Part 3
Vandaar dat mij terecht zoo vaak is verweten dat in mijn boeken de plastiek schraal was. Die heeft mij altijd weinig geïnteresseerd. Om u een voorbeeld te geven. Een figuur van wie ik altijd ontzettend veel gehouden heb is geweest mevrouw Bosboom-Toussaint. Ik heb gedweept met haar "Huis Lauernesse". Maar nu weet u wel, er zijn in het begin een zestal pagina's waar het kasteel wordt beschreven. En tot op den huidigen dag heb ik die niet kunnen lezen, terwijl ik het heele boek wel twintig maal gelezen heb!... Ik weet geloof ik wat u vragen wilt. Wanneer u in mijn huis een zeker streven naar schoonheid opmerkt,--o, niets bijzonders,--maar een zeker pogen om door een beeldje hier en een kleedje daar wat schoonheid te brengen, dan komt dat, doordat mijn vrouw die in mijn leven heeft gebracht en heeft doen waardeeren. Mijn ideaal is het ideaal van Schiller: een kamer met wit gekalkte muren en de meest eenvoudige schrijftafel. En dat sluit aan bij mijn behoefte aan eenzaamheid, om van een minimum te leven in den meest grooten eenvoud, en dan te schrijven.... Dat ik dat niet gedaan heb, zit hem in mijn groote behoefte, in allerlei opzichten, aan een vrouw. Het geestelijk element van dat verlangen heb ik trachten te uiten in "Geertje", en het andere element, het lichamelijk element en het leed daarvan, in de "Zeven Vertellingen" en "Het Leed van den Hartstocht". Toen ik naar Parijs zou gaan, had ik nog dat huisje in Voorst, waarvan ik u straks vertelde, en daarin woonde mijn zuster alleen, en toen dacht ik: Als ik nu maar hier bleef!--Maar het idee dat je van de boeken zou kunnen leven was toen zoo veraf liggend, dat bij het beetje geld dat ik dan zou hebben alle mogelijke ideeën van te kunnen trouwen waren uitgesloten. Zoo is de intree in de maatschappij voor mij bepaald geweest niets dan dwang.
Deze uitlating bracht me er toe, hem te vragen naar zijn meening over het socialisme, niet de politieke richting die zoo heet, maar meer in het algemeen de geestelijke strooming, die het maatschappelijke, ook in de kunst, zoo sterk op den voorgrond stelt.
--Het socialisme, antwoordde hij, laat mij vrijwel onverschillig. Ik vind het heel mooi, maar het lost voor mij de levensvragen niet op. Als de socialistische maatschappij er is, dan stel ik mij voor, dat die, zoo niet aan me zelf dan toch aan onze kinderen, zou brengen een vergemak- kelijking van het leven. Maar--ik behoor ook tot de proletariërs--ik stel mij voor, dat de levensvragen dan precies even bloot en onopgelost voor ons zouden liggen....
--Wilt u meteen duidelijk zeggen wat die vragen zijn?
--Die vragen zijn dan het gevoel dat het leven geen doel heeft, geen reden en geen oorzaak heeft, waar ik "ja" op zeggen kan. En dat ik in het leven zie voor iedereen veel leed en veel meer wreedheid dan lust. Zoodat het _fond_ van mijn bestaan is een volstrekt ongeloof, het tegendeel van godsdienstigheid, en ik alleen door menschenliefde ben gaan berusten. Maar daarom nog niet zie in het socialisme, hoewel dat natuurlijk ook op menschenliefde gebaseerd is, een ding, waarmede dat zelfde leven wordt gemaakt tot een blij iets. Daar zou ik met veel plezier over doorpraten als u het goedvindt....
--Ik zal u wel waarschuwen als u voor mijn doel te ver gaat.
