De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven

Part 2

Chapter 23,811 wordsPublic domain

Op mijn zeventiende jaar zijn we verhuisd naar Voorst bij Zutphen en toen ben ik gekomen bij de registratie. Dat was iets ontzettends voor me, maar aan den anderen kant wist ik hoe vreeselijk het zou zijn als ik niet doorging. Ik ben uit een ambtenaren-familie, mijn vader en grootvader waren burgemeester, een oom van me is notaris, mijn broer was minister. In zulk een omgeving leer je zekere eischen van _comfort_ en _social standing_ stellen, die je niet gemakkelijk opgeeft. En dan:--ik leefde alleen met mijn moeder en zuster, in een aardig huisje met een mooi strooien dak (later heb ik mij menigmaal voorgesteld dat ik mij daarin zou vestigen). Mijn vader was vroeg overleden en we moesten rondkomen van een f 1200 à f 1400. Mijn studie had al veel gekost aan lessen en dergelijke dingen meer, en ik moest doorzetten, al voelde ik er niets voor.

Om mij zelf eenigszins schadeloos te stellen, heb ik er toen dit op gevonden, dat ik wel zou doorwerken, maar intusschen zou schrijven ook. Ik heb toen een klein bundeltje schetsjes gemaakt: "Kleingoed", waarin ik mij braaf accuraat had toegelegd op een keurigen vorm, _enfin_ iets van Potgieter er in, die ik toen druk had gelezen, keurige zinnetjes, maar een beetje luchtiger en leniger dan Potgieter--zoo ver was ik toen al. Ik was 's middags zoo tevreden als ik na kantoortijd weer in de spoor zat naar Voorst. Maar ik had een uur te wachten aan den trein, en daar ontmoette ik iemand die aan de _Zutphensche Courant_ was en mij van zijn baantje vertelde. En een poosje later kreeg mijn moeder de schrikbarende mededeeling, dat ik gesolliciteerd had aan een krant en van de registratie af wilde. Toen was de man die mij geestelijk steunde die Van Rappard. Hij schreef mij onmiddellijk. Hij was jonkheer ridder Van Rappard en zijn vader vond wel goed dat hij schilder werd, maar onder de kennissen vonden natuurlijk velen het een groot bezwaar, dat een jonkheer artiest zou worden. En hij schreef mij: Ik ben er 50% op achteruitgegaan, maar jij zult er 80% op achteruitgaan,--ofschoon je niet van adel bent. Er was toen nog heelemaal geen sprake van, dat je schrijver kon worden zonder een baantje te hebben. Later heb ik mij afgevraagd of het niet beter was geweest, bij de registratie te blijven, om vier uur Harer Majesteits kantoor te sluiten en dan voor me zelf aan het werk te gaan.

Toen ben ik al spoedig in Amsterdam gekomen, aan de "Amsterdammer" van De Koo, en ik viel er dadelijk in een milieu van menschen van beteekenis, (onder wie ook Van Deyssel) waardoor ik voelde wat er aan mijn heele vorming ontbrak. Ik ontmoette tijdgenooten, niet alleen van véél meer talent, maar ook veel rijper in levensbegrip. Ik leerde toen ook Tak kennen die was vreeselijk aardig voor me. Hij was mijn chef en ik zei "Meneer" tegen hem, maar als 's nachts de krant klaar was, nam hij mij dikwijls mee naar zijn kamer, waar we dan een toddey dronken. Hij was een idealistisch en vreeselijk ... innig-gemoedelijk man. Ik herinner me nog, hij had een portret boven zijn schrijftafel, van een nichtje van hem, en hij barstte op een morgen in tranen uit toen hij over dat kind sprak. Om die sentimentaliteit van hem hield ik van hem als van een ideëelen ouderen broer. Als ik om twaalf uur met een looden kop op de krant kwam, dan had Tak zijn haren al gewasschen en zat weer lustig te werken. Hij was zeer sterk en ik zwak, en toen ging ik voelen de ellende van de onvrijheid door gemis aan fortuin. Dat gevoel ben ik in de laatste jaren wat kwijt geraakt. Bij mijn huwelijk heeft sterk gegolden het feit, dat mijn meisje aanleg dacht te hebben voor schilderes en zei: Geen huishouden!--Ik dacht, dat gaat gemakkelijk: Jij maakt schilderijen en ik schrijf, en zoo hebben wij geen zorg voor het huishouden. Maar het is anders geloopen.--Ik geloof niet dat ik anders den moed zou hebben gehad een huishouden te beginnen op de journalistiek, waar ik steeds voelde: vrees voor het maatschappelijk leven. Ik ben vreeselijk gauw op mijn teenen getrapt en den omgang met menschen heb ik steeds gevoeld als iets dat meer zorgen gaf dan genot. Dat is wel niet socialistisch, maar ik heb mij ook nooit voor een socialist uitgegeven. Ik heb altijd geleden onder den druk van te moeten omgaan, nu eens met die en dan weer met die--zooals een krantenman dat doen moet. Ik had heel zwaar werk, veel werk, en ik herinner mij uit de Amsterdamsche jaren, dat een vriend toen tegen me zei: "Kerel, sjouw jij zoo zwaar, of ben je verliefd?" Want ik zag er zoo slecht uit. Maar dat kwam van het 's nachts opzitten. Als verslaggever aan de oppositie-krant had ik het hard te verantwoorden en ik wilde weg. De Koo begreep dat niet: Hij bood mij meer geld aan en het tooneel, maar het was de kwestie, dat ik geen verslaggever verkoos te blijven en Holland uit wou.

