De Hogerveldt's: Oorspronkelijk Tooneelspel in 3 Bedrijven
Part 2
Hij bevalt mij zoo zeer dat ik, zeker uit sympathie voor u, reeds lang eveneens heb gedacht. U zult me echter toegeven dat een raad gemakkelijker is te geven dan op te volgen; vooral waar het zulk een teedere quaestie geldt. ’t Is voor een meisje zeker een gewichtige stap haar ouders te verlaten en haar man te volgen om haar geheele toekomst in zijn handen te stellen, maar ook voor den man is het van groot belang goed toe te zien of hij in haar werkelijk de vrouw zijner keuze beeft gevonden.
LOUISE, schertsend.
En hebt u nog niet kunnen slagen? Aan tijd heeft ’t u, dunkt me, toch niet ontbroken?
DEKKERS.
Wat de keuze betreft, ben ik het met mijzelf volkomen eens. Alleen heb ik tot nog toe den moed niet gehad om de hand te vragen van haar, die ik aanbid.
LOUISE, opstaande, schertsend.
Nu ge zóover zijt gekomen, moet ge mijn raad geheel opvolgen en er niet lang meê wachten ook. Wie weet! Het hangt wellicht slechts van u af om uw uitverkorene gelukkig te maken; u kunt toch niet vergen dat ze u vraagt?
DEKKERS, opstaande en Louise’s hand vattend. (Met geestdrift.)
O, Louise, vergun mij, dat ik u zóo noem; zie, ge spreekt daar juist naar mijn hart, en, nu gijzelve zegt, dat het slechts van mij afhangt, voel ik op eens den moed in mij ontwaken! Ook is de gelegenheid mij nog nooit zoo gunstig geweest als thans, nu ik het voorrecht heb, u alleen te spreken; want, al heb ik het u tot heden niet gezegd, ik ben er zeker van, dat ge reeds lang hebt begrepen, hoezeer ik u bemin.....
LOUISE, verrast, haar hand terugtrekkend.
Mij?..... (sarcastisch) Maar, mijnheer Dekkers, hadt u me dat wat eerder gezegd, dan zou ik u al die moeite bespaard hebben. (Zij wendt zich onverschillig van hem af.)
DEKKERS.
Louise, wend uw hoofd niet af. Zie mij aan en lees in mijn oogen welk een vurige liefde ik u toedraag. Gij zijt de vrouw mijner keus, nog nimmer gevoelde ik zoo innig hoe dierbaar gij me zijt!
LOUISE.
Nog eens, mijnheer, bespaar u die moeite en laat ons over iets anders spreken. Ik was op deze wending van ons gesprek niet voorbereid.
DEKKERS.
Vergeef mij,.... maar.... ik had u toch niet vooraf....
LOUISE, snel.
Vooraf kunnen waarschuwen? Dat zou mij althans zeer aangenaam zijn geweest. Had ik uw bedoeling gekend, ik zou ons beiden dit oogenblik hebben bespaard.
DEKKERS.
Haat ge mij dan, Louise, dat mijn aanzoek u zóo mishaagt?
LOUISE.
U haten? Volstrekt niet. Ik zou zelfs gaarne willen, dat wij goede vrienden bleven, altijd onder voorwaarde nooit meer op dit onderwerp terug te komen.
DEKKERS.
Maar als ik het u zoo onvoorbereid heb meêgedeeld, dan hebt ge ook den tijd niet gehad om er over na te denken. Sta me dus toe niet op dit oogenblik, maar later uw besluit te vernemen. Gij zelve kunt bepalen, wanneer dit zal zijn en intusschen ook uw ouders raadplegen.
LOUISE.
Ik heb u mijn besluit reeds gezegd, mijnheer, en daar blijf ik bij. Even goed als de man, zooals gij aanstonds zeidet, de vrouw zoekt zijner keuze, heeft deze toch ook het recht haar eigen zin te volgen, niet waar?
DEKKERS.
Daar hebt ge volkomen gelijk in; ’t is echter geen reden om mij het gevraagde uitstel te weigeren.
LOUISE.
Welnu, als ge dan een afdoende reden verlangt: ik heb mijn keus reeds gedaan, en daarin heb ik immers, zooals u zelf zegt, volkomen gelijk?
DEKKERS.
