De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 9

Chapter 93,907 wordsPublic domain

„Verder zeg ik u, o, Menschziel, merk toch eens op of het niet een wonderbare genade is, dat El-Schaddaï zich zoo diep vernedert als hij doet: waar hij nu door ons als tusschenpersonen tot u spreekt in den weg van onderhandeling en der liefelijke overtuiging, opdat gij u aan hem zoudt onderwerpen. Heeft hij u zoo noodig als wij er zeker van zijn, dat gij hem behoeft? Neen, neen; maar hij is genadig, en wil niet dat Menschziel sterve, maar tot hem wederkeere en leve.” [2 Cor. 5 : 18-21.]

[Afbeelding: DE REDE VAN ONGELOOF.]

Toen stond kapitein Oordeel op, die de roode kleuren droeg en die op zijn vaandel had een brandenden oven. Hij sprak aldus: „O, gij inwoners van Menschziel, die zoolang in opstand en verraad geleefd hebt tegen koning El-Schaddaï, weet, dat wij heden niet uit onszelven op deze plaats komen, en met eene boodschap, die wij zelf hebben bedacht of om onszelven op u te wreeken; het is de koning, mijn Meester, die ons gezonden heeft om u tot zijne gehoorzaamheid weder te brengen. Weigert gij langs een vreedzamen weg, dan zijn wij verplicht u daartoe te dwingen. Denkt nooit bij uzelven, noch duldt dat de tiran Diábolus u overhale om te denken, dat onze koning niet in staat is u neder te werpen en u onder zijne voeten te leggen; want Hij is de formeerder van alle dingen en als Hij de bergen aanraakt rooken zij. Ook zal de poort van ’s konings barmhartigheid niet altijd open staan, want de dag, die branden zal als een oven, staat voor de deur, ja, hij haast om te komen en sluimert niet.

„O, Menschziel, is het gering in uwe oogen, dat onze koning u genade laat aanbieden en dat na zoo vele waarschuwingen? Ja, hij steekt nog zijn gouden schepter u toe, en wil nog zijn toorn niet tegen u loslaten; zult gij hem tergen tot hij dat doet? Zoo ja, let dan op hetgeen ik zeg: voor u is die poort niet eeuwig open. Als gij zegt: „Gij zult Hem niet aanschouwen, daar is nochtans gerichte voor zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem; ja omdat er grimmigheid bij Hem is, wacht u, dat Hij u misschien niet als met éen klop wegstoote, zoodat u een groot rantsoen daar niet van af zou kunnen brengen.” Zou Hij uwen rijkdom achten, dat gij niet in benauwheid zoudt zijn, of eenige versterking van kracht? Neen, neen, geen goud of rijkdom of geweld. Hij heeft zijn troon bereid ten gerichte, want ziet de Heere zal met vuur komen, en zijne wagenen zijn als een wervelwind, om met grimmigheid zijnen toorn hiertoe te wenden, en zijne scheldingen met vuurvlammen. Zie derhalve toe, o Menschziel, opdat niet, nadat gij het oordeel de goddeloozen vervuld hebt, hij kome en u aangrijpe met oordeel en gerichten.” [Job. 36 : 17, 18.] [Ps. 9 : 8.] [Jes. 66 : 15.]

Terwijl kapitein Oordeel zijne toespraak tot Menschziel hield werd door sommigen opgemerkt, dat Diábolus sidderde, maar hij ging met zijne aanspraak voort en sprak: „O, gij ellendige Menschziel, wilt gij nog uwe poorten niet openzetten om ons te ontvangen, de afgezanten van uwen koning, en die er zich in verheugen zouden als zij u zagen leven? Zal uw hart bestaan en zullen uwe handen het uithouden in den dag, dat hij met u in het gezicht zal treden? Ik zeg, kunt gij het verdragen als gij gedwongen zult worden uit te drinken, als ware het zoete wijn, die zee van toorn, welke de koning voor Diábolus en zijne engelen bereid heeft? Bedenk deze dingen en doe dat bijtijds.” [Ezech. 22 : 14.]

Toen stond op de vierde kapitein, de edele hoofdman Strafoefening, en sprak: „O, gij stad Menschziel! eertijds beroemd, maar nu gelijk aan een onvruchtbare tak; eenmaal het vermaak van den Allerhoogste, maar nu een hol van Diábolus, hoor ook naar mij en luister naar de woorden, die ik spreken zal in den naam van den grooten El-Schaddaï. Zie, de bijl ligt reeds aan den wortel der boomen: alle boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. [Matth. 3 : 7-10.]

