De Hogerveldt's: Oorspronkelijk Tooneelspel in 3 Bedrijven
Part 3
DEKKERS, ter zijde met gebalde vuist.
En nu de rest. Ah! juffrouw Louise, trotsche nuf, de beurt is aan mij!
VREDENBURCH, streng.
Mijnheer Van Hogerveldt, gij moet u verantwoorden.
VAN HOGERVELDT.
Nu niet! Niet op dit oogenblik.
VREDENBURCH.
Geen uitvluchten! Het moet! Waar zijn de geldswaarden, die ons reservefonds moesten uitmaken?
VAN HOGERVELDT, hij strekt smeekend de hand uit.
Zij zijn feitelijk aanwezig, mijnheer Vredenburch. Alleen heb ik ze gerealiseerd en belegd in meer rentegevende fondsen; maar ze zijn er! Ik bezweer u....
VREDENBURCH.
Het is hier niet om eeden te doen....
LOOSBURG.
De woorden van een falsaris hebben toch geen waarde.
VREDENBURCH, scherp.
Mijne heeren, ik ben aan het woord. (Tot Van Hogerveldt.) Dus u beweert, dat de gelden aanwezig zijn onder anderen vorm? Kunt u daarvan op staanden voet het bewijs leveren?
VAN HOGERVELDT.
Overmorgen, mòrgen zal ik ze u voorleggen. Gun mij tijd, gun mij alleen wat tijd en ik bezweer u, dat alles in orde zal zijn. Het moet immers terechtkomen.
DEKKERS, ter zijde.
Het refrein van roekelooze speculanten.
VREDENBURCH.
Dus u kunt thans het gevorderde bewijs niet leveren? Dan schors ik u in uw betrekking, en zal onverwijld de maatregelen nemen, welke deze toestand vordert. (Hij staat op en strekt de hand uit naar de tafelschel.)
VAN HOGERVELDT.
Maar hebt toch medelijden, mijne heeren. Ik beroep me op uw vriendschap....
TER MATEN.
Vriendschap! Ik heb je nooit vertrouwd!
VAN HAAFTEN.
Nooit heb ik begrepen hoe je aan de middelen kwaamt om op dien voet te leven.
VAN HOGERVELDT.
Mijn God, hebt ge dan geen van allen deernis met mijn lot? Staat mij een termijn toe van eenige dagen, een paar luttele dagen slechts.
DEKKERS, ter zijde.
Om aan den haal te gaan.
VREDENBURCH.
Er is geen sprake van. Wij mogen u geen uur uitstel toestaan, zonder de zwaarste verantwoordelijkheid op ons te laden.
TER MATEN.
Geen oogenblik! Tegenover zulk een schandaal is er geen quaestie van vertrouwen meer.
(Vredenburch strekt wederom de hand uit naar de schel.)
VAN HOGERVELDT, zich op de knieën werpend.
Maakt me niet ongelukkig! Denkt aan mijn goeden naam, aan mijn arme vrouw en kinderen. Slechts twee dagen en alles zal in orde zijn; ik moet winnen. O! God! Schel niet, Vredenburch, schel niet! Moeten mijn bedienden mij zóo zien? (Schreiend.) Ontfermt u toch over mijn toestand! Zijt ge dan in eens mijn doodsvijanden geworden, en dat om een zaak die van zelf zal terechtkomen, die terechtkomen moet. Om Godswil! Schel niet, Vredenburch, schel niet!
VIJFDE TOONEEL.
Van Hogerveldt op den voorgrond geknield. De Commissarissen voor hun teruggeschoven zetels staande. Karel, mevr. Van Hogerveldt en Louise snel door zijdeur links op.
KAREL, tot Vredenburch.
Wat gebeurt hier? Duid ons niet ten kwade, maar de luide, zonderlinge toon, waarop hier werd gesproken, drong tot ons door. (Zijn vader bemerkend, die in knielende houding is gebleven en het gelaat in de handen verbergt.) Mijn vader! O....! Wat is er voorgevallen, mijnheer Vredenburch? Spoedig, wat ik u bidden mag, wat is er gebeurd?
VREDENBURCH, tot hem gaande.
Blijf bedaard! Blijf zoo mogelijk bedaard en vóor alles verwijder de dames.