Zeker, maar is die keus wel geheel in uw belang? Ik begrijp zeer goed, wien ge bedoelt! Gij hebt het oog op Willem Verhagen, een jong advocaat, die....
LOUISE, vertoornd.
Dat is mijn zaak, mijnheer, daarover hebt u niet te oordeelen.
DEKKERS.
Als we goede vrienden zijn, mag ik toch wel als vriend met u spreken.
LOUISE, als boven.
Laat dat zijn zoo het wil. Eens en voor al verzoek ik u geen namen te noemen en van niemand kwaad te spreken.
DEKKERS.
Dàt is ver van mij, ik denk alleen aan uw belang. Dat toch brengt mede, dat ge, eenmaal gehuwd, hetzelfde genotvolle leven kunt leiden, waaraan ge gewoon zijt. En hoewel ik volstrekt niets ten nadeele van Verhagen wil zeggen, moet u toch niet vergeten, dat hij een zeer jong advocaat is, wiens praktijk nog moet gevestigd worden; een groot verschil b. v. met uw broer. Verhagen is dus onmogelijk in staat u al die weelde en genoegens te verschaffen.
LOUISE, onverschillig.
Alweêr die naam!..... Doch dit doet er niets toe. Ieder volgt zijn keuze, goed of kwaad.
DEKKERS.
Ik durf u toch verzekeren, dat het u op den duur niet bevallen zou om zooveel te moeten ontberen, waarmeê ge als ’t ware zijt opgegroeid. Gij weet, Louise, dat ik fortuin heb; ik ben in staat u alles van de wereld te doen genieten, en ik zou dat van ganscher harte doen, ik zou u het leven zoo aangenaam maken, want ik bemin u meer dan ge weet; bovendien denk er om, dat ge door mijn liefde te verwerpen, uw toekomst in de waagschaal zoudt kunnen stellen. (Louise zwijgt en zucht.) Nu zucht gij op uw beurt. Zeg, Louise, waarom zwijgt ge thans? Denkt ge na over mijn verzoek, zoodat ik nog mag hopen?
LOUISE, beslist.
Hopen?.... Waar denkt ge aan, mijnheer Dekkers; ik heb u mijn besluit gezegd en daar blijft het bij. Laten we nu, zooals ik reeds zei, als goede vrienden scheiden en doen alsof er niets was voorgevallen. ’t Is hoog tijd, dat ik naar huis ga; mama zal ongerust worden. (Zij wil gaan.)
DEKKERS, houdt haar tegen.
Nog éen woord, Louise, weet wel wat ge doet. Vergeet niet, dat uw vader jaren lang mijn vriend was. Spreek eerst met hem en neem den tijd om u te bedenken, in plaats van kortaf te weigeren.
LOUISE.
En wat zou u beletten om vaders vriend te blijven?
DEKKERS.
Ge weet toch, dat uw vader aan mij zijn betrekking te danken heeft, dat hij alles aan mij is verplicht?
LOUISE, geraakt.
Zeker weet ik dat, maar is hij u daarvoor dan niet altijd dankbaar geweest? Ik had niet gedacht, mijnheer Dekkers, dat gij u thans nog daarop zoudt beroepen. In ieder geval heeft die zaak hier niets te maken.
DEKKERS.
Misschien wel. Ik wilde er u slechts op wijzen, dat uw vader mijn invloed en hulp nog wel eens zou kunnen noodig hebben.
LOUISE.
Ik begrijp niet waar ge op doelt, mijnheer, trouwens ’t is mij ook vrij onverschillig. Ik weet alleen, dat mijn vader sinds hij directeur is, veel tot den bloei der vennootschap heeft bijgedragen.
DEKKERS.
Daar kunt gij, als vrouw, moeilijk over oordeelen en, dat gij als dochter natuurlijk niet van uw vader zult vermoeden, dat....
LOUISE, gebiedend.
Zwijg, mijnheer, dat gaat inderdaad te ver! Mij beleedigen door mijn vader in een kwaad daglicht te stellen! Gij noemdet hem zooëven uw vriend en zoudt nu trachten hem bij zijn eenige dochter verdacht te maken. Dat is slecht.
DEKKERS.
Nog eens, gij begrijpt me niet. Wat ik zei, of liever, wat ik wilde zeggen, sloeg op geheel iets anders!
LOUISE, nieuwsgierig.
Dus u schijnt toch iets ten nadeele van mijn vader te weten! Niet waar?
DEKKERS.
