Part 9
Maar ik kon gauw inpakken, want hij was het heelemaal met mij eens, zei, dat een auteur zich volgens zijn meening moet geven aan het publiek, trad in een vergelijking tusschen de rhetorica van Shelley, en de, volgens hem, onzedelijke debatteer-kunst van de moderne parlementariërs, vertelde er in de gauwigheid bij, dat hij zelf misschien wel in staat zou zijn, op te treden als redenaar, maar dat hij geloofde, dat in de tegenwoordige tijdsomstandigheden zijn sensitivistische woordkracht waarschijnlijk toch niet door de groote massa zou worden begrepen; liet mij zijn archiefkamer zien, waar hij alle gegevens, gedurende zijn jarenlange studie verzameld, met een nauwkeurigheid, die men bij hem niet zou verwachten, in breede, hooge loketkasten had gerangschikt. Sprak in groote geestdrift over wijsbegeerte, determinisme, Darwin en Flaubert, Shakespeare en het misdadigerstype.... Was heelemaal niet recalcitrant, zooals sommige beroemdheden, nog minder schijnbescheiden, zooals velen. Gaf mij volle vrijheid, te vragen, scheen geen geheimen te hebben, toonde mij de ontwerpen van een zestal romans, waar hij over een jaar of wat aan denkt te beginnen.
Dat gaat gemakkelijk! dacht ik. Maar daar ontbrak wel eens wat aan: Een enkel aarzelend vraagje gaf hem aanleiding, om zooveel te vertellen, dat het mij dikwijls duizelde. En het ging hoe langer hoe sneller; dikwijls sprak hij zoo schoon en beeldend, dat mijn bewondering mij belette te schrijven, dat ik werd meegesleept door het woord, waarvan ik de wording bijwoonde.
En hij vertelde:
--Mijn literaire werkzaamheid begon eigenlijk al op mijn tiende jaar. Toen heb ik, geïnspireerd door de boeken van Aimard, geprobeerd een roman samen te stellen. En ik was dood-ongelukkig, omdat een zoogenaamde "knappe bol" uit de familie opmerkte, dat er wel veel talent in aanwezig was, maar dat ik een onvergeeflijke fout had begaan. Ik had namelijk iemand laten sterven, en ... niet voor zijn begrafenis gezorgd! Ik had toentertijd al een ernstig literair geweten, en om u daar een bewijs van te geven, vertel ik u, dat ik jarenlang onder den indruk ben gebleven van die fout.
Mijn omgeving was die van mijn vader, die diamantbewerker was, en wiens psychisch bestaan ik pas later heb begrepen. Het was een man van herculische gestalte, een man van ontzaglijke begaafdheid, maar natuurlijk heelemaal onontwikkeld, iemand met een magistraal natuurgevoel, een enorme boekenverslinder. Hij las alles wat er voor hem maar te lezen viel. Hij was een onvergelijkelijk werker, en paarde aan zijn groote kracht veel naïveteit. Dat zag ik toen nog niet zoo in, maar door mijn literaire perceptie ben ik in staat geweest, later al die eigenschappen van mijn vader te reconstrueeren. Ik geloof dan ook, dat ik mijn eigenschappen als fantast, als vizioenair, als dramatisch voeler, aan mijn vader te danken heb. Voor een gewoon waarnemer was er misschien niet veel bijzonders aan hem te zien. Het was een diamantbewerker met een mooien kop, een flinke gestalte, en hij werd op de werkplaats algemeen genoemd: "de leugenaar". Hij had een absolute behoefte, om op eenigerlei manier uiting te geven aan zijn scheppend vermogen.... Maar op Vrijdagavond, meneer, dan ging hij, na afloop van zijn werktijd, zes, zeven bibliotheken bezoeken, en kwam gewoonlijk na zoo'n ontdekkingstocht met een stuk of twintig boeken thuis. Dan ging hij zoo zitten lezen,--kijk hier, meneer,--met dien heelen stapel boeken onder zijn kin. De grootsche, tragische dingen trokken hem het meest aan, en wat langdradig was, of kalm, dat sloeg hij eenvoudig over. Als hij zoo zat te lezen, dan was hij dood voor zijn heele omgeving, --weggekoesterd in de heerlijke Vrijdagavond-atmosfeer, die mijn moeder om hem heen had geweven.... Langzamerhand zag je zijn kin zakken ... kijk, meneer, zóó!... en tegen een uur of twaalf had hij de heele bibliotheek verslonden.
