De Hogerveldt's: Oorspronkelijk Tooneelspel in 3 Bedrijven

Part 1

Chapter 14,137 wordsPublic domain

DE HOGERVELDT’S

Oorspronkelijk Tooneelspel in 3 Bedrijven

DOOR P. A. DAUM en J. J. ESTOR

’s-Gravenhage, W. C. TENGELER.

PERSONEN.

Van Hogerveldt, Directeur eener industriëele onderneming. Mevrouw Van Hogerveldt, zijne echtgenoote. Mr. Karel ,, ,, hun zoon. Louise ,, ,, hunne dochter. Anna, verloofde van Karel. Mr. Willem Verhagen, vriend van Karel. Vredenburch, President-Commissaris. Dekkers, } Ter Maten, } commissarissen. Van Haaften, } Loosburg, } Betje, dienstmaagd. Een bediende.

EERSTE BEDRIJF

Een tuin bij de woning van Van Hogerveldt. Rechts een priëel. Links Van Hogerveldt aan een tuintafel de courant lezende. In het priëel Karel druk schrijvende. Anna wandelt op den achtergrond in den tuin en maakt een ruiker.

EERSTE TOONEEL.

Van Hogerveldt, Karel, Anna. Later Betje.

VAN HOGERVELDT.

’t Is alweêr slecht gesteld met de fondsen. De meesten sinds gisteren gerezen en dat als men à la baisse speculeert. ’t Is onpleizierig. Enfin! Afwachten maar; ’t zal wel terecht komen. (Hij legt de courant neêr. Tot Karel.) Wat zit je weêr druk te werken, Karel. Als je eens ’n uur of wat hier komt, breng je altijd nog stukken meê. Ik heb al zoo dikwijls gezegd, dat ge tegen u zelven handelt. Je moest wat meer van ’t leven profiteeren, zooals wij.

KAREL, gemelijk.

Alweêr ’t oude lied. Als u, ma en Louise plezier hebben in uitgaan, mij wel, laat mij echter het genoegen van mijn arbeid.

VAN HOGERVELDT.

Maar waarvóór werk je toch wel zoo afschuwelijk hard? Anna zal het waarachtig ook niet prettig vinden. Ze schijnt ten minste haar troost bij de bloemen te zoeken. Om den broode behoef je het niet te doen!

KAREL.

Nu ja, dat weet ik!

VAN HOGERVELDT.

Toen je nog geen meester in de rechten waart, komaan..... dat begrijp ik, maar nu ben je gepromoveerd en hebt bovendien een aardige rente van het legaat van tante Caroline, die jou universeel erfgenaam heeft gemaakt, omdat je naar haar heette.

KAREL.

Waartoe mij dat weêr te verwijten, vader? U weet dat tante altijd veel met mij op bad; zij kon toch met haar geld doen, wat zij wilde, en wat mijn graad betreft, denkt u soms, dat ik alleen heb gestudeerd om daarmeê te pronken?

VAN HOGERVELDT.

Volstrekt niet. En ik benijd je ook niet om die erfenis, want geld heb ik, Goddank, niet noodig; mijn betrekking is een van de weinige, die bij matigen arbeid veel opleveren kunnen. Ik zei het alleen in je eigen belang. Je zoudt van je geld veel meer kunnen genieten, en wanneer je, zooals je stand dat toch eigenlijk meêbrengt, de schouwburgen, bals en concerten trouw bezocht, dan zou je.... (omziende naar Anna, en naar Karel toegaande) dan zou je misschien in de gelegenheid zijn geweest om een goede partij te doen, terwijl je nu een meisje.... dat wel iets bezit, nu ja, maar.... Of zou je dan toch met je praktijk blijven woekeren?

KAREL, beslist.

Dat zou ik zeker. Overigens heb ik nog geen trouwplannen. In ieder geval ik heb mijn keus gedaan. Wat wil men meer? Daarbij heeft ieder zoo zijn illusie. De mijne is eenvoudig: veel reputatie en praktijk te verwerven. Wat de uwe is, pa, dat heb ik in waarheid tot nog toe niet recht begrepen.

VAN HOGERVELDT.

Mijn illusie? Ik heb geen illusies noodig. Ik heb alles wat ik verlang.

KAREL.

Zoo? dan feliciteer ik u; dan zijt u wel een gelukkig mensch! Maar.... de toekomst?

