Part 11
--Ik geef toe, veel van dien documenteelen arbeid was overbodig, maar ik heb er toch ook zoo'n groote voldoening door gekregen. Toen die nuchterling in een van de bladen mij zeide, dat ik de Jordaan niet weergaf zooals zij was, toen kon ik met genot mijn documenteelen arbeid aanhalen. Toen heb ik steegje voor steegje en kroeg voor kroeg met het gehalte van het bier en den wijn en de jenever en met de namen er bij kunnen behandelen. Ik vraag u: wie kan zeggen hoe de Jordaan _is_? Ik zie hem zoo en een ander ziet hem weer zoo. Meijer, Dr. Meijer heeft in "De Hervorming", geschreven dat hij den Jordaan zooals ik hem beschreven heb, den mooisten vorm vindt dien de Jordaan kan hebben.
Ik wilde met dit alles dit maar zeggen, dat ik mijn grondtoon nooit veranderd heb, dat een onbewuste eenheid loopt door al mijn werk, die zich op dezelfde manier steeds weer openbaart. Ik kan zonder verschillende dingen, die ik allen even heerlijk en mooi vind, niet leven. Vandaar mijn verheerlijking van muziek, schilderkunst, en soms ook wijsbegeerte. Ik heb nooit geweten wat het zeggen wil enkel romanschrijver te zijn.
--Ook daarover heb ik u vroeger wel eens anders hooren spreken. Hebt gij mij niet vroeger gezegd, dat gij u nooit in het kleine bestek en de eenzijdigheid van een tooneelstuk geheel zoudt kunnen uitleven?
--Dat moet gij verkeerd begrepen hebben. Ik weet wel, in een treurspel zit iets dat in een roman nooit gegeven kan worden, al kan men in een roman weer enorm dramatische dingen scheppen. Ik ben al heel lang beheerscht door het gevoel een treurspel te willen schrijven. Zooals u weet heeft Robbers gezegd, naar aanleiding van zijn critiek op "Menschenwee": "als Q. het wil, behoeft het voor hem maar van een gril of luim af te hangen en hij kan even schitterend voor het tooneel als voor de literatuur schrijven". Dat sloeg blijkbaar op mijn vermogen om de dingen in dialoog en in scène te zetten. Toen heb ik daarop geantwoord: bij het moderne drama geloof ik niet dat dit kan. Ik geloof niet, dat hetgeen ik indertijd heb gevoeld, op 't tooneel kon worden gebracht, en daarom heb ik den romanvorm ook geschikter gevonden. Maar hoe ben ik nu gekomen tot "Saul en David"? Al jaren lang heeft mij het voornemen en het verlangen beheerscht om de ziel van Saul te geven. Ik heb den Saul van Israëls gezien en dien van Rembrandt, en vooral die van Rembrandt heeft mij ontzaggelijk ontroerd. Maar hij stijgt toch maar tot een bepaalde hoogte van het ziels-drama van Saul, want zijn kunst is niet voortschrijdend. Zij vat wel samen één moment, doch de ontwikkeling, de wezenlijk tragische ontwikkeling van het karakter kan alleen de treurspeldichter schrijven. Echter nog nooit onder de dichters is Saul aangevat. Ik vind hem een ontzaggelijke figuur, evenals David (Q. zegt Davied). Daar komt nog mijn semietisch bewustzijn bij. Ik voel dagelijks, dat wij, Joden, als dichters wezenlijk de geheele lyriek en dramatiek van den Bijbel in ons hebben. Ik voel mij geheel verwant aan de vijfduizend jaar terug liggende atmosfeer van menschen en toestanden.
--Ik snapte wel, dat hij bij al wat hij mij op verdere vragen zou antwoorden aan zijn "Saul" zou denken. Ik nam mij daarom voor, hem geduldig aan te hooren totdat hij zich van dien last zou hebben bevrijd. Dàn zou ik weer vragen en aanteekenen. Doch ik vond zijn mededeelingen en vooral zijn tempo zoo interessant, dat ik het tòch maar navertel.