Toen heeft mijn vriend Enklaar, met wien ik samenwoonde, die zelf aan het Buitenland van het "Handelsblad" werkte en mijn angsten en ergernisjes zoo gauw begreep, mij in relatie gebracht met Charles Boissevain. En voor het "Handelsblad" mocht ik naar Parijs. Daar ben ik dan vijf jaar geweest, en ik begon me meer en meer te voelen als de _entretenu_ van Boissevain.... Ik blijf hem altijd dankbaar voor het baantje, maar ... het had zijn bezwaren. Ik wist dat ik altijd in een bepaalden geest moest schrijven. En in dien tijd begon ik Parijs onder een hoe langer hoe cynischer wordend algemeen levensinzicht te bekijken. Ik had een zekere satanische vreugde aan die opvatting van Parijs--maar ik had ook veel tijd om mij in de literatuur te verdiepen en om musea en tentoonstellingen na te loopen, waar ik veel om gaf. Ik moest altijd vroolijke en opgewekte stukjes voor het "Handelsblad" schrijven, zooiets als Van Maurik. Het was een hoogst oppervlakkig werk. Maar u begrijpt, ik deed het als broodwerk, met het vaste voornemen ermede op te houden, als die oom in Australië van me, me eens een half millioen naliet, zooals u uw broodwerk, hoeveel plezier u er ook in hebt, zoudt laten varen als die rijke oom van u in Australië eens kwam te sterven.

Maar in dien tijd zag ik in het "Handelsblad" langzamerhand komen uitingen over een kunst, die in ons land aan het ontstaan was, en waarbij namen werden genoemd van goede kennissen van me, o.a. van Van Deyssel, ook van menschen, die ik slechts uit hun werk kende en voor wie ik sympathie voelde. Een daarvan was Couperus. En toen bracht het "Handelsblad" het protest van Den Hertog, den paedagoog, tegen het fatalisme in de werken van Couperus. Daar kon ik toch niet blijven! En toen er open kwam een baantje aan de "Nieuwe Rotterdammer" heb ik, voor een kwart in het besef dat ik het aan het "Handelsblad" niet kon uithouden, en overigens om met mijn vrouw en het kind dat ons geboren was naar Holland te gaan--zij kon in Parijs niet aarden--heb ik het "Handelsblad" verlaten.

En een van de eerste dingen, die mij toen gebeurden, was, dat ik had geschreven zesentwintig blaadjes copy over en grootendeels tegen "Een Passie" van Vosmaer de Spie, en toen ik er mede binnen kwam bij mijn chef, scheurde hij die zesentwintig blaadjes meteen doormidden. Een tweeden keer was op de beurs een algemeen gelach opgegaan over een verslag van mij, dat in de krant had gestaan, over Toorop, wiens werk ik mooi had durven vinden. Dat was toch wel al te gek!--Maar in latere jaren zijn hier tentoonstellingen gehouden van Toorop, die met grooten eerbied door het publiek zijn behandeld. Het is een énorme satisfactie voor mij, te zien hoe de geest ook hier is veranderd, allicht ook een beetje dank zij de krant.

