Part 4
Het was een zoomernacht; het briesje kwam van 't zuiden; en ik zat in haar verlaten kamer, waarin de lamp nog altijd onaangestooken stond. Toen plotseling de heuvelen voor mijn oogen verdweenen als weggeschooven gordijnen. "Ach, zij is het die aankomt. Hoe gaat het, mijn kind? Ben je gelukkig? Maar waar kun je schuilen onder deezen vrijen heemel? En helaas! onze beek is er niet, om je dorst te stillen."
"Hier is dezelfde heemel," zeide zij "maar vrij van de beschuttende heuvels--dit is dezelfde stroom, gezwollen tot een rivier--dezelfde aarde, verwijd tot een vlakte". "Alles is hier" zuchtte ik "alleen wijzelven zijn er niet". Zij glimlachte droeviglijk en zeide: "Je bent in mijn hart". Ik ontwaakte en hoorde het kabbelen van den stroom en het nachtelijk ruischen der deodars.
LXXXIV.
Oover de groen-en-geele rijstvelden slieren de schaduwen van de herfstwolken, gevolgd door de snel-jagende zonneschijn.
De bijen vergeeten hun hoonig te nippen; verdwaasd zweeven en zoemen ze, dronken van licht.
De eenden, op de eilanden in de rivier, tieren van plezier om louter niets.
Laat niemand naar huis teruggaan deezen morgen, broeders, laat niemand aan 't werk gaan.
Laat ons den blaauwen heemel stormender hand neemen, en de ruimte plunderen bij 't loopen.
Lachen drijft in de lucht, als schuim op den vloed.
Broeders, laat ons onzen morgen verspillen in nuttelooze liederen.
LXXXV.
Wie zijt gij, leezer, die mijn gedichten leest oover honderd jaar?
Ik kan u geen enkele bloem zenden van deeze lente-weelde, geen enkele gouden stréép van gindsche wolken.
Oopen uw deuren en zie naar buiten.
Verzamel uit uw bloeyende hof geurige herinneringen, van de verdweenen bloemen van voor honderd jaar.
Moogt gij in de vreugde uws harten de leevende vreugde voelen, die op een lentemorgen zong, en haar blijde stem heen zond oover honderd jaren.