De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven

Part 12

Chapter 123,558 wordsPublic domain

Integendeel, zou ik zeggen. Ongetwijfeld zal een rechtvaardiger wereld, met minder oeconomische en zedelijke misstanden, de menschheid meer gelegenheid geven, wat geluk te bemachtigen. De gunstige of minder gunstige omstandigheden _van buiten_ hebben zeker eenigen invloed op het innerlijk van den mensch. Maar toch komt het mij voor, dat de sociaal-democraten wat al te véél verwachten van die uiterlijke omstandigheden en te weinig letten op het arme, verharde innerlijk der lijdende menschheid, dat door géén uiterlijke omstandigheden diep-in te wijzigen is.

Zoolang de tijden van strijd daar zijn (en hoe min gevorderd de strijd, hoe méér) zien begeesterden als Gorter en Roland Holst om zich heen of in hun verbeelding, hoe andere begeesterden-voor-het-Ideaal schóón worden en rein in zijn gloed.--Doch dit heeft niets te maken met _de inwerking van betere toestanden op de massa_. En zoolang de kleinzielige menschenkinderen niet geleerd hebben, met ruimte en met begrip _elkander_ aan te zien, te beoordeelen, te verdragen,--zoolang is er voor de menschheid geen werkelijk geluk weggelegd. Het geldt hier niet de ontwikkeling van het intellect, doch de ontwikkeling van het gemoed.

En ziehier de overoude en onverouderbare roeping van den epischen en den dramatischen dichter, dat is, voor onzen tijd, van den romanschrijver en van den tooneelschrijver.

De roeping van den romanschrijver is, dringender dan ooit, (zijn kunnen zij groot of beperkt): de menschheid aan zichzelve te onthullen, zichzelve te doen verstaan.

Een beroemd socialistisch auteur, wiens werk men het allerminst aan zou zien!--wie het was, doet er niet toe, geen Hollander--bekende mij eens, de tegenwoordige menschheid te haten; hij vond haar leelijk en enkel afkeerwekkend. En dat is ook niet buiten de sociaal-democratische lijn; het is geen quaestie van sentimenteele armenzorg, zeggen zij, maar van Recht.

Zeer juist; doch het lijkt mij geen gunstige praedispositie voor het verstaan en doen verstaan dezer leelijke menschheid, haar slechts hatend te schuwen. Men kan die leelijke menschheid, in al haar klassen en soorten, ook liefhebben.

En ziehier mijn overtuiging: dat de menschheid wel vooruit te brengen is door het Recht, doch alleen te redden en gelukkig te maken door de Liefde.

Van die liefde zal de kunst éen der instrumenten zijn.

In dien jeugd-tijd van Walden en van "De Arbeid" was mijn hoogste droom, ééns te worden "de zanger aller menschenzielen" (het zijn de laatste woorden van mijn Voorhal),--nu is (ik sta niet meer alleen) ons beider beste gedachte, te pogen, de leelijke, de arme dwaze kinderen onder de menschen, zoo goed als de lieve en de goedwillige, te begrijpen, en te dóen begrijpen, door hen, innerlijk verklaard, te laten herleven in onze boeken.--Denk vooral niet, dat wij, 't geen _wij_ daarin tot nog toe gedaan hebben, overschatten; wij staan nog in het begin van onze loopbaan en wij betalen nog leergeld met ieder boek. Maar onder al onze fouten voelen wij, ongeschokt, waar wij heen willen.

Men heeft ons verweten, voorkeurloos, en gelijk-op met hun omgeving, verzamelingen van menschen uit te beelden, aldus leverend een naturalisme op zijn smalst, of wel: een litteraire film.--Het is een uitgebreid misverstand, waartoe--dat neem ik graag aan--sommige _uiterlijke_ eigenaardigheden aanleiding hebben gegeven. Het is zeker waar, dat er in onze boeken soms _te_ veel beschreven werd. Het naturalisme had ons er aan gewend, _alles_ te zien, niets onvermeld te laten, en zelfs het onbeschrijfbare te beschrijven. Zonder dit te bedoelen, kan men zooiets "uit zijn litteraire afkomst houden." Wat een aanwensel, een overblijfsel was, heeft men verkeerdelijk voor den _aard_ van ons werk aangezien.--Er zijn bovendien enkele soorten van beschrijving, die altijd goed en noodig zullen blijven; de stemming gevende (doch zij zal, hoe langer hoe meer, liever suggereeren dan in bizonderheden treden) en de enkel _psychologische_, die juist in bizonderheden treedt, van een interieur bijv., om den bewoner ervan te doen kennen. Een criticus--het was geloof ik Querido--zei eens van zekere beschrijving van ons, dat zij stemmingloos was ... waar het volstrekt niet om stemming was te doen! De opgenoemde voorwerpen even te "omdompelen in goudgloed" ware niet zoo heel moeilijk, maar wel fout geweest; het gold een opsomming van voorwerpen, welke, met een nauw merkbaar lachje, de eigenaardigheden der bezitster moest te verstaan geven.

