Part 10
O, ik heb zooveel van de menschen, van de collega's te lijden gehad! Als ik van het oordeel van sommigen onzer grootste schrijvers had afgehangen, toen ik als broekje van 21 jaar Meditaties schreef, dan had ik mij eenvoudig laten doodknijpen! O! die behandeling, die ik heb ondervonden van Kloos, die ... die illustreert mij zijn onvermogen om jonge auteurs, die aan het uitbotten zijn, te erkennen en te begrijpen. Als ik mij aan hem had moeten storen, dan was ik doodeenvoudig vernietigd geweest! Dan had ik nooit meer de pen opgenomen! Slechts onder enkele omstandigheden is hij in staat de waarheid te onderscheiden. Maar hij is erg gul in het pluimpjes geven aan zijn vrindjes. En moordend ... móórdend is hij opgetreden tegenover jongeren, die niet meededen aan de overdrijving van zijn kwaliteiten als dichter".
Lezer, ik wil u niet beschrijven de korte, forsche, hartstochtelijke gebaren van dezen vurigen mensch. En er is iets in mij, dat mij er van terughoudt, soms. Mij dunkt, wie eenig gevoel heeft voor taal, die moet uit Querido's woorden, zooals ik ze hier met groote toewijding tracht na te smeden, voelen en zien,--zijn beeld voor oogen,--de trillingen van zijn smallen mond; die moet weten, zooals ik altijd geweten heb, dat vaak, als hij in vervoering komt, zijn rechtermondhoek omlaag zakt en zich verbreedt; die moet zijn oogleden zien rimpelen, zijn schouders zien schokken, zijn knuisten zien scharnieren open en toe; die moet hem daar zien staan, zwaar 't krachtige lijf op korte, stevige beenen, den kop met de kleurwisselende kijkers en de woest naar achteren gevaagde manen: glans-zwart tegen de zacht-gelige kap van zijn lamp....
--Ik vind, dat onze letterkundige werking op het oogenblik in een bloeiperiode verkeert, maar natuurlijk nog lang niet is wat ze zijn moet. Alles is te essenciëel-klein, er wordt te veel nadruk gelegd op geraffineerde détails. Zelfs een man als Streuvels, die in zijn eerste werk de groote lijn heeft gevoeld, is weer aan het verbrokkelen, door het feit, dat hij geen dramatiek, geen psychologie heeft. De strijd van kleine werkertjes als Steynen en Van der Meer tegen het zoogenaamde naturalisme is belachelijk, omdat zij hem voorstellen als iets nieuws, terwijl hij door ons en anderen al veel eerder werd gevoerd. Alle groote kunst, waarvan de maker ontroerd was, raakt op eenige manier het Eeuwige, onverschillig of hij symboliek, naturalisme, mystiek brengt. Shakespeare was volstrekt niet minder dan Dante, omdat hij meer realistische mystiek gaf, en Dante meer transcendentale mystiek. De verschillende mengsels van psychische eigenschappen kunnen er mij nooit toe leiden, een heele figuur te verwerpen. Want in iederen kunstenaar is iets onaantastbaar eeuwigs, dat de dingen overgiet met een innigen glans, waaruit alles opbloeit naar het schoone.
