De Hogerveldt's: Oorspronkelijk Tooneelspel in 3 Bedrijven
Part 4
Natuurlijk deugde je opvoeding niet. ’t Is tegenwoordig een gewoonte van de kinderen om hun ouders dit te verwijten. Het «eert uw vader en uwe moeder» staat niet meer in den bijbel der hedendaagsche jongelui.
LOUISE.
O, moeder! En dat kunt ge hèm zeggen...?
MEVR. VAN HOGERVELDT, verward.
Nu ja.... ik bedoel niet dat.... ik meen....
KAREL, lachend.
Wat ik u bidden mag, ma, bespaar me het onaangename een verontschuldiging te moeten hooren.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Dat juist niet, maar je begrijpt, ik was al niet in mijn schik, toen ik bemerkte, dat je van nacht weêr hebt zitten werken en.... en....
LOUISE.
En daardoor vergat ma voor een oogenblik, dat je zooveel voor ons hebt gedaan.
KAREL, met een beweging van ongeduld aan zijn schrijftafel gaande zitten.
Wat praat je daar nu voor onzin, Louise. (Lachend.) Jij hebt wel eenige verplichting aan me, dat ontken ik niet, want wie zou nu de zorg voor zoo’n nare, vervelende zus op zich willen nemen? Ja, misschien....
(Louise loopt naar hem toe en legt hem de hand op den mond. Karel neemt haar hand in de zijne en staat op.)
KAREL, ernstig.
Maar met ma is dat iets anders. Er kan geen verplichting bestaan van ouders tegenover kinderen. Kijk, ma en ik hebben al jaren met elkaâr twist gehad, we zijn gewoon zoo wat over alles te kibbelen zonder het ooit kwaad te meenen. En nu de verhoudingen, wat het financiëele betreft, zijn veranderd, nu hoor ik mijn goede moeder, terwijl ze me eens flink mijn zondenregister wil gaan lezen, plotseling inbinden, omdat ze zich herinnert, dat ik mij voor mijn ouders eenige opoffering getroostte. (Hij gaat naar haar toe en omhelst haar.)
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Je hebt gelijk, Karel. Het gebod, dat ik zooeven aanhaalde is wèl goed door u begrepen en opgevolgd. Maar beloof me nu, dat je voortaan meer voor je gezondheid zult waken, hè, dan ben ik gerust.
KAREL.
Nu, maatje, dat zal wel schikken. U begrijpt wel, ’t is den eenen dag wat drukker dan den andere.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Goed, goed, maar volg nu mijn raad eens op en ga een uurtje naar bed. Ik ga in dien tijd naar boven om mij te kleeden en jij, Louise, zult den boel hier wel wat opredderen, niet waar? ’t Ziet er weêr schromelijk uit.
LOUISE.
Wel zeker, ma, ga maar gerust heen. Daar zal ik wel voor zorgen. Foei, wat een rommel.
KAREL, bij de middendeur.
Gooi in ’s hemels naam mijn papieren niet door elkaâr.
LOUISE.
O, neen, voor die fraaie documenten heb ik alle respect.
(Mevr. Van Hogerveldt en Karel af.)
TWEEDE TOONEEL.
LOUISE, alleen.
Komaan, ik ben blij, dat hij is gaan slapen. Als hij eens ziek werd, wat zouden we dan beginnen? (Zij kijkt rond.) Welk een verschil tusschen nu en voorheen! Toen slechts weelde en genot, thans niets dan onthouding en arbeid. Toen had pa een deftige betrekking, wij kwamen in de voornaamste kringen, en nu.... och, ’t meest doet het mij leed, dat die ongelukkige geldquaestie zooveel invloed op zijn gezondheid heeft gehad. En hoe lang zal het nog moeten duren vóor dat we geheel vrij zijn....
(Er wordt geklopt.)
Daar wordt geklopt. Dat zal iemand voor Karel zijn. Enfin, we zullen zien. Binnen!
DERDE TOONEEL.
Louise, Betje.
BETJE, binnenkomende.
Juffrouw, daar is een heer om u te spreken.
LOUISE.
Mij? Vroeg hij naar mij?
BETJE.
Ja, hij vroeg bepaald naar juffrouw Louise.
LOUISE.
En hoe heet die heer?
BETJE.
Dat weet ik niet. Hij zei alleen: zeg, dat ik de juffrouw dringend moet spreken, het betreft een zaak van aanbelang.
