Part 15
Tegenover heel veel menschen met vaste levensopvattingen begin ik sceptisch te staan, omdat ik niet weet uit welke basis die levensopvatting is opgekomen--of er de groote Twijfel aan is voorafgegaan--of er een diepe ziel achter zit,--maar wanneer ik Dostojefsky's groote twijfelaars lees, dan weet ik uit welken ondergrond zijn positief ideaal is opgerezen, en dat geeft mij ook de hoop en het geloof dat ik voor mij zelf zal vinden. Vindt u het niet typisch, dat bijna al die zelfkwellers van zijn boeken onder de dertig zijn? Dat beteekent voor mij véél, want hij schreef ze toen hij veel ouder was.... En ik weet, dat wanneer ik heb gevonden, ik niet heb gevonden voor mijzelf alleen--maar voor duizenden.
En wanneer ik dan talent genoeg heb--dan zal ik een geestelijk leider kunnen zijn. Daar zit geen hoovaardigheid in--want er zijn twee praemissen: Ten eerste dat ik zou vinden; ten tweede dat ik talent zou hebben. Ik hoop op den goeden weg te zijn naar dit ideaal, en dat ik bewust de dingen wil die voor den sterkeren dichter noodzakelijk zijn, is voor mij van belang. Men moet toch reiken, wil men iets _be_reiken. In den bouw van mannen als Kloos en Gorter ontbreken die elementen en dit maakt dat ze nooit tot een van de groote leiders van de menschheid konden worden, al was Kloos toch een groot dichter. En nu meen ik, dat in hen die men thans de jongere dichters noemt, en die misschien wel weer andere elementen missen, laat ik dat er bij zeggen, een paar elementen zijn, noodwendig voor groote leiders--zoodat het alleen van hun persoonlijk talent of genie afhangt of ze het werkelijk zullen zijn.
Nu is u toch wel duidelijk geworden--niet waar--dat er in mij niets is van een intellectueel schema, maar wel een streven naar zuiver en diep leven--dat is: een door een sterke persoonlijkheid doorvoeld leven, dat ik niet im Voraus in banden mag knellen. Dat _dit_ mijn streven is--een van de meest karakteristieke dingen van mijn werken--de adem die er doorheen gaat--is daarvan het bewijs. En ik wil even zeggen, dat iemand die mij voor intellectualistisch houdt, mijn studies maar behoeft te lezen om te zien, wat de hoofdzaak is wat ik begeer. In al mijn studies tracht ik een psychologische synthese te geven van den mensch die in een bepaald werk leeft en van de manier waarop hij het leven voelt. Mijn critieken zijn opgebouwd uit bewondering en enthousiasme voor den mensch die achter het werk zit.
--Wij hebben nog lang gesproken over dingen die hier minder ter zake doen. Hij meende dat ons onderhoud min of meer mislukt was, dat hij zich te onbestemd, te woordenrijk, te aarzelend had uitgelaten. Ik echter maakte hem het volgend compliment: In tegendeel, U lijkt wel een Belg. Ik bedoelde dan: een intellectueele Belg. Dit zijn Belgen niet gauw naar mijn ondervinding, maar àls ze het worden, zijn 't zeer fijne cosmopolitische geesten en--dan zijn ze er vroeg bij, hebben een gevestigd oordeel over de dingen des levens als een ander nog studeert.... Om de waarheid te zeggen--ik overdreef een beetje om hem gerust te stellen, want hij was bang dat hij dien nacht in bed allerlei ideeën zou krijgen, die hij mij had moeten mededeelen. Ik twijfelde toch wel een klein beetje, of ik den weg zou kunnen vinden in den berg aanteekeningen, die ik had gemaakt, terwijl hij geagiteerd-moeilijk en toch niet buitengewoon snel tot mij sprak. Maar zoodra ik buiten stond, voelde ik de Eenheid in hem, en zijn enthousiasme bleef mij bij toen ik dien avond mij gaan liet door het gistende Den Haag.
BIBLIOGRAPHIE:
De getooide doolhof (1909)--Worstelingen, Getijden, (1910)--De Sterren (1911)--Uitzichten (1912)--Bevrijding (1913).
VOETNOTEN:
[9] Dit was een opmerking van mij zelf. Ik had beweerd, dat achter de Nieuwe-Gidskunst de wereldbeschouwing van het positivisme voelbaar is, die aanneemt dat men niet begin (oorzaak) en einde (doel) van de verschijnselen kan kennen, maar slechts het "midden" (--heden).