Ik zeg alleen, dat hij onder zekere omstandigheden mijn hulp nog wel eens noodig kon hebben.
LOUISE, beslist.
Welnu, als die omstandigheden slechts in uw verbeelding bestaan, dan is er geen vrees voor, en zoo niet, wees dan oprecht en zeg me, wat er is. Wat weet gij van mijn vader?
DEKKERS.
Ik weet niets, Louise, maar ik heb.... ik veronderstel....
LOUISE, gejaagd.
Wat? Misleid mij niet, ik bid het u!
DEKKERS.
Ik mag, ik kan het u nog niet zeggen. Morgen is er vergadering en daarna....
LOUISE, ernstig.
Nog eens, mijnheer Dekkers, zeg mij ronduit, wat gij bedoelt; ik verzoek het u dringend.
DEKKERS.
Welnu, Louise, niet alleen uw toekomst, maar ook die van uw vader is in uw handen. Schenk mij uw liefde, beloof mij mijn vrouw te zullen worden, en ik zal u niet alleen alles zeggen, maar ik zal uw vader en u allen van den ondergang redden....
LOUISE, geeft een gil van schrik.
O, God! Ik geloof u niet. Gij liegt!.... Gij wilt mij dwingen!.... Neen.... nooit!
DEKKERS, dringend, haar handen vattende.
Louise, bedenk u; voor het laatst: ik bid u, weet wat ge doet. Van uw toestemming hangt te veel af; uw weigering zal u berouwen.
LOUISE, buiten zich zelve van aandoening.
Ik zeg u: neen, nooit!.... nooit!
(Zij slaat de handen voor het gelaat.)
ACHTSTE TOONEEL.
De vorigen. Willem Verhagen.
VERHAGEN, komt schielijk op.
O, pardon, laat ik u niet storen; ik heb hier, geloof ik, mijn stok laten liggen. (Gaat naar het priëel rechts.) Ah! daar is hij al. (Hij bemerkt Louise’s ontsteltenis en ijlt naar haar toe.) Louise! Wat is er gebeurd?
Louise wijst hem op Dekkers, die verschrikt en vertoornd zich heeft afgewend en legt haar hoofd tegen den schouder van Verhagen.
LOUISE, weenend.
O, die man! die man! het is verschrikkelijk! (Verhagen werpt over Louise heen woedende blikken op Dekkers.)
NEGENDE TOONEEL.
De vorigen. Mevr. Van Hogerveldt.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Lieve hemel! Wat is er nu aan de hand? Nu begrijp ik er niets meer van.
DEKKERS, ter zijde.
Ze heeft niet gewild! Zij heeft mij smadelijk afgewezen: welnu, ik zweer het: Ik zal mij wreken!
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
TWEEDE BEDRIJF
Een fraai gemeubelde kamer in het huis van Van Hogerveldt. In het midden groote langwerpig vierkante tafel met lang groen kleed bedekt; achter de tafel vijf fauteuils, de zesde rechts ter zijde. Vóor elk der fauteuils papier, pennen en inkt; vóor den middelsten tevens presidentshamer. Dubbele deur achtergrond; deur rechts met portière. Op den voorgrond rechts speeltafeltje, links chaise-longue. Bij een venster rechts op hel tweede plan rooktafeltje.
EERSTE TOONEEL.
Van Hogerveldt. Bediende. Beiden komen op.
VAN HOGERVELDT, (zet een effectentrommel op het tafeltje rechts.)
Heb je voor sigaren gezorgd, van het merk, dat ik je heb opgegeven?
BEDIENDE.
De standaard op het tafeltje is er meê gevuld, mijnheer. Als er nog meer noodig zijn, hebt u maar te schellen.
VAN HOGERVELDT.
Mooi! En nu het menu.
BEDIENDE, hij overhandigt het menu.
Ik heb zooveel mogelijk gedaan, wat u me hebt opgedragen, mijnheer.
VAN HOGERVELDT, ontstemd.
Zooveel mogelijk, zooveel mogelijk? Hm. In de eerste plaats beginnen wij met oesters. Dat had ik vergeten te zeggen. Denk daaraan, hoor. En vervolgens (hij zet zijn lorgnet op.) .... Wat is dat nu? Rôts: Canetons! Zeg eens, waarom geen faisanten, zooals ik nog nadrukkelijk had opgeschreven.
BEDIENDE.