--Bij dit treurspel ging ik uit van deze idee: menschen als Saul en David, zooals vage gegevens die doen kennen uit den bijbel, moeten beweeggronden in zich hebben gehad, die voor ons, modernelingen, van gelijke kracht zijn gebleven. Hun nijd, hun angst, hun berouw, hun haat, hun wrok, hun ijverzucht, hun minnedrift, hun trots en onderwerping, al die dingen openbaren zich, in anderen vorm misschien, maar in gelijk hevige kracht, in ons. Ik wilde de figuren niet rethorisch en op een bepaalde archaeologische manier naar voren brengen. Ik wilde hun geheele menschelijk bestaan innerlijk voor ons neerzetten, zoodat gij den geheelen Saul ziet leven, ziet schreien, ziet verkwijnen in opstand en onderwerping. Dien geheelen geweldigen op- en neergang van zijn groot gebroken leven, dat zich ten slotte zoo prachtig heeft verheven, heb ik in zijn wezen willen teekenen.
De semietische melancholie is anders dan bij eenig ander volk. Het is een wezenlijke waanzin, die zich heenbreekt door angstig groot lyrisch, religieus en nuchter psychisch en critisch levensgevoel; hij heeft een dubbelkarakter. Die mengeling daarvan in den Saul van vijfduizend jaar geleden, wilde ik geven en Saul zelf heb ik ademend vlak voor onze voeten willen zetten.
Ik heb studie gemaakt van de archaeologie en de oude ethnologie en van tallooze dingen, maar ten slotte geef ik er niets om. Hierin sta ik op één lijn, ik bedoel met de waardeering van historische feiten voor den dichter, met wat Goethe en zelfs Napoleon heeft gezegd, dat de grootste kijker naar de innerlijke levenswording van de geschiedenis de treurspeldichter is; en al geeft hij de feiten, als feiten zuiver, raak, oneindig veel meer openbaart hij de innerlijke kern van een tijdperk dan welke zoogenaamde historie-speurder ook. Het kan Goethe niet schelen dat Shakespeare van al die Romeinen eigenlijk Engelschen heeft gemaakt. Napoleon heeft ook gezegd, dat het hem niet kan schelen of een dichter ontrouw wordt aan de historische gegevens, en dat heeft Goethe zoo goed uitgedrukt. Kautsky heeft in zijn boek over het Christendom zoo merkwaardig gezegd, dat een dichter oneindig veel meer den innerlijken geest van een tijd vat met zijn visioenen, dan ooit kan worden bereikt door den meest nauwkeurigen geschiedkundige, omdat die feiten ten slotte ook moeten worden geïnterpreteerd door dengeen die ze ziet en de samenbindende geest kan alleen ontstaan in en door den ziener.
Vondel heeft zich altijd overgegeven aan Bijbelsche treurspelen. Vondel is mij voor altijd gebleven de beste _Amsterdamsche ziener_ en beschouwer van de bijbelsche geschiedenis. Maar toch nooit heeft hij de innig diepe, lyrische, dramatische en pathetische natuur van de oude Jóódsche beschaving geheel gevoeld, omdat je daar, geloof ik, rasverwantschap voor moet hebben. En ondanks de vele schitterende dingen, als woordkunst boven ieders lof verheven, is het altijd de Protestantsch-Katholieke natuur van Vondel die door de interpretatie van de Joodsche zielen heen komt schijnen, zooals ik ook nooit een opmerkelijker Joodsch-Katholiek heb gezien dan Mahler in zijn kunst. Het feit, dat Rembrandt zoo ná is gekomen aan deze levenssfeer, lijkt mij een gevolg van het feit, dat hij de Joodsche psyche occult gevoeld heeft, in al zijn kleurige en wazige diepte, in al zijn gloeiing, maar ook in al zijn duisterheid.