„Gij, o stad Menschziel, zijt tot dusverre zulk een onvruchtbare boom geweest, gij droegt niets dan doornen en distelen. Uw kwade vruchten toonen het duidelijk, dat gij geen goede boom zijt, uwe druiven zijn druiven van gal, hunne beziën zijn bitter. Gij hebt tegen uwen koning gerebelleerd, en o wee! de kracht en macht van El-Schaddaï zijn de bijl, die aan uwen wortel is neergelegd. Wat zegt gij? Wilt gij omkeeren? Ik herhaal het: zeg mij eer de eerste slag valt: wilt gij wederkeeren? Onze bijl moet eerst bij den wortel worden gelegd vóor hij nog aan den wortel raakt: eerst moet ik dien bijl bij uwen wortel leggen bij wijze van waarschuwing voor hij aan den wortel raakt als eene strafoefening. En daartusschen in wordt de tijd, u tot bekeering gegund, begrensd -- dit is al de tijd, dien gij nog hebt. Wat wilt gij doen? Wilt gij u overgeven of zal ik slaan? Als ik mijn bijl laat vallen, Menschziel, dan gaat gij onder, want ik heb in last niet slechts den bijl bij den boom neer te leggen, maar ook toe te slaan, niets zal dit vonnis kunnen voorkomen dan uwe overgave aan onzen koning. Wat zal er dan anders van u worden, o Menschziel, indien genade het niet verhindert, dan dat gij uitgehouwen en in het vuur geworpen wordt? [Deut. 32 : 32.]

[Afbeelding: DE EERSTE AANVAL OP OORPOORT.]

„O, Menschziel, geduld en verdraagzaamheid duren niet eeuwig: ze mogen een jaar twee, drie kracht doen, maar als men drie jaren lang in opstand leeft (en het is bij u al veel langer) dan volgt niets dan: „Houw hem af:” of, „Gij zult hem namaals uithouwen!” En durft gij waarlijk denken, dat dit maar bedreigingen zijn, of dat onze koning zijn woord niet volbrengt? O Menschziel, gij zult bevinden dat in de woorden van onzen koning, wanneer zij door zondaars licht geacht worden niet alleen bedreigingen, maar gloeiende kolen opgesloten liggen. Gij zijt tot hiertoe een dorre boom geweest, wilt gij voortgaan dat te blijven? Uwe zonden hebben dit leger voor uwe wallen gebracht, en dat zal het oordeel der verwoesting in uwe stad brengen Gij hebt gehoord wat de kapiteins gezegd hebben, maar tot op dit oogenblik sluit gij uwe poorten. Spreek op, Menschziel, wilt gij zoo voortgaan -- of wilt gij de vredesvoorwaarden aannemen?” [Luk. 13 : 7, 9.]

Maar de stad Menschziel weigerde deze uitnemende toespraken van die vier dappere generaals te hooren; ofschoon wel eenige klank daarvan tegen de Oorpoort sloeg, zoo kon de kracht daarvan die toch niet openbreken. Eindelijk begeerde de stad nog eenigen tijd om op deze opeisching te antwoorden. De kapiteins zeiden, dat indien die van de stad Kwaderust tot hen wilden uitwerpen, opdat zij hem loon naar werk mochten geven, haar dan nog eenigen tijd tot overleg zou gegeven worden. Maar zoo zij dien niet over den muur wierpen, dan zou haar ook geen tijd meer gegund zijn. „Want”, zeiden zij, „wij weten, dat zoolang deze Kwaderust in Menschziel ademt, alle goede overleggingen zullen worden afgebroken en niets dan schade en ellende volgen.”

Toen besloot Diábolus, die daar eveneens tegenwoordig was, en nu in vrees verkeerde dat hij Kwaderust zijn redenaar verliezen zou, zelf aan de kapiteins des konings antwoord te geven. Maar eensklaps van gedachte veranderend beval hij aan den burgemeester, den heer Ongeloof, dit te doen, zeggende: „Mijnheer, geef gij aan dit boevengespuis eens antwoord en spreek zoo luid, dat heel Menschziel u kan hooren en verstaan.”