LOUISE.
Ja, maar.... ik weet niet.... hoe ziet hij er zoo wat uit? Is het een jong mensch?
BETJE, lachend.
Jong? Heere bewaar me! Meer zout dan peper juffrouw! Ik denk, dat hij zoowat naar de zestig loopt.
LOUISE, lachend.
O! Nu, laat hem dàn maar binnen komen.
Betje af.
VIERDE TOONEEL.
Louise. Daarna Dekkers.
DEKKERS, groetend.
Mejuffrouw!
LOUISE, verschrikt, ter zijde.
O God! had ik dat geweten....!
DEKKERS.
Vergeef me, dat ik zoo onverwachts tot u kom. U zult echter spoedig zien, dat mijn bezoek een gegronde reden heeft, dat....
LOUISE.
Een oogenblik, mijnheer. Ik zal mijn broêr gaan zeggen, dat u.... (Zij wil gaan. Dekkers houdt haar tegen.)
DEKKERS.
Pardon! Ik kom juist om u te spreken.
LOUISE.
Dat kan wel zijn, maar ik betwijfel of mijn familie zou goedkeuren.... dat ik u in ons huis had toegelaten.
DEKKERS.
O, dat zou ze zeker! Mijn bezoek is in aller belang. De onaangename toestand, waarin uwe familie....
LOUISE, snel.
U behoeft mij dat niet in herinnering te brengen, evenmin als dat wij dien voornamelijk aan u te wijten hadden.
DEKKERS.
Aan mij? Dat ontken ik ten stelligste. Ik was als commissaris verplicht te spreken, er was een sterk vermoeden bij mij gerezen.
LOUISE.
Dan hadt u, als vaders vriend, ons moeten waarschuwen.
DEKKERS.
Dat kon ik immers niet, zoo lang ik geen zekerheid had, maar toch heb ik u genoeg doen gevoelen, dat er reden bestond om te vreezen! Dat zult ge u ook wel herinneren.
LOUISE.
Nu, ja!
DEKKERS.
Ik heb uw hand gevraagd met de belofte, dat alles in orde zou komen, maar.... gij hebt niet gewild!
LOUISE.
O, neen, zeker niet! En zelfs als ik geweten had.... dan had ik misschien toch niet.... In elk geval, u bezigde toen onbestemde uitdrukkingen, die ik aan een andere oorzaak toeschreef, uitte slechts vermoedens die....
DEKKERS, invallend.
Die maar al te gegrond waren. Dat heeft de ervaring geleerd.
LOUISE, trotsch.
Hoe het zij, ik begrijp niet, waarom gij de onkieschheid hebt om op iets terug te komen, dat reeds lang vergeten moest zijn.
DEKKERS.
’t Is geen onkieschheid, die mij daartoe noopt: ’t is veeleer het tegendeel.
LOUISE.
Het tegendeel?
DEKKERS.
Zeker. Wilt ge mij een oogenblik aanhooren, alvorens te oordeelen? (Louise wijst een stoel aan; beiden gaan zitten.) De schuld uws vaders of liever die van uw broeder bedraagt thans nog f 30.000.
LOUISE.
Maar dat is immers òòk niets nieuws, mijnheer.
DEKKERS, een beweging met de hand makende.
Tot zijn eer moet ik zeggen, dat uw broêr zich een bovenmenschelijke inspanning beeft getroost om aan zijn belofte te kunnen voldoen. Het zal echter nog verscheidene jaren duren, vóordat hij van zijn verplichting geheel zal zijn ontheven.
LOUISE.
Dat is waar; ’t is helaas! maar al te waar.
DEKKERS.
Zijn huwelijk heeft hij al dien tijd moeten uitstellen.
LOUISE.
Och ja, daar denk ik dikwijls genoeg over! Dat hindert me nog het meest.
DEKKERS.
’t Is ook recht verdrietig, en...... wat niet minder zwaar weegt, zijn gezondheid lijdt, naar men mij zegt, onder al die meer dan drukke bezigheden. Het is dus hoog noodig dat er een verandering in dien toestand komt.
LOUISE.
O, ik wenschte het zoo gaarne voor hem, want ook ik vrees, dat hij ziek zal worden, als het zoo voortgaat, maar.... wie zal hem zijn taak helpen verlichten?
DEKKERS, met nadruk.