--Ik heb mij (ik voorkom uw vraag) afgevraagd: wat hebben sociaal-democraten en arbeiders aan zoo'n kunst in dezen tijd? Ja, wat hebben zij aan de kunst van Beethoven, van Shakespeare, van Vondel, van Goethe? In iedere groote kunst moet zijn een geestelijke inhoud, die onafhankelijk is van tijd en persoon en waar iedereen, altijd, groote lessen uit kan trekken. Er is in mijn tragedie een figuur, die tot voorbeeld kan zijn voor iederen sociaal-democraat die door individueele plagen wordt gehinderd. Hij is het bewijs van het feit, dat je je alleen aan de goddelijke macht hebt over te geven, zooals ook de Jezuïten het doen, alleen op een ander levensplan. David is het symbool van de eeuwig levende kracht, de onverwelkbare Joodsche levensdrift, de vreugdebloeseming van het bestaan. Zouden ook sociaal-democraten daar niet aan hebben? Zou de geheele antieke beschaving niets voor hen wezen, omdat zij zijn gekomen tot een andere levenssfeer? U zult vragen: waarom moeten wij tot een tijd van vijfduizend jaren her terug, als wij in dezen tijd toch gelijksoortige figuren kunnen vinden? Dat hangt natuurlijk heelemaal af van de persoonlijke scheppingsdrift die in den kunstenaar leeft. Waarom heeft Rembrandt in een tijd van opbloei van de bourgeoisie getracht mannen als Saul of Homerus te scheppen? Omdat er in Saul geweldig heroïsche elementen zijn, die in dezen tijd niet in die mate worden gevonden. En och, is de schoonheid van het vers, de kunst van het woord, ook niet voor de proletariërs een zeer genietbare kunst,--àls die inderdaad schoon is, natuurlijk? Wat hebben zij aan Van Oort, als zij zijn middeleeuwsche romans lezen, vol merkwaardige middeleeuwsche feiten? Dat zij een visie krijgen op dat tijdperk.
Ten slotte blijkt mij dat de natuur van ieder kunstenaar, al is hij ook socialist, voor bepaalde werkzaamheden wordt aangewezen. Gorter zou nooit iets anders kunnen zijn dan lyrisch dichter en propagandist, omdat hij het episch en dramatisch vermogen mist....
Toen ik dien nacht naar mijn stille landhuis terugkeerde, speelden de twee woorden "Querìdo" en "evolùùtsie" krijgertje door mijn bewustzijn. En terwijl ik in bed stapte uitte ik deze lofspraak: "Ja.... "Du bist am Ende--was du bist"".
VOETNOTEN:
[5] Naar ik van terzijde verneem, wenscht de heer Q. er niet toe mede te werken, dat zijn portret hier wordt afgedrukt. Ik betreur dit oprecht, al vermoed ik, dat mijn lezers zijn beeltenis hier of daar weleens hebben gezien.
CAREL SCHARTEN
[Illustratie: CAREL SCHARTEN]
[Illustratie: Foto CAREL SCHARTEN]
(* 1878.)
Het volgende is een interview per post. In de meening verkeerend, dat ik Scharten hier of daar kon ontmoeten, was ik met hem in briefwisseling getreden. Mijn verwachting werd verijdeld, maar toen _zijn_ sympathie voor mijn werk en _mijn_ instemming met vele zijner ideeën elkander tegenkwamen, besloten wij de briefwisseling voort te zetten. Ik zou hem mijn vragen niet beter kunnen stellen dan hij het zichzelf heeft gedaan, en nadat ik hem mijn oprechte dankbaarheid heb betuigd voor de moeite die hij zich gaf, leg ik den lezer zijn laatsten brief zonder commentaar voor:
Lerici, 5 Januari 1914.
