De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven

Part 16

Chapter 163,294 wordsPublic domain

... Maar--zoo hernam hij--om op de oudere Spinozisten terug te komen: Ik heb met Lotsy verscheiden malen in "De Kroniek" gepolemiseerd, maar dat bepaalde zich meestal tot het stellen van onvriendelijke noten van weerszijden onder de pagina's. Wat mij overtuigd heeft dat Spinoza inderdaad _idealistisch_ dacht, is het einde van de Ethiek, waar de "intellectueele liefde tot God" als het hoogst bereikbare van het leven gesteld wordt, als geheel liggend in de lijn van de volharding des menschen in zijn eigen zijn. Daarom meende ik dat ook een idealistische interpretatie van het Spinozistisch levenssysteem geoorloofd was. De vrucht daarvan is geweest mijn boek "_Levensleer naar de beginselen van Spinoza_," dat ik in 1900 uitgegeven heb bij Martinus Nijhoff.

Al meer ben ik toen ons geestesleven gaan opvatten als een bewustwording van ons innerlijke wezen en in die lijn is mijn geheele gedachteleven doorgegaan. En dat Spinoza nog steeds mijn sympathie heeft, kan hieruit blijken, dat ik op verzoek van de "Hollandia-drukkerij" geschreven heb de vertaling van de hoofdpassage's uit Spinoza's Ethica, met een inleiding over het Spinozistisch denken. Maar daar komt nu juist weer meer een cosmologische opvatting van het leven voor den dag, die ook in Spinoza steekt en die ik vroeger wel wat heel sterk afscheidde van de psychologische, nl. in deze uitspraak: De mensch is "God voor zoover hij niet-eindig is"--dat wil zeggen, dat er een eenheid is van het menschelijke en het goddelijke en ook het geestesleven als verschijning van den Cosmos moet worden doordacht. Dit echter is een verbreeding van het psychologisch denken--geen afwijking ervan.

U ziet dus dat wij een heel andere richting opgaan dan de veel beperktere van den psychologischen roman, die niet veel verder gaat dan directe analyse. Maar wel kan ik hierop laten volgen, dat, wat betreft den inhoud waarover dit denken zich uitlaat, het zich vooral beweegt in de innerlijke zielswaarden. Terwijl vroeger de theologie het menschelijk denken beheerschte en de onderwerpen waren bijv. "Praedestinatie en Wonder", of "De eigenschappen Gods", of "Godsbestuur en het kwade"--zijn in deze nieuwere speculatie de onderwerpen vooral: "Het ironische", "De eros", "Vrijheid en gezag", "Het verband van schoonheid en denken", "Geluk, geest en zinnen", "Het tragische", "De cultuur" e.d. Het zwaartepunt van de aandacht ligt in de sfeer der Psyche, wat niet wegneemt dat die zielsinhoud opgevat wordt als verschijnsel van cosmische beweging. Wat in den mensch is, is hetzelfde als in de geheele ontwikkeling van het wereldleven wordt vertoond. Zoo wordt echter de wijsbegeerte veel meer cultuur-denken en gaat veel meer in den breede dan de psychologische roman dit kan doen.

--Ik verzocht mijn gastheer nu, zijn standpunt scherp af te bakenen ten opzichte van de twee stroomingen, die na de "Nieuwe Gids" ons geestelijk leven trachten te beheerschen, de wijsbegeerte van het Proletariaat en die van de Zuivere Rede, welke Bolland's volgelingen hebben gesticht.