Dat kunt gij, mejuffrouw, zoo ge slechts wilt.
LOUISE.
Ik? Och, wat!
DEKKERS, een portefeuille met bankpapier uit zijn zak nemende.
Toch wel, juffrouw Louise. Vóor drie jaar hebt gij geweigerd mijn vrouw te worden; gij meendet toen, dat ik uw vader valsch beschuldigde. Thans weet ge, dat dit niet zoo is, en dat uw familie reeds al dien tijd onder recht treurige omstandigheden gebukt gaat. Zooals ge zelve inziet, kan dit nog lang zoo voortduren, tenzij.....
LOUISE, snel.
Tenzij?
DEKKERS.
Tenzij gij mij nog uw hand wilt schenken. Na al hetgeen in uw familie voorviel en ondanks uw weigering, bleef ik u nog steeds beminnen. (Hij neemt het bankpapier uit zijn portefeuille.) Zie, Louise, hier is de nog ontbrekende som, ik stel ze ter uwer beschikking, ze is uw eigendom, mits.... ge mij belooft....
(Hij grijpt haar hand. Louise heeft het gelaat afgewend en trekt hare hand terug.)
LOUISE, ter zijde.
O God, welk een beleediging! dat is verschrikkelijk! (Minachtend tot Dekkers.) Weg met dat geld, man!.... Koopman!
DEKKERS.
Versta mij toch wel: gij verkoopt uw liefde niet, gij schenkt ze mij in ruil voor de mijne; door dit geld aan te nemen, koopt ge echter het geluk van uwe ouders en wat misschien meer zegt, dat van uw broeder terug.
LOUISE, aarzelend en aangedaan. Ter zijde.
Arme vader! en Karel, ach, als hij eens....
DEKKERS, invallend.
Aarzelt ge nog? Kunt gij uw familie nog langer zien lijden? Zoudt gij ’t uzelve niet verwijten als Karel ziek werd, als hij misschien.... stierf?
LOUISE, verschrikt.
Sterven!.... O, God! als dat gebeurde.... (Ter zijde.) Wat moet ik beginnen? Wat moet ik doen? (Tot Dekkers.) Ik zal er mij op bedenken; morgen kunt ge mijn antwoord vernemen; ik wil eerst met Karel spreken.
DEKKERS, hij steekt de portefeuille in den zak.
Zooals ge wilt. Overigens zal ik hem van middag, misschien straks nog, zelf komen bezoeken. Tot morgen dus, ik hoop, dat gij ditmaal niet zult vergeten, dat er zooveel van uw besluit afhangt. (Groetend.) Mejuffrouw!
(Dekkers af.)
VIJFDE TOONEEL.
LOUISE, alleen.
Wàt te doen? Wàt te doen! Welk een vreeselijke toestand! Door zijne vrouw te worden red ik mijne ouders en Karel uit al hunne zorgen, maar aan den anderen kant..... mijn leven te moeten slijten aan de zijde van dien ellendeling, dien ik haat, dien ik in ’t diepst van mijne ziel veracht, die ons eerst in het ongeluk heeft gestort en zich thans niet schaamt mij als een veile deern geld te bieden voor gehuichelde liefde.......... (Zij gaat op de canapé zitten.) En die arme Willem dan?........ O, ik weet zeker, dat hij mij bemint. Wat heeft hij Karel altijd trouw ter zijde gestaan en dat niet alleen als zijn vriend, maar ook met de hoop in het hart, dat ik eenmaal zijne vrouw zou worden; daarvan ben ik in mijne ziel overtuigd, en ik, och, laat ik het mij niet verhelen, ik voel immers reeds sedert lang, dat ik hem bemin; ik ben er zeker van, dat ook hij dit heeft bespeurd. En niemand, voor wien ik mijn gemoed kan uitstorten, niemand wien ik om raad kan vragen! (Karel komt door zijdeur binnen.)
ZESDE TOONEEL.
Louise en Karel.
KAREL, met een brief in de hand.
Nog altijd hier, Louise? Je schijnt heel wat te doen gehad te hebben.
LOUISE.
En jij dan, ik dacht, dat je zoudt gaan slapen?
KAREL.
Dat was ook mijn plan, zusje, maar ik ontving daar juist een brief, dien ik genoodzaakt ben zoo spoedig mogelijk te beantwoorden.
(Gaat aan zijn lessenaar zitten.)
LOUISE.