... Wanneer ik dan lees "Pan" van Gorter, dan voel ik, dat ik het werk mislukt vind als geheel, maar er _magnifique_ dingen in vind, en een streven dat mij _sympathique_ is. Ik vind Gorter een erge kraan ... we spreken hier natuurlijk van mensch tot mensch ... maar op den bodem van "Pan" ligt een levensblijheid, een levensvreugde ... een geloof in het leven ... die ik bijna kinderlijk naïef vind. Ik voel me zelf als iemand die nooit een kind is geweest. Daartegenover voel ik een man als Gorter als iemand die altijd een kind is gebleven.... Wanneer nu morgen het socialisme komt, dan zou daarmee o.a. zijn weggenomen de ... godvergeten ... groote ... onnoodige ... wréédheid van de armôe. Maar als het socialisme morgen kwam, dan zou niet de wereld met al het andere dat nog zou zijn goed te maken zooveel verder zijn gebracht. U hebt alles noodig, niet waar? Ik geef u een paar schoenen en dat is heel wat voor u waard. Maar wanneer uw kind doodelijk ziek lag, wanneer u voor goed gebrouilleerd was met uw vader en moeder ... wat hebt u dan aan die schoenen van mij?... _Au fond_, groote god, ga ik met de socialisten heelemàal mee, maar ik vind niet dat hun strijd gaat tegen de dingen waar ik tegen strijden zou--als ik streed. Maar ik strijd niet, omdat ik geloof dat alle strijd daartegen nutteloos is. Het eenige dat ik doe--is mijn leed er over uiten.
--En dit nu in verband met de kunst? met die heele serie begrippen die men thuis brengt onder de benaming "gemeenschapskunst"?
--De eenige deugd, die ik aan mijn schrijverij toeken, is de deugd die Van Oort er in heeft gezien, de oprechtheid. Ik geef me zelf in volledige oprechtheid. Ik heb niets anders te geven. Iets anders doe ik niet. De gemeenschapskunst is alleen voor menschen die het leven liefhebben. Wat zullen we gaan wandelen--als we niet van wandelen houden? Natuurlijk, als we gaan wandelen, dan spreken we af dat we meenemen een paar schoenen, een veldflesch en een kaart.... Maar ik zeg dikwijls: Jesus, vader en moeder, waarom heb je me gemaakt? Ik kan met de menschen onmogelijk die plannen meemaken voor die wandelreis. Ik blijf liever thuis.... Het verschil tusschen Kloos en mij is, dat hij de Onbewustheid lief heeft, en ik er bang voor ben. Op den grond van alles voel ik de natuur als een zich niet aan ons openbarende, even wreede als prachtige macht. Ik heb in later jaren twee regels van Leconte de Lisle leeren kennen, die voor mij een levensleus inhouden:
La nature se rit des souffrances humaines Ne contemplant jamais que sa propre grandeur.
Aan den eenen kant die schoonheid van de natuur--aan den anderen kant dat ze daar alles aan opoffert. Kloos is in zijn hart een godsdienstig man. Ik ben godsdienstig opgevoed, maar mijn levensvrees was altijd te groot. Ik zei u al, ik kom uit Harderwijk, een stadje van zesduizend inwoners. Het stadje van de kolonialen, die er een groot _air_ van triestheid aan gaven, iets vreeselijks.... Aan den eenen kant die wreed calvinistische visschersbevolking, die niet tevreden was of de dominé moest elke week van hel en verdoemenis preeken, aan den anderen kant die exploitatie van de kolonialen, die in het stadje werden gehouden om er hun geld te verteren. Na mijn vader's dood is mijn moeder daar nog enkele jaren blijven wonen, in die eenzaamheid. En zij ging er natuurlijk vreeselijk onder gebukt, dat ze zoo jong weduwe was geworden. Maar ik dacht: Wanneer de broers het huis uit zijn, dan ga ik met moeder wonen in Ermelo, omdat ik iets wilde dat nog veel stiller was dan Harderwijk! En dat was nog vóor mijn negende jaar. Ik kende nooit die dankbaarheid voor het leven, die vrome menschen moeten voelen. Misschien voelt zoo'n calvinist wel de toorn van den oud-testamentischen god, maar een vroom mensen moet god voelen als een liefhebbend vader. Ik was nooit blij. Ik was geen vroolijk kind. Ik was bang voor alle menschen. Ik was een lamme jongen op school. De jongens hadden allemaal de pest aan me. Pas die vriend die ik u straks genoemd heb heeft van mijn eenzelvigheid gemaakt een eenzelvigheid _à deux_.... En toch, misschien dreef mij _au fond_ wat een godsdienstig man drijft.... Er zijn natuurlijk wel godsdienstige socialisten, maar ik meen dat in den regel iemand zich niet aan het socialisme zal geven als hij met den godsdienst niet klaar is gekomen. Het socialisme is toch _au fond_ een maatschàppelijk streven....
--Zit in dat gevoel van u niet een zekere vrees voor wat men noemt de domme menigte, die u in deze pessimistische zelfbeschouwing zou storen en u haar inzichten zou willen opdringen?
