De Hoovenier

Part 1

Chapter 14,226 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.

RABINDRANATH TAGORE

DE HOOVENIER

DOOR FREDERIK VAN EEDEN

ZEVENDE TOT TIENDE DUIZEND

UITSLUITEND GEAUTORISEERDE VERTALING

AMSTERDAM--1921--W. VERSLUYS

I.

DIENAAR.

Ontferm u oover uw dienstknecht, mijn kooningin!

KOONINGIN.

De raad is uiteengegaan en mijn bedienden zijn allen vertrokken. Waarom komt gij zoo laat?

DIENAAR.

Als gij gedaan hebt met de anderen dan is het mijn tijd.

Ik kom vragen wat er voor uwen laatsten dienstknecht te doen is.

KOONINGIN.

Wat kunt gij verwachten, als het te laat is?

DIENAAR.

Maak mij hoovenier in uwen bloemhof.

KOONINGIN.

Wat beteekent die dwaasheid?

DIENAAR.

Ik zal mijn ander werk opgeeven. Ik zal mijn zwaarden en lansen in het stof werpen. Zend mij niet naar verre hooven; vraag mij niet op nieuwe verooveringen uit te gaan. Maar maak mij hoovenier in uwen bloemhof.

KOONINGIN.

En wat zal dan uw werk zijn?

DIENAAR.

De dienst van uwen leedigen tijd.

Ik zal het grazige pad frisch houden waar gij des morgens wandelt, waar uw voeten loovend gegroet zullen worden bij iederen tred, door de bloemen, die verlangen te sterven.

Ik zal u wiegen in een schommel tusschen de takken van den saptaparna-boom, waar de vroege avondmaan uw kleed zal trachten te kussen door het loover.

Ik zal de lamp, die brandt naast uw bed, met geurige olie vullen, en uw voetbank versieren met sandel- en safraandeeg in wonderbare teekening.

KOONINGIN.

En wat verlangt ge voor uw loon?

DIENAAR.

Verlof om uw kleine vuisten te omvatten als teere lotos-knoppen en bloemenkeetenen om uw polsen te slaan; om de zoolen van uw voetjes met het roode sap van asjoka bloembladen te kleuren, en het plekje stof dat daar nog mocht gebleeven zijn, weg te moogen kussen.

KOONINGIN.

Uw beede is verhoord, mijn dienaar, gij zult de hoovenier zijn in mijn bloemhof.

II.

O, dichter, de avond valt, uw haar vergraauwt.

Hoort gij, in uw eenzaam gepeins, bericht van het génerzijds?

"Het is avond" zei de dichter "en ik luister of iemand mocht roepen uit het dorp, al is het ook laat.

Ik geef acht, of jonge zwervende harten elkander soms ontmoeten, of twee paar greetige oogen soms muziek verlangen om hun zwijgen te breeken, en om voor hen te spreeken.

Wie zou hun hartstochtelijke zangen vlechten, als ik aan den rand des leevens zat, in beschouwing van den dood en het génerzijds?

De vroege avondster verdwijnt.

De gloed van een dooden-brandstapel sterft langsaam weg bij de stille rivier.

Het koor van jakhalzen schreeuwt van uit den hof van het verlaten huis, in het licht der kwijnende maan.

Als nu een zwerver, na 't verlaten van zijn huis, hier kwam om acht te geeven op den nacht, en met geboogen hoofd te luisteren naar het murmelen der duisternis, wie zou hem dan de geheimen van het Leeven in 't oor fluisteren, als ik mijn deuren sloot en mijzelven trachtte te bevrijden uit sterfelijke banden?

Dat mijn haar vergraauwt is een kleinigheid.

Ik ben altijd eeven jong of eeven oud als de jongste en de oudste van dit dorp.

Sommigen hebben lachjes, lief en eenvoudig, sommigen een schalke tinteling in hun oogen.

Sommigen hebben tranen die in het daglicht opwellen, anderen hebben tranen die in 't duister verborgen blijven.