Ik heb er de geheele stad om doorloopen; er was slechts éen poelier, die in dit seizoen faisanten kon leveren.
VAN HOGERVELDT.
Nu, verder! Wat beteekent dat?
BEDIENDE.
Dat beteekent, meneer, dat die poelier maar eventjes twintig gulden per stuk vroeg.
VAN HOGERVELDT, opstuivend.
Wel, dat is al weergaasch brutaal, dat gaat alle perken te buiten. Ik had jou gelast faisanten te bestellen, en dat was, dunkt me, voldoende! Ga nu maar dadelijk heen en zorg dat ze er komen, hoor!
BEDIENDE.
Voor twintig gulden per stuk?
VAN HOGERVELDT, woedend.
Maar wat scheelt dien kerel toch? Zeg, heb je mij verstaan of niet?
BEDIENDE.
O zeker, meneer, zeker. Anders geen aanmerkingen op het menu?
VAN HOGERVELDT.
Hm, neen! (Hij geeft hem het menu terug en haalt een sleutel uit den zak.) Hier heb je den sleutel van den kelder, zet muscaat, bordeaux, bourgogne en champagne uit.
BEDIENDE.
Nog iets van uw orders?
VAN HOGERVELDT.
Neen. Je kunt gaan, maar zorg, dat als de Vergadering is afgeloopen, de port en de madera in de tuinkamer klaar staan.
(Bediende af.)
TWEEDE TOONEEL.
Van Hogerveldt, alleen.
VAN HOGERVELDT. Hij wischt zich het voorhoofd af met zijn foulard.
Zie zoo, dat is in zoover gedaan. Foei! foei! Wat ’n drukke dag, en ik zou er wel kunnen bijvoegen: wat ’n dure dag,.... als dat er op aan kwam. Maar voor mijn brave Commissarissen is niets te goed op deze wereld, mits ze zich zoo min mogelijk met mijn zaken inlaten, dat is voor hen geen werk. Nu, ik heb me waarachtig niet over hen te beklagen en toch.... ’t is kinderachtig.... ’t is bespottelijk.... toch ben ik altijd eenigszins gejaagd.... eenigszins zenuwachtig op die malle vergaderingen, die eigenlijk totaal overbodig zijn. Wassen neuzen! Anders niet! (Aandachtig rondziende.) Is nu voor vandaag alles in orde? De trommel, het balansenboek, de sigaren, pennen, inkt en papier. Die laatste dingen konden ook best worden gemist. (Hij gaat voor den spiegel staan, strijkt met de hand langs zijn bakkebaarden, trekt zijn vest neêr, zijn das recht en zijn manchetten naar voren.) Zie zoo. (Kijkt op zijn horloge.) Ik wou dat ze nu maar kwamen! Hoe eer die gekheid achter den rug is, hoe beter!
DERDE TOONEEL.
Van Hogerveldt, Mevr. Van Hogerveldt (in overladen prachtig gewaad.) Louise (net en smaakvol gekleed.)
MEVR. VAN HOGERVELDT. Zij kijkt om den hoek der middendeur.
Is er nog geen belet, pa? (Zij trippelt gevolgd door Louise de kamer binnen.) Wij komen ons eens even laten kijken, paatje! (Zij draait zich vóor hem in het rond.) Hoe vindt je me nu? Naar je zin?
VAN HOGERVELDT, hij zet zijn lorgnet op.
Prachtig, lieve, prachtig! en Louise ziet er ook keurig uit; charmant, inderdaad!
LOUISE.
Tot haar diep leedwezen, pa.
MEVR. VAN HOGERVELDT, verachtend.
Hè! Foei!
VAN HOGERVELDT, ontstemd.
’t Is ook verschrikkelijk! Dat is nu tweemalen per jaar, dat je om mij genoegen te doen eens met die heeren meê aan tafel zit!
LOUISE, vriendelijk.
O, pa-lief, denk niet, dat ik mij er ooit tegen zal verzetten, maar ik kan het heusch niet helpen, dat ik die heeren Commissarissen vreeselijk vervelend vind, den goeden papa Vredenburch er buiten gelaten.
MEVR. VAN HOGERVELDT.
En ik zeg, dat dit heel leelijk van je is, Louise, heel leelijk en ongepast zelfs. Daar heb je nu Dekkers, die zoo innig veel van je houdt, die....
LOUISE.