Waarde Heer d'Oliveira,
Laat ik dus nu maar doen, of ik u op dezen zonnigen zomermiddag--de zee bruischt en geurt--ontving op het blank terras der Villa Barbieri, en onder een kopje thee (zij is niet zoo aromatisch als die gij in Holland drinkt; onze theeleverancier is maar een Caprees) antwoordde op de vragen van uwen "Leiddraad."
Als alle mijn broeders en zusters in de letterkunde heb ik er al heel vroeg "aan gedaan". Toen ik zeven jaar was en nauwelijks schrijven kon, richtte ik al een geïllustreerd tijdschrift op--tekst en prenten waren van de hand van den redacteur; abonné's: oma, oma's meid, tante, enz.--een jaar later volgde een dagblad; dan een geïllustreerde "vaderlandsche geschiedenis" en verzen op onze stadhouders en op Mackenzy (spel ik goed?), den lijfarts van Keizer Friedrich--hoe ik daaraan kwam, mag Joost weten. Elf jaar, schreef ik drama's in verzen--geïllustreerd, als altijd.... Doch ik zie in dat alles volstrekt geen voorteeken, noch eenig blijk van talent. Want met misschien nòg meer pleizier gaf ik zingend, boem-tsjing, en een vol orkest nabootsend, muziek-uitvoeringen; of speelde, opgetuigd met shako's en sjerpen van mijn vader en mijn grootvader, voor "generaal"; of ranselde als "leeuwentemmer" een tiental elastieke ballen onzen zolder rond.--En noch voor generaal, noch voor leeuwentemmer heb ik later ooit eenigen aanleg in mij bespeurd.
Het is, geloof ik, heùsch begonnen--denk maar eens aan Scheltema's velen ergerend gezegde daaromtrent!--toen ik veertien jaar en verliefd werd. Het was het dichterlijk verhaal van een avondwandeling met een meisje, of zoo maar een zangetje zonder veel zin, dat ik schreef. Zoo ging dat enkele jaren door; voor den verstandig-toegeeflijken leeraar der H.B.S. werden mijn opstellen novellen of reeksen verzen; eindelijk zelfs een heele bundel op Oud-Hollandsch papier; want ik was inmiddels zestien jaar geworden en vond mij een dichter, d.w.z. dat ik geen dag meer kende zonder een sonnet of twee, drie. U voelt al, uit welken hoek de wind woei! Toch was mijn eerste litteraire vorming er eerder een klassieke geweest. Onze Duitsche leeraar was de bekende Limburgsche novellist Emile Seipgens, en die fijne, wijze man, die een broertje dood had aan lesgeven, vond het veel nuttiger voor ons (en plezieriger voor zichzelf) ons de meesterstukken der Duitsche litteratuur voor te lezen, het eene stuk voor, het andere na; van grammatica hoorden wij in geen jaren; zoodat wij (ik beveel zijn methode volstrekt niet _onverdeeld_ aan!) allemenschelijk slecht Duitsch leerden, maar veel smaak kregen, en de beste smaak, in kunst. Het was merkwaardig hoe Seipgens, die in 't dagelijksch leven hakkelde, en heel erg als hij boos werd, prachtig voorlas zonder één hapering; die drama's van Schiller, van Goethe, van Lessing, zij leefden voor ons!
Maar ondertusschen had ik de "Nieuwe Gids" in handen gekregen, uit de leesportefeuille; het was al in de negentiger jaren, in de vervalperiode, en naast mooie dingen stonden er de verschrikkelijkste "uitstuipingen" in,--en, gek nietwaar (men is toch altijd allereerst een kind van zijn tijd) ik vond dat mooi, ik vond het mooier dan alle klassieken (waarmee ik toch op zoo gunstige wijze had kennis gemaakt)--omdat het mij aangreep, omdat het mij naar de keel greep, ik weet niet hoe, het kwam van zoo dichtbij, en het was zoo sinister en geheimzinnig. Gunstig ook om ervan te gaan houden, was de afkeer en de bespotting, die iedereen uit mijn omgeving voor dat "idiote gedoe" over had. En toen waren er twee boeken, die mij wat meer van "die nieuwe richting" kennen leerden en mijn voorkeur ook in het redelijke schenen te wettigen: de "Dichters van dezen tijd" en de "Pic-nic in Proza." Den sterksten indruk uit dat laatste maakte "Harold" van Ary Prins op mij. Zóó wonderlijk-klaar die middeleeuwen voor je te zien! Ik bootste de ontvangen visie in fantastische schilderijtjes na; want ik schilderde veel in dien tijd; ik dacht wel eens, of ik niet beter deed, schilder te worden.--Bizonder genoot ik ook van de fonkelende "Conferentie" van Erens.