LOUISE, naar Van Hogerveldt snellende, knielt bij hem neêr en slaat den arm om zijn hals.
Nooit, nooit! Mijn plaats is bij mijn armen vader. Pa, lieve pa! Och, ik smeek u, zeg ons toch wat er is voorgevallen?
VREDENBURCH, aarzelend tot Karel.
Er is een belangrijk..... een zeer belangrijk tekort... Maar, inderdaad, het zon beter zijn......... als de dames......
TER MATEN.
Wel zeker, nog bedekte termen tegenover dat volk! Wil je weten, wat er is? Hij (op Van Hogerveldt wijzende) hij heeft de Vennootschap bestolen!
LOOSBURG, ruw.
Schandelijk, laaghartig bestolen. Ter Maten heeft gelijk. Men behoeft hier niemand te ontzien.
(Mevrouw Van Hogerveldt geeft een gil, keert zich om en wil ontvluchten. Louise springt op, ijlt haar na en trekt haar naar den voorgrond. Van Hogerveldt is intusschen opgestaan en staart als wezenloos voor zich.)
LOUISE, opgewonden tot mevr. v. H.
Ga niet heen, moeder! Vlied het ongeluk niet! Gij hebt het lief gedeeld, help nu ook het leed dragen. ’t Is uw plicht.
MEVR. VAN HOGERVELDT, jammerend.
Ik helpen dragen! Alsof ik aan mijn eigen smart niet genoeg heb.
VREDENBURCH, minzaam.
Weest verzekerd, dames, dat ik deelneem in uw ongeluk. Ik ben even verslagen als gij; ’t is me als een droom.
DEKKERS, zich afwendende, ter zijde.
Wat ziet ze mij aan!
KAREL, die bij de woorden van Loosburg de hand voor de oogen gedrukt en het hoofd op de borst heeft laten zinken, richt zich op en treedt naderbij.
Ma, ik verzoek u met vader en Louise de kamer te verlaten. Wees niet bedroefd, misschien zal het zich nog schikken.
VREDENBURCH, tot Karel.
Staat gij ons borg voor zijn persoon?
KAREL.
Zeker. Bovendien verzoek ik de heeren nog een oogenblik te wachten en te hooren naar hetgeen ik te zeggen heb.
DEKKERS, de schouders ophalend.
Wat nu nog. Ik zie niet in, dat hij er iets aan kan doen.
(Al sprekende heeft Karel, Van Hogerveldt, Mevrouw en Louise door de zijdeur rechts doen vertrekken. Vredenburch ziet hen hoofdschuddend na, de overigen voeren een stil gesprek.)
ZESDE TOONEEL.
Karel, Vredenburch, Ter Maten, Loosburg, Dekkers en Van Haaften.
KAREL.
Ik wenschte...
VREDENBURCH.
Een oogenblik! (Tot de Commissarissen.) Het treurig voorval is u nauwkeurig bekend, mijne heeren. Toch wenschte ik thans te constateeren dat, behalve de tien op de pakketten gehechte stukken, het geheele reservefonds is verdwenen. Ons verlies bedraagt derhalve ongeveer honderd en tachtig duizend gulden. Kunnen er naar uw meening nog andere tekorten zijn?
VAN HAAFTEN.
Ik geloof niet dat dit mogelijk is.
DEKKERS.
Andere tekorten zijn er niet; ik ben daar zeker van.
VREDENBURCH, tot Karel.
Welnu, dan kent u thans de geheele toedracht der zaak. (Tot de Commissarissen.) Heeft niemand uwer er iets tegen den heer Van Hogerveldt nog te hooren?
DEKKERS.
’t Zal de zaak toch niet veranderen. Ik zie er het nut niet van in.
VREDENBURCH, scherp.
Dat is moeilijk bij voorbaat te zeggen. De andere heeren hebben er blijkbaar niet tegen. (Tot Karel) ’t Is thans aan u om te spreken. Wees kort, want er moeten door ons op het kantoor nog maatregelen worden genomen.
KAREL.
Ik dank u voor uw welwillendheid. Reeds sedert geruimen tijd heb ik gevreesd, dat hier in huis iets verschrikkelijks zou voorvallen. Ik wist, dat mijn vader van zich zelven geen fortuin bezat en moest dus wel vermoeden.......
VAN HAAFTEN, in de rede vallend.