Maar toen heb ik ook hoe langer hoe meer vrijheid gekregen. Ik ben geen vent om journalist te wezen. Ik houd van de eenzaamheid buiten. Maar ik blijf de krant heel dankbaar, dat hij me vrij heeft gelaten. De vroegere hoofdredacteur, Dr. Zaaijer, heeft mij herhaaldelijk heerlijk verdedigd, ook tegen aandeelhouders, en daardoor heb ik iets in het publiek kunnen doen voor de moderne kunst. Dat is een groote satisfactie voor me geweest. Nadat ik er een poos mee bezig was, is het "Handelsblad" ook begonnen. Maar toen ik aan de "Rotterdammer" kwam, was er geen sprake van, dat Boissevain dat zou gedoogen. Ik geloof dat ik de eerste journalist ben, die voor de nieuwe literatuur en de nieuwe kunst in de journalistiek iets heeft kunnen doen--afgezien van wat door anderen is gedaan in het weekblad "De Amsterdammer", hoewel Van Maurik daar toen in de hoofdredactie zat en de jongeren vaak den voet dwars zette.

Toch heb ik in Rotterdam heel moeilijke jaren gehad en van dat zware leven heb ik nogal wat uitgesproken in een bundel verhalen: "Het Leed van den Hartstocht" en ook in "Zeven Vertellingen". Ik woonde toen in een huis, dat ik ook in "Geertje" beschrijf, en als ik 's nachts van de krant thuis kwam en nauwelijks was ingeslapen, kwam mijn achterbuurman, die schipper was, naar huis, en klotste mij met zijn klompen wakker.

Langzamerhand, nu mijn kinderen groot zijn, ben ik gaan berusten in het leven en ik hoop van berusting tot Levens-Bejahung te komen. Ik hoop dan nog eens een boek te schrijven, dat zal heeten "Du Sollst"--daar heb ik al heel lang plannen voor.

Maar mijn boeken van vroeger, en dat is, geloof ik, een zuiver antwoord op uw vraag--zijn een uiting van het levensinzicht, dat mij deed zeggen: "God, God, moeten er nu nog kindertjes komen?" en dat mij die heele procreatie-drang deed voelen als leed.

--Mijn gastheer kuchte droog en nam een grooten slok wijn. Ik dankte hem voor deze oprechte en uitvoerige beantwoording en vroeg hem nu, wat hem dan noopte, dit levensinzicht op deze wijze te uiten.

--Ik uitte dat omdat ... ik dacht er niet bij aan anderen, gelijk een dichter die liefdes-sonnetten maakt denkt aan zijn meisje. Neen, ook niet in den zin van wraak willen nemen. Maar ieder mensch heeft in zich de behoefte aan uiting. Je wilt je kracht gebruiken. Door te schrijven verminder ik mijn leed. U hebt dat ook wel eens in uw werk ondervonden: Een burger, die verduiveld nijdig is om een besluit van den gemeenteraad, ontlast zijn toorn door een stuk in de krant te schrijven, dat mijnheer A of B zoo verduiveld leelijk heeft gesproken.--In het begin wilde ik eenvoudig exploiteeren mijn begaafdheid als verteller--maar "De Zonde in het Deftige Dorp" is een boek, waarin ik uit mijn wrok over het schijn-fatsoen van de Hollandsche aristocratie en zoo wat. Het is wel degelijk een boek.... Robbers heeft het genoemd "een boek van haat", en dat is beslist onjuist, maar Coenen heeft het juister gekenschetst in "De Amsterdammer" toen hij zei: Je moet een heel eind boven je levenshaat geklommen zijn, om er zoo uit de hoogte op te kunnen kijken. Dat is de geestelijke groei in mij, dat ik aan dergelijke gevoelens van haat ontstijg, door de dingen uit de hoogte te bekijken. Het "Leed van den Hartstocht" beziet de dingen van dichtbij. Dat is een pijn, die ik vandaag voel, opgeschreven zooals hij is. Maar "Het Deftige Dorp"--dat is de wêerzin die ik heb, van mijn vijftiende jaar, en die nog bestaat, tegen de Hollandsche aristocratie--maar dan bewerkt tot een soort spotlach uit de hoogte. En als u mij nu vraagt: Wat drong je tot schrijven? dan zeg ik: De behoefte van dien man van het ingezonden stuk. Er is dus niet geweest bij mij ooit--ik heb vreeselijken eerbied voor "De Nieuwe Gids", maar in dat opzicht sta ik dichter bij Heijermans en vooral bij Coenen--louter schoonheidsverlangen. Er was bij mij meer menschgevoel dan schoonheidsverlangen. Mij is het vooral te doen om menschelijkheid en levensbegrip, levensgewaarwording. Ik wilde mijn levensgewaarwordingen opschrijven om ze te kristalliseeren tot een zeker begrip. En je bent schrijver om dat te doen in de presentie van de wezens die je je lezers noemt.