--Men zegt wel eens, dat ik niet voldoende zelfbeheersching heb. Mijn intieme vrienden moeten wel tot het besluit komen, dat men zich vergist. Nu reeds drie jaar lang ben ik bezig, rustig en bezonken, te verzamelen een oneindig groot aantal impressies en waarnemingen. Dit woord, laat ik het direct zeggen, lijkt mij veel te hard. Want _ik kan niet waarnemen_. Als ik den geheelen dag rondloop, dan kan ik misschien een uurtje doen wat men waarnemen noemt. Kijk, deze kleine boekjes heb ik altijd bij mij. Daarin maak ik zeer korte aanteekeningen, en die zijn voldoende om de impressie vast te houden. Ach, drie jaar geleden is het, dat ik op een gloeienden Maandagmiddag in half Juli door den Jordaan liep. Dan komt die ontzaglijke tros van orgels terug, die hun rondgang door de stad hebben gemaakt, en dan hebben de orgellui wel eenige neiging om, terwijl 't niet mag, in de Willemstraat eenvoudig een klein muziektoevoegseltje te geven aan 't volk. Dan zie ik daar een grooten kring van menschen, die op heel bijzondere wijze dansen. De heele straat staat te branden in het goud-coloriet van den zomerdag. De witgejakte meiden, met de prachtige bloote nekken, dansen in geweldige rijen, en de kerels staan rustig te beschouwen het rokkengezwaai van die meiden. De wasem van 't goud van den dag slaat je tegemoet en die goudbeschenen meiden staan zich daar uit te leven, te midden van die angstwekkend- vulgaire, doch triestig-eentonige muziek, die er stroomt uit de strotten van die orgels, uit de kelen van de registers, te midden van dien gouden zonnezang.... O, als ik daar bij ben, dan kan ik niet komen tot een objectieve beschouwing van zoo'n straat. Dan zie ik alles als een onmetelijk groot schilderij, met een wasem van Rembrandt-goud er over heen. Zoo zie ik al de grachten van de oude stad, met haar oude pakhuizen en haar wankele trapgevels. Ach, als een schilder heb ik op alle uren van den dag de tonaliteit van de stad bestudeerd, en ik zeg 't u, meneer, dat ik 't schande vind, dat ik daar nog nooit een schilder heb ontmoet. Die oude stad Amsterdam is van een geheimzinnige schoonheid, een wonder van atmosfeer en tonaliteit, en daarom zal ik mij er nooit toe kunnen bepalen, alleen het menschenleven van de Jordaan weer te geven. De omgeving moet erbij, altijd weer de omgeving ... een mensch op zichzelf bestaat niet!... Aan de Teertuinen, daar heb ik 's morgens om vijf uur staan blauwbekken om mee te mogen doen aan het sneeuwscheppen, en zeer diep is mij bijgebleven de impressie van den zeldzaam-verlaten wit-sneeuwen ochtend. Er zijn geen twee in ons heele land, die de woningtoestanden in de Jordaan zoo goed kennen als ik, dat durf ik gerust te zeggen. De menschen_massa_, die vind ik het schoonst, die beheerscht mij altijd. Een figuur op zichzelf schilderen vind ik heel aardig, en mijn Bresser en mijn Strooper toonen wel, dat ik dat niet versmaad, maar het meest voel ik voor den _drom_. Mijn vrienden zeggen wel eens: Kerel, je bent absoluut schilder, en ik voel 't: dikwijls heb ik een schilders-temperament.
Ik wil in een van de deelen van mijn Epos het misdadigersleven beelden, zooals het leeft en werkt in de duisternis en de angstige buurtverborgenheid in de hoofdstad. Ik omgeef mij met misdadigers. Ik leef met misdadigers, dikwijls in de gevaarlijkste omstandigheden. Dit werk is, met het oog op de chantage, allerellendigst. De hoofd-commissaris heeft 't mij indertijd gezegd: Kerel, je loopt er nog eens leelijk tegen aan. En dat zal ook wel eens gebeuren. Maar ik _moet_ dat meemaken. En hoewel ik dikwijls moet omgaan met kerels, die er niets in zien, mij mijn oogen uit mijn hoofd te krabben, zoodra de lust bij hen opkomt, gaat er van dat bandietenleven een eigenaardige bekoring uit, omdat het mij toont de menschelijke hartstochten in hun absoluut ongebreidelden vorm. Mijn eerste studie over crimineele anthropologie zal nu verschijnen in "Groot Nederland". Hierbij doet zich het eigenaardige feit voor, meneer....
--Ik luister.
--... is er één natuur-historicus, meneer, die het in zijn hoofd haalt, de wilde beesten te gaan bestudeeren in den dierentuin? Wat is een leeuw in een beestentuin? Kun je hem achter de tralies ooit mooi zien knauwen op zijn prooi, kun je daar ooit waarnemen dat onvergelijkelijk grootsche zoeken naar zijn prooi? En waar, meneer, bestudeeren de weinige crimineel-anthropologen, die wij hier hebben, den misdadiger? In de gevangenis, meneer, nóóit in de vrijheid, nooit in de werkelijkheid. O! die heeren kunnen misschien iets weten van den schedelbouw van een misdadiger, van zijn morphologie, maar ga hun eens vragen wat zij u kunnen vertellen van de verschrikkelijk diepe grotten en spelonken van de misdadigersziel? Weten zij hoe de moordenaar, de souteneur, de kinderen-verkrachter, de ontaarde, de prostitué, de inbreker denkt, leeft, voelt, werkt?...