Dit alles was vóór mijn zeventiende jaar; toen bracht een dichterlijke vriend, die jong is gestorven, mij drie boeken: "De kleine Johannes," de "Verzen" van Kloos, en de "Mei" van Gorter. In díe volgorde. Het was een openbaring!
En ziedaar mijn stamboom! Ik ben, van letterkundigen huize uit, een kind van "de Nieuwe Gids." Van dááruit eerst--via Verwey--leerde ik Vondel kennen en Hooft. Ik moet er bij voegen, dat ik al op de burgerschool veel hield van Racine; het was bij hem vooral de taal, het heerlijke Fransch, en het statige, teêre vers dat mij boeiden.
Maar ik was van de "Nieuwe Gids" al gauw een weerspannig kind. Het critische heeft er al vroeg bij mij in gezeten; dit werd misschien ontwikkeld door de studie van het recht, dat ik (men leidde mij voor de Registratie op) met ambitie beoefende; en toen ik eenmaal de beste producten der Nieuwe Gids-richting had leeren kennen, begon ik haar verval in te zien en hoe dat voortging, toen met de Nieuwe Reeks van het tijdschrift iedereen van een herleving sprak. Voor zoover ik zag in couranten en bladen; want ik kende (ik woonde eerst in Leiden en daarna in Harderwijk) geen enkelen "artist."
In 1896 verliet ik de Registratie--het kantoorwerk werd mij te machtig--voor de Letteren, en ik begon met de daartoe noodzakelijke studie van het Latijn en Grieksch; op dien leeftijd heeft men zoowel aan de klare logica, van het Latijn vooral, als aan de beide litteraturen, veel meer dan als schoolknaap. En de geest der Ouden kon niet nalaten, indruk op mij te maken.
U begrijpt al lang, dat er overigens, op mijn achttiende jaar, nog weinig sprake was van "wijsgeerige of aesthetische ideeën" (religieuze misschien wel, ik was met heel mijn hart orthodox,--de noodige dichterlijke vrijheid inbegrepen) of van een "uitgesproken meening over de maatschappelijke, sociologische roeping of rol van den kunstenaar."--Ik had de vage gedachte, dat de kunst de menschen gelukkig moest maken, zooals ze mij gelukkig maakte, en ik ondervond bitterlijk dat iedereen den draak stak met wat ik mooi vond. Als ik op mijn kamer verzen voorlas aan geduldige vrinden, sprak mijn vader beneden van "jammeren." Ik voelde het pijnlijke van het conflict, maar ik zag geen oplossing--tenzij de vage hoop, dat later tijden harmonischer zouden zijn; en in die hoop begon ik toen al gauw het socialisme te betrekken.
In 1898--ik was twintig jaar--had Eduard Thorn Prikker (onder den naam van Eduard Verburgh) "De Arbeid" gesticht. Het tijdschrift werd algemeen bespot. Maar ik vond, dat hij groot gelijk had, dat het uit was met de "Nieuwe Gids", en ik schreef in "De Kunstwereld" (heette dat blad niet zoo?) een groot artikel over "De Arbeid." Het was een der eerste opstellen, die ik heb gepubliceerd.