VAN HOGERVELDT.

De toekomst?.... Wàt toekomst?

KAREL.

Wel, dat is toch nog al eenvoudig. Uw zaken, ’t is waar, leveren een ruim bestaan op, maar u weet beter nog dan ik, hoe het met zaken gaat: wat heden bloeit, valt wellicht morgen af!

VAN HOGERVELDT.

Ho, ho, wat ben je weêr pessimistisch. Als de hemel valt, zijn we allen dood, zooals het spreekwoord zegt.

KAREL.

Enfin, houd mij ten goede, dat ik daar anders over denk. Ieder moet maar doen, naar hem dat ’t beste schijnt; mij komt het voor dat u de zaken nog al zonderling inziet. Sedert een paar jaren wordt hier verbazend veel geld verspild aan weelde. Uitgaan, partijen, kleeding, ’t wordt alles enorm hoog opgevoerd. Dat gaat nu goed, maar ....

VAN HOGERVELDT, lachend.

Wel zeker, nu nog fraaier! Het mankeert er maar aan, dat je mij de les gaat lezen!

KAREL.

Och, dat is mijn bedoeling niet, als u mij dan ook mijn eigen zin laat volgen. (Keert zich weêr aan zijn schrijftafel.)

VAN HOGERVELDT, ter zijde.

Altijd nog eigenwijs! Er valt niet tegen te redeneeren. Enfin, later zal hij er wel anders over denken. (Weder de courant inziende.) ’t Meest spijt het mij van die weergasche Maxwells, die gaan met stoom omlaag; terwijl de andere, die dalen moesten, rijzen dat het verschrikkelijk is. Juist het tegendeel van hetgeen ik wenschte. Ik heb er nog al wat in zitten; ’n kwade boel!

ANNA, naar hem toekomende.

Ik geloof dat u op Karel aan ’t pruttelen was, omdat hij weêr zit te werken, is ’t niet?

VAN HOGERVELDT.

Och kind, ik zei alleen maar, dat hij veel te hard werkt en het zijne er niet van neemt. Hij behoeft het immers niet te doen?

ANNA.

Nu ja; Karel is nog jong. Hij kan best nog wat werken. En u moet toch ook eens om mij denken. Als hij nu veel geld verdient, dan komt ons beiden dat later ten goede. Zie eens, wat ik voor u gemaakt heb. Is het geen lieve bouquet?

VAN HOGERVELDT.

Dank je, Anna, dank je. Ik bedoelde alleen, zie je, dat Karel reeds genoeg inkomen heeft om te kunnen trouwen en dat hij in plaats daar aan te denken, maar blijft werken, werken als hing zijn leven er aan.

ANNA, naar Karel gaande en een roos aan zijn jas hechtende.

Zie zoo, ben je nu haast klaar, al te ijverige meneer? Kom, ik zou het er nu voor vandaag maar bij laten.

KAREL.

Ja, Anna, ik heb nog slechts éen brief te schrijven, dan ben ik gereed.

ANNA.

Nu, dan zal ik intusschen gaan zien of ik voor jou ook nog een bouquetje kan maken. (Gaat naar den achtergrond.)

BETJE, uit het woonhuis rechts tot Van Hogerveldt.

Mijnheer, hier is een telegram voor u.

(Af.)

VAN HOGERVELDT, ter zijde.

Wat zou dàt zijn? (Hij leest. Ontsteld.) Alle duivels, ’n rechte Jobstijding! «De vrede meer dan ooit verzekerd. Amerikanen 10 pct. vooruitgegaan.» En ik, die zoo zwaar à la baisse ben geëngageerd. ’t Is om razend te worden!

KAREL, naar hem toegaande.

Wat is het pa, toch geen slecht nieuws? ’t Schijnt, dat het telegram u doet ontstellen?

VAN HOGERVELDT.

Ontstellen? Och neen, beste jongen, zoo’n kleinigheid schrikt mij niet af. Ik had op de daling van Amerikanen gerekend, omdat naar ik meende oorlog onvermijdelijk was. Men bericht me nu, dat die vervloekte vredemannen hun zin hebben gekregen en er van den oorlog niets komt. Dat is alles.

KAREL.

Vervloekte vredemannen! Hoe kunt u dat in ernst meenen? Maar waarom speculeerde u ook op een oorlog, die nog zoo geheel onzeker was? ’t Is nog al erg, hè, want ik heb wel bemerkt dat het telegram u zeer onaangenaam verraste.