Zij hebben mij allen noodig, en ik heb geen tijd om oover het hiernamaals te peinzen.

Ik ben van elk een tijdgenoot. Wat maakt het uit dat mijn haar vergraauwt?"

III.

Des morgens wierp ik mijn net uit in de zee.

Uit de donkere diepte haalde ik dingen op van wonderlijk aanzien en vreemde schoonheid. Sommigen glansden als een glimlach, sommigen blonken als tranen, en anderen bloosden als de wangen eener bruid.

Toen ik huiswaarts keerde met mijn dagelijksche vracht, zat mijn lief in den hof en trok ijdelijk de bladen uit een bloem.

Ik weifelde een oogenblik, legde toen aan haar voeten alles wat ik opgehaald had, en wachtte zwijgend.

Zij oogde er naar, en zeide:

"Wat voor zonderlinge dingen zijn dat? Ik weet niet waarvoor zij dienen."

Ik boog beschaamd mijn hoofd en dacht: "ik heb er niet voor gevochten, ik kocht ze niet op de markt, dat zijn geen waardige geschenken voor haar."

En den heelen nacht dóór wierp ik hen één voor één op straat.

Des morgens kwamen reizigers; zij raapten hen op en droegen hen naar verre landen.

IV.

Helaas, waarom bouwden ze mijn huis aan den weg die naar de marktplaats voert?

Zij meeren hun volle booten digt bij mijn boomen.

Zij koomen en gaan en dwalen naar 't hun lust.

Ik zijt en let op hen; mijn tijd verstrijkt.

Ik kan hen niet wegjagen. En zoo gaan mijn dagen om.

Nacht en dag klinken hun schreeden bij mijn deur.

Te vergeefs roep ik: "Ik ken u niet."

Mijn vingers kennen enkelen hunner, mijn neusgaten kennen anderen, het bloed in mijn aderen schijnt hen te kennen, en mijn droomen kennen sommigen.

Hen wegjagen kan ik niet. Ik roep hen en zeg: "Kom in mijn huis wie lust heeft. Komt vrij!"

Des morgens luidt de klok in den tempel.

Zij koomen met hun manden in de hand.

Hun voeten zijn roozerood. Het vroege licht van de dageraad is op hun gelaat.

Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en zeg: "Komt in mijn tuin om bloemen te plukken. Komt gerust."

In den middag klinkt de gong aan de paleis-poort.

Ik weet niet waarom zij hun werk verlaten en treuzelen bij mijn heg.

De bloemen in hun haar zijn bleek en verwelkt; de toonen kwijnen in hun fluiten.

Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en zeg: "Onder mijn boomen is de schaduw koel. Komt vrienden!"

Des nachts sirpen de kreekels in het bosch.

Wie komt er langsaam tot mijn deur en klopt zachtkens?

Vaag zie ik een gelaat, geen woord wordt gesprooken, ooveral-om is de stilte van den heemel.

Wegjagen kan ik mijn stille gast niet. Ik zie naar het gelaat in 't duister en uuren van droomen gaan voorbij.

V.

Ik ben rusteloos. Mij dorst naar verre dingen.

Mijn ziel gaat uit in verlangen om het kleed aan te raken van de scheemerige verte.

O groot Génerzijds! O dringende roep van uw pijpen.

Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik geen vleugels heb, dat ik voor eeuwig aan deeze plek gebonden ben.

Ik ben greetig en waaksaam, een vreemdeling in een vreemd land.

Uw Adem bereikt mij en fluistert een onmoogelijke verwachting.

Uw spraak wordt door mijn hart gekend als zijn eigene.

O Gij die verre te zoeken zijt, o de dringende roep van uw pijpen.

Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik den weg niet ken, dat ik het gevleugelde paard niet heb.

Ik ben lusteloos, ik ben een zwerver van harte.

In den zonnigen neevel van de kwijnende uuren, welk van uw machtige vizioenen neemt vorm aan in het blaauw des heemels?

O verst verwijderd Eind, o dringende roep van uw pijpen.

Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat de poorten ooveral geslooten zijn, in het huis waar ik eenzaam woon.

VI.

De tamme voogel was in een kooi, de vrije voogel was in 't woud.

Zij ontmoetten elkaar te gezetter tijd, zoo wilde het 't noodlot.

De vrije voogel roept: "O geliefde, laat ons vluchten naar 't woud".

De gevangen voogel fluistert: "Kom hier, laat ons samen woonen in de kooi".

Zegt de vrije voogel: "Waar is ruimte tusschen de tralies om de wieken uit te slaan?"

"Helaas!" roept de gekooide voogel: "Ik weet niet waar ik zou kunnen neerzitten in den vrijen heemel."

De vrije voogel roept: "Mijn lieveling, zing het lied der woudstreeken."

De kooi-voogel zegt: "Zit bij mij neer, ik zal u de taal der wijzen leeren!"

De woudvoogel roept: "O neen! neen! zangen kunnen nooit geleerd worden."

De kooi-voogel zegt: "Wee mij! ik ken de zangen der woudstreeken niet."

Hun liefde is heftig van verlangen, maar zij kunnen nooit vliegen wiek aan wiek.

Zij zien door de tralies van de kooi, en te vergeefs is hun wensch om elkander te kennen.

Zij fladderen met hun vleugels in verlangen en zingen: "Kom digterbij, mijn geliefde!"

De vrije voogel roept: "Het gaat niet, ik ben bang voor de geslooten deurtjes van de kooi."

De kooi-voogel fluistert: "Helaas, mijn wieken zijn machteloos en dood."

VII.

O moeder, de jonge Prins zal onze deur voorbij koomen--hoe kan ik dan aan mijn werk blijven van ochtend?

Toon mij hoe ik mijn haar moet vlechten; zeg mij wat kleed ik zal aantrekken.

Waarom zie je zoo verwonderd naar mij, moeder?

Ik weet wel dat hij niet zal opzien naar mijn vensters; ik weet dat hij in een oogwenk uit mijn gezicht zal zijn; alleen de wegstervende zang van de fluit zal klagend tot mij koomen van verre.

Maar de jonge Prins zal onze deur voorbij koomen en ik zal mij voor dat oogenblik op mijn best kleeden.

O moeder, de jonge Prins is onze deur voorbij gekoomen en de morgenzon flikkerde van zijn wagen.

Ik vaagde de sluyer van mijn gelaat weg, ik reet het robijn-snoer van mijn hals en wierp het op zijn pad.

Waarom zie je zoo verwonderd naar mij, moeder?

Ik weet wel dat hij mijn snoer niet opnam; ik weet dat het verbrijzeld werd onder zijn wielen en een roode vlek liet op het stof, en niemand weet wat mijn gave was, noch voor wien.

Maar de jonge Prins is onze deur voorbij gekoomen en ik wierp de juweelen van mijn borst op zijn weg.

VIII.

Toen de lamp uitdoofde naast mijn bed, ontwaakte ik met de vroege voogels.

Ik zat voor mijn oopen venster, met een versche krans op mijn los haar.

De jonge reiziger kwam den weg af in de roze morgenneevel.

Een paerelsnoer was om zijn hals en de zonnestralen vielen op zijn kruin.

Hij stond stil voor mijn deur en vroeg mij met een greetigen uitroep: "Waar is zij?"

Van louter schaamte kon ik niet zeggen: "Zij is Ik, jonge reiziger, Zij is Ik."

Het scheemerde en de lamp brandde niet.

Lusteloos vlechtte ik mijn haren.

De jonge reiziger kwam op zijn wagen in den gloed der ondergaande zon.

De paarden schuimbekten en er was stof op zijn gewaad.

Hij stapte uit voor mijn deur en vroeg met vermoeide stem: "Waar is zij?"

Van louter schaamte kon ik niet zeggen: "Zij is Ik, moede reiziger, Zij is Ik."

Het is een Aprilnacht. De lamp brandt in mijn kamer.