Al gauw was ik aan "De Arbeid" medewerker. Samen met Prikker schreef ik het tijdschrift vol. Maar wij hadden ook alweer, juist als de Nieuwe Gidsers, alleen de reactie gemeen. Op enkele technische bezwaren na, had ik aanvankelijk _in beginsel_ op de "Nieuwe Gids" niet zooveel tegen; ik zag alleen, dat enkele hoofdmannen ervan zwegen, anderen achteruitgingen, Kloos vooral, en mijn hartstochtelijke liefde voor de machtige verzen uit diens grooten tijd, dreef mij er toe, even hartstochtelijk hen te bestrijden, die, met een weeë vereering ook van zijn latere bombastische Adoratie's, mij toeschenen, de Schoonheid-zelve te schennen. Overigens sloot ik mij niet voor wat er nog goeds kon komen uit dien hoek, en ik zou blij geweest zijn, op een dag nog weer het oude mooi terug te vinden. Van Van Deijssel en Verwey (ondanks alles wat ik tègen hen had) bleef ik altijd een bewonderaar; Van Looy leerde ik eerst later ten volle waardeeren.
Prikker daarentegen stond diametraal tegenover het beginsel-zelf van "de Nieuwe Gids". Hij hoopte niets liever dan de heele bent "in compagnie naar de haaien" te zien gaan. Er was in die houding, in zijn cynisme ook tegen alle verheven edelaardigheden ontegenzeggelijk de noodige blague,--maar hij was onderwijl een drommels oorspronkelijke jongen, met een echt natuur-talent. Hoe dat--althans voorloopig, hij is nog jong--niet tot zijn recht is gekomen, wil ik nu niet nagaan. Maar hij had toch maar op zijn eentje uitgevonden, dat proza niet allereerst moest zijn "het fel-rake woord," doch de stroomende volzin en de periode,--en hij bracht die beginsels op boeiende wijze in praktijk. Hij had eigen denkbeelden over schilderkunst en bouwkunst en sierkunst, die dikwijls later als de juiste zijn erkend. Het is waar, hij leefde te midden van allerlei geestelijke en artistieke stroomingen in Den Haag; naast hem was ik zoo groen als gras; maar zeker is, dat ik heel wat van hem heb geleerd.
Prikker was ook sociaal-democraat, aangesloten bij de S.D.A.P. _Ik_ had zoo maar godsdienstig-philosophische en socialistische ideeën op eigen houtje. Op een avond zei hij opeens: "je hebt de typische kop van een anarchist." En toen mij dat scheen te vleien: "ik bedoel, een anarchist is eigenlijk het type van een bourgeois...."
Inderdaad, ik was een anarchist! Eenigen tijd later hoorde ik van Walden, ik las de beide brochures van Van Eeden; ik was overtuigd. Van Eeden was mijn profeet, Walden mijn ideaal. Ik toog erheen, en mijn geestdrift werd noch van streek gebracht door het vrijwel cynisch gezelschap, dat ik daar ordeloos en tuchtloos leven vond op het akelig-holle Kruisberg, nòch door de koude douche van Van Eeden, wien ik heel naïef vragen kwam, welke boeken ik lezen moest, om mij nader in de dingen van den heilstaat te bekwamen!
Als ik denk, hoe extra-bespottelijk ik mij daar op Walden maakte!--En toch, in het winteravondrood achter de sparreboschjes van Walden heb ik het onuitsprekelijk geluk gekend van de zékerheid eener betere toekomst.
Vaag waren mijn socialistische ideeën, maar zij lééfden ten minste. Ik leefde op mijn gevoel. En, wat onze letterkunde aanging, zoo gevoelde ik hoe langer hoe duidelijker, dat de tachtiger-kunst doodliep.--Ik zag wat er verscheen: een poëet als Van 't Hoog was een "datum" in de Nieuwe Gids-poëzie.... Was er uit onze burgerklassen, verdord door een eeuwenlange, steeds meer uitdrogende "beschaving," nog ooit (althands in poëzie, dat gevoeligste voertuig der ziel) een jonge, bloeiende kunst te verwachten?--Ik maakte zelf ook verzen, en met hartstocht. Waarom zou die wet voor mij niet opgaan? Ik aanvaardde haar, met de hoop misschien, een uitzondering op den regel te zullen blijken. In 't algemeen geloofde ik, desnoods ook met wegcijfering van eigen dichter-toekomst, dat de groote nieuwe poëzie uit het ontwakende volk-zelf zou moeten ontstaan.