VAN HOGERVELDT.

Och, neen, ’t maakt zoo veel niet uit, Karel. Trek jij je daar maar geen harnas over aan. Je hebt van die zaken geen verstand. Ik ben er zeker van dat ik, b.v. met mijn speculatie in Egyptenaren, het dubbele zal terugwinnen.

KAREL, met een zucht.

Ik wil het hopen. U zoudt anders de eerste niet zijn, die slecht van zulke buitenlandsche reizen afkwam.

TWEEDE TOONEEL.

De vorigen. Mevrouw van Hogerveldt, Louise, Dekkers en Betje.

MEVR. VAN HOGERVELDT, gevolgd door Louise en Dekkers.

Daar zijn we al. Dag pa! Wat hebben we een plezier gehad en wat een prachtig weêr! Dag Anna, dag kind, ben jij ook hier vandaag? Komaan dat is goed; en waar is Karel? (In het priëel ziende.) Wel, wel, zit je daar alweêr met papieren voor je? Je zult je nog ziek maken met al dat geschrijf. Foei! foei! (Zij beweegt een waaier voor het gelaat.)

VAN HOGERVELDT.

Goede morgen, goede morgen! Bonjour, Dekkers. Dus je hebt je nog al geamuseerd?

(Karel blijft zitten werken; Louise kust Anna en knoopt een stil gesprek met haar aan.)

MEVR. VAN HOGERVELDT.

O, bijzonder! We hebben een allerliefsten rit gemaakt en het gezelschap van onzen waarden Dekkers heeft het aangename daarvan niet weinig verhoogd, niet waar Louise?

LOUISE, spottend.

Zeker, mama. Dank zij vooral mijnheer Dekkers, die zoo onderhoudend is, hebben we ons uitstekend geamuseerd. U weet, ik houd veel van praten. (Ter zijde tot Anna.) Ik geloof niet, dat hij onderweg twintig woorden gesproken heeft.

VAN HOGERVELDT.

Wel, wel, Dekkers, je schijnt de lieveling van de dames te zijn.

DEKKERS.

Te veel eer. Men doet natuurlijk zijn best om haar aangenaam bezig te houden.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

En nu zal ik je eens laten zien, wat ik heb meêgebracht. Een paar prachtige antieke vazen, om ons salon meê te versieren! (Naar binnen roepende.) Betje, breng die vazen, eens hier, die in het rijtuig stonden.

BETJE, de vazen brengende.

Als ’t u belieft, mevrouw. Waar wilt u ze hebben?

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Zet ze maar op de tafel bij mijnheer. (Tot Van Hogerveldt.)

Hoe vind je dat nu? Prachtig hè? Kijk eens, zoo ziet men ze niet veel. (Tot Karel.) Kom eens hier Karel, je bent toch zoo’n minnaar van die dingen, niet waar?

KAREL, naderbij komende en een vaas in de hand nemende.

Ja wel, maar u moet me niet kwalijk nemen, dat ik over deze vazen zoo niet roepen kan.

VAN HOGERVELDT, tot Dekkers.

Natuurlijk! Och, dat is zoo z’n gewoonte. Afkeuren, alles afkeuren maar.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Wat zeg je daar? Vind je ze niet prachtig?

KAREL.

Het is de vraag niet hoe ik ze vind, ma, maar hoe ze zijn. En in dat opzicht kan ik u verzekeren, dat het niet veel bijzonders is. Het ligt er ook al aan, wat ze kosten.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

O! dat is niet veel. Nog geen 800 gulden. Daar ben ik toch nooit aan bekocht.

KAREL.

Aan bekocht? Zeker voor meer dan de helft. Maar hoe is het ook mogelijk om daar zooveel geld voor te geven.

DEKKERS.

U vergist je toch zeker, mijnheer, het is waarlijk niet duur. ’t Is een prachtig stel. Ik heb er zelden zoo een gezien.

KAREL.

Dat kan wel zijn, mijnheer Dekkers, maar het bewijst op zich zelf nog niets. Ik ken dat goed, en verzeker u, dat deze vazen veel te duur zijn betaald.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Dacht ik niet, dat hij ’t weêr zou afkeuren? Nu, ik vind ze prachtig, hoor! en u, Hogerveldt?

VAN HOGERVELDT.