Zoo begon dan Ongeloof op Diábolus bevel en sprak:

„Mijne heeren, gij hebt, zooals wij gewaar worden, u hier tegen ons gelegerd om onzen vorst te verontrusten en onze stad te beleedigen: maar vanwaar gij komt willen wij niet weten en wat gij zegt willen wij niet gelooven. Inderdaad gij vertelt ons in uwe verschrikkelijke redevoeringen, dat gij dit gezag ontleent aan El-Schaddaï, maar met welk recht gij dit doet, willen wij niet weten. Gij hebt alzoo op dat voornoemde gezag deze stad gesommeerd om haren heer vaarwel te zeggen en zich onder de hoede van den grooten El-Schaddaï, uwen koning, over te geven. Gij vertelt haar leugenachtige dingen, namelijk, dat hij haar, als zij zich overgeeft, alle gedane beleedigingen wil vergeven. Verder hebt gij, om de stad Menschziel bang te maken, gedreigd met groote en jammerlijke verwoestingen, waarmede zij dan zou gestraft worden als zij naar uwe woorden niet luistert. Welnu, kapiteins, vanwaar gij dan ook komt, en al zijn uwe bedoelingen dan ook nog zoo recht en goed, toch moet gij weten, dat noch koning Diábolus, noch ik, zijn dienaar Ongeloof, noch iemand uit ons dapper Menschziel eenigszins acht slaat op uwe personen, uwe boodschap, of den koning, dien gij zegt dat u gezonden heeft. Wij vreezen zijne macht, zijne grootheid en zijne wraak niet en willen ons op uwe sommatie niet overgeven. Wat den oorlog aangaat, dien gij ons wilt aandoen, daarin zullen wij ons verdedigen zoo goed wij kunnen. Weet, dat wij niet stil zullen zitten bij die verdediging. En nu om kort te gaan, want ik wil niet lang tot u spreken, ik verklaar u dat wij u aanzien voor een partij landloopers en vagebonden, die, alle gehoorzaamheid aan uwen koning uitgeschud hebbende, u samen hebt vereenigd om het land af te loopen en van plaats tot plaats te trekken ten einde u best te doen, eenerzijds door pluimstrijkende woorden (want daarin zijt gij zeer geoefend), anderzijds door bedreigingen, de eene of andere onnoozele stad of vesting of dorpsbuurt te verschalken, zoodat zij zich aan u overgeven. Maar daaronder behoort Menschziel waarlijk niet. Ten slotte dus: wij vreezen u niet, wij gelooven u niet en wij willen aan uwe oproeping geen gevolg geven. Wij sluiten onze poorten voor u toe en zullen u buiten onze stad houden. Ook willen wij niet langer dulden, dat gij daar voor ons u nederslaat; want ons volk moet rustig leven en uwe verschijning mag het niet verontrusten. Gaat daarom maar heen, scheert u weg met pak en zak of anders schieten wij eens eenige kogels op u af, die u dat wel leeren zullen!” [Luk. 11 : 21, 22.]

Deze rede van den ouden Ongeloof, werd ondersteund door den diepbedorven Vastewil in woorden als deze: „Heeren, wij hebben gehoord wat gij vraagt en al de drukte uwer bedreigingen en het geklank van uwe sommatie; maar wij vreezen uwe sterkte niet, wij letten niet op uwe bedreigingen, maar blijven stil en rustig wat wij waren. Wij gelasten u bovendien, dat gij binnen drie dagen ophoudt u in ons gebied te vertoonen, anders zult gij weten wat het is den leeuw Diábolus wakker te maken, wanneer hij in zijne stad Menschziel slaapt!”

[Afbeelding: DE TWEE KANONNEN.]

De griffier Goedvergeter voegde er nog het volgende bij: „Mijne heeren, zooals gij bemerkt, hebben wij met beleefde en vriendelijke woorden uw lompe en nijdige toespraken beantwoord. Dat is uw geluk; maar ik hoorde ook dat mijne Meesters u bevel gaven spoedig en stil te vertrekken; maakt van die gunst gebruik en pakt u weg. Anders mochten wij eens naar buiten komen en op u aanvallen ten einde u de scherpte onzer zwaarden te doen gevoelen. Maar dat ligt niet in onzen aard, want evenals wij zelf van een stil en gerust leven houden, zoo hinderen wij ook anderen niet.”

Toen juichte de gansche stad Menschziel van vreugde alsof door Diábolus en zijn gevolg al een groot voordeel op deze kapiteins was behaald. Zij luidden de klokken en liepen zingend en dansend langs de wallen.