Mijn vader heeft nooit iets gezien van mijn literaire neigingen. Ik werd opgeleid als violist, maar daarmede mocht ik niet doorgaan, want ik moest op Zaterdag spelen, en mijn moeder, die zeer religieus was, kon dat niet hebben. Mijn muzikale aanleg werd verder totaal veronachtzaamd, ten gevolge van het slechte onderwijs, dat ik kreeg: mijn leermeester werd, als ik mij niet vergis, betaald met tien stuivers voor drie lessen. Ik ben toen ook nog in het horlogemakersvak geweest en heb daar zelfs een eersten prijs behaald, en later werd ik kloover. Maar in mijn violistentijd, als jongetje van veertien jaar, speelde ik in de manège, in de opera, en daar deed ik zeer veel vak-routine op. Ik verkeerde toen veel met de lui uit den schouwburg: de zangers en de spelers, die, met de muzikanten, afzakten naar de cantine. En ik, met mijn scherp vizioenair leven, kwam daar in aanraking met al die Hamlet-figuren, die schitterend uitgedoste graven en ridders ... ik vergat, dat het theatermenschen waren ... ik leefde te midden van hèlden. En ik hield er van, te verdwalen onder het tooneel, ik werd bekoord door al die spookachtige lijnen, door het ondergrondsche gegrom van de muziek ... ik ging heelemaal op in mijn visioenen....
Querido legde zijn linkerhand, vingers gespreid, voor zijn oogen en sprak met passie:
--Ik ben heelemààl niet wat men zou kunnen noemen: een realistisch waarnemer. Ik heb tijden, dat ik neig naar contemplatie, dat ik niets zie. Maar dan klinkt er een bestraffende stem in mij: Neem waar! En dan kijk ik rond, en zie alles, àlles! Maar dat duurt nooit lang bij me; uitwendig waarnemen is iets, dat ik niet kan volhouden ... ik moet met mijn innerlijk leven ingaan op de dingen ... ik kan de dingen niet klein zien: ik moet ze vergrooten, doorlichten ... ik moet er heelemaal door vervoerd worden.... Ik heb niets aan de realiteit!
--O lezer! Querido kan geen woordje, geen enkel woordje, "gewoon", onverschillig zeggen. Zijn hooge stem beeft voortdurend van ontroering, je voelt zijn zinnen worden, je ziet zijn lippen vertrekken en lachen en grijnzen ... je hoort zijn breede borst zwaar hijgen ... je denkt ieder oogenblik, dat hij zal neervallen, uitgeput. Maar hij is meester over zichzelf, weet het woud van emoties, dat voor zijn oogen rijst bij het kleinste zinnetje, terug te dringen, loopt telkens weer frischjes en kalmpjes van stal.
--"Dat leventje, meneer...."
--"Ja, ik luister!"
--Dat leventje dan duurde zoo tot mijn achttiende jaar. Toen maakte ik kennis met mijn vrouw, die een buitengewoon artistieke persoonlijkheid is--en die heeft mij mijn kunstenaarschap bewust gemaakt. Die heeft onmiddellijk gezien--zooals zij het noemde--mijn zeer grootsche en oorspronkelijke levensopvatting. En op hààr aandringen ben ik gaan schrijven. Ik begon met heel individualistische gedichtjes, zonder iets af te weten van de Nieuwe-Gids-beweging, die parallel liep met wat ik zelf wilde, maar dat ontdekte ik pas later. Die gedichtjes van mij werden o.a. door Toorop hoogelijk bewonderd. Ik zag echter vrij gauw in, dat 't zeer onrijpe dingetjes waren, waarin zich een bijzonder streven van mijn natuur openbaarde, en ik ben om die gedichtjes buitengewoon uitgelachen. Ik had echter een diep vertrouwen in mijn eigen ziel, in mijn eigen kunstenaarschap ... ik werkte door ... en een jaar later verschenen mijn "Meditaties over literatuur en leven".
Toen reeds was er een van de scherpste critici uit dien tijd, die in de groene "Amsterdammer" uitsprak: dat ik de eigenschappen van Kloos, Gorter en Van Deyssel bijeen had en een reusachtig kunstenaar zou worden. Dat is nu tien jaar geleden. Het was mijn eerste boek. Ik ging daarin vooral heftig te keer tegen Kloos, hoewel ik voor dien dichter veel bewondering had. Maar daarover komt straks misschien nog wel het een en ander. Mijn werk was een product van veel stille studie, maar vooral van goddelijk ... van gòddelijk lyrisch genieten. Ik voelde, dat lyriek, epiek en dramatiek, dat ik die te zamen noodig had, om mij te uiten, dat die drie moesten samensmelten in volkomen harmonie. En nu ken ik mijn gebreken zeer goed, meneer....