En terwijl ik in het hartje van den Jordaan studie maak van de alleruiterste depravatie, terwijl ik slaap bij het Leger des Heils, samenwoon met moordenaars, kan het mij gebeuren, dat ik een enkel verloren uurtje zit te studeeren in Darwin, Rousseau, mij dring in het gekristalliseerde leven van vroegere eeuwen, die eeuwen, die ik werkelijk zie, ieder in haar eigen kleur, als groote hallen, waar ik kan wandelen.
En ... mijn natuur is zeer pessimistisch. Is niet bij iederen idealist de grondtoon zeer somber? Bij tijd en wijle vind ik 't heele leven, ook 't allergrootste, nietig. Ach, vraag ik mij dan dikwijls af, waar heeft toch zoo'n Rembrandt voor geleefd? Is een planeet, die daar zoo verre staat te schitteren, in zijn eeuwigheid niet veel grooter, ondanks zijn onbewustheid, dan wij, al zijn wij ons van ons innerlijk wezen bewust?"
Weer stond hij op, Querido, en nu begreep ik wat zijn ongeduldig halsgerek beduidde. Want plots sloeg hij de balkondeuren open en trok mij naar buiten. Daar, voor ons, in de herfstschemering, in vochte violette nevelen, lag de wei, en vaagjes zichtbaar, omsluierd, daar achter het fijn geboomte van 't Willems-park. En was ik gevoeliger geworden door de extatische ziele-stem van den dichter?... Ik weet het niet ... maar een breede beklemming bezwaarde mij.... Want ik meende te zien, dat de grijsgroene boompjes met d'r rengelende bladeren vormden in de donker-violette nevelen een wijden kring en wachtten berustend den avond af. Nog een paar minuten, en Querido, vóór zijn orgel, deed zoete schemerharmonieën tonen door 't kamerruim....
Sinds ik dit boekte zijn zes jaren voorbijgegaan. Velen, die het in een van onze groote dagbladen lazen, hebben mij te kennen gegeven dat ze er een ophemelarij van Q. in zagen en het stuk te weinig zakelijk vonden. Een brief van hem zelf, waarin het heette dat het artikel "met groote, trillende liefde" was geschreven, heeft mij wel tot nadenken gestemd, maar ik moet toch blijven bij mijn oorspronkelijke opvatting, dat ik zijn mededeelingen met de grootst mogelijke objectiviteit heb weergegeven. Ik zou niet alleen hem, maar vooral mij zelf te kort hebben gedaan indien ik anders hadd' gehandeld....
Echter heb ik misschien te weinig gevraagd naar het verband tusschen zijn socialistische opvattingen en zijn kunst, naar de evolutie van zijn ideeën.
Misschien had ik er ook wél naar gevraagd ... en mij ten slotte maar neergelegd bij het feit, dat hij zich niet gemakkelijk laat onderbreken ... ja, geneigd is een schuchtere onderbreking als een onheuschheid te beschouwen. Hoe dan ook, ik vroeg hem nog eens over die onderwerpen te spreken en met het vaste voornemen, op mijn stuk te blijven staan, klopte ik aan zijn deur.
Wat hadden de jaren veel verandering gebracht! Ik voelde bij de eerste woorden dat hij rustiger en meer gereserveerd was geworden. Zijn haren waren pas gekortwiekt (vergeef mij de beeldspraak, als ge ze tenminste bemerkt!). Hij zat nu niet in een zeer ruim studeervertrek met aangrenzend archief, doch in een spaarzaam gemeubelde kamer in een leelijke Amsterdamsche Pijp-straat. En had hij mij vroeger allerlei soorten sigaren en sigaretten voorgezet, nu liet hij zich, toen hij hoorde dat ik niet rookte, afgepast "twee stuks" halen.