Kan er eerst een oogenblik voor mij overschieten?
KAREL.
Is ’t zóo belangrijk, wat je te zeggen hebt? Heeft het zóo’n haast?
LOUISE.
Zoowel het een als het ander. ’t Betreft zoo goed u als mij.
KAREL.
Wel verduiveld! je maakt me nieuwsgierig, zusje. Ik luister!
LOUISE.
Zou je ’t niet gelukkig vinden, Karel, als nu ’t oogenblik eens was gekomen, dat je kon gaan trouwen? Dan hadt je toch een onbezorgd, gelukkig leven en je behoefde niet zóo nacht en dag te werken?
KAREL.
Wat bedoel je nu?
LOUISE.
Ik meen.... als.... als.... bijvoorbeeld dat geld.... dat nog te kort komt, thans in eens kon worden aangezuiverd?
KAREL, ongeduldig.
Geen kwaad idée! Maar.... zie jij daar kans toe? Ik zeker niet.
LOUISE.
Misschien wel, maar ik wil niets doen zonder je vooraf te hebben geraadpleegd.
KAREL, haar onder de kin strijkend.
Wel, kind, dat vind ik heel lief van je.
LOUISE.
Och, dat daargelaten; je waart zoo even verwonderd mij nog hier te vinden, de reden is, dat ik een bezoek heb gehad van een heer.
KAREL.
Wàt blief?
LOUISE.
Van iemand, die met den stand uwer zaken bekend was. Kort en goed: die heer heeft mij ten huwelijk gevraagd en aangeboden het ontbrekende dadelijk te voldoen.
KAREL, gaat aan zijn lessenaar.
Ik dacht niet, dat je me zoudt ophouden om aardigheden te vertellen.
LOUISE.
Volstrekt niet, Karel, ik verzeker je, dat het ernst is. Ik geef je er mijn woord op.
KAREL, opstaande.
Ik geloof waarachtig dat.... En wat heb je dien man geantwoord?
LOUISE.
Ik heb een dag uitstel gevraagd, want hij wilde mij slechts het geld geven, onder voorwaarde dat ik zijn vrouw zou worden.
KAREL, haastig.
Geld geven! En wie is die man?
LOUISE.
Kan je ’t nog niet raden? Hij is vroeger dikwijls bij ons geweest. ’t Is wel geen vriend van ons, maar we hebben hem misschien ook wel wat al te hard beoordeeld. Hij heeft ook zijn goede hoedanigheden.
KAREL, heftig.
Dekkers!
LOUISE.
Nu ja, waarom niet?
KAREL.
Louise, hoe hebt ge er over kunnen denken! Die huichelaar, die ellendeling! Hij wil ten tweeden male trachten je te dwingen! Kind, ik stel je goede bedoeling op prijs en heb je er te liever om, maar, zoo waar ik leef, zal ik het beletten; versta mij wel, Louise, ik wil er nimmer iets van hooren!
LOUISE, grijpt zijn hand.
Karel, om Godswil! maak u niet zoo driftig! Ik heb je immers gezegd, dat als gij niet wilt....
KAREL.
Er mag geen sprake van zijn. Liever hard gewerkt en volgehouden tot het uiterste, desnoods met opoffering van alles, dan van dien man een gunst aan te nemen! Gij zult hem afwijzen, Louise! Geef mij uw woord daarop. Bovendien zoudt ge immers niet alleen uzelve ongelukkig maken, niet waar? Denk aan Willem!
LOUISE.
O, aan hem heb ik wel gedacht, maar de strijd was mij zoo zwaar. (Zij omhelst hem.) Nu weet ik wat mij te doen staat, Karel.
KAREL.
Dat is goed! Gij moogt niet ongelukkig worden; hetgeen ik op mij nam zal ik zelf volbrengen. Al hangt mij nog het zwaarste boven het hoofd, ik hoop de crisis door te staan zooals het een man betaamt. Maar alleen de gedachte aan hetgeen mij nog wacht, drukt me verschrikkelijk ter neêr.
LOUISE.
Karel, wat verbleek je? Welke nieuwe ramp staat ons te wachten? O zeg het mij, ik bid het je. ’t Mocht anders weêr onverwachts komen.
KAREL.
Stel je gerust, Louise. Ons bedreigt geen ongeluk. Alleen eischt de noodzakelijkheid van mij een offer; eer en plicht gebieden mij het te brengen. Voor onze familie zal het echter geen ramp zijn.... als ik ten minste....