--Het moet altijd--zoo leidde hij op het eerste zijn antwoord in--de grondgedachte zijn van een wijsgeerige beweging, dat zij de cultuur hervormen wil van binnen uit en niet gelooft aan een werkelijke verhooging van de cultuur door economische maatregelen. Dat wil niet zeggen dat er een bepaald vijandige verhouding is tegenover die opvatting--het kan zelfs in zich sluiten een zekere erkenning van de onmisbaarheid van economische hervormingen. Maar het is niet de verwachting, dat daaruit werkelijk iets hoogers geboren zal worden. Dat wil dus zeggen: De maatschappelijke rechtvaardigheid is een ondergeschikt denkbeeld van de cultuur, maar het is niet gezegd, dat de maatschappelijke rechtvaardigheid een socialistisch stelsel van maatschappelijke vorming of hervorming meebrengt. In het algemeen _lijkt het_ mij, alsof de wijsgeerig gezinde een zeker aversie heeft tegenover afgesloten meeningen over de inrichting van de maatschappij. Ook moet men altijd een tegenstelling tusschen maatschappij en innerlijk zien, en daaruit volgt, dat dàn pas een hooger cultuur aanbreekt, wanneer de innerlijkheden op een hooger plan zijn gebracht. De wijsgeerig gezinde streeft er naar, het innerlijk te verhoogen en in zoo uitgestrekt mogelijke kringen werkzaam te zijn tot verheffing van het zedelijk bewustzijn. Hij onthoudt zich allicht van de propaganda voor zuiver uitwendige maatschappelijke verbeteringen. Dat komt dus neer op een eenigszins negatieve verhouding tegenover de socialistische strooming.--Deze is de begrippenvorming van de behoefte aan economische verbetering en gaat niet uit van het cosmologische begrip der Idee. Zij moet dus de geesteswaarden als surplus of toevoegsel beschouwen, terwijl deze juist de grondleggende zijn. Het is niet gezegd dat in een socialistisch goed geordende maatschappij het gedachteleven, het gemoedsleven, het kunstleven, hooger staan dan in een chaotische. Want tot nu toe zijn kunst en wijsbegeerte en poëzie in hun hoogste vormen geweest bij alle mogelijke soorten van maatschappijen. Een negatieve verhouding dus, die niet exclusief is tegenover maatschappelijke wijziging, maar er het intellectueele heil niet van inziet.

--Heeft dus volgens u de intellectueel niet veel te leeren van de grootsche gevoelens en ideeën die er leven in de massa, speciaal in het zich organiseerende proletariaat?

Zacht, beslist en precies luidde hierop het antwoord:

--Ik wijs af een opvatting, waarbij het innerlijk niet uit zichzelf leeft en waarbij de menigte naar economische motieven over het geestesleven wil heerschen....

--Heeft dan het innerlijk leven, zooals u het verstaat, te vreezen van een overwinning van de menigte?

Het antwoord ging even langs de vraag heen, maar ook hierin lag voor mij een antwoord besloten:

--Vrees heb ik er niet voor, omdat ik niet geloof dat ooit het innerlijk weerlegd kan worden door het economische. En omdat ik er toch ook in zie een poging tot wijziging van het maatschappelijk samenstel, waartoe op zichzelf een zekere grond bestaat. Treffend vind ik, dat in de latere gedichten van Gorter, de socialistische, datgene schoon is waarin het oude geluid van "Mei" naklinkt, zoodat men zeggen kan: Wanneer een socialistische maatschappij bestond, ook dan zou de schoonheid niet daaraan ontleend zijn, maar aan het innerlijke. Het innerlijke heeft zijn zelfstandigheid en geeft die niet op. Het is het eigenlijke dieptepunt, het centrale punt van leven en werkelijkheid. De loochening daarvan staat gelijk aan de ontkenning dat de cirkel een middelpunt zou hebben. De geestdrift der idee blijft altijd het ontspringpunt van schoonheid en waarheid en ook van goedheid. Elke maatschappij zal ten slotte weer haar waarde moeten ontleenen aan deze geestdrift, die niet uit het maatschappelijke maar uit het innerlijke komt.--