Dat is al ’n zeer zonderlinge mededeeling!
LOOSBURG.
’t Was dan uw plicht geweest ons vooraf te waarschuwen.
KAREL, eenigszins heftig.
Te waarschuwen? U te waarschuwen tegen mijn vader? Hem te verraden, terwijl ik slechts vermoedde, dat alles niet in orde was? Maar dat kan u geen ernst zijn. Mijn God, mijne heeren, wie treedt nu als aanklager op tegen zijn eigen vader?
TER MATEN.
Nu ja, dat kan er van afhangen.
LOOSBURG, driftig.
Natuurlijk! Geen zoon zal zijn vader verraden, waar het een eerlijke zaak betreft, dat zou laaghartig wezen. Maar hier, waar het een bedrieger geldt, die misbruik maakte van vertrouwen....
KAREL, heftig.
Dat is een leugen...... Noem hem oneerlijk, noem hem een....... bedrieger, een....... een dief, maar misbruik van vertrouwen maakte hij niet, kon hij niet maken. Immers zij wier geld hij beheerde, vertrouwden hem niet, of waarvoor stelden zij dan u aan, mijne heeren? Waarom betaalden zij u jaarlijks een zekere som? Misschien ter vergoeding van de moeite....... die gij niet hebt genomen? Op u rustte de dure plicht mijn vader stipt in zijn beheer na te gaan. Met uw mandaat als Commissarissen hadt gij die verplichting op u genomen, en in plaats van uw taak te vervullen, vertrouwdet gij hem, terwijl gij betaald werdt, om dat niet te doen. In plaats van telkens nauwkeurig na te gaan of alles in orde was, versleet gij den tijd met zijn wijn te drinken en zijn diners bij te wonen. En thans stelt ge u zelven zoo hoog, thans ziet ge zoo laag op hem neêr! Gij zijt het door wier nalatigheid het gebeurde mogelijk werd, gij.....
(Allen zijn opgestaan en maken heftige gebaren.)
VREDENBURCH, met den hamer kloppend.
Bij den hemel, dat gaat te ver!
DEKKERS.
Dat durft ons verwijten doen!
TER MATEN.
Zoo’n onbeschaamdheid is zonder voorbeeld! Die appel valt niet vèr van den boom!
LOOSBURG.
Laat ons maar dadelijk gaan. Wij zullen dien advocaat eens laten zien in hoever de rechter zijne meening deelt!
(Zij begeven zich naar den achtergrond. Karel snelt naar de middendeur en houdt hen tegen.)
KAREL.
Vergeeft het mij, mijne heeren, vergeeft het mij. Ik had ongelijk met u eenig verwijt te doen. Door opgewondenheid en drift liet ik mij meêslepen en dat had ik niet moeten, niet mogen doen. Ik vooral niet. Luistert nog éen oogenblik naar hetgeen ik u wil voorstellen en laat ons bedaard zijn. Dat is de eenige weg om tot een resultaat te komen. De som, die mijn vader tekort komt, bedraagt honderd tachtig duizend gulden, niet waar?
VAN HAAFTEN.
Nu ja, als u anders niets te zeggen hebt.
KAREL.
Mijn eigen vermogen bedraagt niet zóóveel; het is slechts ruim honderd duizend gulden. Overigens zal het huis en het meubilair bij verkoop wel dertig duizend gulden opbrengen.
LOOSBURG.
Wat zou dat dan? Ik begrijp u niet!
KAREL.
Hetgeen ik heb, stel ik ter uwer beschikking; de opbrengst van huis en goed ontvangt u eveneens.
DEKKERS, grimmig.
Dan staan wij immers nog voor een aanzienlijken post.
KAREL.
Voor een post van vijftigduizend gulden. Laat mij dien aanzuiveren in jaarlijksche termijnen. Met mijn praktijk verdien ik veel en door zuinigheid kan ik...
DEKKERS.
Och m’n goeje man, dat zou veel te lang duren!
KAREL.
’t Is waar, jaren zouden voorbijgaan, voordat ik weêr geheel vrij zou zijn. Maar ik bid u, staat mij dit verzoek toe, opdat mijn goede eerlijke naam rein en onbezoedeld blijve, en ik voor niemand de oogen zal behoeven neêr te slaan.
DEKKERS.