--Ik luister!
--... Ik ken mijn gebreken zéér goed! Ik weet, dat ik als lyricus dikwijls te veel geef, maar ik kan dat best verklaren in organisch verband met mijn wezen. Ik geloof, dat alle kunstenaars, die het universeele willen--en daarvan zijn er in ons land maar weinig,--ik geloof, dat die allemaal te veel geven.... Bijvanck, in "De Gids", heeft mijn boek genoemd: een zeer geniaal product, ondanks de vele tekortkomingen. Ik zelf vind er zeer groote tekortkomingen in, maar toch: mijn innerlijkste wezen, mijn diepste gevoelsleven heb ik er in uitgestort. En Kloos, Klo-oos, die was mij direct vijandig gezind, die maakte zich van mijn werk af met een klein, nietig aankondigingetje.... Want als jong, onafhankelijk schrijver had ik den moed hem te wijzen op zijn schandelijk subjectivisme.... Ja, onafhankelijk was ik ... ik heb in dien tijd niemands bescherming ingeroepen ... alleen naar Van Deyssel ben ik gegaan, en dat ook al weer met groote zelfstandigheid.... Niemand heeft mij ooit de hand beschermend boven 't hoofd gehouden, meneer....
--Ik ben geheel oor.
--... En wat ik ben, en àl wat ik heb, dat heb ik aan mij zelf alleen te danken.
Mijn tweede deel "Meditaties" en mijn "Studies over tijdgenooten" verschenen in "De Jonge Gids". Heijermans, met wien ik vijandig leefde--hij was redacteur aan "De Telegraaf" en ik was redacteur aan "De Amsterdammer", en we hebben mekaar erg bespot--Heijermans, anders buitengewoon fel en brutaal, en zonder veel critischen kijk, ontdekte, dat wij er dezelfde levensbeschouwing op nahielden; wij waren in 1897 beiden lid van de S.D.A.P. geworden, en hij kwam naar me toe, vroeg me of ik aan "De Jonge Gids" wilde medewerken, en dat heb ik toen gedaan.
Mijn meditaties hebben toen al direct veel besprekingen uitgelokt. Ik behandelde er de encyclopedisten in, gaf een groote critiek op Voltaire en de achttiend'eeuwsche literatuur, een wijsgeerige studie over Locke, die als fragment verschijnen zal in een van mijn bundels critische studies. Toen ik nu dat tweede deel van mijn meditaties af had, werd mij plotseling mijn roeping nóg duidelijker. Ik begreep, dat ik niet alleen critieken moest schrijven--hoewel ik voelde, het schrijven van critiek tot een groote hoogte te kunnen opvoeren--maar dat ik mij beslist moest gaan uiten in beeldend werk. Nu doet zich een eigenaardigheid voor: ik heb nooit kleine schetsjes willen maken ... ik moest ineens het enorme omvademen. Niet omdat ik groot wilde doen, meneer ... d'Oliveira....
Ja? Ik luister....
--... maar omdat de drang naar groote lijnen in mij geboren was. Ik heb niet twee dikke deelen geschreven, omdat ik dikke deelen wilde schrijven ... heelemaal niet, en Van Deyssel heeft dat in zijn critiek op "Menschenwee" later treffend juist gezegd: Bij Querido is het niet alleen de hoeveelheid, maar ook de manier, waarop de reusachtigheid van zijn schepping ontstaat, die onze waardeering verdient.... Ik wilde orkestreeren, en daardoor ontstaat juist mijn gebrek, waar ik straks over sprak.... Ik voel het polyphonisch-literaire. Maar geen enkel détail mag verloren gaan door de grootheid, binnen de groote lijnen moeten de subtielste bijzonderheden tot haar recht komen.... Niet een opeenstapeling van détails brengt een groot geheel.
Toen ik nu aan Heijermans mijn voornemen mededeelde, keek die raar op: Hé, zei-die, ga je daar zoo plotseling mee beginnen? Daar breng je nooit iets van terecht, kerel; je hebt nog nooit iets van dien aard gedaan ... je moet je eerst voorbereiden door kleine schetsjes....
