en taal-systeem van Kollewijn" (in 1911 afzonderlijk verschenen) en het overzicht "Taal en Letteren" in het verzamelwerk "Nederland in de twintigste eeuw". In verband met bovenstaand gesprek is vooral van belang "Het geestelijk lied", een lijvige beoordeeling van Knuttel's dissertatie, die in "Groot-Nederland" jrg. 1908 werd opgenomen en o.a. uitvoerig over het historisch materialisme handelt.

VOETNOTEN:

[4] Het hier volgende citaat is als manuscript gedrukt!

HERMAN ROBBERS

[Illustratie: Foto Koene & Büttinghausen, A'dam HERMAN ROBBERS (Mei 1891)]

[Illustratie: Foto J. Huijsen, A'dam HERMAN ROBBERS]

(* SEPT. 1868)

De oogen van dezen man, die iets beschermends in zijn lange gestalte heeft, zouden mij te nuchter lijken, indien niet de langdurige inwerking van de brilleglazen hun uitdrukking vervaagd had. Neen, nu ik goed kijk is er iets peinzends in, dat ook wel past bij den ietwat scheef getrokken, breeden, een groote ontvankelijkheid teekenenden mond. Dat hij het hoofd voorover draagt komt ook eigenlijk niet doordat hij van zijn respectabele lichaamshoogte op alles wat hem omgeeft moet neerzien. Nadenkend beluisteren van stilte en eigen stemming is er de oorzaak van. En nu hij vóor mij zit met den aarzelenden glimlach van de eerste kennismaking op het gelaat, begrijp ik ook waardoor zijn borstelige pruik midden op het voorhoofd is uitgegraven. Kijk, hij heeft het, ondanks betrekkelijke welgesteldheid, in het leven niet gemakkelijk gehad en ook in deze gezellige, comfortabele studeerkamer heeft hij menigmaal moeten vechten met zichzelf, en dan heeft hij de bevende vingers op het plekje dat nu kaal is geworden tegen zijn voorhoofd gedrukt.... Met zoo iemand kan ik goed praten: Deze hier weet, dat ons innerlijk geen product van de omstandigheden is of mag zijn, maar--wat ons brein ons ook wijs make,--zijn eigen weg moet zoeken.

Als ik hem nu vraag onder welke omstandigheden het hem bewust is geworden, dat hij als schrijver zou optreden, blijkt mij, geheel in overeenstemming hiermede, hoe hij juist staat tusschen de mannen van '80 die zich aan eigen gemoed verslaafden, en de jongere generatie, die de inblazingen des gemoeds met verstandelijke overwegingen tracht te leiden of te onderwerpen. In den loop van ons gesprek verwonder ik mij telkens, hoe hij zich bijna blindelings tusschen die beide richtingen door oriënteert, en ik zou hier aan philosophische vindingrijkheid gaan denken,--ik heb pas van een buitenlandsch dichter vernomen dat wij, Hollanders, richtingen scheppen of 't niets is--als ik zijn theorieën niet belichaamd voor mij had zien staan, indien ik ze niet had weergevonden in zijn blik, in de trekken om zijn ontvankelijk-wachtenden mond, en in dat heldere, rustige wiskunstenaarsvoorhoofd, dat--als ik 't eens zoo mag zeggen--meer denkt dan de ziel kan navoelen. Maar hierbij word ik onmiddellijk getroffen door het inzicht, dat hij precies zijn positie kent, dat ik zijn gelaat niet verder behoef te ontleden. Hij vertelt het me precies zoo als ik het verwacht heb, hij is een Hollander naar mijn hart, hij heeft "zich rekenschap gegeven"--zooals die buitenlandsche kunstenaar mij zeide dat alle Hollanders doen.

Hier volgt zijn antwoord op de allesbeheerschende vraag, die ik boven kortelijk aangaf:

--"Eigenlijk gezegd heb ik als kind zoolang ik mij herinneren kan al geschreven. Ik was een jongen die altijd las en daarbij al gauw de neiging kreeg zelf verhaaltjes en sprookjes te maken. Dat is _purement_ een drang van mij geweest. Ik had als jongen van acht of negen jaar de gekke gewoonte om, als ik een verhaaltje gelezen had, het op mijn manier na te vertellen, liefst op rijm, en met dergelijke gedachten ben ik altijd bezig geweest. Zooals u weet ben ik in Rotterdam geboren en opgevoed, en als leerling van het gymnasium krijg je al gauw wat meer quasi literairen omgang dan op andere scholen. In de derde of vierde klasse hadden wij een zoogenaamde literaire club. Daar moesten wij dan opstellen voor maken. Maar vóór dien tijd had ik al lang het plan dit voor mij zelf te doen. Gelukkig heb ik niet vroeg gepubliceerd. Ik ben daarmee pas begonnen toen ik vierentwintig was.