--Of ik dan mocht zeggen, dat hij schrijft om zijn lezers in te lichten?

Maar hij stond driftig op en ging heen en weer loopen in zijn kamer. En met zijn bewegelijke handen gebaren makend, alsof hij uit de lucht muggen pakte en die met al zijn vingers tegen zijn palmen dooddrukte, barstte hij los:

--Neen, neen, o neen! Ik ben heelemaal niet paedagogisch. God neen! Maar er is iets anders. Ik weet nog dat ik in Parijs eens opgeschreven heb: Als ieder mensch eens heel oprecht zichzelf neerschreef, dan zou je daardoor krijgen zuiver levensbegrip. Als alle menschen zich gaven, zoo zuiver als ik mij heb gegeven--in mijn boeken--dan stel ik mij voor --dat de menschen er uit konden leeren. Maar als ik schrijf--dan ben ik niet de onderwijzer--maar de man die het openhartig zegt. Ik hecht vreeselijk aan oprechtheid en openhartigheid. Toen ik mijn meisje pas gevraagd had, was net klaar mijn eerste groote boek "Een Huwelijk". Toen zei ik: "Hier heb je een boek, en daar vind je mij zelf in". Dat heeft een deplorabelen indruk gemaakt. Ze vond die mijnheer in dat boek iets verschrikkelijks. Ze vond dat heelemaal geen kunstwerk. Mijn vrouw is een echte idealiste. Een en al schoonheidsverlangen. En het deed mij vreeselijk plezier toen het boek is opgekamd door Van Deijssel, in "De Nieuwe Gids" en "De Amsterdammer". Doch dat maakte alleen indruk op haar hersens. Voor haar eigen gevoel was dat boek _profondément antipathique_. --Die mijnheer Frans Koene uit dat boek (de echte Frans Coenen en ik hebben daar dikwijls om gelachen) daar zit erg veel van me zelf in.... Is er misschien een ijdelheid in, dat je met je indrukken te koop loopt, zooals een coquette vrouw met haar snoet? Het is moeilijk te zeggen. Ik weet het niet. Maar aanvankelijk was dat bij mij heelemaal niet het geval. Toen ik die versjes maakte in Veenendaal, was het niet om te publiceeren, maar om op papier te zien wat er in me omging. Dat is de oorsprong van alle schrijven.

En het groote verschil, waardoor ik buiten de "Nieuwe Gids"-beweging sta en pas aansluiting heb gevonden bij Emants onder de ouderen, en bij Coenen, dat is juist dat het ons te doen was om menschelijkheid en levensbegrip--alle talenten-kwestie buiten rekening gelaten--terwijl die anderen, die vol levensliefde zaten, kwamen met schoonheid. Je zou het kunnen vergelijken: den een met bidden en den ander met vloeken. Een levens-verneinend mensch vloekt, een levens-bejahend mensch bidt. Nu is mijn levensproces dit, dat ik door het geluk dat ik vind in mijn gezin, ook doordat ik rijper ben geworden, ben gekomen tot een levensberusting --die echter nooit zegt: Wat is het leven heerlijk. Er is een groote behoefte aan liefde in mij, en het boek dat ik met zeer besliste opzet aan mijn vrouw heb opgedragen, dat is "Geertje", dat men een levens- bejahend boek heeft genoemd,--dat is ook het eerste boek geweest, waarmee ik succes heb gehad....

--Toen kwam de vraag bij mij op, of hij dan niet aan zijn indrukken iets toe deed? Maar hij begreep dat niet aanstonds zoo als ik het bedoelde.