Hij begreep mij ook niet, en ... vergiste zich. "Levensgang" had veel succes, en er komt nu een vijfde druk van uit bij Veen. De figuur van Bresser werd een ongeëvenaard meesterstuk in onze literatuur genoemd.
En nu moet ik u nog even spreken over het vreeselijke realisme in dat boek. Er is in onze critiek iemand, die over "Levensgang" mooie dingen heeft gezegd,--ik bedoel dr. Van Deventer--maar over den schrijver één treffend juist ding: hij noemde mij namelijk: de zelfkweller. Meneer! Nooit is er een betere naam voor mij bedacht! Nooit! Van nature wàlg ik van het gemeene en grove. Maar ik heb gemeend, dat het smerigste en het gemeenste noodig waren, om de waarheid niet te kort te doen. In den dialoog wilde ik naast het scheppende gedeelte behouden: het locale element, ook al was dat gemeen en ordinair. En ik heb tot mijn vreugd ondervonden, dat de beste schrijvers in ons land aan mijn realisme geen aanstoot hebben genomen. Later is met sommige passages uit "Levensgang" op een lage manier gewerkt, en werd ik voorgesteld als iemand, die liefst in het vuil wroette. Maar dat is ook Zola, en alle groote realisten naar 't hoofd gesmeten.
Er is groot verschil tusschen het realisme in "Menschenwee" en het realisme in "Levensgang"....
De eenige man, die werkelijk heftig tegen mijn boek te keer is gegaan, was mr. Van Hall in "De Gids". Hij zeide zoo ongeveer, dat hij zich niet kon voorstellen, dat iemand van eenige beschaving zoo'n boek niet met grooten afschuw aanvaardde. Maar wil ik u nu eens een aardige bijzonderheid vertellen? Een paar weken eerder kreeg ik een brief van dr. Bijvanck, eigenlijk den voornaamsten redacteur van "De Gids" ... en over dien brief heb ik zeven jaar het stilzwijgen bewaard, terwijl van het gezegde van mr. Van Hall op alle mogelijke manieren in de kleinere blaadjes misbruik werd gemaakt. Maar nu dr. Bijvanck niet meer aan "De Gids" is, mag ik spreken. Het is werkelijk karakteristiek! Hier heb ik hem. Als u eens met mij mee wil lezen:
"... Zoo wat haastig doorlezend, werd ik telkens getroffen door uw wonder talent van beschrijving en dramatiseering van tooneelen, een talent, dat waarlijk niet afneemt, als men het boek verder doorleest, en nog eens op 't laatst schitterend uitkomt in het "Dwergje".... Tusschen de beschrijvingen van het ruwe niet alleen een element van extase, maar ook van sentimentaliteit. Gij behoeft deze opmerking niet te vergeven, want het is een compliment...."
Ik ben toen ook in anti-critiek getreden tegen Coenen, van wien ik vond, dat hij mij op zeer onbillijke manier had besproken. Eigenaardig is, dat hij wel wees op het kolossale te veel, dat ik geef, maar met geen enkel woord repte van de sobere gedeelten. Anders was het met Marcellus Emants, die zei: "U hebt groot talent, er staat veel te veel in uw boek, maar toen ik kwam aan de figuur van Eva, toen vond ik dat een juweel van beschrijving! Daar is geen woord te veel of te weinig in...." Maar Coenen wist daar niets van te zeggen, die wees alleen maar op het te veel.
In het algemeen heb ik van mijn roman-debuut zeer veel succes gehad, en dat werd nog sterker, toen ik na een paar jaar van afzondering "Menschenwee" de wereld instuurde. Maar, laat ik het erkennen, het ontzaglijke succes van dat werk heeft mij veel vijandschap berokkend. Nooit heb ik den nijd en de afgunst van collega's zoo zien toenemen als na de verschijning van "Menschenwee". Ik zou u veel brieven kunnen toonen van de bekendste auteurs, van de echte "groote lui", die om zoo te zeggen wegliepen met mijn boek maar het later op allerlei manieren probeerden af te breken.
--Querido stapte naar het venster en ging weer zitten, stond vervolgens bruut op en zei met dichtgenepen, plots blauwe oogen, de vuisten omhoog:
--Toen ik nog geen regel, nog geen réegel van "Menschenwee" of "Levensgang" had geschreven, meneer d'Oliveira....
--Toen?