BIERENS DE HAAN
[Illustratie: Foto P. Clausing Jr.--Haarlem Dr. J.D. BIERENS DE HAAN (eind 1913)]
(* 1866)
De lezer wete, dat Bierens de Haan tot de zeer enkelen behoort, die mij in den tijd dat ik mijn weg nog moest zoeken, zonder overhaasting hebben aangehoord en mij den raad hebben gegeven, die over de moeilijkheden van het begin heen voert. Voor 't eerst maakte ik toen intiemer kennis meteen werkelijk wijsgeers-temperament. Mijn groote dankbaarheid heb ik nooit nadrukkelijk geuit, maar wel in mijn houding doen blijken, en zoo is er in den loop der jaren een zekere vertrouwelijkheid ontstaan. Dien morgen echter zat hij tegenover me met een glimlach, dien ik nog niet van hem kende. O, hij was mij niet vreemd geworden! Hij heeft de eigenaardigheid, die ik overigens vooral bij schilders heb opgemerkt, dat niemand hem absoluut vreemd is; zijn onbewust maar zeer actief indringingsvermogen geeft reeds bij eerste ontmoeting de gewaarwording dat hij u jaren kent. Maar de eigenlijke verkwikkende voeling kwam pas, toen ons "interview" was afgeloopen en hij niet meer met een zekere reserve dóór mijn aanteekenboek heen tot het publiek sprak. Na de eerste verwelkoming--hij had in een fauteuil naast mij gezeten--stond hij vastbesloten op en bereikte in een paar stappen zijn werktafel. Ik zeg met voordacht: een paar stappen. Want terwijl zijn rijzige gestalte met enkele losse en toch sierlijk-bedwongen bewegingen door de kamer ging, had ik het gevoel dat hij een zaal doorschreed en dat er een groote afstand lag tusschen de mij zoo bekende werktafel, waaraan hij plaats nam, en mijn stoel bij het venster. Tot dezen prijs dus had ik het korte, heusche briefje gekocht waarmede hij mijn verzoek om een "vraag-gesprek" inwilligde! Ik besefte dat er voor hem groote zelf-overwinning mee gemoeid was, dat hij het publiek den _groei_ van zijn persoonlijkheid ging verhalen: Een sterk geconcentreerd gemoed is een _geheel_ en sluit de wonden die aan zijn oorzaken herinneren; het is zijn grootste genot zichzelf onafhankelijk te bezitten en zijn vroegere afhankelijkheid te vergeten. Maar mijn gastheer, nu hij uit vriendelijkheid en belangstelling voor mijn werk eenmaal had toegestemd, deed van de moeilijkheid waarin hij zich bevond verder niets blijken. Hij debiteerde niet de gemeenplaats, dat hij "het land had aan persoonlijk gedoe", welke ik in den laatsten tijd wel eens heb hooren uiten in een toon en een tempo, die de woorden ten duidelijkste wêerspraken. Slechts dat fijne gebaar van zich terugtrekken verraadde (of verkondigde?) de opoffering die hij overigens glimlachend volvoerde,--gelijk oprechte offers plegen te worden gebracht. En zich verontschuldigend, dat hij het een en ander had opgezocht en dus niet onvoorbereid was en zijn antwoorden niet improviseerde, deelde hij mij het volgende mede:
In September 1887 is hij begonnen "De Nieuwe Gids" te lezen met groote sympathie èn met een zekere terughoudendheid. De sympathie gold de volkomen vrijmaking, die de nieuwe beweging bracht: Ik voelde dat dit het punt was van overeenkomst tusschen hen en mij: er moest op dat oogenblik absolute vrijheid zijn, dat wil zeggen: Het subject moest geheel zich zelf kunnen wezen en dus de banden, de zeden die tot nu toe waren vastgesteld, moesten losgemaakt worden. Dat was het, dat ik sympathiek vond en daarbij kwam: Het doen gelden van de directe levende waarde van het Woord. In het woord heb ik altijd mijn eigen leven teruggevoeld: Het woord moest levend zijn, de mensch moest het woord hebben om zijn innerlijk te uiten. Dat had ik al voorvoeld bij het lezen van Milton en Shelley, maar omdat het geen Nederlanders waren, was toch nooit het besef van het levende woord zoo tot mij doorgedrongen als toen "De Nieuwe Gids" mij daarvan de openbaring gaf.