Wel waarachtig zijn ze mooi, maar wat zal ik je zeggen? Karel is niet best geluimd vandaag.

KAREL, naar zijn plaats gaande.

Ik zou niet weten waarom! maar als men mijn oordeel vraagt, dan dien ik het toch eerlijk te zeggen, niet waar?

DEKKERS, ter zijde.

Ja, dàt is een gewoonte bij de advocaten.

VAN HOGERVELDT.

Maar daarom moet je niet denken, dat je het altijd beter weet dan een ander. Ik vind, dat mama niet te duur heeft gekocht en daarmeê, basta!

(Dekkers heeft zich bij de dames gevoegd en is met dezen in een druk gesprek gewikkeld. Mevrouw Van Hogerveldt heeft een der kranten opgevat evenals Van Hogerveldt.)

DERDE TOONEEL.

De vorigen. Willem Verhagen.

VERHAGEN.

Dames en Heeren, uw dienaar. Bonjour Karel, hoe gaat het met de zaken? (Van Hogerveldt, Dekkers en mevrouw Van Hogerveldt groeten koel.)

KAREL.

Zoo, dat gaat wèl. Ik heb m’n handen knapjes vol.

VERHAGEN, ziet om naar Dekkers. Ter zijde.

Ik geloof waarachtig, dat hij haar het hof wil maken.

KAREL.

Ik heb weêr eenige faillissementen.

VERHAGEN.

Eenige? Och, ja, ’t komt er tegenwoordig op een paar meer of minder niet aan. En hoeveel percent bieden ze wel? Zeker niet veel meer dan tien?

KAREL.

Tien? neen vriend, ik heb er zelfs een suikerbakker bij van 5 percent.

VERHAGEN.

Waarachtig? dat is nog eens de moeite waard! Twintig duizend gulden schuld en éen duizend betalen. ’t Is wel. (Omziende naar Dekkers. Ter zijde.) Wie heeft nu ooit zoo’n vervelenden indringer beleefd?

KAREL.

Altijd, als er genoegen meê genomen wordt. De crediteuren moesten overeenkomen om geen accoorden aan te nemen.

VERHAGEN.

Maar je weet toch even goed als ik, dat juist daarmeê zoo geknoeid wordt. Daar schijnt nu eenmaal niets aan te doen te zijn. (Ter zijde.) Ze is vandaag al bijzonder lief voor hem. Als dat zoo voortgaat, krijg ik haar niet eens te spreken.

VAN HOGERVELDT.

Wat ik vragen wilde, zijn er voor van avond al plannen gemaakt?

MEVR. VAN HOGERVELDT.

O, zeker! Mijnheer Dekkers is zoo goed geweest een loge in den franschen schouwburg voor ons te huren. Ik heb ook op u gerekend, George, dus ik hoop, dat u van de partij zult zijn.

VAN HOGERVELDT.

Ja.... misschien ... maar ’t zal in ieder geval heel laat worden, want ik heb zaken.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Ja, zaken!... zaken! De heeren hebben altijd zaken als de vrouwen hun vragen om uit te gaan. En nu geven ze nog al dat mooie stuk van.... van.... och, hoe heet die man ook weêr?

KAREL.

Die man? U bedoelt Sardou.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Juist; dezelfde.

VAN HOGERVELDT.

Mooi?.... Nu ja, sommige gedeelten vallen juist niet in mijn smaak. Maar enfin, als je er op gesteld bent,.... nu, ik kom in elk geval zoo vroeg mogelijk.

LOUISE, naderbij komende.

Mama, denkt u er wel aan, dat er over acht dagen bal is bij mevrouw Van Weelderen? ’t Wordt waarlijk meer dan tijd om eens over ons toilet te praten.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Bekommer je daar maar niet over, kind. ’t Is immers slechts te bestellen! Laat die receptie van Zondag nu maar eerst passeeren en dan Maandag het concert en dan zullen we alweêr verder zien. We hebben het ook zoo verbazend druk, dat we letterlijk elken dag bezet zijn.

KAREL, ter zijde tot Verhagen.

Ze zullen op ’t laatst nog tijd te kort komen!

DEKKERS.

Dat is zoo, Mevrouw. Iedere stand brengt zijn eischen meê. En juffrouw Louise zal er zeker niet rouwig om zijn, denk ik.

LOUISE.