Wat nu de strooming van "Zuivere Rede" betreft, in het algemeen zou ik zeggen, dat de mensch altijd aangewezen is op de centrale gedachte om van daar uit persoonlijk het leven te doorzien--maar dat het stelsel in zijn naaktheid nooit deze rechtstreeksche zienswijze kan vervangen.... Wat niet wegneemt dat Hegel zelf een ziener is en voor hem de Idee de levende kracht is, die geheel de natuur en de cultuur draagt. Men krijgt bij hem heel sterk den indruk, met een ziener te doen te hebben. Dat echter de idee van Hegel alleen maar in zijn stelsel uitgewerkt zou kunnen worden, met andere woorden, dat het Hegelsche stelsel de noodzakelijke uitingsvorm is van de Hegelsche grondgedachte--dat stem ik niet toe. Althans, dunkt mij, _zal wel nooit de wijsbegeerte de kunst mogen of kunnen vervangen, maar juist de bezielende kracht moeten zijn voor kunst en moraliteit en religie tegelijkertijd_.

--Hoe is dan het verband tusschen kunstenaarwijsgeer en maatschappij; denkt hij, al speculeerend, daarbij aan hen die van zijn werk kennis zullen nemen, met andere woorden, stelt hij zich in dienst van zijn medemenschen?

--Dat vind ik een aardige vraag. Het is juist een vraag die dikwijls mijzelf bezighoudt, maar waarop een tweevoudig antwoord moet worden gegeven:

Het eerste antwoord is, dat ik mij verklaar tegen alle wijsgeerig aristocratisme, dat alleen aan zichzelf denkt.

En het tweede antwoord is, dat in hoogsten zin toch de wijsgeerige beschouwing, en het geheele denkerschap, een innerlijk heiligdom betreedt van het gemoed--waar zij ontoegankelijk is voor een ander.

Laat ik nu het eerste antwoord een beetje verbreeden: Het denkerschap heeft een roeping voor de maatschappij, nu wel niet in den preciezen zin van het woord, maar toch wel voor een zoo breed mogelijke groep van intellectueel gezinden. Ik geloof dat wijsgeerige beschouwingen helderheid kunnen geven, licht kunnen brengen aan veel meer geesten dan op het oogenblik daar nog van genieten. Ik zou er zelfs voor zijn, om bij het onderwijs aan de H.B.S. en het gymnasium te beginnen met het doceeren van wijsgeerige gedachtengangen. Op het gymnasium kan dat zeer goed door een uur vrij te maken voor de studie van de Grieksche wijsgeeren, en ook op de H.B.S. kan men met de kapitaalste figuren uit de geschiedenis der wijsbegeerte kennis maken. Dan moest men eenvoudig maar iets van het andere onderwijs opgeven, daar kan men wel wat van missen! Men zou bijv. de hoofdgedachten uit de "Kritik der reinen Vernunft" in de hoogste klassen van de H.B.S. kunnen toelichten. Er zou belangstelling kunnen gewekt worden voor Socrates, voor Cartesius, voor Spinoza en voor Kant--men zou desnoods kunnen werken met een gedeelte van de klassen, waarin zich belangstelling voor het intellectueele had geopenbaard, om zoodoende zooveel mogelijk aan een ontwikkelde meerderheid een begrip bij te brengen van intellectueele waarheden.

U ziet dus, dat het mijn bedoeling niet is, de wijsbegeerte af te zonderen voor een kleine groep. Maar boven deze ontwikkelden zal er blijven een speculatief gezinde minderheid, die zelf ook arbeidzaam kan zijn in het behandelen van wijsgeerige vragen, die zelf het denken meer als kunst zal kunnen behandelen. Dat is de groep die een eigen scheppingsdrang voelt en dezen niet slechts in kunst- en andere werken, maar ook in gedachtengangen wil omzetten, menschen die een enorm levensgeluk kunnen ontleenen aan hun actief-wijsgeerige belangstelling. Menschen die met goede leiding heel wat gedaan kunnen krijgen, terwijl ze nu in het onbestemde ronddwalen. Zoo meen ik zeker dat de wijsbegeerte nog heel wat meer kan doen voor de verheffing van zekere lagen der maatschappij dan ze tot nu toe gedaan heeft.