--Ik heb een verdomde--Hàat--de mij eigen lichtgekwetstheid brengt mee een zòo gemakkelijk medelijden met andere menschen, dat ik, hoezeer ik als _artiste_ voel voor figuren als Napoleon, ze _au fond_ godvergeten --Hàat. In zooverre zijn mijn boeken zuiver democratisch ... willen dat tenminste zijn. Wat de toekomst zal brengen weet ik niet. Ik zou bijna zeggen: Het kan mij geen....
--_Bijna_ zeggen, of _helemaal_ zeggen, mijnheer De Meester?
--Het kan mij natuurlijk wel schelen. Omdat ik kinderen heb. Daarin zit het zwakke punt van mijn heele zijn. Maar ik heb niet zooveel eerbied voor het leven, dat het geestelijk leven mij veel kan schelen.
Dat kan ik met alle mogelijke kniebuigingen nooit meevoelen met uw vriend Goethe en ook niet met de talentvolste onder mijn tijdgenooten, die ik juist wel eens heb gemeden, omdat er zooveel blije geestdrift was in hun streven naar schoonheid en dergelijke dingen meer. Dat waren dingen die mij ... pas in de tweede plaats konden schelen.
--Dat komt dus neer op het gebrek aan een levensgeloof, dat voor mij een van de kenmerken van onzen tijd is.
--Als ik levensgeloof had, dan was ik misschien een partijganger geworden, natuurlijk lang zoo kranig niet als Jet Holst, maar wel even fel. Is het nu gebrek aan levensmoed, dat mij niet levensgeloovend maakt--of is gemis aan levensgeloof de _fond_ van mijn geheele wezen? Dat weet ik natuurlijk niet. Dat kun je niet zeggen. En in zooverre sta ik nog veel nader tot de socialisten dan u, die tegenover hen staat. Want ik sta niet onverschillig maar _blank_ en u heeft een zekere aversie. Ik voel in dat "Pan" van Gorter: Goddome, als je zoo het leven bekijkt, dan begrijp ik dat je het leven lief hebt. Maar de natuur is heelemaal niet zoo te bewonderen als "Pan" dat doet.
--Wanneer ik u zoo hoor spreken, wanneer ik u zie gesticuleeren en druk door uw kamer zie loopen, dan krijg ik toch de gewaarwording dat in uw heele optreden flink wat levensmoed steekt.
--Van Deijssel heeft eens tegen mijn vrouw gezegd: Wat je man heeft, dat is dat hij zijn zenuwen verwerken kan door ze te uiten. Daar is misschien wel iets van aan. Dat is dat _exubérante_ in me. Dat was er al voordat ik naar Parijs ging, maar dat is door het leven in Parijs sterker geworden. Vandaar dat een oude dame eens tegen me zei: Vous ne serez jamais un Parisien, mais vous avez tout l'air d'un Marseillais.
Ik kan dagen lang gesloten zijn en dan ook eenzaam leven. Je vindt dat o.a. ook bij _célibataires._ Als die los komen dan zijn ze luidruchtiger dan andere menschen. Op de krant ben ik de minst gezellige van de collega's, en ik voel ook wel dat het niet aardig is. Mijn aard is om naar niemand zijn gezelschap te verlangen. Maar bén ik eenmaal in gezelschap, dan ben ik de luidruchtigste. Verleden jaar heb ik ter wille van mijn dochters (anders kom ik nooit in een vergadering) dat congres van letterkundigen bijgewoond. Van Deijssel heeft toen een toast gehouden op mijn vrouw en mij, en toen heb ik geantwoord in een erg uitbundigen toast, waaruit de menschen wel heelemaal niet den indruk hebben gekregen van een vent die liever in z'n eentje zit in een dorp als Ermelo. Dit heb ik misschien van mijn geboorte. Mijn moeder was een zwakke vrouw, getrouwd met haar neef, en ik was een nakomertje, acht jaar na de anderen geboren. Mijn twee broers zijn flinke kerels. Van mij werd altijd gezegd dat ik schoolziek was, en toen heeft een meester aan de school van de Hernhutters eens gezegd: Neen, hij is niet schoolziek, maar hij heeft gebrek aan physieken moed. Dat heeft mij erg getroffen en ze moesten me thuis precies uitleggen wat dat was. Zoo iets résonneert in je ziel, en zoo ontstaat literatuur.
--Dat moet toch ongezonde, ziekelijke literatuur zijn?
--Ja, dat spreekt van zelf. Ik zou bijna zeggen, dat menschen die dergelijke boeken schrijven gezonde menschen aller-innigst moeten haten. Gezonde menschen--dat zijn de forsche, sterke, de wreede typen van levenslust, met alle hardheid die daar inhaerent aan is....