Zachtkens komt de Zuidewind. De praatzieke papagaai slaapt in zijn kooi.

Mijn keurs heeft de kleur van een paauwehals, mijn mantel is groen als jong gras.

Ik zit op den vloer bij 't venster en let op de verlaten straat.

Door den donkeren nacht blijf ik neurieën: "Zij is Ik, vertwijfelend reiziger, Zij is Ik."

IX.

Als ik des nachts alleen naar de samenkomst van minne ga, dan zingen de voogels niet, de wind roert zich niet, stom staan de huizen ter weerszij van de straat.

Het zijn mijn eigen enkel-ringen, die luidruchtig worden bij elken stap, en ik schaam mij.

Als ik op mijn balkon zit en naar zijn voetstap luister, dan ritselen de bladen niet aan de boomen, het water in de rivier is stom als het zwaard op de knieën van een ingeslapen schildwacht.

Het is mijn eigen hart dat wild slaat--ik weet niet hoe ik het zal doen bedaren.

Als mijn geliefde komt en aan mijn zijde zit, als mijn lijf beeft en mijn oogleeden needergaan, dan wordt de nacht donker, de wind blaast de lamp uit, en de wolken trekken sluyers oover de starren.

Het is het juweel op mijn eigen borst dat glans en licht geeft. Ik weet niet hoe ik het moet verbergen.

X.

Laat uw arbeid staan, bruid. Luister, de gast is gekoomen.

Hoort ge? hij rammelt zachtkens aan de ketting die de deur digt houdt.

Let op dat uw enkelringen geen luid gerucht maken, en dat uw stap niet te haastig is bij het hem tegemoet gaan.

Laat uw arbeid staan, bruid, in den avond is de gast gekoomen.

Neen! het is niet de spookachtige wind, bruid, wees niet verschrikt.

Het is de volle maan in een Aprilnacht; de schaduwen zijn bleek in den binnenhof; de heemel omhoog is helder.

Trek de sluyer oover uw gelaat als het zijn moet, draag uw lamp tot de deur als ge bang zijt.

Neen, het is niet de spook-wind, bruid, wees niet bevreesd.

Spreek niet tot hem, als ge bedeesd zijt; sta terzijde van de deur bij de ontmoeting.

Als hij u vragen vraagt, en ge wenscht het, dan kunt ge uw oogen zwijgend neerslaan.

Laat uw armringen niet rinkelen, als ge hem binnenleidt, met de lamp in uw hand.

Spreek niet tot hem als ge bedeesd zijt.

Is uw arbeid nog niet gedaan, bruid? Luister, de gast is gekoomen.

Hebt ge de lamp in de koestal niet aangestooken?

Hebt ge het offermandje niet gereed voor den avond-dienst?

Hebt ge het roode geluksmerk niet geplaatst bij de scheiding van uw haar, en uw toilet gemaakt voor den nacht?

O Bruid, hoort ge 't, de gast is gekoomen?

Laat uw arbeid staan.

XI.

Kom zooals je bent; treuzel niet met je toilet.

Als je gevlochten haar losgegaan is, als je scheiding niet recht is, als de linten van je keursje niet vastgestrikt zijn, let er niet op.

Kom zooals je bent, treuzel niet met je toilet.

Kom, met vlugge stappen oover 't gras.

Als het roode kleursel door den daauw is afgegaan van je voeten, als de ringen met belletjes van je voeten losgaan, als paerelen uit je snoer vallen, let er niet op.

Kom, met vlugge stappen oover 't gras.

Zie je hoe de wolken den heemel omhullen?

Vluchten kraanvoogels vliegen op van de ooverkant der rivier, en plotselinge windstooten vliegen oover de heide.

Het angstige vee rent naar zijn stalling in het dorp.

Zie je de wolken die den heemel omhullen?

Te vergeefs steek je je toilet-lamp aan.--Zij flakkert en dooft uit in den wind.

Wie kan weeten dat je oogleeden niet met lamp-zwart zijn bestreeken?

Want je oogen zijn donkerder dan reegenwolken.