Doch dat wij geen felle voorkeur hebben voor onze personen, dat pleit, dunkt mij, enkel vóór ons. Als er ééne verdienste is, bijv. in ons "Huis vol Menschen," dan is het de geestes-houding der schijvers, die al deze menschen uit dat huis met een gelijke genegenheid aanzien. Scherp wordt, om iets te noemen, Aristide's egoïsme ontleed, doch de laatste maal dat men hem ziet, het is wanneer Célestin hem vindt, in slaap gevallen bij een kaars, en ontroert over zijn argelooze jeugd, zooals hij daar slapend ligt, en stilletjes weer weggaat. Deze en dergelijke dingen vind ik zelf, nu op een afstand van meer dan vijf jaren, het beste in "Een Huis vol Menschen."

"Sprotje" kenmerkt dezelfde eigenschap. Sprotje lijdt niet door de schuld der anderen. Haar moeder is een beste vrouw, haar zusters hebben het wel goed met haar voor, Juffrouw Jonkers en de armetierige "Mevrouw" kunnen het al evenmin helpen. Sprotje lijdt--omdat het in de wereld zoo is, en omdat zij-zelf zoo is als zij is.

"Sprotje" is eigenlijk een zuiver historisch-materialistisch werkje, maar het is zuiverder dan het waarschijnlijk zijn zou, indien een historisch-materialistisch schrijver het geschreven had, omdat het geheel zonder _tendenz_ is.

Zoo is ook--één criticus, de vaak diep-gaande Van Campen heeft het opgemerkt--"De Vreemde Heerschers" een zuiver-socialistische roman,--zonder dat het dit zoozeer bedoelde te wezen. Maar wij leven in de tegenwoordige wereld, wij buigen ons aandachtig over die wereld heen, en wij beelden haar uit zooals wij zien dat zij is. En waar zij bewogen wordt door kapitalistische drijfveeren, daar openbaren die zich in ons werk.

Evenwel, wij hebben geen vooropgezette voorkeur voor de verschillende partijen, voor de _menschen_, en wij bestudeeren gelijkelijk de deugden en de ondeugden van de Contessa Margherita, van de verschillende priester-typen en van de bevolking der beide bergdorpen.

Mijn critisch werk ontslaat mij van de beantwoording van verscheidene uwer vragen. Daarin vindt gij, beter dan ik het hier in een paar woorden zeggen kan, mijn antwoord; en zoo het nagaan van meer dan tien "Gids"-jaargangen wat veel gevergd is, dan verwijs ik u naar "De Krachten der Toekomst." Die nemen bijv. wanneer gij vraagt "hoe mijn standpunt ten opzichte van de Nieuwe Gids-strooming zich in den loop der jaren gewijzigd heeft," het antwoord over, waar deze brief u bij mijn medewerking aan "De Arbeid" in den steek laat. (Zie o.a. het opstel "Dichters van drie Geslachten" 1905, en vooral laatstelijk, mijn opstel "De Roeping onzer Dichtkunst (Natuur en Kunst in de Poëzie)" in "De Gids" van Mei 1913.)

Bij een _algemeene_ kenschets van de Nieuwe Gids-beweging (zooals gij mij vraagt--ik kan niet ontkennen, dat het onderwerp mij ietwat vermoeit, ik zou liever over andere dingen spreken) bij een _algemeene_ kenschets, zeg ik, kan men nooit heel _diep_ gaan, omdat dan altijd een of meer persoonlijkheden dier beweging, die er zoo wijd-verscheidene omsloot, buiten onze beschouwing geraken.