Deze twee elementen zijn de aanknoopingspunten geweest, waardoor hij zich--hoewel jonger dan de leiders--in de beweging voelde staan. Maar tegelijkertijd voelde hij een zekere terughoudendheid, omdat hij inzag dat het intellect, het geestelijk gehalte, ontbrak: Het was als het ware "Lyriek zonder idee". Hoewel nog zeer in het onbepaalde, begreep hij wel dat lyriek en idee op een of andere wijze verbonden moesten worden: Het zoo uitsluitend impressionistisch gevormde woord heeft mij tegelijkertijd aangetrokken en onbevredigd gelaten.
Hij was toen student in Amsterdam, waar hij een jaar gestudeerd heeft, voor hij naar Utrecht ging. Te Utrecht vond hij in de studentenwereld een vrij duffen geest. Er was nog niets bekend van wat in de hoofdplaats van ons land de gemoederen in beroering bracht. Hij poogde de studentenmaatschappij wat schoonheidsgevoel en wat nieuw-letterkundig gevoel bij te brengen, maar zonder succes. Hij schreef in dien tijd in realistisch-impressionistischen trant eenige verhalen en naderhand onder pseudoniem een enkel stuk in "Nederland", maar bij dien schrijftrant is hij niet lang gebleven "omdat mijn studie mij ook riep naar meer speculatieve waarden." Toen zijn een tijdlang Fransche schrijvers als Verlaine, Maeterlinck, Hello zijn gidsen geweest, vooral de laatste om de mystische grootschheid en idéerijkheid van zijn woord. Ik weet niet of ik hen nu nog zoo hoog stel als vroeger.
Dit heeft zijn heele denken geleid in een richting, verwant en toch weer niet verwant aan "De Nieuwe Gids". Het eenige stuk waaruit dit duidelijk blijkt is geweest, in den laatsten jaargang van de oude serie van dat tijdschrift, een "Psychologie van het leven". "Dat stuk," zoo verhaalde hij mij, is zeker heel onvolmaakt, maar het toont toch dat mijn werk een andere richting uitging dan de zuiver literaire, waar ik mij tevoren toe had geroepen gevoeld.... Ik blijf de "Nieuwe Gids" eeuwig dankbaar voor de openbaring van de zinnelijke waarde van het woord, dat het woord niet een abstractie is, maar een direct symbool, waarin ons innerlijk zijn sprekend equivalent kan vinden. En wanneer ik bescheidenlijk zeggen mag, dat ik eenigen stijl heb, dan is 't omdat het woord altijd voor mij die waarde heeft behouden en nooit abstract geworden is. Ik meen dat dit ook het groote onderscheid is tusschen de wijsgeerige schrijfwijze van vroeger en mijn schrijfwijze--dat toen het woord alleen gold als term en wij nu het woord als een levend bezit kunnen handhaven. Er is een zekere zinnelijkheid in het woord, dat onmisbaar is om het woord zijn beteekenis als levend equivalent van den geest te doen behouden.
In dien tijd werd "De Kroniek" opgericht en dit was het terrein waarop hij zijn eerste werk heeft geleverd. Hij woonde toen in een uiterste hoekje van Twente. Hij genoot daar op bijzondere wijze van zijn landelijke omgeving. Die landstreek had iets geheimzinnig eenzaams, dat hij sindsdien nergens heeft teruggevonden. Typisch voor de afgeslotenheid waarin hij leefde is wel, dat de menschen daar hem "de Hollander" noemden. Het kan wel zijn dat het mijn gemoedsstemming was, die zich daarin weerspiegelde, maar die geheimzinnige eenzaamheid, met de eigenaardige flora, die ik ook nooit meer heb teruggezien, wekte een sterke eenheid met de natuur in mij op. Dat geeft een zoo lokale kleur aan je gemoed, dat het waarschijnlijk voor anderen niet zoo benaderbaar is als voor den persoon die het zelf heeft doorleefd. Een streek--van moeras en heuvels--in groote eenzaamheid--ver van alle verkeer gelegen. Ik woonde er ook geheel als vreemdeling. En dit gaf mij die buitengewone bekoring van terug te duiken in het natuurleven, en dus heel sterk dien band te voelen met natuur en zinnen, die behoedt tegen louter abstract zijn, waartoe de wijsbegeerte zoo licht aanleiding kan geven.