Te vergeefs steek je je toilet-lamp aan--ze gaat uit.

Kom zooals je bent; treuzel niet met je toilet.

Al is de krans niet gevlochten, wie geeft er om? Is de armband niet geslooten, laat haar zoo.

De heemel is met wolken ooverdekt. Het is laat.

Kom zooals je bent; treuzel niet met je toilet.

XII.

Als ge werk wilt doen en uw waterkruik vullen, kom tot mijn Meer, o kom!

Het water zal zich om uw voeten sluiten en zijn geheim uitbabbelen.

De schaduw van den koomenden reegen is op het zand, en de wolken hangen laag op de blaauwe boom-kontoeren, zooals het zware haar booven uw wenkbraauwen.

Ik ken het ritme van uw schreeden wel, zij kloppen in mijn hart.

Kom tot mijn Meer, o kom, als ge uw kruik moet vullen.

Wilt ge leedig zitten en droomen en uw kruik laten drijven op het water, kom tot mijn Meer, o kom!

De grazige oeverglooying is groen, en de wilde bloemen zijn ontelbaar.

Uw gedachten zullen uit uw donkere oogen dwalen als voogels uit hun nest.

Uw sluyer zal aan uw voeten vallen.

Kom tot mijn Meer, o kom! als ge werkeloos zitten wilt.

Wilt ge uw spel laten rusten en duiken in 't water, kom tot mijn Meer, o kom.

Laat uw blaauwe mantel aan den oever liggen; het blaauwe water zal u kleeden en verbergen.

De golfjes zullen op hun teenen gaan staan om uw hals te kussen en in uw oor te fluisteren.

Kom tot mijn Meer, o kom, als ge in 't water wilt duiken.

Moet gij razend zijn en in uw dood springen, kom tot mijn Meer, o kom!

Het is koel en grondeloos diep. Het is donker als droomlooze slaap.

In zijn diepten daar is nacht en dag gelijk, en zangen zijn er stilte.

Kom tot mijn Meer, o kom! als ge wilt duiken naar uw dood.

XIII.

Ik vroeg niets, ik stond alleen aan den woudrand achter den boom.

Vaak lag nog op de oogen van den dageraad, en de daauw was in de lucht.

De loome geur van het vochtige gras hong in de dunne neevel booven de aarde.

Onder den banjan-boom melkte je de koe met je handen, die week en frisch zijn als booter.

En ik stond stil.

Ik zeide geen woord. De voogel zong ongezien in het struweel.

De mango-boom strooide zijn bloemen op den dorpsweg, en zoemend kwamen de bijen, één voor één.

Naast den vijver was de poort van Shiwa's tempel geöopend en de geloovige had zijn zangen begonnen.

Met de emmer op je schoot melkte je de koe.

Ik stond met mijn leedige kruik.

Ik kwam niet digt bij je.

Bij de klank van de gong aan den tempel ontwaakte de heemel.

Het stof wolkte op door de hoeven van het voortgedreeven vee op den weg.

Vrouwen kwamen van de rivier, met de klotsende kruiken op hun heup.

Je armbanden rinkelden en het schuim stond aan den rand van de emmer.

De morgen verging en ik kwam niet digt bij je.

XIV.

Ik wandelde langs den weg, ik weet niet waarom, toen de middag voorbij was en bamboestengels ritselden in den wind.

De liggende schaduwen omklemden met uitgestrekte armen de voeten van het vliedende licht.

De "Koëls" waren zingensmoede.

Ik wandelde langs den weg, ik weet niet waarom.

De hut aan de waterkant wordt beschaduwd door een ooverhangende boom.

Iemand was er beezig met haar werk, en in een hoek maakten haar ringen muziek.

Ik stond voor deeze hut, ik weet niet waarom.

De smalle kronkelweg kruist meenig mostertveld en meenig mango-bosch.

Hij gaat voorbij den dorpstempel en voorbij de markt aan de rivier-kade.

Ik hield stil bij deeze hut, ik weet niet waarom.