Doch dít is de hoofdzaak, sinds lange jaren door mij en vele anderen voor waar gehouden: dat deze beweging, na het _banaal_-algemeene van de kunst vóór haar, het zocht in het individueele. De trotsch en de hoogheid van dat individueele was het wat ons in onze jeugd, bij de schoonste dier individualiteiten, Kloos, Van Deyssel en Gorter, betooverde. Toen dat individualisme opsteigerde tot toppen, die boven de stijgkracht weken van de taal, is het, juist bij de geniaalsten onder hen, in gruizelementen ineengestort.

Als zij zich weer oprichtten, was Kloos verbijsterd, Gorter stamelde onnoozel proza; Van Deyssel had een nieuw schrijversleven te beginnen. Van Eeden was maar in enkele werken na "De kleine Johannes" met de eigenaardigheden der richting meegesleept. Maar alle de anderen, voor zoover zij zich herstelden, hebben behouden uit hun jeugd (de prachtige Van Looy niet uitgezonderd):--een voorkeur voor het afwijkende en ongehoorde, een voorliefde zelfs voor het duistere, en een anarchistische willekeur.

Wij jongeren daarentegen (die na ons komen, mogen uitmaken, in welke opzichten wij onderdoen voor onze voorgangers) begeeren in zoo zuiver en beheerscht mogelijk Hollandsch zoo klaar mogelijk te zeggen wat wij te zeggen hebben.[6]

De Nieuwe Gidsers gaven er niet om, of zij al dan niet begrepen werden, zij hadden lak aan "het publiek,"--wij zijn tot de menschheid weergekeerd, waartoe wij wenschen te behooren, met wie wij wenschen te leven om haar te begrijpen en wederkeerig door haar begrepen te worden. En worden wij eens niet begrepen, dan vinden wij dat niet zoo tragisch, omdat wij gereedelijk aannemen, dat het dan wel aan ons zal liggen ... en aan onze "afkomst."

"Hoe zieker zenuwen, hoe beter kunst"--is dus een echte Nieuwe Gids-gedachte. De uitslag heeft de onjuistheid ervan aangetoond. Er is uit de overspannen sensitivisten ten slotte een onleesbare wankunst voortgekomen.

Dus: "hoe gezonder zenuwen, hoe beter kunst?" Dat zou ik evenmin willen zeggen, want wat ik voor juist houd is: "hoe _gevoeliger_ zenuwen, hoe beter kunst," en gevoelige zenuwen, al zijn zij gezond (en zeker, dat moeten zij, wil er blijvende kunst ontstaan, wel wezen), zullen altijd licht-vatbaar blijken....

Overigens weet ik bij ondervinding, dat stoornissen in het zenuwgestel een tijdlang bevorderlijk kunnen zijn voor de kunst-productie. Ik had vroeger periodiek asthma-aanvallen; ik was gedwongen daarvoor verdoovende geneesmiddelen te nemen; het vrijkomen uit die verdooving en de beterschap was een verrukkelijke gewaarwording. Het gaf een soort martelende en heerlijke eb-en-vloed in mijn leven, die zeer "stemmingvol" was....

Toen de kwaal genas, miste ik dien eb-en-vloed terdeeg. Er was iets leegs in die egale gezondheid. Nu na jaren het evenwicht zich hersteld heeft, verlang ik heusch niet naar mijn eb-en-vloed terug....

----En nu wilt u weten, welke rol documenteele studie en verbeelding in ons werk hebben?[7]

De documenteele _studie_ bepaalt zich tot: _leven_. Wij leven, wij leiden ons leven en wij ondergaan het leven, gevoelig blijkbaar voor indrukken. Bij dat leven denken wij zelden of nooit aan schrijven. Een enkele maal teekenen wij wel eens iets op, dat wij curieus vinden en "om te vergeten".... Juist die dingen gebruiken wij vaak niet.

Nu gaan wij aan het werk, met als archief: onze herinnering. Maar vlak-af copieeren doen wij die nimmer. Op zijn minst wordt de werkelijkheid onzer herinnering totaal verfantaseerd en gecomponeerd tot een nieuw geheel. Het gebeurt ons niet zelden, dat wij er niet meer in slagen, ons de werkelijkheid zelve, die tot een schepping aanleiding gaf, nauwkeurig te binnen te brengen.--_Portretten_ komen in ons werk weinig voor; komen zij voor, dan betreft het hoogstens de _uiterlijke_ verschijning eener bijfiguur, die wij opeens vóór ons zien.