Nu ja, dat is heel aardig.
VREDENBURCH.
Neen, mijnheer, dat is niet aardig, dat is volstrekt niet aardig. Ik geloof, dat dit woord hier al zeer misplaatst is.
DEKKERS, rondziende.
Nu nog fraaier. Men is mij waarachtig wel wat anders verschuldigd dan zulk een onaangenamen toon. Had ik niet gezorgd, dat....
VREDENBURCH, uit de hoogte.
O, wat dàt betreft, de uitslag strekt u blijkbaar meer tot eer dan het doel; ge verliest althans de eischen der humaniteit geheel uit het oog. Doch, hoe dit zij, er moet een einde komen aan dezen pijnlijken toestand. (Tot de drie anderen, die in stilte samen spreken.) Gij hebt het voorstel van den heer Van Hogerveldt gehoord, mijne heeren. Ik zal niet schetsen, hoe diep ik gevoel welk een offer hij brengt; ’t is er plaats noch tijd voor. Zooveel is echter zeker, dat ik voor mij niet alleen zijn voorstel aanneem, maar bereid ben hem het ontbrekende voor te schieten, opdat hij tegenover onze zaak op een geheel vrij standpunt kome.
LOOSBURG, tot Vredenburch.
Dat zult gij niet alleen doen, Vredenburch, dat zullen wij gezamenlijk doen, als Van Hogerveldt het goed vindt. (Naar Karel gaande en hem de hand reikende.) Gij hebt onze achting verworven; gij zijt een braaf mensch, wij zullen u helpen om zoo spoedig mogelijk uw doel te bereiken.
(Van Haaften en Ter Maten treden naderbij en drukken Karel eveneens de hand.)
TER MATEN.
Je kunt op ons rekenen, hoor!
DEKKERS, ter zijde, woedend.
Vervloekt! Wie had nu zoo’n einde verwacht. Maar ze zijn nog niet van mij af.
VREDENBURCH, luid.
Laat ons thans spoedig gaan. Op het kantoor moeten de zaken geregeld worden. (Tot Karel.) Heden avond spreken wij u nader.
(Allen door middendeur af. Vredenburch komt terug en drukt Karel, terwijl hij hem naar den voorgrond voert, de hand.)
VREDENBURCH.
Heb je nog iets op het hart?
KAREL.
Neen. Dank u.....
VREDENBURCH, met warmte.
Tot ziens dan, mijn vriend. Houd moed en vertrouw op je kracht, want je zult ze beide noodig hebben. Wees daar zeker van. Adieu! We zullen het er op het kantoor maar voor houden, dat je vader plotseling ongesteld is geworden. Begrepen! (Vredenburch af.)
ZEVENDE TOONEEL.
Karel, alleen.
KAREL.
Moed, kracht! Ik zal ze noodig hebben, niet voor éen oogenblik, niet voor éen grootsche daad, maar voor een zware, ondankbare taak, die dag aan dag, jaar in jaar uit moet worden vervuld. Ik had het voorzien, ik had het voorzien! Honderden malen kwam de gedachte bij mij op, dat het niet anders kon eindigen. Lafaard, die ik was! Altijd heb ik dat akelig denkbeeld teruggedrongen. Nooit had ik den moed dieper door te denken en de gevolgen na te gaan, die zulk een ramp na zich moest slepen. Nooit durfde ik mij de vraag stellen: wat zult gij doen als het zóover komt, en de slag eens onverwacht valt? Groote God! Wèl kwam het onverwacht, en nu heb ik gehandeld zonder vooraf beraamd plan, zonder overleg, zoo maar naar mijn eerste opwelling; nu heb ik alles op het spel gezet, omdat alleen de zucht mij bezielde mijn vader en mijn naam te redden. Maar het is goed zóo, zeker! Ik kon hem immers niet naar de gevangenis laten brengen; moeder en Louise zouden het bestorven hebben, nooit had ik meer voor de balie durven optreden. De zoon op de breede rol der verdedigers van het recht, de vader op de veel breedere van crimineel veroordeelden. Dat was onmogelijk! Nog op dit oogenblik zou ik niet anders kunnen, al gevoel ik, dat de vreeselijke wissel, dien ik op mijn toekomst trok, die toekomst zelve heeft vernietigd. Wat werd ik door velen benijd! Wat was mijn hemel onbewolkt! Vermogen, eer, praktijk, en dat alles....... O, God! Ik moet er niet aan denken! En Anna dan? Och, zij zal gewillig het offer brengen, zij zal me trouw blijven, ook in den tegenspoed, juist in den tegenspoed; dat strookt zoo geheel met haar karakter, dat.......