En nòg, na vijftien jaar, vraag ik mij af.... Ten minste, ik zie wel dat onze welvarende poëtrije, die in Verwey haar Meester erkent, maar weinigen bereikt, omdat zij niet áánspreekt, niet open tot het hart spreekt, te zeer ver-_kunst_ is.--En zelfs Adama v. Scheltema, die begaafde en oorspronkelijke zanger, van wien ik zelf de inluider ben geweest,--zijne verzen zijn eigenlijk nog maar het (zeer verdienstelijk en soms waarlijk héél mooi) plaatsvervangend _kunst_-product, voor de echte _natuur_-poëzie, waarnaar Holland wacht, om in woorden en rhythmen en voorstellingen die heel een volk bezielen kunnen, zichzelf te vinden en een eenheid te worden.
Uit het ontwakend volk-zelf verwacht ik dus de nieuwe zangen?--Maar ons volk is van aard reeds nuchter en zoolang het ontwaakt bij de wiskunstige stralen van het Marxisme, zal het er, vrees ik, niet minder nuchter op worden.... Wij moeten geduld hebben, en veel meer dan het oude, vage vergezicht schiet er niet over.
De poëzie blijft voorloopig een troost en een verpoozing voor eenzame enkelingen--"een gave van weinigen voor weinigen"--en zal pas weer opstaan _als een levende factor der samenleving, als een ding met cultuurwaarde_, in een verjongde wereld.
Er _kan_ toch altijd een groote dichter opstaan, meent gij?---_Zal_ er een groote dichter opstaan, in een wereld, die naar geen dichters omziet?
Aan het proza echter, in het bizonder aan den roman, staat dagelijks een breede taak te vervullen.
Heijermans heeft u gezegd, dat alleen die kunstenaar van een _roeping_ mocht spreken, die een welomschreven maatschappelijke overtuiging had en, vanuit die overtuiging, overtuigend aan het schrijven ging. Hij zou respect hebben voor een katholiek, voor een calvinist, die aldus op de verovering der wereld uittrok. Hij voor zich voelde het als zijn roeping, zijn plicht, te strijden voor het proletariaat, met zijne uitbeeldingen van den klassenstrijd. Maar zulk een calvinist, of zulk een katholiek, wàs er niet; en buiten de sociaal-democraten had geen enkel Nederlandsch schrijver een roeping, omdat zij geen roeping kònden hebben. Dies had hij de heele rommelzoo dier roepinglooze auteurs uit zijn boekenkast gegooid.
Ik zou niet durven zeggen, dat ik het onvriendelijk vind, want ìk hèb hier niet eens een boekenkast, en jaarlijks gaan er wichtige kistjes Hollandsche romans naar het lieve vaderland retour. Voor als wij weer eens een eigen huis gaan betrekken en wij hadden het geluk, in dat huis een zolder te bezitten, hebben wij het geheime plan, daar groote kasten te improviseeren en in die kasten èrg veel Hollandsche bellettrie te bergen. Ik mag dus niet zeggen, dat ik Heijermans onvriendelijk heb gevonden. Maar wel onverstandig. Want al spreekt het vanzelf, dat een klein land als het onze, hoe schrijfgraag ook, niet bij dozijnen de groote talenten voortbrengt,--daarmee is toch niet uitgemaakt, dat er geen roeping mogelijk is buiten de roeping van hen, die naar een zeker stelsel de _maatschappij_ hervormen willen.