Alles deed zien dat hij op eenigerlei wijze pas een flinken klap van het Leven had gekregen en dezen klap zoowel in zijn temperament als in zijn overtuiging verwerkte.... Ik behoor tot hen die iets dergelijks al vele jaren in stilte wenschen. Dus aangenaam gestemd, wel wetend dat sommigen een zekere soort honger beter bekomt dan het brood des levens, leidde ik het gesprek in met een vraag naar de evolutie van zijn ideeën sinds het verschijnen van zijn eerste werk. Aanvankelijk ging het weer goed. In zijn geliefkoosde houding, één voet op 'n stoel, de elleboog steunend op zijn knie, zette hij mij uiteen, dat van evolutie eigenlijk geen spraak kan zijn. De lezer beoordeele of het betoog, dat ik hier weergeef, de conclusie dekt:
"Zooals u waarschijnlijk weet, heeft "mijn Jordaan" een overweldigend succes behaald, en uit de zeer groote rij van alle schitterende besprekingen is o.m. één voor mij het opmerkelijkst geweest, en die is pas gekomen, en wel de bespreking van Haspels. Mijn eerste boeken zijn uitsluitend visionair en beladen met occulten geestesdrang geweest. Dat zijn mijn ongelukkige in een heel vreemde psyche wortelende verzen. Mijn "Meditaties" is een heel boek van transcendentale epiek. Het naturalisme en realisme is meer een bepaalde overgangsvorm geweest van een school, die zich tijdelijk op mij heeft afgestempeld. Maar de innerlijke kern van mijn natuur is versmelting van deze drie dingen: tragiek, epiek en lyriek. Het realisme is voor mij een uitwendig ding gebleven en zal dit ook zijn. Ik smaad het niet, vooral niet. Ik vind ten slotte Rembrandt een geweldig realist en Shakespeare ook, maar het zijn mystieke realisten. Nu is men verbaasd dat ik met mijn "Melvina of de Legende van den Vuurtoren" en "Saul en David" den z.g. romantischen kant uitga, doch in mijn "Meditaties", toen was ik eenëntwintig, ziet gij _precies_ hetzelfde: Ik keer terug tot iets dat altijd de grondtoon van mijn wezen was. Haspels nu heeft gezegd, dat mijn "Jordaan" zoogenaamd realisme is, uitsluitend verbeeldingskunst, geheel en al gedragen door een ontzaggelijken visionairen stijl, "het werk van een genie" (ik haal aan wat hij zegt!) dat zich met geweldig fantasmagorisch vermogen op de realiteit werpt.
Ik wil slechts te kennen geven, dat een boek als "Jordaan" nooit door zijn uitwendig realisme dit succes zou hebben behaald, als niet die heele kunst gebouwd was op een innerlijken grondslag, een samenvatting van allerlei dingen, die zich in mijn wezen volstrekt niet afzonderlijk hebben ontwikkeld, maar waarin het zich breeder, sterker, rustiger uitspreekt naar allen kant en zich op alle mogelijke manieren verdiept. Er is een groote psychische en technische afstand tusschen het schilderen van de Nachtwacht en van de Staalmeesters, maar toch is het visionair en innerlijk vermogen van een Rembrandt volstrekt essenciëel en niet iets nieuws brengends geweest toen.
Ik geloof, permiteer mij den overgang, dat ik onbewust in mijn natuur altijd mijzelf trouw ben gebleven. Ik ben begonnen met visionair werk: mijn "Meditaties". Ik heb toen een rauw en uiterst realistisch boek in de wereld geschopt: "Levensgang", waarin twee elementen door plastisch vermogen zijn samengevat, n.l. aan den eenen kant een door uitwendigen waarheidszin beheerschte realistiek, terwijl het boek aan den anderen kant verloopt in romantiek. Ik meende dat ieder ding in zijn waren, diepen, uitwendigen waarheidsvorm moest worden gezegd. Daar ben ik in "Menschenwee" van teruggekeerd. Dat boek heeft een heel groote beweging in Nederland gebracht. In "De Jordaan" ben ik daar nog verder van af gekeerd, en zoo had ik gelegenheid een boek te geven waar geen enkel zoogenaamd--gelijk de burgerlijke moraal het noemt--onverkoren woord in voorkomt. Het is voor mij geweest het scheppen van tallooze driften en hartstochten, maar vast aan den mensch. Ik wilde geen ideeën en symbolen, maar groote menschelijke innerlijken scheppen, waar van zelf de ideeën en symbolen in leven....
--Ter verklaring van dezen overgang merk ik op, dat ik Q. geschreven had, over "Ideeën" te willen spreken en denkelijk wel bij hem te boek sta als iemand, die zich voorloopig nog te veel in wijsgeerige studiën verdiept. Ik zal ook wel gevraagd hebben naar den _ideëelen_ inhoud van zijn werken.--
Het najagen van een idée en van een symbool, ging hij voort, vind ik ondergeschikt aan het scheppen van menschen die zelf ideeën en symbolen hebben. Het symbool moet geboren worden uit den mensch, en niet de mensch uit het symbool. Uit de innerlijkheid van de menschelijke natuur moeten voor mij idée en symbool doorbreken. Vandaar dat ik Shakespeare boven Goethe stel. Geen enkel symbool kan boven de groote menschenscheppende kracht van den wezenlijk innerlijk menschelijk scheppenden kunstenaar uit. Die omvat het allemaal. De meest ijle geestelijke sfeer, waarin verschillende figuren van Shelley leven, afzonderlijk genomen als symbolische ideeën, zijn met hun innerlijk en hun hartstocht eerst ménschen geworden en tegelijkertijd symbool in Shakespeare.