Ma, wat ik u bidden mag, zwijg over dien man. Na die afschuwelijke scène gisteren in den tuin, kan ik hem niet uitstaan, haat ik hem. Ik heb u niet alles verteld, wat hij toen heeft durven zeggen, en ik zou dat ook niet willen doen om onaangenaamheden tusschen pa en hem te voorkomen. Maar toch moet ik u aanraden voorzichtig met hem te zijn, pa, en hem nooit.... geheimen toe te vertrouwen.
VAN HOGERVELDT, lachend.
Geheimen! ha, ha!
MEVR. VAN HOGERVELDT, voor den spiegel heen en weêr draaiend.
Bespottelijk!
LOUISE.
Nu, mij wel! U moet het weten.
VAN HOGERVELDT.
Kom Louisje, bemoei jij je nu maar met je toilettafel, en oordeel niet over mijn vrienden, mannen van zaken als meneer Dekkers. ’t Is waar, hij was bekoord door je lief gezichtje en heeft misschien allerlei dwaasheden gezegd, toen je hem zoo brusque afweest....
MEVR. VAN HOGERVELDT, in de rede vallend.
Hetgeen ook heel dwaas van haar was, en waarover ik me zoo innig boos heb gemaakt, dat ik er letterlijk nog ziek van ben.
VAN HOGERVELDT.
Ja, ze heeft mij eveneens erg teleurgesteld. Door dat huwelijk had Louise een prachtige positie in de maatschappij kunnen krijgen. Maar enfin, ik kan haar niet dwingen.
LOUISE, ter zijde.
Dat zou er nog maar aan ontbreken!
MEVR. VAN HOGERVELDT.
Omdat je al even dwaas bent als zij. Had mij laten begaan, ik zou....
LOUISE, heftig.
O, u zou mij desnoods uithuwelijken aan een menscheneter.... als hij maar geld had.
MEVR. VAN HOGERVELDT, woedend.
Aan een.... aan een menschen.... Neen, maar, hoor je dat, Hogerveldt? Dat is meer dan brutaal! Meneer Dekkers te vergelijken.... Neen maar, hoor je dat?
VAN HOGERVELDT, hij brengt de handen aan ’t hoofd.
Doet me nu beiden éen plezier: staakt dat akelige kijven en gaat als je blieft heen. (Hij dringt haar zacht door de zijdeur rechts de kamer uit.) Toe nu, toe nu; de heeren kunnen ieder oogenblik komen en ik zou voor geen geld willen, dat ze dat onfatsoenlijk twisten hoorden.
(Beiden al twistende af. Van Hogerveldt keert terug naar den voorgrond. Louise steekt haar hoofd tusschen de deur en roept:)
LOUISE.
Toch blijf ik er bij, pa. Wacht u voor dien Dekkers, want als hij kan, zal hij u benadeelen. Daar ben ik zeker van! (Zij trekt haar hoofd snel terug en de deur dicht; Van Hogerveldt ijlt naar de deur om Louise terug te roepen; op hetzelfde oogenblik gaat de middendeur open en dient de knecht de Commissarissen aan.)
VIERDE TOONEEL.
Van Hogerveldt, Vredenburch, Van Haaften, Loosburg, Ter Maten en Dekkers.
VAN HOGERVELDT, hij gaat hen te gemoet en drukt hun beurtelings de hand.
Bonjour, bonjour, mijne heeren! Hoe gaat het, hoe gaat het? Ik begon waarlijk bijna te denken, dat ge mij hadt vergeten.
VREDENBURCH.
Ja, ’t is later geworden dan ik had gedacht. We hebben met ons drieën de heeren Van Haaften en Loosburg van het station gehaald.
VAN HAAFTEN.
De trein was bijna tien minuten in vertraging.
LOOSBURG.
Op een traject van nog geen anderhalf uur!
VAN HOGERVELDT.
’t Is een schandaal! (Hij neemt een sigarendoos van de rooktafel en presenteert.) Mag ik het genoegen hebben? Uitmuntende havana’s. Ja, ’t is verschrikkelijk met die spoorwegadministratie’s. Dat richt den dienst maar in, zonder eenige rekening te houden met de belangen der aandeelhouders, want die zijn wel degelijk bij het op tijd aankomen betrokken. Dat verzeker ik u.
DEKKERS.