O, neen, ofschoon ik altijd aan bals de voorkeur geef.

DEKKERS.

Dat is een loffelijke eigenschap van de dames.

VERHAGEN, ter zijde.

Nu nog fraaier! Beroerde kerel!

VAN HOGERVELDT, opstaande en op zijn horloge ziende.

Dekkers, ’t wordt mijn tijd. Morgen Raad van Commissarissen voor de goedkeuring der rekening en verantwoording. Daar weet je alles van. Drukte, vriend, drukte.

DEKKERS.

Zeker, zeker; nu, ’t zal wel in orde zijn.

VAN HOGERVELDT.

Natuurlijk; de commissie is reeds klaar, dat weet je; ik heb echter toch nog een en ander te regelen en te schrijven en van avond de komedie.... enfin, je zult mij wel excuseeren, niet waar?

DEKKERS, geeft hem de hand.

Zonder twijfel; adieu, tot morgen dus.

(Van Hogerveldt groetend af).

VIERDE TOONEEL.

De vorigen, behalve Van Hogerveldt.

LOUISE.

Kom, Anna, willen wij eens een wandeling in den tuin gaan doen? Karel zit toch nog te werken; het is zoo lief buiten.

ANNA.

Karel is aanstonds klaar, Louise, en we zouden samen uitgaan.

DEKKERS.

Wel, juffrouw Louise, mag ik de eer en het genoegen hebben u te vergezellen?

VERHAGEN, ter zijde.

Dàt zou de kroon op het werk zetten.

LOUISE, ziet vragend om naar Verhagen. Deze wendt vertoornd het gelaat af.

O, met genoegen, mijnheer Dekkers, heel galant van u.

(Dekkers biedt Louise zijn arm aan, en verdwijnt met haar in den tuin. Verhagen staart hen na.)

VERHAGEN, ter zijde.

Duivelsche kerel, we zullen eens zien wie het winnen zal!

VIJFDE TOONEEL.

Mevr. Van Hogerveldt, Karel, Anna, Verhagen.

(Karel en Anna voeren een stil gesprek in het priëel rechts.)

MEVR. VAN HOGERVELDT, Links, Louise en Dekkers naziende. Ter zijde.

Zoo zie ik het nu eens gaarne! Ik dacht ook wel, dat ze eindelijk haar belang zou gaan inzien. (Tot Verhagen.) Hoe gaat het met uw gezondheid, mijnheer Verhagen? ’t Komt me voor, dat u er zoo bedrukt uitziet.

VERHAGEN.

Uitstekend, mevrouw, er is niets dat....

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Ja, ja, dat weet ik al niet. U zijt anders altijd even vroolijk en opgeruimd; ik geloof wel, dat er iets aan hapert. Misschien niet goed geluimd?

VERHAGEN.

Pardon, mevrouw, in uw gezelschap is het mij te aangenaam om niet recht tevreden te zijn, maar men kan niet altijd even vroolijk wezen; dat hangt soms van nietige omstandigheden af.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Zeker, daar heb je nu b.v. mijnheer Dekkers, die is meestal stil en bedaard, en niettemin een alleraangenaamst mensch.

VERHAGEN.

Over den smaak valt niet te twisten, mevrouw. Hoe ongaarne ik u ook tegenspreek, moet ik u toch zeggen dat ik, voor zoover ik dien Dekkers ken, hem alles behalve aangenaam vind.

MEVR. VAN HOGERVELDT, met nadruk.

Pas op, mijnheer Verhagen, vergeet niet, dat mijnheer Dekkers al jaren lang onze huisvriend is! Wij hebben altijd veel vriendschap van hem genoten, en verplichting aan hem. Daarenboven is hij een rijk, alom geacht man van een oude patricische familie, die de deftigste kringen frequenteert. In éen woord: ’t is een zeer beschaafd jongmensch, en, al spreekt hij dan ook niet veel, wat hij zegt is goud, meneer Verhagen, goud!

VERHAGEN.

Een beschaafd jongmensch? Neem me niet kwalijk, mevrouw, dat ik lachen moet, maar als ik mij niet vergis, is hij de vijftig al nabij en maakt, dunkt me, meer aanspraak op den titel van «ouden vrijer.»

MEVR. VAN HOGERVELDT, scherp.

Wacht maar, mijnheer Verhagen, u zijt ook nog ongetrouwd, en mijnheer Dekkers zal....