--... Toen zei ik al tegen mijn broer: Als ik ooit iets ga schrijven, dan moet ik minstens de hoogte van een Zola kunnen bereiken. (Zijn hand met uitgespreide vingers patste neer.) Maar! op een geheel andere manier, laat ik u dàt vooral zeggen! Ik heb een totaal ander innerlijk leven dan Zola. Alleen in den beginne was aanwezig een overeenkomst in het gebruik van naturalistische termen. Maar dat is ook feitelijk het eenige, dat mij aan een school heeft gebonden. Wat niet weg neemt, dat ik een buitengewone vereering heb voor Zola, niet _had_ zooals Van Deyssel, maar nog _heb_. Ik vind Zola een van de allergrootste scheppers.
--Hij stapte weer naar 't venster. (Wat wilde hij toch? Verwachtte hij iemand?)
--Dan volgen mijn critische bundels "Zegepraal", "Kunstenaarsleven", en daarmede--wil u daar vooral op letten?--daarmede is afgesloten de periode van romanliteratuur, die voor een deel put uit eigen omgeving. Van nu af ga ik zoogenaamde objectieve kunst geven in mijn epos.
Zijn oogen leken nu zwart tusschen 't traliewerk van zijn blanke vingers; de linker pink, lichtelijk gebogen, wees omhoog.
--Critiek schrijven is voor mij iets heiligs, meneer. Werkelijk iets heiligs. Dat wil zeggen: niet altijd ben ik in staat critieken te schrijven, die naar mijn eigen meening aan dien eisch voldoen, omdat ik natuurlijk moet offeren aan de noodzakelijkheid van beperkte ruimte.... Ik vind, dat men dàn alleen volledig kan begrijpen, als men zich geheel en met liefde aan een boek geeft.... Moet ik wel eens een enkelen keer afwijken van dat beginsel, moet ik mij door oververmoeienis beperken tot het geven van citaten, dan lijd ik daar zoo geweldig onder, dat ik mij haast, een volgenden keer een critiek te maken, die getuigt, dat ik mij heelemaal heb ingeleefd in het boek, dat ik bespreek.
--Hij stapte warempel weer naar 't venster. Er zal nu wel direct iemand komen, dacht ik. En dan is het gedaan. Dan moet ik weg of hij vertelt niet meer.
--Ik meen, dat tegenwoordig de critiek in ons land volkomen ge-anarchiseerd is. Iedereen critiseert er maar op los. Ik wil in het midden laten, wat daarvan de intellectueele oorzaken kunnen worden genoemd. Ik constateer 't feit, en (hevige handslag door de lucht) ik vind het een rámp. Ik geloof, dat iedereen het recht heeft er een meening op na te houden, maar niet ieder heeft 't recht, die meening te _uiten_. Critiek geven is een geweldig moeilijk werk en groote kunst-critiek is even zeldzaam als groote romankunst of groote poëzie. In mijn Rousseau-studie heb ik doen blijken, dat uit den aard der zaak groote critiek, buiten Van Deyssel, in ons land niet aanwezig is. Ik zelf wil weer heel wat anders dan Van Deyssel. Ik wil de drie gevoelssferen: verbeelding, intellect en sentiment in mijn critieken doen samenvloeien. Ik vind dat een spontaan-lyrische critiek, meneer....
--Ik ben geheel aandacht.
... dat een spontaan-lyrische critiek alleen sterk kan leven in dramatisch-lyrische critiek. Want waarom zou critiek niet evengoed dramatisch kunnen zijn als een tooneelstuk? Dramatiek, psychologie, lyriek, kennis, dat alles moet in de critiek even groot naar één hoog punt worden opgewerkt. Uit den aard der zaak zijn maar heel weinig menschen in staat dat te doen....
Dogmatische critiek haat ik het meest van alles. Die vind ik het meest antipathiek belichaamd in Jet Holst en Herman Gorter. De leerstelligheid van hun socialistisch beginsel, vind ik, maakt ze blind voor groote schoonheid in dingen van burgerlijke kunstenaars. Het lijkt mij, dat men den pathologischen zielestaat van een zenuwlijder als Baudelaire, die toch een groot dichter is, met even groote innigheid van critisch besef en schoonheidsgevoel in zich moet kunnen opnemen, kunnen uitbeelden, kunnen verwerken, aan de menschheid moet kunnen toonen, als men dat kan doen met den meest blozenden moreelen optimist in de kunst. Aangezien nu het pessimisme door de Marxisten wordt verklaard voor een zeker deel als gevolg van ideaal-breking, en een latent gebleven burgerlijk sentiment, is het begrijpelijk, dat zij Baudelaire, en pessimistische literatoren in het algemeen, niet kunnen omvatten, zooals die omvat moeten worden door objectieve critici.