’t Is inderdaad jammer, Van Hogerveldt, dat jij geen directeur zijt van een spoorweg-maatschappij. Me dunkt je zoudt de belangen der aandeelhouders vrij wat beter behartigen!
VREDENBURCH, Van Hogerveldt vertrouwelijk op den schouder kloppend.
Zooals hij het die van de onze doet, niet waar? Ze zullen recht in hun schik zijn met hun flink dividend.
TER MATEN.
Of ze in hun schik zullen zijn. Van Hogerveldt! je hebt alle eer van je goed beheer, hoor!
VAN HAAFTEN.
Waarachtig!
LOOSBURG.
’t Laat niets te wenschen over; Van Hogerveldt, ik maak je mijn compliment.
VAN HOGERVELDT, buigend.
Te veel eer, mijne heeren, te veel eer. Maar toch ik neem uw welwillende betuigingen in dank aan. ’t Is waar, ik doe wat ik kan om alles goed te laten marcheeren. ’t Spijt me alleen, dat ik niet iemand naast me heb, dien ik geheel in de zaken kan opleiden, zooals men dat b.v. zijn zoon doet.
VREDENBURCH.
Maar, me dunkt toch, dat je zoon Karel daartoe alle vereischten bezit. Hij is bekend als ’n schrandere bol, die wetenschappelijk zeer ontwikkeld is. Bedrieg ik mij niet, dan bezit hij van zichzelf eenig vermogen en voor een jong advocaat heeft hij zeer veel praktijk. Wat kan men meer verlangen?
VAN HOGERVELDT, lachend.
Och, m’n waarde heer Vredenburch, dat is alles waar, volkomen waar! Maar ’n jong advocaat en ’n praktische handelsgeest, hoe rijmt zich dat nu te saâm?
TER MATEN.
Belachelijk! Neen, daarin moet ik Van Hogerveldt gelijk geven.
LOOSBURG.
Jonge advocaten? Praat me er niet van!
VAN HAAFTEN.
Kranen in een debating-club, maar voor het overige!
DEKKERS.
Ik wil niet zeggen, dat Karel in een onderneming als de onze misplaatst zou zijn. Of hij met zijn papa zou kunnen samenwerken, is echter een andere zaak.
VAN HOGERVELDT, D. scherp aanziende.
Dat is ook iets anders, daarin heb je gelijk. Ik ben een veel te praktisch man, om me ooit in te laten met de dwaze theorieën van jongelui als m’n zoon. (Hij ziet op zijn horloge.) En nu, mijne heeren, stel ik voor onze zaken spoedig af te doen, ten einde voor het middagmaal nog eenige genoeglijke uren....
DEKKERS.
Pardon, ik zal niet blijven dineeren.
VAN HOGERVELDT.
Maar Dekkers!
DEKKERS.
Zaken, vriend, dringende zaken eischen mijn tegenwoordigheid te huis.
VREDENBURCH.
’t Spijt me zeer. Dus zullen we het gewaardeerd gezelschap van onzen vriend Dekkers heden middag moeten missen. Mag ik u verzoeken plaats te nemen, mijne heeren?
(Zij gaan op de fauteuils zitten in dier voege dat links van Vredenburch, Loosburg en Dekkers, rechts Ter Maten, Van Haaften en Van Hogerveldt plaats nemen.)
VREDENBURCH, hij klopt met den hamer.
Mijne heeren! Ik open deze Vergadering; door ongesteldheid was onze secretaris, de heer Loosburg, verhinderd de notulen van de vorige op te stellen. Wij zullen dus aanvangen met het hooren van het Verslag onzer Commissie voor het nazien der rekening en verantwoording. Mag ik den heer Dekkers, als rapporteur, verzoeken dat Verslag uit te brengen?
DEKKERS, opstaande, neemt een papier en leest.
De Commissie, belast met het nazien der rekening en verantwoording, heeft de verschillende posten met de bewijsstukken vergeleken en bevonden dat de boeken met zorg en nauwgezetheid zijn opgemaakt en voor akkoord verklaard kunnen worden. De balans over het afgeloopen jaar sluit met een voordeelig saldo, dat aanleiding geeft tot een uitkeering van twaalf percent dividend.
VREDENBURCH.
Verlangt een van de heeren over dit Verslag het woord?.... Zoo niet, dan zal de balans ter goedkeuring aan de aandeelhouders worden voorgelegd en danken wij de Commissie voor haar werkzaamheid en den Directeur voor zijn gehouden uitmuntend beheer.