ACHTSTE TOONEEL.
Karel, Willem Verhagen, snel door middendeur op.
WILLEM, opgewonden.
Karel! In ’s hemels naam zeg me.... Is ’t waar.... is ’t waarachtig gebeurd...? Neen, maar, Karel,... vertel me dan toch....
KAREL.
Met vader? Ja, vriend, het is gebeurd. Hij is ontslagen.
WILLEM.
Je vader! Ja, dat begrijp ik! Maar is ’t waar, Karel, dat jij je niet alleen totaal hebt uitgekleed, maar diep in schulden hebt gestoken om hem te redden?
KAREL.
Waarom zou ik het voor jou verzwijgen? Ook dat is waar!
WILLEM, de handen ineen slaande, met misbaar.
Maar dat is vreeselijk, dat is... dol, dat is... belachelijk! Mijn goede jongen, hoe kom je nu tot zulk een niet te qualificeeren handelwijze.
KAREL, verwijtend.
Willem! Je moest....
WILLEM.
Och, neen, zeg nu maar geen enkel woord meer, als je blieft. ’t Is of je krankzinnig bent geworden. Daar offer je nu vermogen, carrière, levensgeluk, alles op om als een schooljongen den braven Hendrik te gaan spelen. En voor welk een vader? Voor een man, die met de grootste lichtzinnigheid het geld van anderen verspilde, zonder dat jij daarvan ooit iets genoot; die schitterende soirées gaf, waarop jij nooit meêdanste; die een loge had in de opera, waarin jij nooit plaats nam; die fijne diners gaf, waarbij jij nooit hebt aangezeten, in één woord, die het geld met volle handen rondstrooide, maar voor jou nooit anders had dan domme aanmerkingen, omdat je ijverig werkte en zuinig leefde. Maar beste jongen, voel je dan niet hoe dom je bent geweest? ’t Is verschrikkelijk, ik maak me er woedend over; waarachtig, ik zou je kunnen slaan!
KAREL.
Draaf toch zoo niet door, want ik weet, dat er geen woord van gemeend is.
WILLEM.
Zeg dat niet....
KAREL.
Ik herhaal het. Alleen mijn ongeluk stemt je bitter, slechts daaraan denk je, dàt doet je de zaak van een verkeerde zijde beschouwen.
WILLEM.
Beschouwen, beschouwen! Er is geen quaestie van, je hebt... Ah! zij ook! (Ter zijde.) ’t Zal me benieuwen, hoe zij er over denkt.
NEGENDE TOONEEL.
Karel, Willem, Anna. (Zij komt driftig door middendeur op, ijlt naar Karel en grijpt zijn hand.)
ANNA.
Daar even ontmoette ik Dekkers..... Hij heeft..... hij zeide..... (Haar arm om den hals van Karel slaande.) Welk een ramp! Welk een ramp!
WILLEM.
Natuurlijk beeft hij er het arme meisje onverhoeds meê overvallen. De ploert!
KAREL, tot Anna.
Bedaar, lieve, bedaar! ’t Is vreeselijk, maar toch, het had nog veel erger kunnen zijn.
WILLEM, ter zijde.
Wel zeker. Hij zal zijn eerbiedwaardigen pipa nog voorspreken!
ANNA, bitter.
Nog erger? Och, ja, ’t is niet erg! Volstrekt niet! Wat bekommert ge u ook om mij? Wat doet het er toe of ons huwelijk thans onmogelijk is geworden en dat misschien voor tien of twaalf jaren zal blijven! Och, dat is iets van ondergeschikt belang, niet waar, als het geldt de misslagen ongedaan te maken van een man als uw vader. Dat hij mij altijd met zekere minachting bejegende en als het ware uit de hoogte op mij neêrzag, ’t kon u niet hinderen; dat hij je zelf steeds als ’n knaap behandelde, wat maakte het uit? Nu het blijkt, dat geheel zijn grootheid ontleend was aan de beurs van anderen, is u niets goed genoeg om het voor hem op te offeren. Of dat ons al ongelukkig maakt, of onze schoonste levensdroom daardoor wordt verstoord, komt daarbij niet in aanmerking.