--U zegt inhaerent?
--Met alle hardheid die daar inhaerent aan is. En daar staan licht gekwetste menschen, die bang voor het leven zijn, natuurlijk fel tegenover. Waarom leeft een mensch die aan het leven het land heeft, voort? Omdat het leven sterker is dan jij bent. Als ik daar ooit een voorbeeld van heb gezien, dan was het wel de autobandiet Dieudonné, de felle revolutionnair, die een kniebuiging heeft gemaakt voor het Gezag, met tranen in de oogen, toen hij vernam dat hij mocht blijven leven in dien vorm, dat hij voor z'n heele leven naar de galeien ging. Dat prefereert zoo'n stakker boven het momentje van den dood!... Het leven is de sterkste en dat is voor menschen als ik ben een moeilijk proces, om daarin te blijven berusten. Het is misschien verdomd egoïst, dat je de moeite die je dat kost niet voor je zelf houdt, maar er boekjes van maakt. Maar er staat tegenover dat je het doet in het besef, dat er heel veel menschen zijn, die hetzelfde voelen als jij. Ik heb altijd een gevoel dat de literatuur, zooals ik ze maak, is voor een kleine minderheid. En nu heeft mij erg bevreemd: Ik heb hier voor een kring van dames, die mij door een vriendelijke dame waren toegestroomd, gelezen over de _Névrose_ in de nieuwe Fransche letteren. En toen is tot mijn groote verbazing dit gebeurd, dat, nadat ik die vier lezingen had gehouden voor negentig dames, er nog zoo velen waren die het ook wilden hooren, dat ik ze herhaald heb voor een kring van meer den tachtig dames. Ik beweer heelemaal niet dat ze met sympathie over die _Névrose_ hebben hooren spreken. Maar ze wilden het toch maar weten.
Dat blijft het tegenstrijdige van den levens-verneiner, dat je meeleeft in en zelfs meedoet aan dat overbodige dat heet--de literatuur!--
Het was diep in den nacht, toen De Meester mij naar mijn hotel geleidde--over het fel belichte asfalt van Nêerlands eerste koopstad. Hij sprak in harde, stekelige woorden over het lot van de veile schepseltjes, die in den prachtigen zomernacht over het asfalt zwierven. En juist toen voelde ik dat ons gesprek mij hem nader had gebracht.
BIBLIOGRAPHIE:
Kleingoed (schetsjes)--Een Huwelijk (roman)--Parijsche Schimmen--Zeven Vertellingen--Deemoed--Allerlei Menschen--Louise van Breedevoort (roman)--Het Leed van den Hartstocht--Geertje (roman)--Aristocraten (roman)--De Zonde in het deftige Dorp (roman)--Op weg naar Transvaal (Kinderboek)--
Voorts de brochures:
De Menschenliefde in de werken van Zola--Een ongewoon meisje (Marie Baykirtsef)--Iets over de literatuur onzer dagen.
KAREL VAN DE WOESTIJNE
[Illustratie: KAREL VAN DE WOESTIJNE naar een teekening van zijn broer, Guust van de Woestijne]
(* 1878)
Ik had dien middag "op den buiten" bij Brussel doorgebracht, en, toegevend aan een gril, in een landelijke herberg mijn maal gedaan van brood met "platte keis" (een soort zure room) en rammenas. Een paar mannen uit den omtrek dronken lambiek en schoten met handbogen pijpen van een hoogen staak. Onder het genot van een potje witachtig bier, 't soort dat op zeepsop gelijkt, trachtte ik me weer in te leven in de Vlaamsche sfeer, waar ik welhaast tien jaren geleden thuis was. Het gelukte maar half: de stemming van on-critische, goedmoedige onbewustheid, die ik op de gezichten van de boogschutters las, kon ik niet meer bereiken. Totdat een gesprek met een boschwachter, wien ik naar den weg vroeg, en die geen Fransch verstond maar mijn hoog-Nederlandsch voor een Italiaansch dialect scheen te houden, mij in de gewenschte lijn-looze soezerigheid bracht. Zoo bereikte ik het huis van mijn slachtoffer, gelegen aan een dreef met veel pleiziertuinen: "melkerijen", waar menschen met roode gezichten, smeulende oogen en luide stemmen krentebrood met harde eieren gebruikten, en glazen dunne melk lieten staan....