Ik wil hebben, dat men alles begrijpt en doordringt in het leven. Dat lijkt mij het eenige middel om boven alle tijdelijkheid van oordeel en modesucces hoog uit te stijgen. De kleine critiek heeft ook wel voorbijgaanden invloed, maar de tijd heeft noodig: groote onbevangen werkers, en als er op een gegeven oogenblik zoo een opstaat, een met groote comediek in zich, dan spuit 't er uit, en dan kan niemand 't tegenhouden.
Honderden malen is mij gezegd, dat ik geschapen ben om tooneelstukken te schrijven, op grond van mijn vermogen tot dialoog en dramatische conceptie. Zelfs heeft Robbers indertijd, sprekend over "Menschenwee", geschreven, dat het maar van een luim, een gril van Querido afhangt, om even schitterend voor het tooneel als voor de literatuur te schrijven. Tallooze keeren heeft men dan ook tooneelstukken van mij verwacht, maar ik wil u wel zeggen, waarom ik mij nog nooit op dat gebied begeven heb. Evenmin als ik indertijd wou beginnen met het schrijven van kleine schetsjes, om, later opklimmend, een zekere hoogte te bereiken, evenmin kan ik het nu van mij verkrijgen, te beginnen met een aardig stukje, dat misschien wel verdienste zou hebben, maar waarin toch niet het allerhoogste vervat zou zijn. Dat mag pedant klinken. Goed! 't Kan mij niet schelen. Elk kunstenaar, die het leven leeft, is dat verplicht aan 't Leven: niet voort te brengen een werk, dat vertoont den tijdelijken verschijningsvorm er van, maar een werk te scheppen, dat geeft het eeuwig blijvende. Vandaar ook, dat het meeste tooneelwerk van den tegenwoordigen tijd mij schijnt te facetteeren afschijningen van het leven, niet te raken de _kern_. Maar ... de romankunst stel ik in ieder geval nog hooger dan de tooneelkunst. Later zal ik mij daaromtrent analytisch verklaren. Wat aan den eenen kant lijkt een tegemoet treden aan de verbeelding door een aanschouwelijken vorm, brengt aan den anderen kant beperkingen mee. Want de scheppende auteur hangt af van de interpretatie van den speler, terwijl die op zijn beurt weer afhangt van de bedoelingen van den auteur. Die geeft zijn sujetten de woorden in den mond. Vandaar dat zich in verschillende vormen het feit openbaart, dat de acteur boven zijn rol staat, of de rol boven den acteur. En wat komt er dan van de kunst terecht?--Kort en goed: ik laat mij niet dwingen tot iets, dat ik nog niet in mij zelf voel als een noodzakelijkheid, al hebben Robbers en anderen het ook geschreven. Daar mogen ze om lachen: 't laat mij koud! Ik wil het hoogste! Bij "Menschenwee" heb ik daar ook naar getracht. En ik weet beter dan iemand, dat men geen compleet werk kan leveren. Niemand is volmaakt, ook Van Looy in zijn beperkte woordkunst is dat niet. Ik weet 't van mij zelf ook wel!
--Ik zat in mijn easy-chair naast zijn schrijftafel. En terwijl ik nu en dan iets opteekende, merkte ik dat hij zijn hals rekte, en over mij heen naar buiten koekeloerde. Wat was daar toch te zien?
---Met "Levensgang" heeft zich ook nog iets eigenaardigs voorgedaan. Ik was destijds in Groningen, en Gorter, die in '97 al literaire critieken had geschreven in "De Nieuwe Tijd", kwam (het was in 1902) met uitgestoken hand naar mij toe. "U is Querido? Schrijver van "Levensgang?" "Jawel." "O, ik gevoel groote bewondering voor u. Daar staan prachtige dingen in: prachtig, prachtig, prachtig!" Daar ging ik zelf nog tegenin, zei, dat het nog lang niet volmaakt was. "Ja," kreeg ik ten antwoord, "dat verwachtten wij ook niet, maar 't is toch prachtig, prachtig".... Later heb ik, mij over Gorter uitlatend, gezegd, ik wilde eerlijk zijn: dat hij naar mijn meening als dichter dood was, en al heel gauw kon ik een geweldige verkoeling waarnemen. Toen ik hem dan ook vroeg zijn meening te schrijven over een van mijn boeken, heeft hij zich er van afgemaakt, en gezegd: "Pardon, ik schrijf nooit critieken!"