--Dat was dan toch zeker werk van geheel anderen aard? vroeg ik, om het gesprek op de principiëele zaak te brengen.

--Och, bij mij is daar niet zoo'n groot verschil in. Het schrijven is bij mij niet voortgekomen uit den lust om een of ander idee te propageeren of om in een of ander opzicht aan de menschen iets te willen geven. Ik heb slechts willen voldoen aan een zeker pleizier om een verhaal te schrijven. Het was een soort liefhebberij van mij, zooals de menschen alle mogelijke liefhebberijen kunnen hebben. De een timmert graag, de ander schrijft graag.

Dat eerste werk is een novelletje geweest. "Een Kalverliefde", dat naderhand met twee andere novellen in een bundeltje is verschenen, waarvoor ik geen gemeenschappelijken naam kon vinden en dat ik daarom ook genoemd heb: "Een Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde Plant".

Mijn leven is niet te beschouwen zonder daarbij te nemen mijn gewone werk buiten de literatuur om. Ik was in den boekhandel. Ik had wel altijd het plan gehad om schrijver te worden, maar ik wist ook heel goed dat je daar niet van kunt leven en dat ik moest aanpakken. Studeeren wilde ik niet, en zoo ben ik op mijn achttiende jaar bij mijn vader in de zaak gekomen. _Daar_ werd onmogelijk hard gewerkt. Daarenboven was ik vrij jong geëngageerd en ging graag 's avonds nog even naar mijn meisje. Als ik daarna thuis kwam, ging ik zitten schrijven. Mijn eerste novellen zijn dan ook geschreven 's nachts tusschen twaalf en drie. Op Zondag was ik meestal te moe. U weet hoe dat gaat, men werkt de heele week hard en rekent daarbij op den Zondag, en dat valt tegen. Toen ik nu ging trouwen, heb ik in dit opzicht een beteren levensregel aangenomen Ik zei tegen mijn vader en mijn broer: wij moeten een verandering maken en de zaak vroeger sluiten. Er was een tijd dat mijn oudste broer en ik tegen elkaar zeiden: "Is het al kwart?" en dat beteekende kwart voor twaalf, als wij naar huis gingen. Nu begonnen wij wat vroeger te werken en werkten door tot halfzeven, om 's avonds vrij te hebben. Toen kon ik dus tusschen acht en negen beginnen. Toen heb ik ook een grooter boek aangedurfd en "De roman van Bernard Bandt" geschreven.

Ondertusschen had ik natuurlijk wat meer algemeen benul gekregen. Laat ik hierbij meteen behandelen mijn verhouding tot de "Nieuwe Gids", waarnaar u mij schriftelijk gevraagd hebt. Dit is bij mij misschien anders begonnen dan bij vele anderen, omdat ik weinig tijd had om van de dingen nota te nemen. Ik had de "Nieuwe Gids" van het eerste nummer af gekend. Ik heb hem nog op zestienjarigen leeftijd in mijn club tegen anderen verdedigd. Toch kan ik niet zeggen, dat ik in de eerste jaren ook zelfs maar geregeld nota heb genomen van wat er in verscheen. Ik las maar te hooi en te gras, dan hier en dan daar. Soms kreeg ik bevliegingen: ik moet een massa lezen,--en dan zat ik daarmee tot diep in den nacht. En dan dacht ik weer: wat kan het mij allemaal schelen, ik heb toch geen tijd. Niet waar, je hebt allemaal van die buien als je nog jong bent.... Ik kende de "Nieuwe Gids" dus wel, en wist wel wat de beweging beteekende, maar ik heb er mij pas goed ingewerkt toen ik vijfentwintig of zesentwintig jaar was, getrouwd, en toen de boeken verschenen van de menschen die vroeger in de Nieuwe Gids hadden gewerkt: de Verzamelde Opstellen van Van Deijssel en de boeken van Van Looy. Van Eeden had ik wel zoo tusschendoor gelezen. Toen kreeg ik eindelijk tijd om met wat meer besef mijn positie ten opzichte van de literatuur vast te stellen. Tot mijn trouwen heb ik in een soort van werkroes doorgeleefd. De eerste jaren van mijn trouwen heb ik "De roman van Bernard Bandt" en "De bruidstijd van Annie de Boogh" geschreven. Dat moest veelal gebeuren in den laten avond, en ik merkte wel, dat dit geen gunstigen invloed op mijn werk had. Je schrijft dikwijls in een soort van overspanning, en dikwijls moest ik den volgenden ochtend verscheuren wat ik den vorigen avond laat geschreven had. Toen kwam de behoefte, mij geheel aan de literatuur te kunnen wijden. Eerst was er een tijd dat ik meende, een transactie te kunnen maken met de firma waarin ik werkte. Ik was nl. in '93 lid van de firma geworden. Ik had voorgesteld, een gedeelte van den dag te werken, en ik heb dat ook een tijdje lang geprobeerd. Ik zou om vier uur weg gaan, maar dat gebeurde eenvoudig niet, mijn eigen zaken gingen mij toch te veel ter harte om ze te laten loopen. Ik bleef dus toch zitten tot half zes, zes uur. Eindelijk heb ik tot mijn broer en mijn vader gezegd: ik ga er doodeenvoudig uit. En op 1 Januari 1905 heb ik dit ook gedaan. In den loop van het voorafgaande jaar had mijn vader mij voorgesteld, om dan de redactie op mij te nemen van "Elsevier". Dat was me natuurlijk aangenaam, want dat gaf meer vastheid voor de toekomst. Ik was oorspronkelijk van plan ergens driehoogachter te gaan leven en dan maar te schrijven. Maar dat behoefde nu niet en ik kon er mij tenminste een beetje aangenamer doorslaan. Toen bleek mij echter, dat ik mij in de laatste jaren wat overwerkt had, en tweeëneenhalf jaar lang had ik erge moeite om te werken. In den loop van 1907 is dat pas overgegaan; toen heb ik wat langer vacantie kunnen nemen en het af voelen trekken. Daarna heb ik een flinke werkperiode gehad, en de twee deelen van mijn "Roman van een Gezin" kunnen schrijven, die in 1907--1909 in "Elsevier" zijn verschenen en daarna als boek.