LOUISE.
Als gij?
KAREL.
Niets, niets! (Glimlachend.) Laat mij nu alleen, Louise, en ga naar ma, die ik in druk gesprek met Willem heb achtergelaten. Het wachten zal hem minder lang vallen als hij in uw gezelschap is.
LOUISE.
Geloof je dat? Nu, hoe het zij, als het te lang duurt, zend ik hem bij je, hoor!
(Karel gaat zitten. Louise wil vertrekken.)
LOUISE, bij de deur.
Daar wordt geklopt! (Zij opent de deur.)
ZEVENDE TOONEEL.
Karel, Louise, Anna, binnenkomende.
KAREL, opstaande, ter zijde.
Nu reeds! O God, schenk me kracht en moed! Nu vooral!
LOUISE, omhelst Anna.
Dag lieve, beste Anna! Zie eens, Karel, daar is beter gezelschap voor je dan het mijne. Nu laat ik je samen alleen.
ANNA.
Waarom zou je zoo dadelijk heengaan? Blijf bij ons, Louise.
LOUISE.
Neen, neen! Karel is zwaarmoedig! Niemand zal hem beter kunnen troosten dan gij. En dan, ik moet ook een zielzieke gaan verzorgen, maar ik kom toch gauw terug. Tot straks.
(Louise af.)
ACHTSTE TOONEEL.
Karel, Anna.
KAREL, Anna’s hand nemende.
Wat zie je er ontstemd uit, Annalief! Er is toch niets, hoop ik...?
ANNA, ernstig.
Met mij niet. Ik vernam zoo even van uw moeder, dat je weêr je woord niet hebt gehouden om ’s nachts niet te werken.
KAREL.
Och, ik zal mijn schade wel inhalen. Maak je maar niet ongerust, lieve.
ANNA.
’t Is in je eigen belang! Je zult ziek worden.
KAREL.
Dat willen we niet hopen. Mijn bezigheden zullen me niet ziek maken; het is voor mij een reden tot dankbaarheid, als mijn praktijk zich weêr eenigszins uitbreidt. ’t Is maar een vleugje, Anna, ’t ging in den laatsten tijd ook al bitter slecht. ’t Is waar, ik heb nu hard gewerkt en moet wat rust nemen, ik kan het niet meer zoo volhouden, als voor een paar jaren.
ANNA.
Een reden te meer om je te ontzien. Je gezondheid gaat toch boven alles.
KAREL.
Nu ja, mijn gezondheid, mijn gezondheid.... ’t Meest pijnigt me de gedachte, dat het nog lang zoo moet voortduren, als de zaken niet beter gaan; (zuchtend) anders is het eind niet te voorzien.
ANNA.
’t Is wel treurig!
KAREL.
Dat is het zeker. Terwijl ik in de eerste drie jaren na de ramp aardige sommen kon afdoen, zal het dit jaar niet veel bedragen.
ANNA, zuchtend.
Men zou er op die wijze den moed bij verliezen.
KAREL.
Ik heb er al lang over nagedacht en begrepen, dat het tijd is om krachtig te handelen, opdat wij niet beiden van de treurige omstandigheden het slachtoffer worden.
ANNA.
Och! wat zullen we er aan doen? We kunnen de zaak niet dwingen; maar dat hopeloos wachten, zoo zonder eenig vooruitzicht.... ’t is om er ziek van te worden.
KAREL.
Dat is ook zoo en daarom wilde ik je een voorstel doen. Zie, ge zijt mij drie jaar lang in het ongeluk trouw gebleven; je hebt mij moed ingesproken, als ik neerslachtig was; zou het nu niet egoïstisch van me zijn, als ik diezelfde toewijding, wie weet hoeveel jaren nog van je zou eischen, als ik nog rechten op je wilde doen gelden, terwijl je wellicht gelukkig getrouwd hadt kunnen zijn?
ANNA.
Karel! die taal!
KAREL.
Is niet de taal van mijn hart, dat weet God! maar die, welke mijn gezond verstand mij ingeeft. Hoe pijnlijk dit ook voor mij is, in uw belang, Anna, ben ik verplicht u voor te stellen om onze verbintenis te verbreken. Herneem gij uw vrijheid, ik mag uw toekomst niet langer aan de mijne verbinden; daar is ze te duister voor.