Dat heb ik altijd sterk gevoeld. In "De Jordaan" heb ik gegeven de figuur van Stijn, die in de critiek tot de grootste bewondering aanleiding heeft gegeven. Daarin is in één persoon vereenigd teederheid en verbijsterende waanzin, door alcoholische driften aangejaagd. Het symbool van het bezeten zijn door den drankhartstocht, die ook een zekere sexueele satyriasis als ondergrond heeft, te zamen met een groote vaderlijke teederheid, en die twee elementen vast aan den man verbonden. Dat was altijd mijn doel, daar ben ik nooit van afgeweken....
--In den loop van deze improvisatie deed hij nu en dan een nonchalante greep in een kartonnen doos, die overvloedig gevuld was met recente boekbesprekingen. Hij wilde mij een knipsel toonen,--'t was hem toevallig in handen gekomen, en hij hechtte er overigens geen waarde aan--dat volkomen bevestigde de meening die hij zooeven had geuit. Enfin ... hij zou mij die critiek wel sturen.
--Maar--ging hij zonder overgang verder--maar dit wil ik wel zeggen: van nature ben ik een diep proletarisch sociaal-democratisch voeler.
Wat ik daarmee bedoel? Dit: met mijn proletarisch voelen bedoel ik, dat ik ten allen tijde besef, dat deze maatschappij absoluut weg moet, omdat het gelukslurpen van de bezittende klasse iets weerzinwekkends heeft. En dat kan en moet en zal veranderen. En dat kan alleen veranderen door en volgens de volslagen juiste critiek van het socialisme op de economische elementen van de maatschappij.
Maar nu heb ik dit opgelet, dat Gorter en mevrouw Holst, om maar twee van de allervoortreffelijksten te noemen, die als dichter en als denker zich hebben doen kennen, daarom afwijken van Heijermans en van mij, maar vooral van mij, omdat zij absoluut niet beschikken over dramatisch objectivatie-vermogen. Zij hebben nooit romans geschreven. Vandaar dat wij als dramatici objectiever staan tegenover de menschelijke figuren uit de burgerij. Lapidoth heeft gezegd (hij deed weer een nonchalante greep in de rijk-gevulde kartonnen doos en trok er een recensie uit, die hem toevallig in handen was gekomen), dat hij nooit een zoo objectief boek gelezen had van een sociaal-democraat als "De Jordaan". Daar zit niet de geringste tendenz in. Tendenz kan schitterend zijn als zij voortgestuwd wordt door de beweegkracht van een ziel, die het gevoel als een verinnerlijkt levens-systeem van eigen gedachten opstuwt. Maar dan lijkt mij ook het woord "Tendenz" verkeerd. Maar verder is mijn innerlijk zonder tendenz, en dit blijkt een gevolg uitsluitend van dramatiek, epiek en lyriek die als persoonlijkheid in een andere persoonlijkheid indringen en zich objectiveeren ten opzichte van de levensverschijnselen. In onze kunst oordeelen wij niet. Met ijzingwekkende kracht blijven wij onverschillig voor de persoonlijke appreciatie, en in roerlooze schoonheid weerspiegelen wij het bosch, en de maan en den mensch zelf.
--Nu voelde ik mij toch genoopt te vragen naar de verhouding tusschen dit levensinzicht en de levensbeschouwing van het proletariaat, de wijsbegeerte van het historisch materialisme.
--Ik geloof, kreeg ik ten antwoord, dat de wijsbegeerte van het historisch materialisme, wat zijn zuiver dialectischen ondergrond en wat zijn wezenlijk wijsgeerige kern betreft, door het proletariaat niet kan worden beoordeeld, dat het wat daarover gezegd wordt door groote denkers aanvaardt, terwijl die groote denkers m.i. niets anders doen dan op een bepaalde manier hun eigen ik-heid manifesteeren, zonder iets hoogers te geven dan iedere andere subjectieve wijsbegeerte.