Maar ten slotte--en nu kom ik weer aan het tweede antwoord,--zal toch weer de wijsbegeerte zijn het denken voor de denkers zelf, die op de Pyramide een hoogere trap bereikt hebben, dan waarop de meerderheid zal kunnen komen.

Ik meen echter, dat de kunst al zooveel meer toegang zich verschaft heeft tot een grooter publiek dan er voor jaren was en ook de letterkunde, de poëzie en de dramatiek al zooveel meer gedaan hebben voor de geestelijke opvoeding van ons geslacht, dat hierin een aanwijzing ligt, dat ook de wijsbegeerte meer kan doen. En daarom begroet ik ook zulke inrichtingen als de Volksuniversiteit te Amsterdam, waar ik zelf ook les zal geven, met dankbaarheid.

Men ziet hieruit, dat naar mijn meening de wijsbegeerte van het innerlijke uit hervormingen zal verwekken, die misschien meer resultaat hebben voor den geestelijken bloei van ons vaderland dan oeconomische hervormingen. Niet dat ik die laatste gering schat natuurlijk, maar mijn liefde tot het geestesleven maakt, dat voor mij altijd weer de nadruk valt op de eerste.

Wanneer de wijsbegeerte zich niet open wou stellen voor een grootere schare, maar een apart bezit werd voor enkelen, die haar zorgvuldig omsloten hielden met hun zelfbewustzijn, dan kregen we heel licht een quasi wijsgeerige cultuur van velen, die zich de enkelen willen wanen--wat het Nietzscheanisme bij de Duitschers is--die ieder meenen dat zij den Uebermensch zijn--_omdat zij de scheidingslijn tusschen intellect en menigte met voorliefde trekken inplaats van met zekere teleurstelling_.

--Hoewel mijn gastheer--wat trouwens wel uit keus en geest zijner woorden voelbaar is--zeer rustig en met slechts weinig nuanceering in stem en toon sprak, klonk uit deze laatste woorden weemoed genoeg om mijn volgende vraag te motiveeren en deze luidde:

--Is het echter bij deze opvatting niet te vreezen, dat men zich zal laten verleiden tot een al te populairen zeggingsvorm, waarin dan de wetenschappelijke juistheid te loor gaat?

Neen--er is een zekere artistiek wijsgeerige bewoording, waarin aan de waarde der idee niets wordt afgedaan, maar wel een toegankelijkheid voor een grooter kring wordt geopend. De schoone vorm is voor velen, die anders van het abstract gehouden woord een zekeren afkeer hebben, het middel tot toenadering. Mijn ideestudies zijn niet strikt wijsgeerig, maar het innerlijk gehalte is het toch wel. Er is bij velen de mogelijkheid om zich in de centrale gedachte in te denken, zonder dat het geheele stelsel voor hen toegankelijk is. Deze menschen hebben meer intuïtief vermogen van speculatie dan zij didactisch vermogen hebben, maar ze zijn dan toch in de wijsgeerige cultuur mede inbegrepen. Een minder stelselmatige en meer artistieke voordracht kan toch hebben de hoogte of de diepte der idee die wordt benaderd. Ik geloof dat er veel meer menschen dan men vermoedt vatbaar zijn voor zelfbezinning en dat dit niet zoozeer een prerogatief is voor enkelen!

Het hangt allemaal af van de aanwezigheid van beschouwelijk temperament. Ik kan niet beoordeelen of dit beschouwelijk temperament in onze beschaving veel of weinig voorkomt. Het komt zeker veel voor bij menschen van wie men het niet weet. Men weet het alleen van menschen die zich uiten, niet van menschen die zich beschouwen. Althans, de hoogstrevendheid van het willen om wereld en leven te bezien vanaf de berghoogte--deze hoogstrevendheid is wel een innig-menschelijke behoefte en een innig-menschelijk belang; en moet dus wel aanwezig zijn bij meer menschen dan van wie men het merkt. En zoo vermoed ik dat er wel een grooter kring van bewoners dezer maatschappij aanwezig zal zijn, die vatbaar zal zijn voor het wijsgeerig woord.