ANNA.
Maar dat is u toch geen ernst? Gij schertst, niet waar? Of bemint ge mij niet meer?
KAREL.
Anna, juist omdat ik u liefheb, doe ik u dat voorstel. In een toestand als de mijne mag het gevoel het verstand niet beheerschen.
ANNA, na een korte pauze, langzaam.
Misschien heb je gelijk en is het zóo beter voor ons beiden.
KAREL, ter zijde.
O, God! wat blijft ze daar koel onder! (Tot Anna.) ’t Verheugt me, dat ge mij zóó goed en zoo spoedig begrijpt. Ik had gevreesd.... of liever =.... O, Anna, als ge wist welk een harden strijd ik gestreden heb, als ge wist hoe ik geworsteld heb om den drang van mijn hart te weerstaan en het gezond verstand te doen zegevieren, dan.... dan hadt ge mijn smart niet beter kunnen verlichten, dan ge nu doet door uw kalmte, door uw....
ANNA.
Laten we bedaard blijven, Karel! ’t Doet ook mij innig leed van je te moeten scheiden, maar.... de noodzakelijkheid....
KAREL.
Zeker, zeker. We moeten.... Ik moet een voorbeeld nemen aan u. Vergeef me mijn opgewondenheid.
ANNA.
Ik ben je er dankbaar voor, mijn vriend. Niet dat ik na alles wat er voorviel in de laatste jaren ooit had kunnen denken dat gij me een scheiding zoudt hebben voorgesteld.
KAREL.
Heb ik het zelf ooit gedacht!
ANNA.
Nu het echter zoover is gekomen, billijk ik uw verlangen. Ik begrijp dat slechts de wreede noodzakelijkheid je noopte tot dien stap.
KAREL.
Wreed? O God, zoo wreed! Slechts drie jaren van mijn leven ken ik haar vreeselijke macht en in dien korten tijd heeft ze met ijskoude hand de liefelijkste banden mijner ziel verscheurd, heeft ze als een kanker aan mijn leven geknaagd. De arbeid, dien ik vroeger vereerde en liefhad als de vrucht van mijn geest, werd me onverschillig, sedert de nood mij voortzweepte en me verlaagde tot werktuig. Waar is mijn schoone droom, om door studie eenmaal te schitteren onder de mannen der wetenschap! Hij vervloog in rook, toen de onverbiddelijke noodzakelijkheid mij dwong te woekeren met elk uur van den dag, zelfs van den nacht. En het eenige wat me overbleef, mijn liefde voor u....
ANNA.
Die ge zoo vaak uw steun noemdet in den tegenspoed...
KAREL.
Mag dat niet langer zijn! Ik herhaal het: ik kan uw toekomst niet afhankelijk stellen van de mijne. De noodzakelijkheid vordert, dat ik nog jaren lang werk om bevrijd te worden van den last, dien zij me oplegde. En als ik uit haar gareel ben ontslagen, als ik u eenmaal mijn vrouw zou mogen noemen, dan zouden uw schoonste levensjaren in sombere eentonigheid zijn voorbijgegaan en ik... ik zou voor u niets kunnen zijn dan een man, wiens gezondheid verzwakt, wiens energie verlamd was, een man zonder toekomst.... een treurige parodie op ’n jeugdig echtgenoot!
ANNA.
Ge blijft dus bij uw voornemen?
KAREL.
Het moet! Vraag mij niet langer. Ik voel, dat me de toestand ondragelijk wordt, dat mij de moed gaat ontzinken.
ANNA.
Dus.... wij scheiden. (Karel knikt met het hoofd.) Laat ons dan kort zijn, Karel. (Zij reikt hem de hand.) Vaarwel, mijn beste en.... houd moed. (Karel omhelst haar vurig. Anna maakt zich uit zijn arm los.) Vaarwel, Karel, vaarwel! (Zij ijlt de middendeur uit, maar blijft daarachter staan en gluurt naar binnen.)
NEGENDE TOONEEL.
KAREL, alleen.
