De Hogerveldt's: Oorspronkelijk Tooneelspel in 3 Bedrijven
Part 5
Karel, Anna, Louise met Verhagen gearmd binnenkomende, gevolgd door den heer en mevrouw Van Hogerveldt.
(Mevrouw geleidt haar man naar een leunstoel. Van H. ziet, versuft, vóor zich.)
KAREL, tot Anna, op Verhagen en Louise wijzende.
Wel, wel, zie me dat eens aan! Het schijnt, dat ook tusschen hen alles in orde is!
VERHAGEN.
Gelukkig! Louise heeft me alles verteld; aan jou heb ik het te danken, dat ze me thans niet voor de tweede maal bijna werd ontroofd. Ik heb dan ook maar flink gebruik gemaakt van den tijd, dien ik versleet met wachten op je brief.
KAREL, luchtig.
Laat dien maar rusten! Maar.... heb je mama’s toestemming al?
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Ja! Wat zou ik mij langer daartegen verzetten. Als zoo’n stijfhoofdig kind haar zin wil hebben, dan is er toch geen garen meê te spinnen.
KAREL.
Komaan, dat doet me genoegen. Ik feliciteer je van harte, en... wat ik vragen wilde, wanneer zullen we bruiloft vieren?
VERHAGEN.
Onze eerste afspraak is geweest, Karel, om niet te trouwen vóor u en Anna. Gij hebt daarmeê al zoo lang moeten wachten, nu wil Louise u niet vóor zijn.
KAREL.
Ferm zoo, Louise, dat vind ik uitstekend; ik stel dan voor, dat we op denzelfden dag in het bootje stappen en dat wel binnen de drie maanden.
LOUISE.
Drie maanden? Maar wat... Ga je dan...?
KAREL.
Ja, kind, zooals ik zeg: binnen drie maanden; (tot Anna) niet waar, lieve?
ANNA.
O, ik neem er genoegen meê.
LOUISE.
Maar Karel, ik begrijp niet....
VERHAGEN.
Och, maak ons nu niets wijs, vlei me niet met een ijdele hoop; je begrijpt, ik ben op het oogenblik in staat om alles te gelooven.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Ik sta er verstomd van! Hogerveldt, hoor je dat? Och neen, dat is waar ook! Maar kinderen, verklaart je toch nader! Daar vat ik nu niets van!
KAREL.
O, ik weet wel wat jelui wilt zeggen. (Tot Louise.) Zoo even heb ik u verboden geld aan te nemen, thans heb ik het zelf gedaan.
VERHAGEN EN LOUISE, tegelijk.
Maar van wien dan?
KAREL, Anna’s hand nemende.
Van een engel van goedheid en zelfopoffering, van haar!
VERHAGEN, juichend.
Bravo! dat stelt me gerust!
LOUISE.
Anna! O, duizendmaal dank! (Zij omhelst haar.)
(Er wordt geklopt.)
TWAALFDE TOONEEL.
De vorigen, Betje, binnenkomende.
BETJE, tot Karel.
Mijnheer, daar zijn drie heeren voor u.
KAREL, lachend.
Drie tegelijk? En wie zijn het?
BETJE.
Ja, ik kan al die namen niet onthouden. Een ken ik er wel van, die is meer hier geweest: mijnheer Vredenburch!
KAREL.
O zoo! (Tot Verhagen.) Dan zijn het zeker Commissarissen, ofschoon ik niet recht begrijp, wat zij hier komen doen. (Tot Betje.) Laat de heeren binnenkomen.
Betje af.
VERHAGEN, (tot Karel.)
Tot straks, ik zal maar zoolang heengaan.
(Hij wil gaan.)
KAREL, hem tegenhoudende.
Wel neen, Willem, je blijft hier, we hebben voor jou geen geheimen.
DERTIENDE TOONEEL.
De vorigen, Vredenburch, ter Maten, Van Haaften.
KAREL.
Weest zoo goed plaats te nemen, heeren. Ik had thans waarlijk niet op een bezoek van u gerekend. U ziet ons juist allen huiselijk bij elkaar.
(Zij nemen plaats.)