VERHAGEN, snel.

Wat zal hij? Wie weet is hij niet dwaas genoeg om nog te gaan trouwen.

MEVR. VAN HOGERVELDT, met nadruk.

Hij zal niet lang meer ongetrouwd blijven.

ANNA.

Ik zou het allergrappigst vinden. Verbeeld u Dekkers als echtgenoot eener jonge vrouw! ’t Is komiek.

KAREL.

Maar, mama, hoe kunt u weten of hij plannen heeft? Als er sprake van trouwen was, dan zou mijnheer Dekkers er ons toch wel iets van gezegd hebben.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Dat heeft hij ook niet, Karel. Ik heb echter meer ondervinding dan gij in die zaken en ik heb al zeker iets..... opgemerkt.....

KAREL.

U doelt toch niet op..... op Louise?

ANNA, ernstig.

Zou het mogelijk wezen?

VERHAGEN, ter zijde.

Daar kan je zeker van zijn.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Dat zeg ik niet, ofschoon ik niet begrijp, waarom zoo iets tot de onmogelijkheden zou behooren.

KAREL.

Wat een idee! Louise zal toch wel wijzer zijn; Dekkers is tweemaal zoo oud als zij.

VERHAGEN.

Hij zou nog gevaar loopen, voor haar ouden heer te worden aangezien.

MEVR. VAN HOGERVELDT.

Dat beteekent al te gaâr niets; ik zou haar om zulke redenen geen huwelijk ontraden. ’t Zou in ieder geval beter voor haar zijn dan dat ze zich verbond met een of ander jongmensch, dat nauwelijks voor zich zelf genoeg had.

VERHAGEN, ter zijde.

Dat is aan mijn adres. Dank je wel! Ik zal troef bekennen. (Tot Mevr. Van Hogerveldt.) Zeer logisch, mevrouw; als hij voor zich alleen niet genoeg heeft, dan zouden zij samen zeker te kort komen. En wat den ouden heer Dekkers betreft. het zou u misschien in ’t begin wel wat vreemd vallen een reeds grijzenden schoonzoon te hebben, die ongeveer van uw leeftijd was, maar, wat doet men al niet, als het geluk van zijn kind er van afhangt!

KAREL, zich gereed makende om met Anna te vertrekken.

Mama, ik zou die zaak niet vooruitloopen. Wie weet of er wel iets van aan is. Ik voor mij betwijfel zeer, dat Louise ooit aan zulk een huwelijk beeft gedacht. En al hebben wij nu eenige verplichting aan Dekkers, ik ken hem reeds lang genoeg, en ik blijf bij mijn gevoelen, dat hij geen oprecht mensch is. U weet dat ook wel, ik heb het u al meermalen gezegd. Enfin, we zullen maar afwachten. (Tot Anna.) Ben je gereed Anna, dan zullen we gaan.

ANNA.

Zeker, maar.... mijnheer Verhagen?

VERHAGEN.

O, geneert je voor mij niet.

KAREL.

Dat niet Willem, volstrekt niet, ’t zou ons zelfs zeer aangenaam zijn als je plezier hadt ons te vergezellen.

VERHAGEN.

Met alle genoegen. (Zijn hoed nemende. Hij laat zijn stok in het priëel liggen.) Ik ben al gereed. (Op zijn horloge ziende.) A propos, ’t is al twee uur en om half drie moet ik voor zaken thuis zijn; dus ik zal niet lang van je gezelschap profiteeren.

KAREL.

Nu dan, mama, tot straks.

(Verhagen en Anna groeten Mevr. Van H. Allen af behalve Mevr. Van Hogerveldt.)

ZESDE TOONEEL.

MEVR. VAN HOGERVELDT, alleen.