... En plotseling leidde de blozende Vlaamsche meid mij in een kamer, waar de raadselachtige scheemring met bloedkleur doortrokken scheen. In mijn breede, vleezige hand legden zich de heel slanke, bleeke vingers van den poëet. Ik had nooit gedacht dat een zoo smalle hand mogelijk was. Zijn heele gestalte trouwens is van een opmerkelijke, aristocratische fijnheid, wat vooral uitkwam als hij met vele overbodige, doch rustige bewegingen door 't roode half-duister van zijn kamer schreed, aan de strak tegen 't lijf gedrukte armen de handen rechthoekig opgebogen. En ik kreeg, in deze vergeestelijkte omgeving te plotseling overgeplant, de sensatie, dat de bleeke dichterhanden zouden gaan wapperen als ik mijn adem niet inhield.....
Doch nu zit hij tegenover mij, aan de schrijftafel, waar vele groene en oranje bandjes Fransche philosophie van Alcan en Flammarion mij treffen, en ik bespeur op dit indrukwekkende, starende baard-gezicht trekken, die mij doen denken dat 't voorwaar! tot schooner dingen leidt, van den wijn, van den hartstocht en den zinnenroes te zingen, dan er van te léven. Mijn geoefend oog gaat opmerken. Ik bestudeer zijn ranke bewegingen en zijn mimiek, ik blijf letten op het spottende in den glimlach van sensueele lippen en helle puntige tanden, en het kost me moeite, van de min of meer medische beschouwing naar de ideëele beschouwing van dezen persoon terug te keeren. Doch de wijn rukt aan, "het kan geen kwaad" meent hij, en ik krijg hem aan 't praten, zoodat ik, noteerend en vragend, geen gelegenheid meer heb om mijn ontleding van zijn uiterlijk voort te zetten.
Van jongs af, zoo vertelt hij, ben ik geweest tweevoudig. Ik heb geleefd binnen in mijzelf, en dàn met een groote fantaisie.
Toen ik een kleine jongen was, heb ik heelemaal in mijzelf geleefd, en daarbij kwam veel atavism, zal ik maar zeggen. Mijn vader was een man die heelemaal naar binnen gekeerd was, maar langs den kant van mijn moeder had ik een grootvader, die was heelemaal fantaisie. Hij sprak alles op rijm en maakte om te kunnen rijmen de zonderlingste gedachtensprongen. Hij was architect, maar hij deed niets aan zijn vak, want hij kon gemakkelijk leven. Hij was als gemoedsmensch een echt artiest. De groote ernst in mij kwam van mijn vader. Hij zou ingenieur worden, maar op een zeker oogenblik is hij gedwongen geweest in de nijverheidszaken van zijn eigen vader te gaan. Zoo lang ik hem gekend heb, hij is maar tweeënveertig jaar geworden, hield hij zich heel den tijd bezig met wiskunde en mechanica. Hij heeft verscheidene uitvindingen gedaan. Een voorbeeld kon hij niet voor mij zijn, ik was maar twaalf jaren toen hij stierf, maar zijn aard bleef er in. Ik heb heel veel van hem gehouden, hoewel hij mij nooit veel liefde betoond heeft. Dat lag in zijn aard niet. Toen mijn vader dood was, stond mijn moeder aan het hoofd van een groote nijverheidszaak in Gent. Zij had veel werk, en veel innigheid heb ik niet kunnen genieten. Een eenzame van nature, ben ik heel jong gaan lezen. Aan kinderspelen heb ik nooit gedaan, want mijn andere broers, die jonger waren, hadden gezelschap aan de dienstboden. Ik had slechts mijn bibliotheek, een van de zotste dingen die bestaan hebben, waar bijv. Homeros naast Jules Verne stond. Het was een samenhooping van boeken, duizenden en duizenden. Wij hadden in Brussel een familielid en die was boekhandelaar. Wanneer mijn vader en moeder of mijn grootvader hem kwamen bezoeken en iets interessants bij hem zagen, namen zij het maar mee. Dat werd een kamer vol, literatuur, encyclopedieën, woordenboeken, atlassen.... Ik kon lezen sedert mijn derde jaar. Ik heb op een zeer bijzondere manier leeren lezen. Vlak over de deur hadden wij een jong onderwijzer wonen, die het heel slecht had en in de vacantie lieten mijne ouders, toen ik pas twee jaar was, hem les komen geven. Meer voor hem, dan voor mij. Ik zal u zijn naam niet noemen, want hij heeft een zekere bekendheid gehad in Nederland. Dat is voor mij het ergste geweest, dat mij kon gebeuren. Want ik leerde heel vlug, met een echte koorts. Toen ik een jaar of zeven was, had ik al een heele bibliotheek verslonden. Toen ik een jaar of twaalf was, las ik ter zelfder tijd Pascal en Paul de Kock. Ik herinner het mij zeer bepaald.