Zij is weg! Voor altijd weg! Wat heb ik gedaan? Ik deed het in haar belang, maar thans is voor mij ook alles verloren! Zij was mijn grootste steun, waar ik behoefte had aan moed en wilskracht; met onderwerping en geduld schikte zij zich in haar lot en nu heeft ze mij verlaten! Maar ’t is immers mijn eigen schuld. Ik waardeerde haar opoffering niet genoeg. Ik zag niet in hoe deze juist het grootste bewijs harer liefde was, en ik waagde het te denken, dat ik zonder haar gelukkig zou kunnen zijn! Anna! lieve Anna, ik heb u miskend, nu gevoel ik eerst hoe lief ik u heb, en ikzelf heb u laten vertrekken! Anna! O God! Het is verschrikkelijk! Anna, vergeef het mij! (Hij zinkt op de canapé ineen.)
(Anna door de middendeur op.)
TIENDE TOONEEL.
Karel, Anna.
ANNA.
Van ganscher harte, Karel, lieve Karel! Zie, ik ben niet vertrokken, en ik zal het ook niet doen. (Zij knielt bij hem neêr.) Vergeef mij, dat ik u bedroefde door u te verlaten. ’t Was mij geen ernst. Ik wilde slechts zien of je zóo van mij zoudt kunnen scheiden. Thans weet ik het beter. Ik zweer je Karel, dat ik je nooit zal verlaten.
KAREL, omhelst haar en richt haar op.
Ik heb haar weder! O! dank, Anna, dank!
ANNA.
Maar nu mijn voorwaarden!
KAREL.
Stel ze; vraag me al wat mogelijk is, en ik zal het ten uitvoer brengen, als ik je slechts mag behouden.
ANNA.
Wees niet bezorgd. Wij zullen bij elkaar blijven en wel ter dege; wij moeten gaan trouwen.
KAREL.
O, was dàt waar, maar je weet immers, dat dit onmogelijk is.
ANNA.
Misschien minder dan je denkt, Karel. Jij stelde mij zoo even een scheiding voor: ik stel je voor te gaan trouwen, en mijn voorstel, dat verzeker ik je, is vrij wat ernstiger gemeend!
KAREL.
Ik begrijp je niet, Anna,... en de schuld, die nog voldaan moet worden....
ANNA, hem in de rede vallende.
Ja, ja, ik weet hoeveel die op ’t oogenblik nog bedraagt. ’t Is je bekend, dat ik van mijn ouders een klein kapitaaltje erfde, nauwelijks genoeg om onafhankelijk te leven. Ik heb, lach niet! er meê gespeculeerd!
KAREL.
Wat? gespeculeerd! Dat is onvergeeflijk.
ANNA.
O, stel je gerust! Niet in Amerikaansche Sporen; omstreeks drie jaar geleden heb ik er aandeelen voor gekocht in een jeugdige, maar echt Nederlandsche onderneming, en op wiens raad denkt ge wel?
KAREL.
Hoe kan ik dat raden?
ANNA.
Op dien van een goed vriend: van Vredenburch. Welnu, die aandeelen zijn thans haast 50 percent gerezen, zoodat ik een aardig sommetje heb verdiend.
KAREL.
Wel, dat is prachtig! Ik wensch je van harte geluk.
ANNA.
Mij? Neen ons, want zie, het was van ’t begin af aan mijn plan, zoodra ik kon, iets tot uw doel bij te dragen.
KAREL.
Engel!
ANNA.
Nu, dat is zoo erg niet. Ik ben dus, zooals ik zei, zuinig geweest en—zeg, Karel, je hebt vroeger m’n borduurwerk wel eens geprezen, niet waar?
KAREL.
Ja, maar....
ANNA.
Geen maren! Ik heb, dank alweêr aan de tusschenkomst van mijnheer en mevrouw Vredenburch, in alle stilte vrij wat geld met mijn arbeid verdiend. Kortom, mijn zaakjes zijn uitmuntend geslaagd en ik bezit thans genoeg om aan te vullen, wat u nog ontbreekt. (Zij haalt een portefeuille uit den zak.) Ziedaar! Beschik er over!
KAREL.
Maar Anna! dat is te veel. Dat kan en mag ik niet aannemen!
ANNA.
Waarom niet? Als je mij bemint, dan moogt ge geen bezwaren maken. Dit geld is immers geen geschenk, het is uw rechtmatig eigendom, want, zooals ik u gezegd heb: wij gaan trouwen.
KAREL, het geld aannemende.
’t Is waar! Zóo kan het gaan, Anna, ja, ge zijt een engel. O God! welk een plotselinge omkeer! Wat voel ik me van een zwaren last ontheven! (Kust haar.)
ELFDE TOONEEL.