Diábolus keerde ook naar zijn kasteel terug, en de burgemeester en de griffier naar hunne woningen, maar de heer Vastewil droeg eerst nog bijzondere zorg, dat de poorten door dubbele wachten zouden bewaard worden en met dubbele grendels en bouten verzegeld. Vooral zorgde hij, dat de Oorpoort het zekerst gesloten bleef en nog veel versterkt werd, want daar zochten ’s konings heirlegers het eerst en het meest binnen te dringen. De heer Vastewil maakte zekeren ouden snaak Vooroordeel genaamd, een boosaardig en laatdunkend persoon, kapitein der wacht bij die poort en gaf hem zestig onderhoorige manschappen, die allen doof waren en daarom zeer geschikt voor dezen dienst, aangezien zij geen woord van de kapiteins en hunne soldaten verstonden.

Daar nu de kapiteins het antwoord der groote heeren hadden vernomen en bemerkten, dat zij bij de oude inwoners der stad geen gehoor konden krijgen, dat bovendien Menschziel besloten was aan ’s konings leger slag te leveren, maakten zij zich gereed tot dien slag, om alzoo door een machtigen arm te trachten hun oogmerk te bereiken. Eerstens versterkten zij hunne legermacht tegen de Oorpoort, want zij wisten, dat zoo zij daar niet konden binnendringen er geen invloed op de stad viel uit te oefenen. Dit gedaan stelden zij de overige manschappen in hunne plaatsen; waarna zij als wachtwoord noemden: „~Gij moet wedergeboren worden~.” Toen bliezen zij op de trompetten en die van de stad beantwoordden dat geklank met schot op schot. Zoo ving dan de strijd aan. Nu hadden die van de stad op de Oorpoort twee groote kanonnen geplaatst; het eene heette Hooggevoelend en het andere Hardnekkig. Op deze twee stukken waren zij dan al zeer trotsch, ze waren in Diábolus kasteel door zijn eigen geschutgieter Opgeblazen gegoten, en ’t was waarlijk een kwaadaardig tuig. Maar de kapiteins waren zóo voorzichtig en waakzaam, dat ofschoon sommige kogels vlak langs hunne ooren vlogen, ze toch niemand raakten. De inwoners twijfelden niet of zij brachten door deze twee kanonnen El-Schaddaï’s leger heel wat schade toe en beveiligden hunne poort zeer; maar zij hadden geen reden op de uitwerking daarvan te roemen, gelijk uit het vervolg zal blijken. Behalve deze had de stad Menschziel nog enkele kleine stukjes geschut, die eveneens tegen het leger van El-Schaddaï werden gericht.

Die van het leger evenwel vochten dapper, bezield met een vuur, dat eerst werkelijk dapperheid genoemd kon worden, en stormden op de stad en de Oorpoort los.[19] Zij wisten, dat ingeval zij deze niet openbraken het tevergeefs zou zijn, den muur te bestormen. Nu hadden ’s Konings kapiteins verscheidene slingers en twee of drie stormrammen medegebracht. Met deze groote slingers wierpen zij op de huizen en het volk der stad en met hunne stormrammen rammeiden zij de Oorpoort.

[19] ~Op de oorpoort los~. -- Het geloof is uit het gehoor.

Het leger en de stad hadden verscheidene schermutselingen en korte ontmoetingen met elkaêr, terwijl de kapiteins hunne krijgslisten te werk stelden om den toren, die tegenover de Oorpoort gebouwd was, open te breken of neder te werpen, en daardoor den ingang door de poort te bespoedigen. Maar Menschziel stond dit alles door; de woede van Diábolus, de dapperheid van den gouverneur Vastewil, het bestuur van den ouden burgemeester Ongeloof, en den griffier Goedvergeter hadden ten gevolge, dat het waarlijk wel scheen of al de kosten aan deze zomerexpeditie besteed verloren waren, en al het voordeel aan de zijde van Menschziel bleef. Maar toen de kapiteins zagen hoe de zaken stonden, trokken zij zich in goede orde terug en sloegen hunne winterkwartieren op. Nu moet gij ook weten, dat aan weerzszijden groote verliezen geleden werden, waarvan hier eene opnoeming volgt.

Toen ’s konings kapiteins het hof verlieten en optrokken om tegen Menschziel te krijgen, ontmoetten hen drie jonge mannen, die er zeer krijgshaftig uitzagen. Het waren inderdaad ook zeer nette mannen vol moed en verstand. Zij wilden in het leger dienst nemen. Hunne namen waren Overlevering, Menschenwijsheid, Menschelijke uitvinding. Zoo stelden zij zich dan voor de kapiteins en boden hunne diensten aan El-Schaddaï aan. De kapiteins deelden hun voornemen mede en vermaanden hen toch niet al te ras met hunne dienstaanbieding te zijn; maar de jonge mannen antwoordden, dat zij alle zaken van tevoren hadden overgelegd, en dat zij, vernomen hebbende welk een tocht ’s konings kapiteins ondernamen, hen juist tegemoet waren gegaan om onder hen dienst te nemen.