In samenhang daarmee en in tegenstelling tegelijk, heb ik mij toen meer rechtstreeks stelselmatig toegelegd op de wijsgeerige studie. Ik ben begonnen met de positivistische philosophie van Hume--waarschijnlijk omdat men meestal begint met met zijn vijanden af te rekenen. Die vijand namelijk is een element van ons eigen gemoed. Als hij niet in ons woont bestrijden we hem niet.... Ja, deze leer woonde in mijn gemoed en dat was voor mij een aanleiding om het positivisme ernstig te onderzoeken en tegen-motieven te vinden. En van Hume kwam ik op Spinoza.
Mijn eerste studie in "De Kroniek" was een stuk over Spinoza. Ik meende in hem een levensleer te vinden die uitgaat van de geestelijke Idee.
Daarmede had ik mijn werk gericht in de lijn der wijsbegeerte en ben toen uit de directe omgeving van de literatuur losgeraakt. En onderwijl heb ik voor mij zelf een reeks kennis-theoretische studies ondernomen, die ik nooit gepubliceerd heb en die wel zeer onrijp zullen wezen, maar die voor mij dit voor hadden, dat ik nu het Kennen leerde beschouwen als een geestesarbeid, en dus onzen geest als _activiteit_, in tegenstelling tot de positivistische opvatting, die ons geheele geesteswerk beschouwt als een associatie, als een soort van natuurproduct.
Maar Spinoza heeft weldra mijn liefde gekregen, en er zijn weinig weken in mijn eerste tiental studiejaren geweest, dat ik niet in Spinoza gewerkt heb....
Wanneer u nu vraagt naar de vrucht van de periode, waarin dus eenerzijds in mij het levende natuurgevoel en de zinnelijke waarde van het woord versterkt werden en anderzijds in mij de bewustwording van de Idee werd aangekweekt, dan verwijs ik u naar mijn bundel _Idee-studies_. Ik had onderwijl een paar studies geschreven: de eerste was over het oorzaak-begrip, en met de tweede was ik in de gewenschte lijn gekomen: zij was getiteld: "De norm der Waarheid is in ons zelf". De geestelijke waarde werd daarin vastgesteld als een eigenschap van eigen subjectiviteit. Daardoor krijgen de denker zoowel als de artiest het recht tot zelf-openbaring. En zooals de artiest zijn zelfopenbaring als schoonheid aanziet, heeft de denker het recht zijn zelfopenbaring als waarheid te erkennen. Ik stelde dus een parallel tusschen denker en kunstenaar vast. Maar de idee-studies zijn dan, eigenlijk, laat ons zeggen, de rijpe vrucht van die periode, waarvan ik de twee zijden nu tegenover elkaar heb uiteengezet.... Ik heb daar veel pleizier van gehad en ben juist bezig aan het bewerken van een tweeden druk: het is zeer eigenaardig, weer in de sfeer te komen, waarin ik toen een pooslang heb geleefd. Ik heb er eenige studies aan toegevoegd, die ook uit denzelfden tijd zijn. Het blijkt mij ook, dat de idee-studies bij vele verwante gemoederen sympathie hebben gevonden.
--In hoeverre heeft, volgens u, de Nieuwe-Gidsbeweging leiding gegeven aan het geestelijk leven in ons land?