Daarna ben ik langzamerhand overstelpt geworden met werk van geheel anderen aard, in verband met het vereenigingsleven. Ik heb in 1905 met een paar anderen de Vereeniging van Letterkundigen opgericht, en ik heb dat met erg veel animo gedaan. Maar zij hebben mij dikwijls voor het werk laten opdraaien, zal ik maar zeggen, want daar komt het toch op neer. Ik was in den boekhandel en uitgeverij geweest en kende een heeleboel toestanden van nabij en beter misschien dan de anderen. Ook was ik meer gewoon practisch te werken, en zoo was ik als het ware aangewezen om allerlei werk te doen voor de vereeniging. Ik had ook studie gemaakt van de quaestie van het auteursrecht en daarover geschreven, en een van mijn bedoelingen met de Vereeniging van Letterkundigen was, te verkrijgen aansluiting bij de Berner Conventie en een betere auteurs-wet. In 1908 ben ik met enkele anderen door de Regeering naar Berlijn gezonden, om de Staten-Conferentie over de herziening van de Berner Conventie bij te wonen. In 1910 zijn we toen begonnen met de stichting van het Verbond van Kunstenaarsvereenigingen, dat in 1911 definitief is opgericht op initiatief van de Vereeniging van Letterkundigen. Ik werd Voorzitter van het Verbond en dat heeft mij in de laatste jaren verbazend veel werk gekost. Ik beklaag er mij niet over, maar ik merk toch langzamerhand dat het mij te veel in beslag neemt. Met Januari 1914 moet ik aftreden. Ik hoop dan buiten te gaan wonen en mij weer heelemaal aan de literatuur te geven.

Ik verzocht hem, nu weer terug te komen op zijn verhouding tot literaire scholen en richtingen, waarover hij zooeven was begonnen.

--Ik heb zeker het gevoel, zoo hernam hij, bij de literaire beweging van dien tijd te behooren, zonder in engeren zin mij te hebben gerekend tot de Nieuwe-Gids-beweging.

Hoe omschrijft u eigenlijk de Nieuwe-Gidsbeweging?

--Deze beweging is al dikwijls gedefiniëerd, en dat is in het algemeen wel juist, als een kleinere renaissance, een weeropleving van de persoonlijkheid tegenover de algemeenheid. Maar toch geloof ik, dat door verschillenden in den laatsten tijd te sterk de nadruk gelegd is op het "op de spits gedreven individualisme", zooals men het noemt, en daarmee ben ik het niet eens. "Op de spits gedreven individualisme" is werkelijk een ontzaglijk groot woord, en als gij nagaat wat het zou beduiden, dan geloof ik, dat er heel wat anders voor den dag zou komen als de Nieuwe-Gidsbeweging. Over het algemeen kan men zeggen: in Nederland zoowel als in de omliggende landen is omstreeks 1880 een zekere verfrissching ontstaan, vooral tegenover de sleur en de zelfgenoegzaamheid van de liberale bourgeoisie, ongeveer hetzelfde als ook gebeurd is in de periode van de romantiek, een vijandig staan van de jongeren tegenover de zelfgenoegzaamheid van de gevestigde menschen, die maar geld verdienen en daarmee tevreden zijn. Na de Fransche Revolutie heb je meer en meer gekregen een tevreden burgerij die zijn doel bereikt had, die kon doen wat hij wilde en een hoop geld kon verdienen. Dat platte, banale, bevredigde de jongeren niet. Ze stelden daar tegenover een zoeken naar idealen, dat dan vooral het oog richtte op de middeleeuwen, op een avontuurlijk leven, waarin meer hoog en laag viel te ontdekken. Dit nu is niet heelemaal hetzelfde als een op de spits gedreven individualisme. Het is ook een behoefte om wat dieper te graven in de dingen des levens.