Jaren geleeden was het een winderige dag in Maart, het lente-gerucht was droomerig en mango-bloesems vielen op het stof.

Het kabbelend water sprong op en lekte de koperen kan die op de landings-treeden stond.

Ik denk aan die winderige dag in Maart, ik weet niet waarom.

De schaduwen donkeren en het vee keert naar zijn stallen.

Op de eenzame weiden is het licht graauw, en de dorpelingen wachten aan den oever op de veerboot.

Ik keer langsaam terug op mijn schreeden--ik weet niet waarom.

XV.

Ik ren als het muskus-hert rent in de schaduw van het woud, dol door zijn eigen geur.

De nacht is midden-Mei-nacht, de wind is Zuide-wind.

Ik raak van mijn pad af en ik ga dwalen, ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg wat ik niet zoek.

Het beeld van mijn eigen begeerte komt uit mijn hart en danst.

Het stralend vizioen vliedt heen.

Ik tracht het vast te grijpen, het ontwijkt me en leidt me van mijn weg af.

Ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg wat ik niet zoek.

XVI.

Handen houden handen vast en oogen verwijlen aan oogen; zoo begint het verhaal onzer harten.

Het is de maanlichte Maart-nacht; de zoete geur van henna is in de lucht; mijn fluit ligt vergeeten op den grond en de bloemenkrans is onvoltooid.

Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig als een lied.

Je saffraankleurige sluyer maakt mijn oogen dronken.

De jasmijn-krans, die je voor mij vlocht, doet mijn hart tintelen als vleierij.

Het is een spel van geeven en terughouden, van oopenbaren en weer verbergen; wat glimlachjes, een weinig schuchterheid, en enkele zoete, vergeefsche worstelingen.

Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig als een lied.

Geen geheimenis verder dan het heeden, geen streeven naar het onmoogelijke, geen schaduw achter de bekooring, geen reiken in de diepten van duisternis.

Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig als een lied.

Wij dwalen niet van uit alle woorden tot het eeuwig stille; we strekken onze handen niet uit in het leedig, naar dingen verder dan alle hoop.

Het volstaat dat wij geeven en krijgen.

We verpletteren de vreugde niet tot het uiterste, om er de wijn van smart uit te persen.

Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig als een lied.

XVII.

De geele vogel zingt in hun boom en doet mijn hart van blijdschap dansen.

Wij woonen in hetzelfde dorp, en dat is ons eenig stukje vreugd.

Haar lievelings-lammer-paar komt grazen in de schaduw van de boomen in onzen tuin.

Als zij op onzen gerst-akker afdwalen, neem ik hen in mijn armen.

De naam van ons dorp is Khanjaná, en Anjaná noemt men onzen stroom.

Mijn naam weet ieder in 't dorp, en zij heet Ranjaná.

Maar één akker ligt er tusschen ons.

Bijen die nestelen in ons boschje, gaan hoonig zoeken in het hare.

Bloemen aan haar landing-treeden te water gelaten, drijven met den stroom voorbij, waar wij baden.

Mandjes gedroogde Koesm-bloemen koomen van hun velden op onze markt.

De naam van ons dorp is Khanjaná, en Anjaná noemt men onzen stroom.

Mijn naam weet ieder in het dorp en zij heet Ranjaná.

Het wegje dat kronkelt tot hun huis, geurt in 't voorjaar van mangobloemen.

Als hun vlas rijp is voor den oogst dan bloeit de hennip op onzen akker.

De sterren, die hun huisje toelachen, zenden ons denzelfden fonkel-blik.

De reegen die hun vijver doet volstroomen, verheugt ons kadam-bosch.

De naam van ons dorp is Khanjaná, en Anjaná noemt men onzen stroom.

Mijn naam weet ieder in het dorp en zij heet Ranjaná.

XVIII.

Als de twee zusters water gaan halen, dan glimlachen ze, als ze op deeze plek koomen.

Ze moeten 't bespeuren, dat iemand achter de boomen staat, als ze gaan om water te halen.