--Ik gevoelde dat er een groot verlangen was naar een nieuwe kunst en ik was verzekerd dat de "Nieuwe Gids" die geven zou. Ik kon nog niet zien de personen die hem zouden geven, omdat in de verschillende leiders zeer schoone eigenschappen zichtbaar waren, maar geen aanwijzing van het groote werk dat door henzelve beloofd werd. Ik meende ook dat de nieuwere tijd een speculatiever inhoud zou hebben dan alsnog door de "Nieuwe Gids" werd gegeven. Maar dat de beweging een noodige heilzame was voor de vernieuwing van het bewustzijn, voor de vrijmaking van den geest, en dat de nieuwere cultuur in het verlengde daarvan liggen zou, dat heb ik direct geloofd. Ik meen ook dat de wijsgeerige beweging een afstammelinge is van de Nieuwe-Gidsbeweging. Toen het tijdschrift voor wijsbegeerte werd opgericht, heb ik een inleidend artikel ervoor geschreven. Daarin heb ik gezegd.... Maar laat ik u liever een stukje voorlezen:... "een wijsgeerige _beweging_ zou niet hierna gevolgd zijn, zoo niet daar geweest ware de literatuur van '80. Want door deze werd in het breede een intellectueele behoefte wakker, die niet door de exakte wetenschap werd voldaan. Zoo kon voor de wijsbegeerte ontstaan een terrein voor algemeener belangstelling dan der enkelen. Het lag bovendien in den aard der beweging van '80, dat uit haar een wijsgeerige behoefte ontwaakte. Immers zij was niet maar een aktie tot voortbrengst van literaire werken, doch veeleer een kultuurbeweging, in welke zulke werken werden voortgebracht. De uiting was hoofdzakelijk belletristisch, maar de uiting is het wezen niet. De nieuwe literatuur bracht een nieuwen factor in de geestelijke beschaving aan, nl. den hartstocht der Taal. Zooals de oudere schrijvers een moraal, een geloof, een roeping en een godsdienst hadden, en bovendien schrijvers waren, zoo had de nieuwe literatuur geen moraal noch godsdienst dan den hartstocht der Taal. De Taal te hebben was een geloof; de eigen verbeeldingswaarde en het muzikaal karakter der Taal te kweeken was een roeping. Het Woord was niet maar als een ongevoelde klank en uitdrukkingsmiddel ten bate van voorstelling en begrip, doch een vrije Macht. De vrije vaan des Woords, door haar gevoerd, was aanwijzing dat zich een kultuur toebereidde--die breeder gebied zou omvatten dan roman en vers. Zoo kon de literatuur van '80 voor het intellekt een aansporing zijn, die ook de wijsbegeerte ten goede kwam.... Maar nu zou blijken waarheen de Taal drong. Want de macht, die zij geeft over de stof, noodigt tot wijsgeerige bezinning. Taal en denken zijn tweelingsuitingen des geestes; en een kultuur die de vrije beweging des woords tot leus heeft, kan wel beginnen bij het zinnelijke woord maar moet eindigen bij het geestelijke. De Taal heeft een voorstellings- en een muzikale wereld in zich, maar ook een begripswereld; want deze laatste is tegelijk met de taal zelve uit den aard der menschelijke subjectiviteit (den geest zelf) voortgevloeid ... dat de literatuur van '80 haar terrein verbreeden en de grenzen der literatuur overschrijden moest (waaruit blijkt dat zij inderdaad een kultuurbeweging en niet slechts een literaire school was) volgde uit haar opzet, die voor haar literatuur te groot was. Want terwijl de leiders een hervorming van het Nederlandsche geestesleven in vooruitzicht stelden, was hun literatuur overwegend lyrisch. En alleen een dramatische letterkunde heeft de breedheid die een kultuur omvat. Zoo kon dan de beweging van '80, voor zoover zij literatuur was, haar voornemens niet vervullen en werd juist in dezen kring de nood gevoeld om de literaire inspiratie te voeden door aan het leven een breeder inhoud te geven, gelijk bleek in die leiders, die hun arbeid verlegden naar het terrein der maatschappelijke hervorming...." Boeken heeft mij toen bestreden en gezegd dat de Nieuwe Gids niet direct den hartstocht der Taal kweekte, maar met een nieuwe levensbeschouwing kwam. Ik heb toen met citaten uit "De Nieuwe Gids" bewezen, dat voor hem de taal werkelijk alles was waar het om ging, en zoo de intellectueele waarde der Taal naar voren moest komen en de wijsgeerige beweging volgen kon of moest.
--Met de opvatting dat de beweging van '80 geen levensbeschouwing bracht kon ik niet instemmen. Ik had in een buitenlandsch tijdschrift de stelling verdedigd, dat de literatuur-beschouwing van de "Nieuwe Gids" eigenlijk een levensbeschouwing was, en vroeg mijn gastheer dan ook, of hij niet had opgemerkt dat alle jongere schrijvers van die generatie een gemeenschappelijke levensopvatting waren toegedaan. Zijn antwoord stelde mij teleur.
--Ik weet alleen dat het in den beginne over het algemeen positivistisch gezinde menschen waren. Ik denk dat dat kwam door de eenzijdige voorliefde voor de zinnelijke waarde van het woord. Aanstonds zijn er grootere gevoelens doorgebroken. Als u Van Eeden tegenover Verwey, Kloos tegenover Van Deijssel stelt, dan ziet u toch, dat dit zoo heterogene menschen zijn, dat van eenheid in levensbeschouwing heel weinig sprake is geweest. Op dat oogenblik bestond de behoefte ook niet aan ontwaking, omdat het leven voor de taal het heele gemoed van de Nieuwe Gidsers innam. Dat was het nieuwe gebied dat door hen geopend werd.