KAREL.
Heb ik dan niet gedaan wat mijn plicht vorderde, Anna? Vindt gij, dat ik anders had moeten doen?
ANNA.
Als ge mij lief hadt, zooals ik tot op dit oogenblik geloofde, dan zeker, Karel, dan hadt ge ook mijn geluk niet in éen slag kunnen vernietigen, ter wille van een man, die mij zoo bitter weinig genegen was als uw vader. Thans echter gevoel ik, dat ge mij nooit zoo bemindet als ik, dwaze, het mij voorstelde; dat ge, God weet waarom, meer liefde gehuicheld dan gevoeld hebt!
KAREL.
Ook dàt verwijt nog, Anna?
WILLEM, ter zijde.
Dat is vervloekt hard, ik zou haast zeggen: laag!
ANNA.
O, ge kunt het niet loochenen, Karel! Ge hebt dat verwijt verdiend. Nooit zal ik meer aan uw liefde kunnen gelooven, tenzij gij daarvan op staanden voet het bewijs levert.
KAREL.
Welk bewijs?
ANNA.
O! ge zult het niet doen! Ik kan het niet gelooven.
KAREL.
Ik zweer u dat....
ANNA, beslist.
Welnu! Ge hebt u schriftelijk nog tot niets verbonden; ga dadelijk naar Vredenburch, of zoo ge dat liever niet doet, schrijf hem dan, dat ge die noodlottige overeenkomst intrekt. (Dringend.) Wijs mijn bede niet af, Karel, ik smeek er u om. Ons beider geluk staat op het spel! Schrijf aan Vredenburch, verlaat dit rampzalige huis voor altijd, dan trouwen wij zoo spoedig mogelijk en vestigen ons elders. Daar leven we stil gedurende een paar jaren, en als dan alles voorbij is en vergeten, neemt ge desnoods je praktijk weêr op, en wij leiden een leven zoo heerlijk, zoo vol geluk, als we ons dat reeds lang hebben voorgesteld.
WILLEM, ter zijde.
Dat is het werk van Dekkers. De ellendeling!
KAREL.
En vader dan?
ANNA.
Och wat?.... Die man, altijd die man!
KAREL, hij neemt haar handen in de zijne, en brengt haar ter zijde naar de sofa.
Lieve Anna! Ge hebt uwe ouders reeds vroeg verloren; ik weet niet of ge u hun beeld nog voor den geest kunt brengen; maar stel eens, dat zij nog leefden, dat het hun wèl ging en zij in weelde en voorspoed alles genoten wat de wereld aanbiedt, zonder dat gij zelve daaraan deel naamt. Stel eens dat hun dan te midden van dat vroolijk leven een ramp trof, die zij zichzelven hadden berokkend, maar die gij voor een groot deel kondet afwenden. Zeg, Anna, zoudt ge hun dan den rug toekeeren en hen overlaten aan hun treurig lot? Vergeten, dat die zwakke, lichtzinnige menschen toch uwe ouders waren, aan wie ge al de heerlijkheid van een vroolijke, onbezorgde jeugd verschuldigd waart? Vergeten, hoe die moeder je vertroetelde en lief had, hoe zij vol zorg en angst waakte aan het bed, waarin je ziek en hulpeloos nederlag? Zoudt ge dan niets meer willen doen voor den man, aan wiens knieën ge zoo vaak vertrouwelijk hadt gespeeld, die vol liefde elken stroohalm wegnam voor de voeten van zijn kind, die je eerste wankelende schreden steunde en wien niets te kostbaar was om je kinderlijke wenschen te bevredigen? (Opstaande.) Dat mag ik immers niet van je denken, lieve? Als dàt waar was, zou ik me bitter in je hebben bedrogen.
(Terwijl hij spreekt, heeft Anna schreiend, haar zakdoek voor de oogen gebracht. Willem, die zacht is genaderd en mede heeft geluisterd, heeft het hoofd afgewend om zijn ontroering te verbergen.)
KAREL, glimlachend.