Zoo "Een Huis vol Menschen"; zoo "De Vreemde Heerschers." Een jonge schilder, van wien uiterlijk Aristide wat heeft, zijn wij eens tegengekomen, in de huisgang, met een meisje, dat wij voor een grisettetje hielden. Een juffrouw, die pastoorshoeden verkocht, zagen wij in haar "magasin," toen wij haar appartement wenschten te huren. En een oud, lief dametje, dat blijkbaar in ons huis woonde, vroeg mij tweemaal op straat, hoe het met mijn vrouw ging, zij had iets van ziekte bij den conciërge gehoord.... Hoe zij heette, wie zij was, of op welke étage zij woonde, weten wij niet, en Jozette zal zij wel nooit hebben gekend. Van Célestin is alleen de karbonkel op zijn muts authentiek.

Van die menschen, over wie wij verder ook niet meer dachten of spraken vóór wij het plan opvatten van dat boek, wisten wij dus al heel weinig af; één indruk hunner persoonlijkheid; verder zijn zij geheel creaties. En bij dat creëeren, uit allerlei onvermoede verten van uw leven, komen dan verwonderlijk en vanzelf de tallooze trekken op u af, die gij noodig hebt.

Maar "Sprotje" is _louter_ verbeelding. De figuren leven zóó innig, nietwaar, dat ik u eerlijk moet zeggen, mij niet meer te kunnen voorstellen, dat zij niet werkelijk bestaan.

En toch heeft de schrijfster ze geen van alle gekend. Voor de voornaamste figuren, Sprotje zelf, de moeder, de zusters, Hein, Juffrouw Jonkers, zou zij zelfs niet zekere prototypen, tenzij het _algemeene_ menschentype, kunnen aanwijzen. Slechts voor enkele bijfiguren stonden haar een paar gekende menschen soms een oogenblik voor den geest.

En aan die waarachtige algemeen-menschelijkheid, aan dat geschapen-zijn uit de diepte der menschheid zelve, dankt "Sprotje" ongetwijfeld de door ieder erkende zeldzame qualiteiten, waarover de echtgenoot der schrijfster dus zeker niet zedig hoeft te doen.

Uw vraag ten slotte: wat ik denk van de kunst in een eventueel socialistische toekomst "waarin economische en daarvan min of meer afhankelijke zedelijke conflicten werden vermeden,"--die heb ik eigenlijk al beantwoord. Er zal kunst zijn, zoolang er menschen zijn; en werden die menschen engelen,--dan denk ik aan hetgeen die lieve Franciscaner zei, die met mij voor een schilderij van Raphaël stond: "En hòe zal hij niet schilderen, nu dat hij in den Hemel is!"

Ik hoop, waarde heer d'Oliveira, u naar wensen te hebben ingelicht, zonder al te langdradig te worden. Geloof mij, met onderscheiding, uw dienstvaardige

CAREL SCHARTEN.

BIBLIOGRAPHIE:

Bijdragen in "Amsterdammer", "Arbeid", "Kroniek," "Spectator" en "De Gids". In dit laatste tijdschrift, sedert 1903, aanvankelijk in samenwerking met M. Scharten-Antink, het "Overzicht der Nederlandsche Letteren"--Voorhal (Verzen) (1901)--Guido Gezelle (1902)--De Krachten der Toekomst (1909)--Het Spelling-vraagstuk (1911)--Het wezen en de zending der letterkundigkritiek. (1913).

In samenwerking met M. Scharten-Antink: Een Huis vol Menschen, verhaal uit het Parijsche leven (1908)--De Vreemde Heerschers, verhaal van de Italiaansche meren (1911)--Julie Simon, de levensroman van R.C. Bakhuizen v.d. Brink (1914).

Vertalingen:

Jules Renard, Natuurlijke Historietjes (1909) In samenwerking met M. Scharten-Antink: Honoré de Balzac: Het gevloekte kind (1906)

VOETNOTEN:

[6] Even opmerkenswaardig als verklaarbaar is, dat degenen onder de jongeren, die het meest over hebben van de anarchistische exuberantie der Nieuwegidsers, de Joodsche schrijvers zijn, die, van den anderen kant, aan de "Nieuwe Gids" en diens zich-opsluiten-in-zich-zelf geheel zijn ontgroeid, menschenscheppers als zij bij uitstek werden: Querido, en Heijermans in zijn Diamantstad.

[7] Ons laatste, _historische_, werk "Julie Simon", blijft natuurlijk buiten de volgende mededeelingen.