--Deze meening was mij ook reeds door anderen tegemoet gevoerd. Ik had gehoopt dat Bierens de Haan mij zou bijspringen. Ik deed een laatste poging om hem in mijn richting te leiden: Of dan niet juist een gebrek aan levensbeschouwing de jongere dichters vereenigde? vroeg ik.
--Dat zou u kunnen zeggen, kreeg ik ten antwoord, wanneer niet dat gebrek een noodzakelijkheid geweest ware. Omdat de aandacht zich zoo richtte op de schoonheid, was de revolutionnaire strekking van de beweging niets anders dan dit voorop te stellen. Dat zou tenslotte armoede zijn geworden, wanneer niet de beweging in de richting van het wijsgeerig denken door was gegaan.
--Het woord "armoede" leek mij in dit verband toch wat sterk gekozen, en dit bracht mij tot de vraag, wat dan het onderscheid was tusschen de romanliteratuur, door de tachtigers en hun verwanten gegeven, en de wijsgeerige verdieping die mijn gastheer bedoelde?
--Het onderscheid is dit, dat in het wijsgeerig denken de behoefte ontstond aan een stelselmatige levensbeschouwing, dat wil zeggen: aan de centrale Idee, de centrale gedachte, de gedachte van waaruit het leven kan worden doorzien, de levensuitingen kunnen worden begrepen en gewaardeerd--en die behoefte is in de romanliteratuur die u bedoelt natuurlijk niet aanwezig. Ik heb die centrale gedachte aanvankelijk bij Spinoza gevonden. Toen was mijn denken meer psychologisch-wijsgeerig, terwijl ik het nu liever cosmologisch-wijsgeerig noemen zou.
In Spinoza lag de grondgedachte dat het leven is een volharding in ons eigen zijn. Van daaruit werden zoowel moraliteit als religie begrepen en indirect ook de schoonheidszin, hoewel Spinoza dien factor van onzen geest eigenlijk voorbijziet. Maar Spinoza had dit, dat hij althans tot het diepste punt van onze natuur doordacht en van daaruit zijn levensbeschouwing opbouwde. Dit was de noodige aanwijzing voor een wijsgeerige levensleer. En nu is het merkwaardige dat Spinoza juist ook aangewend werd door de meer positivistische denkers, de oudere philosophen, zooals Van Vloten en Lotsy bij ons....
--Hier maakte ik de opmerking, dat van het gebrek aan levensbeschouwing bij de tachtigers tot aan het streven naar meer wijsgeerige bezinning nog een stap te doen bleef. Moest, zoo vroeg ik, niet eerst de overtuiging postvatten, dat een centrale gedachte in principe te vinden zou zijn?
Mijn gastheer beaamde dit, en hij verduidelijkte mijn bedoeling door te spreken van den stap van het positivisme naar het idealisme. Het was juist in den strijd tegen het positivisme, dat het idee van de activiteit van onzen geest naar voren kwam. Waar de geestelijke activiteit is, daar heeft ze haar eigen begrippen, daar stelt ze haar eigen beginselen, daar stelt ze ook de centrale gedachte. Het lag in de consequentie van den strijd tegen het positivisme, dat men de centrale gedachte vond.
--De eenigszins wijsgeerig georiënteerde lezer begrijpt, dat ik zeer gesticht was door deze duidelijke verklaring. Hier had ik dan uit den mond van een philosoof, die rechtstreeks stamt uit de Nieuwe Gidsbeweging, die in die beweging tot wijsgeer is geschoold, een bevestiging van mijn hypothese, dat de grond-idee, die bewust of onbewust in de Nieuwe Gidskunst is neergelegd, is de pseudo-philosophie van hen, die zeggen geen wijsgeer te willen zijn. De schijn-verlichtheid van het Comtisme, het spooksel dat men had te overwinnen om uit de kunst van tachtig tot een werkelijk hoogere trap van cultuur te komen....
Het speet mij niet dat ik Bierens de Haan had afgeleid van Lotsy, met wien hij, ik ontveins het mij niet, nog gaarne een appeltje had geschild. En in mijn milde stemming liet ik hem nu maar voortspinnen aan een denkbeeld, dat eigenlijk niet in mijn lijn lag,--al behoort het tot het grootste dat het wijsgeerig vorschen ten onzent in de laatste vijfentwintig jaar heeft opgeleverd.