Daarom nam kapitein Boanerges, aangezien zij moedige mannen waren, hen aan in zijn gevolg en deelde hen in zijne compagnie in, zoodat zij mede in den oorlog trokken.

Toen nu de oorlog begonnen was, deed een compagnie van den heer Vastewil uit een achterlaag der stad een uitval op de achterhoede van kapitein Boanerges, in welke korte maar scherpe schermutseling deze drie jonge lieden werden verrast en als gevangenen naar de stad gevoerd. De tijding daarvan werd aan Diábolus overgebracht en verheugde de lieden van zijn kasteel niet weinig.

Toen liet Diábolus den heer Vastewil roepen om van hemzelven de zekerheid dezer zaak te kennen. Deze verhaalde hem alles. Daarna liet de reus de gevangenen komen en als zij gekomen waren vraagde hij hun vanwaar zij kwamen, wie zij waren en wat zij in het leger van El-Schaddaï te maken hadden; en dat vertelden zij hem. Toen zond hij hen naar de hoofdwacht terug. Niet vele dagen daarna liet hij hen weder roepen en vraagde hun of zij genegen zouden zijn hem te dienen en tegen hunne vroegere kapiteins te strijden. Zij verhaalden hem toen, dat zij niet zoozeer uit godsdienstige beweegredenen handelden dan wel naar de grillen van het noodlot en, daar zijn heerschap gewillig was hen te onderhouden, zij ook gewillig waren hem te dienen. Nu was er in Menschziel een zekere kapitein Iets of Neutraal, die veel te doen had in de stad; tot dezen kapitein zond Diábolus die jonge mannen met een eigenhandig schrijven, hetwelk aldus luidde:

[Afbeelding: DE DERDE OPEISCHING DER STAD.]

„Veelgeliefde Neutraal! Deze drie mannen, houders van den onderhavigen brief, hebben begeerte mij in den oorlog te dienen; daarom weet ik niets beters te doen dan hen onder uwe bevelen te plaatsen. Ontvang hen daarom in mijnen naam, en als gij hen noodig hebt, gebruik hen dan tegen El-Schaddaï en zijne mannen. Vaarwel!”

Zoo kwamen zij dan en hij ontving hen, makende twee hunner onderofficier; maar Menschelijke uitvinding maakte hij zijn vaandrig. Maar laat ons naar het leger terugkeeren.

Die van het leger behaalden ook eenige voordeelen op de stad. Zoo wierpen zij het dak in van het paleis des burgemeesters Ongeloof, waardoor hij veel meer bloot lag dan tevoren. Bijna hadden zij den heer Vastewil met een slinger ter aarde geworpen, maar hij stond weder op en bleef gespaard. De leden van den raad evenwel kwamen er minder goed af; de heeren Vloeker, Hoereerder, Boosheid, Leugenaar, Dronkenschap en Bedrieger werden met een enkel schot zwaar gewond. Zij maakten ook die twee kanonnen, welke op den toren van de Oorpoort stonden, onbruikbaar, en deden ze diep in den modder nederstorten.

Het leger van El-Schaddaï had, zooals gezegd is, de winterkwartieren betrokken, en zich aldaar zoodanig verschanst, als dat voor hun koning het voordeeligst en voor den vijand het nadeeligst was, terwijl zij telkens groote beweging brachten in de stad Menschziel. En dit gelukte hun zoo uitnemend, dat zij den belegerden heel wat overlast aandeden. Want nu kon Menschziel in het geheel niet meer zoo gerust slapen als tevoren, ook konden zij niet meer in stille gerustheid als eertijds hunne drinkgelagen houden; want van uit het legerkamp van El-Schaddaï kwamen zoo menigvuldige, luide en verschrikkelijke alarmkreten, nu eens aan de eene poort en dan aan eene andere, ook soms wel aan alle poorten tegelijk, dat al hun vroegere vrede verbroken was. Ja, deze beroeringen waren zóo menigvuldig, en wel in den tijd dat de nachten het langst en de koude het strengst waren, dat die winter de lieden van Menschziel heugen zou. Nu eens klonken alleen de trompetten en dan weder waren deze vergezeld van geweldige slingersteenen, die in de stad geworpen werden. Somtijds marcheerden tienduizend van ’s konings soldaten rondom de stadsmuren, en dat wel te middernacht, terwijl zij onophoudelijk schoten en krijgsgeschreeuw aanhieven. Dan weer werden enkelen in de stad gewond en hun geroep en klagelijk schreeuwen werd in de stad vernomen tot haar groote ongerustheid. Ja, zij werden zóo benard door hen, die hen ingesloten hielden, dat ik gerust durf beweren, dat zelfs de rust van Diábolus in die dagen menigmaal werd verstoord.