ADAMA VAN SCHELTEMA

[Illustratie: Foto Koene & Büttinghausen ADAMA VAN SCHELTEMA (Amsterdamsche periode)]

[Illustratie: ADAMA VAN SCHELTEMA]

(* 1877)

Wie de leidende personen van ons nationaal geestelijk leven opzoekt, leert daardoor tevens ons land in zijn meest karakteristieke plekken kennen. Hij raakt zoo vertrouwd ook met de omgeving van denkers en kunstenaars, dat hij verband en overeenstemming gaat bespeuren tusschen man en woonplaats; niet alsof het milieu den man en zijn denkwijze gemaakt had', maar aldus, dat de man na lang zwerven een zoo passende woonplaats heeft gevonden, dat hij er uit schijnt te groeien.

Ditmaal voerde mijn weg, van het doodsche asfalt, door stekelig electriek beschenen, onzer eerste koopstad, langs bosch- en duinrand naar de jonge kunstenaarskolonie Bergen.

In deze streek, zoo bevallig door Hildebrand geteekend, hebben de dorpers blijkbaar nog niet begrepen dat die stadsmenschen tòch wel komen, en, misschien ook wel in verband met het sòort stadsmenschen dat er komt, hebben ze, heel anders dan de Zandvoorters bijv., een bijna kinderlijke beleefdheid, een natuurlijke welgemanierdheid bewaard, welke herinnert aan de landlieden, door de dichters uit de Engelsche meeren-school bezongen. Ze detoneeren niet in de mooie natuur. Men kan zich ongestoord aan zijn stemming overgeven, en aan die eigenaardige stilte, die door de nabijheid van de wijde zee veroorzaakt wordt--ook al ontmoet men nu en dan een afgezwoegden, schonkigen dorpeling.

--Hier, op de grens tusschen ons vette akker- en weiland en onze hoogste duinen, waar men, ver van Amsterdam, toch iets van Amsterdam's beste essence meent te proeven, heeft Adama van Scheltema zich onlangs neergezet in zijn huisje genaamd "De Windroos".

En als men in het portiek staat, naast de bakken met vroolijk-decoratieve geraniums, leest men, voordat men de deur _verder_ openduwt, het opschrift:

Ik zie naar ieder wind Op elke verre kust Doch in mij zelve vindt Gij aller streken rust.

een fiere uitspraak, die den dichter welke haar vormde op karakteristieke wijze eert.

Het lage huisje, onder zijn hooge roode dak, ligt verscholen achter een boschje jong eikenhout, waarin men een toegangslaan heeft uitgehakt, iets ter zijde van den hoofdweg. Er achter een weiland, dat tegen de duinhelling verloopt, met veel bloemen, de eigenaardige flora van die streken: naast de schimmig-armoedige witte klaver, de welgedane roode klaver; naast de stijlige purpur-bloeiende bastaard-wederik, de thijm; naast witte koekoeksbloem, de gele honing-klavers met hun doordringenden geur van versch gesneden gras. Waar de duinen beginnen, staat de forsche boer met donkeren ringbaard, die mij zooeven vriendelijk groetend den weg wees, in de stralen van de dalende zon bedaard zijn hooi te keeren. En om hem heen dartelt een wit paard, lezer, een paard dat zich heelemaal vrij voelt en, naar ik verneem, bijna nooit werkt. Zijn lange witte manen en zijn lange witte staart wapperen hem na, terwijl het in wijde sprongen over de vlakte giert en zijn lenige flanken schudt om toch maar vooral zijn vroolijkheid te uiten. We zien dit alles, geleund aan een van de hooggeplaatste vensterkens van Scheltema's "werkhok", en zijn toen overeengekomen, dit beest een "gepensioneerd paard" te noemen.

Dit is niet maar een losse aardigheid van me, o lezer: Ik beweer dat ge het volgende maar half begrijpt, als ge u niet telkens dit gepensioneerde witte paard poogt voor oogen te stellen, zooals het dien avond zorgeloos wentelde en sprong door de zomersche scheemring. Is niet in de woorden van dezen dichter, ook als hij de ellende van het menschenleven meet, een zorgelooze blijmoedigheid als van dit vrije paard, dat ver van de menschen woont?

Adama van Scheltema is een breedgeschouderde, nogal gezette en blozende kerel met een wilden Sudermann-baard. Hij is zeer donker van haar en oogopslag. Hij beweegt zich langzaam en toch vrij. Zijn vrouw is heel rank en heel blond en zweeft meer dan ze loopt.