--Ik merkte op dat ik thans aan de grens was gekomen van hetgeen voor mijn enquête, die immers hoofdzakelijk van letterkundigen aard is, van nut kon worden geacht, maar hij verzocht mij aan al hetgeen hij had gezegd eigener beweging iets te mogen toevoegen, dat ook verband hield met mijn gedachtengang.

--Het pessimisme, zoo zeide hij, is in de negentiende eeuw vrij algemeen de grondstemming geweest. Ik geloof dat ieder denker het pessimisme heeft doorgemaakt, dat zeer vele gemoederen in het pessimisme zijn blijven steken. Ik weet echter, dat zij die erin terecht zijn gekomen, in de wijsgeerige speculatie een kracht hebben om zich er uit te heffen. Dat slaat niet alleen op het stemmings-pessimisme van een voorafgaande periode of het Schopenhaueriaansch pessimisme dat een levenshaat tot inhoud heeft, maar ook en nog meer op het intellectueel pessimisme dat men sceptiek noemt. Want dat is eigenlijk de meest knagende vorm van pessimistischen gemoedsaard, die zekere sceptiek, waarbij men zich eigen gedachten niet vertrouwt, altijd zichzelf weerlegt, nooit met zichzelf in het reine komt, altijd als het ware achter zijn eigen gedachten gaat staan om die voor louter subjectiviteit uit te krijten. Dit intellectueel pessimisme wordt overwonnen, zoodra onze geestelijke energie zichzelf erkent, van zichzelf uitgaat en daarmede een vast punt heeft dat onverzettelijk is. Ik heb in mijn werk _De Weg tot het Inzicht_ ook niets anders bedoeld als den weg te wijzen tot dit vaste punt, als het denken--niet over allerlei onderwerpen, maar over zichzelf. Als toch het denken zichzelf erkent, erkent het meer dan eigen zielsinhoud: het erkent zijn eigen grond. Die grond is een cosmisch feit. Van daaruit kan het Denken het leven veroveren en met dat zelfbezit is pessimisme en sceptiek overwonnen. Zoo heeft de wijsbegeerte des te meer een cultuur-beteekenis voor het moderne geslacht der menschen.

Naar mijn meening vindt het geheele geestesleven zijn hoogtepunt in de religie, die niet de kerkelijke is en ook niet een aantal dogmen verkondigt, maar is het bewuste een-zijn met den wereldgrond, met God, dat wil zeggen: de innerlijke beleving van de waarheid zelf. Daardoor voelt de mensch verwantschap met de religies, zooals ze zich in de historie hebben voorgedaan. Daardoor zondert het wijsgeerig denken zich niet af tot een aparte cultuur, maar sluit zich geheel aan bij de religieuze cultuur aller eeuwen.

Het hoogste woord onzer wijsheid zal wel zijn de vereering, de eerbied voor God. Ik ben niet bang voor een verkeerde opvatting bij het woord God: het is beter dat men er een naïeve opvatting bij heeft dan heelemaal geen. Het zich los voelen en apart voelen uit het wereldgeheel is het noodlottigste sentiment: dat is de machteloosheid, dat is de onvrijheid. Het bewustzijn der eenheid met God is de vrijheid. Daarom eindigt Spinoza zijn Ethiek ook met de verheerlijking van de geestelijke liefde tot God als hoogste levensmoment.--

Hier eindigde ons gesprek, voor zoover het betrekking had op den trek van Kunst naar Bespiegeling, die niet alleen voor Bierens de Haan maar tevens voor het geestelijk leven in ons land zoo kenmerkend is. Het overige gaat buiten den lezer om. Maar één eigenaardigheid moet ik nog vermelden. Ik had dien namiddag enkele uren door te brengen in het gezelschap van een veertigtal woelige en ongevormde Hoogere Burgers en -burgeressen. Het is opmerkelijk dat zulke ongecultiveerde jongelui, zoodra ze in een _groep_ zijn vereenigd, volkomen onbewust voelen of ge u zelf zijt of niet. Door hun gedrag vertellen ze u of ge vermoeid zijt of afgetrokken, en menig leeraar raakte het stuur over zijn klasse kwijt door _buiten_ zichzelf te treden. Welnu, mijn jongelui toonden dien middag bijna ademlooze aandacht voor het weinigje dat ik hun mocht voordragen, en ik weet zeker dat dit is toe te schrijven aan den moed en zekerheid die ik uit dit gesprek had geput.