Doch dit heeft niets te maken met de maatschappij-critiek van het historisch materialisme. Die vind ik voortreffelijk. Echter onderscheid ik mij ten zeerste van sociaal-democraten als mevr. Holst en Gorter, doordat ik ook een zeer bijzonder gevoel heb voor occulte wijsbegeerte en mystieke dingen, die mij in hooge mate interesseeren. Zeker, het is iets persoonlijks van mij. De studie dier verschijningen gaat buiten het volk om en kan het niet schelen. Het is voor het eigenlijke proletariaat van oneindig veel meer belang als het de wet van vraag en aanbod, van meerwaarde en verbruikswaarde kent en economisch sterk onderlegd is. Ik zou niet gaarne willen meedoen met de theosophische socialisten, die volgens mij een geweldige verwarring brengen. Maar de wezenlijk geestelijke problemen als zoodanig kunnen niet met een zwaai worden betrokken in den gezichtskring van alle proletariërs. Hoe zou het ook kunnen?
De strijd van het proletariaat openbaart zich politiek en economisch in een geweldig ideaal. Weet u wat ik mij altijd heb afgevraagd: wat leidt die menschen er toe voor een betere maatschappij te strijden? Dat is zuiver ideologisch sentiment ten slotte, maar het is een heerlijke menschelijke ideologie. Ik erken, het bewustzijn daarvan kan je heele leven vullen.
Maar angstwekkend vind ik het, als diezelfde menschen op grond van hun historisch materialisme het geestelijk leven probeeren vast te leggen in bepaalde wetten, die ik heel anders beoordeel en heel anders bekijk. Zelfs vind ik in den lyrischen drang van mevr. Holst en Gorter die occulte neiging aanwezig. Haar psychische ontvlambaarheid is heelemaal occult, al werpt die zich ook op dingen die juist den arbeider in lichterlaaie zetten. Maar ook de manier waarop zij het doet is zuiver occult. Zij wordt beheerscht door den angst, dat de ontwikkeling van de massa zou worden tegengehouden door de vooropstelling van het individueele.
--Als nu, zoo vroeg ik, uw laatste werk zuiver een objectiveering is van uw drieledigen en visionairen persoonlijken aanleg, en gij aan den anderen kant de kloof tusschen uw diepere veelzijdigheid en de groote massa zoo sterk voelt, dat gij toch wel niet overheerscht kunt worden door de zucht om de menschen over bepaalde dingen feitelijk nauwkeurig in te lichten,--hoe rechtvaardigt gij dan nu nog hetgeen gij vroeger mij en anderen hebt medegedeeld omtrent uw buitengewoon uitvoerige documenteele onderzoekingen, ook in den Jordaan?
Ja, zei hij en zijn blanke hand streek door zijn zware lokken, die hij--niet meer had--ja ... die documenteele arbeid, dien ik verricht voordat ik aanvang met mijn werk, wekt den schijn alsof ik realistische kunst lever, gericht op de zoogenaamde waarneming en objectieve bestudeering van de feiten. Ik geef u toe, deze arbeid is, wat den documenteelen inhoud in kleineren zin betreft, overbodig, en dat heb ik in den laatsten tijd veel beter dan ooit ervaren. Toch meen ik, dat men voor het aanvoelen van een levenssfeer de dingen goed moet kennen, al gaat de visionaire verbeelding telkens op geheel andere manier de realiteit in gloed of in schaduw of in licht zetten. Om u dit duidelijk te maken kan ik er op wijzen, dat ik op dien boottocht, waarvan in het vierde hoofdstuk van de Jordaan verteld is, maar één keer mee ben geweest, en toch heb ik een heele synthese van al die nachten gegeven. Wat ik daar geef, kan onmogelijk door de zinnen waargenomen zijn geweest. Dat is een voortdurend peilen en invoelen, een visionair verbeelden en fantastisch zien. Toch is dit de eenige manier waarop de realiteit zich openbaart. Dat is het orgaan van den kunstenaar, waardoor hij de realiteit naar voren haalt zooals zij is, al lijkt het doorloopend fantasie.
--Ik herhaal dus, dat hier wel degelijk een verandering van standpunt uit blijkt. U hebt vroeger veel meer dan nu den nadruk gelegd op de waarde van het voortdurend waarnemen en verzamelen van feiten.