Misschien zult ge mij thans begrijpen. Maar wat nood? Ik ben immers nog in veel opzichten een gelukkig man! Of heb ik geen goeden trouwen vriend, die me een hart onder dan riem steekt en met een warmen handdruk belooft, me met raad en daad te zullen bijstaan?
WILLEM.
Vergeef me, Karel. Ik was daareven verduiveld onverstandig. Maar in nood en dood kunt ge op mij rekenen. Dat weet je wel!
KAREL, W’s hand vasthoudende.
En heb ik geen engelachtig meisje, dat me niets verwijt, maar integendeel door haar liefde mijn leed verzacht en mij met onwankelbare trouw ter zijde blijft?
ANNA, zich aan zijn borst vleiend.
Dat zal ik Karel. Ik zweer het je.
KAREL.
Welnu, als liefde en vriendschap me blijven steunen, dan zal ik moed hebben en kracht, dan is mij geen taak te zwaar!
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
DERDE BEDRIJF
(3 jaren later.)
Kamer in het huis van Mr. Karel Van Hogerveldt. Eenvoudig gemeubeld. Rechts schrijfbureau. Kast met boeken op den achtergrond. Op het bureau een brandende lamp. Karel is aan zijn bureau in slaap gevallen. Canapé links.
EERSTE TOONEEL.
Mevr. Van Hogerveldt, Louise, Karel.
Mevr. Van Hogerveldt en Louise komen door de achterdeur binnen.
MEVR. VAN HOGERVELDT, zij blaast de lamp uit.
Zie je nu wel, Louise, ik was toch niet ten onrechte bezorgd, toen hij niet aan het ontbijt kwam. ’t Is nu al elf uren. Hij heeft zeker weêr den ganschen nacht zitten werken en is eindelijk van vermoeidheid in slaap gevallen. Arme jongen!
LOUISE.
Karel offert zich geheel voor ons op, ma; wij zullen het hem nimmer kunnen vergelden.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Hij is een brave, edele jongen, dat moet ik zeggen; ik heb hem al zoo dikwijls gevraagd om zijn gezondheid wat meer te ontzien. In die drie jaren, sedert ons het ongeluk trof, heeft hij meer dan hard gewerkt, en dat bijna uitsluitend voor ons; och, ik maak me zoo bevreesd, dat hij ziek zal worden. (Zij is aangedaan en gaat op de canapé zitten.)
LOUISE.
Maar, maatjelief, laten we hem dan wekken, hij moet naar bed gaan.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Ja, kind, dat moet hij ook, en van middag zullen we hem nog wel eens goed op het hart drukken, dat hij te veel van zijn krachten vergt.
LOUISE.
Zeker ma, dat moeten we doen, och we hebben toch al zóoveel met pa te stellen, vooral in den laatsten tijd, dat als nu Karel nog.....
MEVR. VAN HOGERVELDT, snel.
Kind, spreek me niet van je armen vader; die rampzalige gebeurtenis met dat ongelukkige geld heeft hem geheel geknakt. ’t Is of hij met den dag suffer en gevoelloozer wordt.
(Karel wordt wakker zonder dat de anderen het bemerken.)
MEVR. VAN HOGERVELDT, vervolgt.
Och! ’t heeft me toch altijd zoo’n leed gedaan, dat je er vroeger maar niet in hebt toegestemd de vrouw van Dekkers te worden. Ik denk daar nog dikwijls aan.
LOUISE.
Hoe kunt u dat nù zeggen, nu we hem eerst van zijn ware zijde hebben leeren kennen?
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Kind, als je zijn vrouw waart geworden, dan zou hij ons immers gespaard hebben.
KAREL, spottend.
Wel zeker, Louise had maar met Dekkers moeten trouwen en ik met de een of andere rijke weduwe of dochter van een millionnair, dan hadden we immers geld gehad. Een heerlijk vooruitzicht, niet waar, ma? Al was er dan geen sprake van liefde....
MEVR. VAN HOGERVELDT, snel.
Dan was je ten minste beiden rijk getrouwd en we zaten niet in zorgen!
KAREL, opstaande.
Ja, rijk getrouwd! Goddank dat Louise en ik daar anders over dachten. Hoe verkeerd onze opvoeding ook was, ze gaf ons ruimschoots gelegenheid tot zelfstandige ontwikkeling.
MEVR. VAN HOGERVELDT, verontwaardigd.