In deze dagen begonnen, naar mij bericht werd, verscheidene gemoederen binnen Menschziel verontrust te worden door allerlei gedachten, overleggingen en denkbeelden. Sommigen zeiden: „Dat is op die manier geen leven.” Anderen antwoordden: „O, ’t zal wel spoedig weer overgaan.” Dan stond een derde op en sprak: „Laat ons tot Koning El-Schaddaï terugkeeren en daardoor een eind maken aan al deze ellende”, terwijl weer een vierde met de vrees voor den dag kwam: „Zou hij ons wel willen vergeven!” Daarbij kwam, dat die oude heer griffier, die griffier was eer Diábolus de stad nam, ook hoe langer hoe harder begon te praten, en zijne woorden klonken nu het volk van Menschziel als sterke donderslagen in de ooren. Geen geluid was nu zoo ontzettend voor Menschziel als zijne stem vereenigd met het schieten en de alarmkreten der kapiteins.

Nu begon er ook gebrek in Menschziel te komen, daar de dingen, die hare ziel zich eertijds gelusten liet van haar waren weggenomen. Al hare begeerlijke dingen waren omfloersd en daar was verbranding in plaats van schoonheid. Rimpels en schaduwen des doods waren op de inwoners. O, hoe verheugd zou nu Menschziel geweest zijn als zij maar rust en vrede had gehad, al had zij in armoede moeten leven! [Luk. 15 : 14, 15.]

De kapiteins lieten nu midden in den winter door den mond van Boanerges trompetter nog eene opeisching tot Menschziel komen, om zich toch aan den koning, den grooten koning El-Schaddaï, over te geven. Zij deden dit eenmaal en andermaal en ten derden male, nog altijd hopende, dat Menschziel gewillig mocht worden bevonden om zich over te geven op eene vriendelijke uitnoodiging. Ja, mij is zelfs verteld, dut de stad gewillig zou geweest zijn om zich over te geven op dit oogenblik, als niet de oude heer Ongeloof zich daartegen had verzet en de heer Vastewil niet zoo wankelend in zijn besluiten ware geweest. Ook Diábolus begon te razen. Op die manier waren zij volstrekt niet eensgezind omtrent de overgave der stad; daarom bleven zij in hunne droefheid en in hunne vreeze liggen.

[Afbeelding: ONGELOOF BRENGT VERSLAG UIT.]

Ik zeide dat de kapiteins tot driemaal over een trompetter zonden. De eerste maal kwam deze met woorden van vrede, hun zeggende, dat de edele kapiteins van El-Schaddaï medelijden hadden met de ellende der arme stad Menschziel, die haar eigen geluk en welvaren in den weg stond. Hij zeide bovendien, dat de kapiteins hem hadden gelast mede te deelen, dat als de arme stad zich wilde overgeven en zich vernederen, al hare afdwalingen en haar opstand zouden worden vergeven en vergeten, en haar nog op het gemoed gedrukt hebbende, dat zij toch zichzelve niet langer zou in den weg staan of zelf de oorzaak wezen, dat zij jammerlijk omkwamen, zoo keerde hij terug naar het kamp.

De tweede maal dat de trompetter kwam, behandelde hij haar een weinig harder, want na geblazen te hebben deelde hij haar mede, dat haar voortgezette halsstarrigheid den geest der kapiteins verbitterde, en dat zij besloten waren de stad Menschziel in te nemen of voor hare muren te sterven.

De derde keer sprak hij nog harder woorden on verhaalde, dat waar zij zoo ontzettend goddeloos bleef, hij nu niet zeker meer wist of de kapiteins tot barmhartigheid of tot oordeel gestemd waren. Zij hadden hem alleen de boodschap meegegeven: „Beveel de stad, dat zij de poorten opent!” Daarna keerde hij zich om en ging weder naar het leger terug.