--Maar hoe staat het nu met de uiting: "hoe zieker zenuwen, hoe beter kunst", die men in dien tijd zoo vaak kon vernemen?

--Ook dat moet niet zoo letterlijk worden opgevat. U moet hier ook in willen zien een drang om te komen uit het banale en normale, dat doodend kan zijn voor het eigenlijke leven, een streven naar een meer intens leven, en wanneer ik de "Nieuwe Gids" zoo bekijk, dan geloof ik, dat ze over het algemeen is te vergelijken met hetgeen men ook in de omliggende landen kon waarnemen. Wij Hollanders hadden het idee, dat wij tamelijk eenig zijn geweest met onze Nieuwe-Gidsbeweging, maar wanneer wij de zaken breeder bezien, dan is in de buitenlandsche literatuur toch overal een dergelijke verfrissching merkbaar.

Nou, het is natuurlijk verbazend moeilijk voor mij om te kunnen zeggen, of het bij mij méér is geweest de omgevende wereld, die mij tot een zekere verwantschap heeft gebracht met die beweging, of wel het voorbeeld van de tachtigers, die ouder waren dan ik en wier bestaan ik toch kende. Trouwens, al lees je ze niet veel, dan ruik je ze toch, de dingen hangen in de lucht, nietwaar? Het is heel moeilijk uit te maken, of dit mij sterk geïnfluenceerd heeft, dan wel of dezelfde oorzaken bij mij en hen dezelfde gevolgen hebben gehad.

Netscher heeft eens in de "Hollandsche Revue" geschreven, dat Phocius, dat was ik, achter niemand aankwam,--en dat is betrekkelijk juist, al kwam ik ook eenigszins achter de Franschen aan, voor zooverre ik die gelezen had. Ik had de bedoeling, die verschillende moderne Fransche schrijvers hadden, in de eerste plaats: werkelijk zoo eerlijk mogelijk en zoo zuiver mogelijk mijzelf uit te spreken. Ik had en heb altijd behouden de behoefte om absoluut niets te zeggen dat ik niet diep zou kunnen verantwoorden. Natuurlijk, dat is iets dat je wel zeggen kunt, maar je weet er tevens bij, dat je dikwijls meegesleept wordt door het rhytme, den stijl, de beweging van wat je schrijft. Alles gaat natuurlijk gepaard met een zekere opwinding en ik wil niet een soort van veer op mijn hoed steken en niet beweren, dat ik mij altijd zòo diep heb uitgesproken, dat ik niet eerlijker zou kunnen maken wat ik geschreven heb. Maar ik heb mijn best gedaan, laten wij dit in het algemeen vaststellen.

--Ik vroeg nu, of hij dan de levensverschijnselen op dezelfde manier appreciëerde en verklaarde als de Fransche naturalisten. Hij antwoordde hierop:

--Ik had er over het algemeen heel weinig van gelezen, zooals ik in het algemeen weinig gelezen had op dien leeftijd. Wat ik er van verwerkt had, is voornamelijk den drang om zuiver en eerlijk te zijn. In anderen zin heb ik mij nooit naturalist gevoeld. Ook sta ik verder van Zola af, in zooverre ik den zuiver beschrijvenden kant, dien hij zoo sterk heeft, nooit krachtig in mij heb voelen leven. Ik heb nooit sterk geambiëerd om dat in het Hollandsch te gaan doen. Ik heb het gevoel gehad, dat daarvoor mijn werk niet was, daarvoor heb je schilders, dat wij er voornamelijk voor waren de innerlijk-menschelijke bewegingen weer te geven en de verhoudingen van de menschen onderling. Als ik zou moeten samenvatten wat ik heb geschreven, en wat achteraf mijn bedoeling is geweest, dan kan ik het zoo zeggen, dat ik de behoefte had, na te gaan of in ons moderne leven, zooals het nu is, nog sommige sublieme gevoelens mogelijk zijn, en zoo ja, welke. En wanneer ik die vond dan was het mijn grootste heerlijkheid die te beschrijven.

Ik geloof, dat dit min of meer bewust bij heel veel schrijvers de bedoeling is. Ik geloof, dat de romantici hetzelfde wilden.