De twee zusters fluisteren tot elkaar, als ze deeze plek voorbij gaan.

Ze moeten het geheim geraden hebben, van dien iemand, die achter de boomen staat als zij water gaan halen.

Haar kruiken wankelen op eens en morsen water als ze op deeze plaats koomen.

Ze moeten 't gemerkt hebben, dat iemands hart klopt, die achter de boomen staat, als zij water gaan halen.

De twee zusters oogen naar elkaar, als zij op deeze plek koomen, en zij glimlachen.

Er is een lach in hun snel-stappende voeten, die verwarring brengt in de ziel van iemand, die achter de boomen staat, altijd als ze water gaan halen.

XIX.

Je liep langs het pad aan den rivier-oever, met de volle kruik op de heup.

Waarom keerde je snel je gelaat, en zag naar mij door je wuivende sluyer?

Die stralende blik uit het donker trof mij als de bries, die een huivering zendt oover het rimpelend water en wegvlucht naar den scheemerigen oever.

Hij kwam tot mij als de avondvoogel, die haastig door een lamplooze kamer vliegt, van 't eene oopen venster tot het andere, om te verdwijnen in den nacht.

Je bent verborgen als een ster achter de heuvelen, en ik ben een voorbijganger op den weg.

Maar waarom hield je een oogenblik stil en oogde naar mijn gelaat door je sluyer, toen je langs het oeverpad liep met de volle kruik op de heup?

XX.

Dag aan dag komt hij, en gaat weer heen.

Ga, mijn vriend, en geef hem een bloem uit mijn haar.

Als hij vraagt wie haar zond, zeg hem dan mijn naam niet, bid ik je--want hij komt maar, en gaat weer heen.

Hij zit op het stof onder den boom.

Spreid hem daar een zitplaats met bloemen en bladen, mijn vriend.

Zijn oogen zijn droef, en zij brengen droefheid in mijn hart.

Hij zegt niet wat er in hem omgaat; hij komt maar, en gaat weer heen.

XXI.

Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen, de zwervende jongeling, bij het aanbreeken van den dag?

Bij het thuiskomen en het uitgaan ga ik hem vóór, en mijn blik wordt getrokken door zijn gelaat.

Ik weet niet of ik hem zal aanspreeken, of zwijgen. Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen?

Donker zijn de bewolkte nachten in Juli; zacht-blaauw is de heemel in den herfst; de lentedagen zijn onrustig door de Zuidewind.

En telkenmale weeft hij zijn liederen met nieuwe wijzen.

Ik keer mij af van mijn werk en mijn oogen vullen zich met den neevel. Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen?

XXII.

Toen zij mij met vlugge stappen voorbij ging, raakte mij de zoom van haar kleed.

Van het onbekende eiland eens harten kwam een plotselinge warme lente-adem.

Het wapperen van een vluchtige beroering bestreek mij, en verdween oogenblikkelijk, als een losgerukt bloembad in den wind.

Het raakte mijn hart als een zucht van haar lichaam en een fluistering van haar hart.

XXIII.

Waarom zit je hier en rinkelt met je armbanden uit louter tijdverdrijf?

Vul je kruik. Het is tijd om huiswaarts te gaan.

Waarom roer je in 't water met je handen en zie je af-en-toe uit oover den weg, naar iemand, uit louter tijdverdrijf?

Vul je kruik en keer huiswaarts.

De morgenuuren gaan voorbij--het donkere water vliet voort.

De golven lachen en fluisteren tot elkaar uit louter tijdverdrijf.

De zwervende wolken hebben zich verzameld aan des heemels rand op gindsche hoogten.

Zij dralen en zien u in 't gelaat uit louter tijdverdrijf.

Vul je kruik en keer huiswaarts.

XXIV.

Mijn vriend, houd het geheim uws harten niet voor u.

Zeg het mij, mij alleen, heimelijk.

Gij, die zoo minnelijk glimlacht, fluister het zachtjens, mijn hart zal het hooren, mijn ooren niet.