Men leest in zijn blik dat hij veel van de waereld heeft gezien en toch ook groote bescheidenheid, om niet te zeggen bedeesdheid. Hij spreekt nogal moeilijk en houdt u toch gespannen. Zijn woorden komen traag; daarentegen houdt hij, ondanks afdwalingen, aarzelingen en een zekere verstrooidheid, steeds den draad van zijn verhaal vast, zoodat ons gesprek rustig verloopt. Hij werkt ook zoo langzaam, vertelde hij mij. Men voelt terstond hoe iedere gedachte bij hem een panorama van andere gedachten wekt. Daardoor wordt hij natuurlijk wel eens afgeleid, vergeet dat hij niet alleen is, kijkt een oogenblik het verschiet in dat zich voor hem opdoet. Dit schijnt hem dan rust te geven en zichtbaar gesterkt hervat hij het gesprek.

Hetgeen ik hieronder weergeef bespraken we voor een deel in een erker van zijn woonvertrek, terwijl voor onze oogen het witte paard zijn sprongen maakte; boven hem in een wat te deftige lijst hing het ondeugend tronie van Jopie Bremer, ons aller vriend, (geschilderd door Marinus Broekman),--en dat kwam goed uit, want hij vertelde in echt-Amsterdamsche woorden van zijn Amsterdamschen tijd.[8] Later droeg zijn vrouw fluks alle lampen van het huis bijeen, en schikte ze in verschillende hoekjes, waar ze gezellige schijnsels gingen gieten, maar de kamer met zijn Italiaansche pleisterbeeldjes en gravures lieten in halfduister, waarin de gebeitste betimmeringen, de witte muren met de nog geurende rieten lambrizeering een geheimzinnig effect deden: en toen kwam het meer diepzinnig gedeelte van ons onderhoud.

Ik had hem vooraf geschreven wat ik ongeveer wilde weten, en dus kon hij aanvankelijk zonder onderbreking voortpraten:

Als gymnasiast van zeventien, achttien jaar maakte ik kennis met "De Nieuwe Gids". We leefden in een kleine club op het gymnasium als enthousiaste kleine literatoren, en we hadden een blad, waar ik ook in schreef, ons orgaan, dat eigenlijk een klein nieuwegidsje was. Maar van begin af heb ik altijd bij mijn enthousiasme voor die richting een vreeselijke leegte gevoeld, ik heb er iets in gemist, iets dat je in het leven zoekt als steun. De heele beweging berustte op een paar negaties. Een opstandigheid tegen het vroegere geslacht, die we in ons eigen leven ook sterk gevoelden, maar die je verder niets gaf dan een schralen troost boven het gymnasiale leven uit, dat ik altijd ellendig ben blijven vinden en tot op den huldigen dag heb vervloekt, zooals die verschrikkelijke kerels, die zuivere philologen uit de school van Cobet ons hebben geplaagd.

Toen ik student werd kwam ik ook weer in een klein wereldje--je blijft altijd in een klein wereldje opgesloten in je jeugdjaren, maar dan groeit je begeerte uit naar de openbaring van wat je in je hebt als jonge kunstziel.

En toen kwam de tooneeltijd.

We hadden als studenten een tooneelvereeniging, die bloeide toen nogal. Elk jaar gaven we een groote uitvoering en daar besteedden we heel veel tijd aan. Ik had veel aanleg voor het tooneel en ik speelde daar nogal groote rollen. Zoodat ik hoe langer hoe meer van tooneel ben gaan houden en tegelijkertijd bleef schrijven ... als klein kind heb ik eigenlijk al geschreven.

Mijn eerste jaar was een rauw studentenjaar, maar daarna kwam een beetje de bezinning. Toen moest ik duchtig werken om al die verloren studie-uren weer in te halen. Na mijn eerste examen, daar kwam ik goddank door, het propaedeutisch in de medicijnen, begreep ik dat ik eigenlijk moest kiezen. Ik merkte wel dat als ik in de medicijnen bleef studeeren er van letterkundig werk niets zou komen ... ik heb nooit kunnen begrijpen hoe Aletrino en Van Eeden dat hebben kunnen vereenigen ... ze dokteren ook trouwens niet meer. Ik vind: je moet überhaupt aan één ding alles geven. Menschen die als bijgedoente schrijven, dat vind ik uit den booze.