--Dat is verschillend, antwoordde hij. In verschillende tijdperken en verschillende werken is dat verschillend.

_Geertje_ bijv. is van huis uit dit: We hebben eens gehad een dienstmeid en ik wist wel dat die dienstmeid, voordat ze bij ons kwam, heeft gehad de narigheid die het fundament is geworden van mijn roman. Op een avond, toen ik met mijn vrouw wandelde, het was bij het ziekenhuis hier, vertelde ze me dat en gaf me meer détails en zei: Nu weet je precies hoe het met haar geloopen is, en ik riep: Godallemachtig, daar zit een prachtige roman in--zooals ik vanmiddag, toen u me van uw gemeenteraden vertelde, heb geroepen: Daar zit een prachtig stuk copy in!--Dat mensch is korten tijd daarna van ons weggegaan, omdat ze teringachtig is geworden.

Waarom trok me dat nu zoo aan? Omdat ik in oude ontwerpen van verhalen, die dateeren uit mijn vroegsten tijd, twee had gevonden, waarvan het eene nooit uitgewerkt is en het andere als het ware is een omgewerkte Geertje. Een meisje uit den burgerstand, dat een soort van held ziet in iemand die maatschappelijk boven haar staat, en zich heelemaal voor dien man weggooit. Dat heldhaftige er in, dat wilde ik weergeven. Ik heb in een aantal détails, op het slot na, de werkelijkheid trouw gevolgd. En nu is het bezwaar dat men tegen "Geertje" had dit, dat ze door dat uitpluizen van haar sensaties te weinig dienstmeid is gebleven. Ik heb me dan ook later afgevraagd, of ik niet beter had gedaan, haar een kinderjuffrouw te maken uit een beetje hoogeren kring.... U ziet dus, dat in dat boek de werkelijkheid de grondslag is. En meestal is dat bij mij zoo geweest. De schetsen uit "Zeven Vertellingen" en "Het Leed van den Hartstocht" zijn wel verzonnen, maar toch uit toestanden die ik had ervaren, of ergens had gelezen. Een schets uit de "Zeven Vertellingen" is "De Klompjes", een verhaal dat ik in de "Oprechte Haarlemmer Courant" had gelezen--dat dus wel waar zal zijn!--als gebeurd met kinderen in de buurt van Berlijn. En toen heeft aan den eenen kant mijn groot medelijden met de menschen in het algemeen en de kinderen in het bijzonder en aan den anderen kant mijn drang om over de aantrekkingskracht van den Dood te schrijven mij doen zeggen: Daar zit een mooi verhaal in. Kijk, het is mij er met mijn schrijven om te doen, mede te deelen mijn conclusies over wat ik van het leven heb ervaren. Ik moet dus beginnen met te hebben levenservaring en nu ga ik die analyseeren, onder het microscoop bekijken. En nu valt er een heel persoonlijk licht op, dat spreekt van zelf, maar de grondslag is eenvoudig: De uitwerking van een geval dat ik heb waargenomen of vernomen. En nu heb ik de menschen zooveel mogelijk andere neuzen of baarden gegeven en andere jassen aangetrokken, maar ik heb, om tot het deftige dorp terug te keeren, van uit de hoogte willen behandelen Nederlandsche fatsoens- en vroomheidsopvattingen (die in onzen tegenwoordigen tijd weer zoo aardig aan het werk zijn) en ik heb daarvoor genomen toestanden die hebben bestaan. Ik zoek dus naar dingen die aansluiten bij mijn persoonlijke gevoelens.

--Zoodat u volstrekt niet behoort bij hen, die ieder stuk werkelijkheid, onverschillig welk, voldoende vinden om er over te schrijven of om het te beschrijven?

--O neen, dat kan ik niet, dan komt er niets van terecht. Op het fond ligt altijd wat ook in den lyrischen dichter zit, mijn persoonlijk gevoel. De aangedragen dingen kunnen hoogstens dienen ter illustratie van dat persoonlijk gevoel. Wanneer later van mij dat boek zal zijn verschenen, waarbij de menschen zullen spreken van optimisme, dan zal dat wezen omdat ik werkelijk door levenservaring en door de indrukken die teederheden op mij gemaakt hebben, ben gaan voelen de schatten helderheid die er zitten in de gezinsliefde, en daardoor meer optimist geworden ben, of althans een man van levensberusting. Ja--berusting--dat is eigenlijk het goede woord. "Het Leed" is hier in deze zelfde kamer, aan deze zelfde tafel geschreven, maar als het morgen een broertje krijgt, dan zal dat een heel anderen geest hebben. Ik zoek dus mijn onderwerpen, kleine verhalen en groote werken, zoodanig, dat mijn levensinzicht er zich in kan uiten.