We spraken dus en ten slotte vroeg ik hem wat toch de beteekenis is van 't beeldhouwwerk aan zijn schoorsteenmantel. Hij deelde het mij mede, en een beschrijving van zijn (weliswaar niet huiselijken, doch persoonlijken) haard moge niet alleen dit opstel, maar ook het relaas van geheel mijn onderzoek besluiten en symboliseeren:

De hooge schouw is omgeven door een eikenhouten lijst, waaruit, te weerszijden, het borstbeeld van een Faun en een denkerskop te voorschijn treden. Zij kijken elkander aan over den haard van mijn gastheer, maar men weet niet of ze elkander wel zien. De Faun heeft het oog gericht op een figuur, bestaande uit twee dooreengevlochten driehoeken in een cirkel. Hij stelt voor de natuur in haar dubbel-karakter van grilligheid èn planmatigheid. De denkerskop (hij gelijkt iets op Goethe in zijn laatste jaren) ziet uit naar een stralende ster: hij stelt voor het geestesleven, door het geestelijk Licht bestraald. Tusschen beide borstbeelden slingeren guirlandes over den houten lijst, die elkander halverwege in een vlammend altaar--den wereldhaard--boven den menschelijken haard ontmoeten. Achter den Faun (in een afzonderlijk vak) prijkt een boom, de natuurkracht; achter den Denker de duif met aureool, aldus de geestelijke bezieling voorstellend.

Deze schouwlijst wordt geschraagd door zandsteenen zuiltjes, waaruit de kop van den denker Plato en de kop van den dichter Dante te voorschijn komen en de kamer in staren.

Het moet schoon zijn, zijn haard te vestigen tusschen natuurkracht en geestelijke bezieling, wanneer die beiden elkander in een vlammend altaar ontmoeten.

Moge onze Nederlandsche cultuur zich harmonisch en wel-bewust ontwikkelen volgens dit symbool. Dan staan wij schrap tegenover geestelijke vijanden die onze cultuur bedreigen--gelijk onze duinen, waar deze ménschelijke haard geplant is, schrap stonden en staan tegen een materiëelen belager.

Kerstmis 1913.

BIBLIOGRAPHIE:

De psychische afkomst van het oorzaakbegrip. Een studie tot kennis van menschelijk denken (1895)--De norm der waarheid is in onszelf (1897)--Idee-studies (1898)--Levensleer naar de beginselen van Spinoza (1900)--Plutarchus als godsdienstig denker. Een gestalte uit de Grieksch-Romeinsche godsdienstgeschiedenis (1902)--Wijsgeerige studies (1904)--De weg tot het inzicht, eene inleiding in de wijsbegeerte (1909)--Uren met Spinoza, een keur van stukken uit zijne werken, vertaald en met een inleiding en aanteekeningen voorzien (1913).

INHOUD

Ter Inleiding Johan de Meester Karel van de Woestijne Josine A. Simons-Mees Cyriel Buysse Frans Bastiaanse Herman Robbers Is. Querido Carel Scharten Adama van Scheltema P.N. van Eijck Dr. J.D. Bierens de Haan

ILLUSTRATIËN

Frontespiece: Louis Couperus Johan de Meester Karel van de Woestijne Cyriel Buysse Id. Op het balkon van zijn werkhuis Frans Bastiaanse Id. Herman Robbers Id. Carel Scharten. Id. Adama van Scheltema Id. P.N. van Eijck Dr. J.D. Bierens de Haan