’t Is toch wat erg dat zoo’n advocaatje zonder praktijk een man als Dekkers durft bespotten. Maar ik weet wel waar de schoen hem wringt: hij had gehoopt Louise tot vrouw te krijgen. Ik was in ’t eerst waarlijk bang, dat ze dwaas genoeg zou wezen om zijn verliefde grillen te beantwoorden en een veel betere partij te verwerpen; ze liet zich nog al door dat heertje het hof maken, terwijl ze Dekkers meer en meer veronachtzaamde. Trouwens ik zou mij tot het laatste toe hebben doen gelden om een huwelijk te voorkomen, waarin ik geen heil zie. Louise heeft even als Karel een uitstekende opvoeding genoten, zooals onze stand dat vordert, ’t zou dus al te dwaas zijn haar te laten trouwen met een aankomend advocaat, die nog niet weet of hij wel ooit naam zal maken. ’t Is waar, Dekkers is wat ouder dan zij, maar ’t is een zeer net mensch, en wat meer zegt: hij is puissant rijk, en kan dus Louise voortdurend al de genoegens van het leven bezorgen. Ik ben ten minste gerust, nu ze dat eindelijk zelve heeft ingezien, en met Dekkers zoo vertrouwelijk is gaan wandelen, terwijl ze den verliefden advocaat liet staan. (Lachend.) Hij trok een gezicht als een jongen, die een hond met zijn boterham ziet wegloopen, juist als hij er in wil happen. (Naar het eind van den tuin ziende.) Kijk, daar komen ze aan, arm in arm. Hoe heerlijk! Ja, dat zal wel schikken. Maar ze zijn zoo druk in gesprek! Laat ik ze niet storen. Ze zullen het, denk ik, ook best zonder mij af kunnen.

(Mevr. Van H. rechts af.)

ZEVENDE TOONEEL.

Dekkers en Louise, komen van de linkerzijde gearmd op.

LOUISE.

Een lieve tuin, vindt u niet, mijnheer Dekkers?

DEKKERS.

Ik moet zeggen, juffrouw Louise, de wandeling is mij uitstekend bevallen, vooral in uw allerliefst gezelschap. De tuin ziet er prachtig uit, en de veranderingen, sedert ik hem het laatst gezien heb, in den aanleg der perken aangebracht, zijn wezenlijk groote verbeteringen.

LOUISE, gaat aan de tafel links zitten.

Vindt u? Pa heeft dat alles naar mijn keus laten inrichten, even als de nieuwe fontein en het priëel aan het eind van den tuin, waar men zulk een schoon vergezicht heeft.

DEKKERS, gaat naast Louise zitten.

Ik bewonder uw goeden smaak, juffrouw Louise. Ik durf zeggen, dat de man in dit opzicht bij de vrouw verre achter staat. Mijn tuin is wel veel grooter dan deze, doch ik moet eerlijk bekennen, dat hij niet half zoo sierlijk is aangelegd. Maar ik kom hier nu al zoo langen tijd in huis, uw papa komt ook nog al dikwijls bij mij en ik heb nog niet éen keer het genoegen gehad u op mijn buiten te zien. Mag ik eens op een bezoek van u rekenen?

LOUISE.

Wel zeker, met plezier; zoodra papa weêr bij u moet zijn, hoop ik eens met hem meê te komen, en al het schoone te bewonderen, dat uw villa en tuin aanbieden; ik ben zeker, dat het er nog vrij wat beter zal uitzien dan hier.

DEKKERS.

Zooals ik u heb gezegd: grooter is mijn tuin wel en zou dus nog meer gelegenheid schenken om er iets van te maken, maar juist de smaak om dit met tact te doen, ontbreekt mij. Nu ik hier gezien heb, hoe alles door u zoo uitstekend is gerangschikt, beklaag ik mij zeer, dat er nòg geen schoone vrouwenhand is, die ook mij behulpzaam zou willen zijn. (Hij neemt haar hand en kust die.)

LOUISE, haar hand terugtrekkend.

Mijnheer Dekkers! (schertsend.) Nu, ik denk, dat die nog wel zou te vinden zijn en niet alleen de vrouwenhand, maar misschien nog wel de vrouw-zelve er bij.

DEKKERS.

Nu schertst ge, juffrouw Louise, en ik verzeker u toch, dat wat ik zeg, volkomen ernst is.

LOUISE.

Dat wil ik zeer goed gelooven, maar misschien hebt u nog nooit naar een vrouw gezocht. In dat geval moet ik u in ernst aanraden om er spoedig, heel spoedig werk van te maken. (Dekkers ziet peinzend voor zich en zucht hoorbaar.) Wat een zucht! Wees practisch, mijnheer Dekkers, volg mijn raad op, of zijt u het misschien niet met mij eens?

DEKKERS, zucht nogmaals.

Als u het zoo met mij eens zijt als ik met u, dan....

LOUISE.

Ik geloof dat u mij niet begrijpt. Ik vraag of mijn raad u niet bevalt?

DEKKERS.