MEVR. VAN HOGERVELDT, tot haar echtgenoot.
Hogerveldt, daar zijn Commissarissen, daar is mijnheer Vredenburch. (Neemt hem bij den arm en doet hem opstaan.)
(Van Hogerveldt ziet wezenloos rond zonder te antwoorden, en gaat weêr zitten.)
KAREL.
Verschoont mijn vader, heeren, u kent zijn toestand.
VREDENBURCH, tot Karel.
Mijnheer Van Hogerveldt, ik zal u met een enkel woord het doel onzer komst meêdeelen. Na de gebeurtenis, die in uw familie plaats greep, hebt gij een taak op u genomen, die slechts met de grootste zelfopoffering kon worden verricht. Tot nu toe hebt ge u hoogst loffelijk daarvan gekweten; ik heb geen woorden genoeg om u daarover onze oprechte bewondering te betuigen; ’t was ons daarom een waar genoegen nu en dan aan de uitbreiding van uw praktijk bevorderlijk te kunnen zijn. Wat de door ons overgenomen schuld betreft, ze is tot op bijna de helft door u aangezuiverd. Om kort te gaan: wij hebben besloten u in uw moeielijke taak te gemoet te komen en u volledige kwijting aan te bieden. Neem die aan als een blijk van onze hoogachting en waardeering en als een bewijs, dat we ons persoonlijk voor een deel aansprakelijk hebben gevoeld. (Hij toont eene quitantie.) Zie hier, mijn vriend, geef dit uw vader, wellicht zal dit hem....
KAREL.
Ik dank u voor uw goede bedoelingen, heeren, maar de geestvermogens van mijn armen vader zijn, helaas! voor goed gekrenkt. U ziet het, hij hoort noch begrijpt iets van ’t geen hier voorvalt. Ik stel uw aanbod op hoogen prijs, weest daar zeker van, maar ik kan niets terugnemen van de verbintenis, die ik eenmaal aanging; de schuld mijns vaders zal door mij worden aangezuiverd tot op den laatsten penning.
VREDENBURCH.
Wanneer wij u daarvan ontheffen, dan is zij immers aangezuiverd?
KAREL.
Ik wil niet de minste smet op onzen naam laten kleven. Uw quitantie neem ik gaarne aan, doch alleen tegen afbetaling mijner schuld. (Hij haalt het bankpapier uit de portefeuille en neemt de quitantie aan.) Ziet hier, mijne heeren, hetgeen ik u nog schuldig ben, en dat ik het geluk heb te kunnen voldoen. (Vredenburch neemt het geld aan.)
TER MATEN.
Maar dat geld...
KAREL.
Was mijn eigendom, mijnheer, en heeft thans zijn bestemming bereikt. Ik dank u allen voor het groote vertrouwen, dat u in mij hebt gesteld.
VAN HAAFTEN.
Mijnheer Van Hogerveldt! ge zijt een man, wiens hart op de rechte plaats zit.
VREDENBURCH.
Het doet mij leed, dat ge ons aanbod niet hebt aangenomen, doch ik eerbiedig de redenen, die u daarvoor hebt; ze leggen slechts te schooner getuigenis voor u af. (Opstaande, tot Mevr. Van Hogerveldt.) Mevrouw! ik wensch u van harte geluk met zulk een zoon!
VEERTIENDE TOONEEL.
De vorigen, Dekkers.
DEKKERS, binnenkomende, wil weêr heengaan.
Pardon, ik dacht u alleen op uw kantoor te vinden, mijnheer Van Hogerveldt. Ik zal u niet storen.
KAREL, naar hem toegaande.
O, u stoort ons volstrekt niet, mijnheer Dekkers. Ik heb u zelfs gewacht. U komt waarschijnlijk het antwoord vernemen op de vraag, die ge van morgen aan mijne zuster hebt gedaan?
DEKKERS, verlegen.
Ik had... u gaarne... eerst nog willen spreken.
KAREL.
Onnoodig, mijnheer. De zaak is mij geheel bekend. (Hij neemt Verhagen bij de hand.) Mag ik u mijn aanstaanden schoonbroeder voorstellen?
De Gordijn valt.
EINDE.