Dat moet voor mijn ontwikkeling veel belang gehad hebben. De vage drang naar oneindigheid en de geniepige, gevreesde sensualiteit die aangestoken werden door zulke lectuur, hebben mij heelemaal voorbereid tot wat ik geworden ben, mag ik wel zeggen.
Toen mijn vader stierf had ik al gedichten gemaakt in het gebrekkigste Vlaamsch dat men zich denken kan en dat dank ik weer aan dien zelfden huisonderwijzer. Hij was toen leeraar geworden en zelf een dichter, zonder veel beteekenis trouwens. Ik kende heel weinig Vlaamsch. Mijn opleiding was in een privaatschool, die niets te maken had met de gemeentescholen, waar nog iets Vlaamsch geleerd wordt. Niemand wist, dat ik die verzen maakte. Een paar jaar later zijn zij verschenen in een kindertijdschriftje. Het eerste gedicht, dat ik waarlijk gevoeld heb als gedicht, maakte ik op den eersten verjaardag van den dood van mijn vader. Toen was ik een goede dertien jaar. Intusschen waren een heeleboel andere verzen van mij verschenen onder allerlei pseudoniemen, die ik zelf niet meer ken.
Intusschen was ik op het athenaeum gekomen en daar ben ik waarlijk een flamingant geworden, onder den invloed van een paar leeraren, die mij veel goed en ook veel kwaad gedaan hebben. Het was in '93 en de eerste "Van nu en straks" was verschenen. Dat heeft een enormen invloed op mij gehad.
Dat is een punt van belang en men weet dat in Holland eigenlijk zoo niet. "De Nieuwe Gids" heeft invloed gehad op de generatie die onmiddellijk vóor de mijne gekomen is, die van Vermeylen, De Bom en Hegenscheidt. Die hebben waarlijk den invloed van de "Nieuwe Gids" ondergaan. Maar de man die, de eerste, eene eigenlijke vernieuwing in Vlaanderen gebracht had, Van Langendonck, heeft dien invloed niet gehad. Wel stond hij onder den invloed van Fransche dichters, onder den invloed van de "Jeune Belgique", die baudelairiaansch was. Wel heeft hij verzen geschreven die Kloosiaansch schijnen, maar dit voordat Kloos ooit in Vlaanderen gelezen werd; verzen, die geschreven waren bijv. in '82 en '83, vóor het verschijnen van de "Nieuwe Gids". Onze generatie kende de "Nieuwe Gids" nog niet. Wij waren volop aan het dichten onder den invloed van Pol de Mont en Hélène Swarth, toen wij door bemiddelling van "Van nu en straks" de "Nieuwe Gids" leerden kennen. Maar het was Van Langendonck vooral, die voor ons de openbaring was. Ik mag gerust zeggen, dat de invloed van "De N.G." niet groot geweest is. Toen ik zeventien, achttien jaar was, heb ik veel genoten van Kloos, veel meer nog dan van Gorter, maar echten invloed heeft hij op mij nooit gehad, niet meer dan bijv. Lamartine of Musset, en bepaald minder dan De Vigny. Ik admireerde Kloos, omdat ik een zoo groote individualistische personaliteit in hem vond.
Wij zijn nu in '94 of '95. Ik was toen volop aan het dichten. Toussaint heeft van mij geschreven, dat ik toen reeds een beroemdheid was onder de athenae-jongens en studenten. Veel vroeger had Pol de Mont mij een postkaart gestuurd, een postkaart, stel je voor, over een paar verzen van mij in een tijdschrift. In die postkaart stond: "Tu Marcellus eris."[3]
Ik heb er trouwens niet op geantwoord. Want ik voelde wel, dat verzenmaken was toen niet meer dan een bedrevenheid van mij, anders niet. In '93 echter maakte ik kennis met "Van nu en straks" en de anarchistische beweging in Frankrijk en België, waaruit de geest van "Van nu en straks" gedeeltelijk was ontstaan. Ik mag u verzekeren, ik was na den dood van mijn vader nog meer vereenzaamd en die opstandelijke beweging heeft mij waarlijk gevormd.