VAN HOGERVELDT, staat op, buigt, krijgt den effectentrommel van het tafeltje, plaatst dien voor zich op de tafel en opent hem.
Zooals u bekend is, mijne heeren, bevinden zich hierin de effecten, waarin volgens vroeger genomen besluit de gelden van het Reservefonds zijn belegd. Zij zijn in hun verzegelde pakketten vervat. Mag ik u die ter contrôle voorleggen? (Hij haalt eenige pakketten uit den trommel en legt ze voor zich neêr.)
VREDENBURCH, glimlachend rondziende.
Ik geloof niet, dat een van de heeren....?
LOOSBURG.
Wel neen! Laten wij onzen tijd toch niet noodeloos verspillen!
TER MATEN.
Doet u de pakketten maar weêr weg, hoor; die zaak zal wel in orde zijn.
VAN HAAFTEN.
’t Is je toevertrouwd, Van Hogerveldt! Volkomen toevertrouwd.
VAN HOGERVELDT, hij bergt met een buiging de pakketten weêr op.
Mijn dank voor uw vertrouwen, mijne heeren, ik.....
DEKKERS, opstaande, luid en langzaam.
Een oogenblik. Het spijt mij, mijne heeren, maar ik moet mij verzetten tegen het ongeopend laten dezer pakketten. Niets zal mij natuurlijk aangenamer zijn, dan dat dit noodelooze moeite zal blijken, maar ik vermeen reden te hebben om aan te dringen op een contrôle, zooals die in ons reglement is voorgeschreven.
Allen rijzen op; Van Hogerveldt, hevig ontsteld, doet een schrede achteruit en grijpt bevend de leuning van zijn stoel om zich staande te houden.
VREDENBURCH, verschrikt.
Van Hogerveldt, wat deert je? waarom ontstel je zoo? Er is toch niets....?
DEKKERS, op denzelfden toon voortgaande.
Daarom moet ik den Voorzitter beleefd verzoeken, te willen nagaan of de fondsen overeenkomstig de bestaande lijsten aanwezig zijn.
VAN HOGERVELDT, stotterend.
Maar ik begrijp niet wat de heeren kan bewegen..... Dekkers vergist zich.... Alles is in volmaakte orde.... Er ontbreekt immers niets aan..... Het dividend.... het...... de stukken.......
VREDENBURCH.
Zooveel te beter, dan zouden wij ons daarvan kunnen overtuigen. Wat denken de heeren....?
LOOSBURG.
’t Is te gek om van te spreken!
VAN HAAFTEN.
Ik weet waarlijk niet wat Dekkers bezielt; is dat nu een toon?
TER MATEN.
Wij mogen onzen Directeur niet op die manier in het aangezicht slaan.
VAN HOGERVELDT, levendig.
Het verheugt mij, mijne heeren, dat u mij ter zijde staat, tegenover het onverklaarbaar gedrag van den heer Dekkers. Bij zulk een beleediging doet het vertrouwen der meerderheid mijn hart goed.
VREDENBURCH.
Dus de heeren besluiten.....
DEKKERS.
Hier is geen sprake van een besluit, mijnheer de Voorzitter. Eerst heb ik contrôle verzocht, thans eisch ik die, zooals ik daartoe het recht heb.
VREDENBURCH, geraakt.
Dat hebt u! Welnu, aan uw eisch zal worden voldaan. (Hij grijpt een pakket, scheurt er den omslag af, beschouwt den inhoud en laat dien, ontsteld, op de tafel vallen.) Groote God! Bedriegen mij mijne oogen? Papieren zonder waarde! Papieren zonder waarde!
(Van Hogerveldt wankelt, valt op zijn fauteuil neder en bedekt het gelaat met de handen. De Commissarissen vallen op den trommel aan, grijpen er de overige pakketten uit, rukken die open en werpen ze op de tafel. Loosburg werpt er Van Hogerveldt een voor de voeten.)
LOOSBURG, woedend.
Ellendige bedrieger, wat hebt ge gedaan?
DEKKERS, ter zijde.
Eerst niets dan honig, nu enkel azijn!
VREDENBURCH, hij klopt luid met den hamer.
Tot de orde, mijne heeren, tot de orde! Ik verzoek u dringend plaats te nemen. (Allen gaan zitten.)