--Een realist bent u dus in de opvatting van uw onderwerp nooit geweest?

--Neen.

--Maar nu wat de uitwerking betreft?

--Ja, bij de uitwerking wel. Ik tracht om zoo te zeggen verantwoording af te leggen, tegenover den lezer, van de ervaringen die ik in het leven heb opgedaan. Dus moet ik het leven zoo zuiver mogelijk mededeelen. En hoe kan ik dat anders doen dan realistisch? Maar nu is het verschil tusschen het realisme en mij, dat het realisme de ervaring van zichzelf weglaat. Wanneer u mij vertelt van uw gemeenteraden, dan kan een zuivere realist een schets maken van zoo'n raadzaal, maar ik zal geven de ervaring die ik heb van zoo'n raadzaal.

--Maar U deelt die ervaring, of liever dat inzicht, niet afzonderlijk mee.

--Natuurlijk niet. Wanneer ik dat deed, zou ik een slecht auteur zijn--(hier kon ik een beweging van tegenspraak niet weerhouden)--ja, want dan maak je tendenz-boeken. Maar ik zit zelf heel sterk in "Geertje"....

Hij stond weer vlak voor mij en maakte met zijn handpalmen die eigenaardige grijpbewegingen....

--Ik geef sterk in "Geertje" weer--mijn heel persoonlijke illusies--De Meesters illusies--van vrouwenliefde. Dat is het subjectieve in het boek. En het is voor mijn gevoel het werk van de critiek, uit te maken in hoeverre ik, bij dat subjectieve, zuiver heb weten te houden de teekening van de figuren. Dat laatste is natuurlijk de kunst. Van Deijssel heeft naar aanleiding van "Geertje" geschreven: De Meester is in onze generatie de man die hart in zijn werk legt.--Toen mijn vrouw mij vertelde van die dienstmeid--toen zei ik dadelijk: Dat mensen voldoet aan de verlangens, die ik als jongen van achttien jaar had van vrouwenliefde. Nu kwam de werkelijkheid vóor mij te staan en gaf mij zoo'n ideale figuur te aanschouwen. Ik had maar te copiëeren--maar ik deed het met de vreugde van iemand die heeft gevonden zijn ideaal.... Ik kan u dit misschien nog duidelijker maken door u te zeggen, dat mijn lievelings-auteurs ook menschen waren die als het ware geestelijk werkten. Vòor mijn vijftiende jaar al Multatuli, en daarna nog veel meer Rousseau. Dat zijn geen zuivere vertellers en geen zuivere schoonheidsmenschen. Dat zijn menschen die steeds hun inzicht in het leven geven. Daarna ben ik komen te lezen pessimistische literatuur, die aan mijn levensinzicht beantwoordde. Het is altijd geweest: mijn philosophie ... of neen, ik heb niets van een wetenschappelijk man ... mijn levensoverpeinzingen een vorm te geven door er vertellingen van te maken ... dàt is mijn eigenlijk werk.

--En vindt u niet, dat onze literatuur juist den anderen kant uitgaat?

--Neen, ik zou juist zeggen, dat er in den laatsten tijd stroomingen komen, die veel meer dien kant uit gaan. Scharten heeft naar aanleiding van "Geertje" o.a. dit geschreven, dat de romanliteratuur in de toekomst zoo zal zijn, dat er een soort van romantiek gaat door het realisme. Ik geloof dat de menschen bij ons hoe langer hoe meer, o.a. ook geleerd door uw vriend Goethe, komen tot het weer terug willen hebben van het Levensinzicht als basis van alle literaire kunst.

En als ik iets als onbelangrijk voel--als een ding dat me niet interesseert--dan is 't het realisme, dat aan de loutere beschrijving zonder meer van een brok werkelijkheid z'n volle kracht geeft. Dat zou ik nooit kunnen doen.