De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 8
„Mijn schild is ongeloof, of wilt ge het liever noemen: in twijfel trekken van de waarheid des woords, van alle oordeel, dat El-Schaddaï uitspreekt over goddelooze menschen. Gebruikt dit schild: daar heeft hij al menigen aanval op gedaan en somtijds, is het, wel is waar, verbrijzeld; maar toch staat geschreven in het boek der oorlogen van Immanuel tegen mijne dienaren, dat hij belet werd menig goed werk te doen ter zake van hun ongeloof. Welnu, dit zeer machtige wapen te handhaven valt zeer gemakkelijk, men heeft dan maar geloof te weigeren aan alles wat waar is op welke wijze het ook wordt bewezen of betuigd. Spreekt hij van oordeel, let er niet op; spreekt hij van barmhartigheid, geeft er niet om; -- of hij al belooft, ja zelfs zweert, dat hij Menschziel goed wil doen wanneer het tot hem wederkeert, laat hem maar praten, trekt de waarheid van al wat hij zegt in twijfel; want op die wijze hanteert gij het schild des ongeloofs voortreffelijk, zooals al mijne getrouwe dienaren doen, en wie anders handelt heeft mij niet lief, dien reken ik mijn vijand.”
„Bovendien”, zeide Diábolus verder, „heb ik nog een uitmuntend wapen, dat bestaat uit een doffen, onverschilligen en gebedloozen geest, die spot met alle roepen om genade. O, Menschziel, maak daar ook gebruik van. Wat, roepen om genade! Doe dat nooit als gij de mijne wezen wilt! Ik weet dat gij dappere mannen zijt, en nu ben ik ook zeker, dat ik u gekleed heb in beproefde wapenen. Waarom zoudt gij dan nog tot El-Schaddaï om genade roepen? Laat dat verre van u zijn! Benevens dit alles heb ik nog mokers, vuurbranders, vuurpijlen, dood en verderf, al te maal goed wapentuig en dat een uitmuntende uitwerking zal doen.”
Nadat hij aldus zijne mannen met eene wapenrusting en allerlei geweer had voorzien, sprak hij hen wederom aan met woorden als deze: „Bedenkt nu, dat ik uw rechtmatige koning ben en dat gij mij een eed gezworen en met mij in een verbond getreden zijt om mij en mijne zaak getrouw te blijven. Ik zeg u: bedenkt dit en beschouwt u als flinke en dappere mannen van Menschziel. Bedenkt ook al de vriendelijkheid, die ik u voortdurend heb betoond, en dat ik u zonder dat gij mij het verzoekt allerlei uitwendige dingen heb geschonken. Daarom eischen die voorrechten, goedgunstigheden, voordeelen en eereposten, waarmede ik u begiftigd heb, ook een rechtmatige vergelding van uwe hand, o mijne mannen van Menschziel, gij mannen als leeuwen! Wanneer was de tijd geschikter dan thans om dit te toonen, waar anderen mijne heerschappij over u gaan betwisten? Nog éen woord en ik eindig. Kunnen wij nu maar staande blijven en dezen schok doorstaan, dan twijfel ik niet of de geheele wereld is binnen kort in ons bezit. Komt die dag, o mijne getrouwen, dan maak ik u allen koningen, vorsten en opperhoofden; welke gelukkige dagen zullen wij dan beleven!”
Diábolus op deze wijze zijne knechten en vasallen in Menschziel tegen hunnen wettigen koning, den goeden El-Schaddaï gewapend en in het harnas gejaagd hebbende, ging over tot het verdubbelen zijner wachten aan de stadspoorten, en trok zichzelven terug in het kasteel, dat zijn bijzondere sterkte was. Zijne vasallen, ten einde hunne toegenegenheid en voorgewenden (ofschoon laaghartigen) moed te toonen, oefenden zich dagelijks in den wapenhandel en onderwezen elkander daarin; zij daagden hunne vijanden uit en zongen den lof van hunnen tiran. Hierdoor toonden zij wat mannen zij zouden wezen als het eens zóo hoog liep, dat het kwam tot een werkelijken oorlog tusschen El-Schaddaï en hunnen koning.
HOOFDSTUK III.
DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ. HET BELEG.
Nu was al dien tijd de goede koning, koning El-Schaddaï, bezig voorbereidselen te maken om een leger te zenden ten einde Menschziel te herwinnen en van de tirannie van hun voorgewenden koning Diábolus te verlossen; maar het dacht hem goed dit leger niet dadelijk te geven in de hand van den dapperen Immanuel, zijn Zoon, maar van sommigen zijner dienaren, om eerst door hen den geest van Menschziel te onderzoeken of zij wellicht zóo tot de gehoorzaamheid aan hunnen koning zouden worden teruggebracht. Dit leger bestond uit meer dan veertig duizend, al te maal getrouwe manschappen, want zij kwamen uit des konings eigen hof en waren zijne uitgelezenen.
Zij kwamen op Menschziel aan onder het geleide van vier dappere generaals, die ieder hoofdman over tien duizend waren. Hier zijn hunne namen en titels. De naam des eersten was kapitein Boanerges, de naam des tweeden kapitein Overtuiging, de naam des derden was kapitein Oordeel en de naam des vierden kapitein Strafoefening. Deze waren de hoofdlieden, die op Menschziel werden afgezonden.
Dit viertal werd nu, zooals gezegd is, vooruitgezonden om den eersten aanval te doen; want de koning was gewoon in al zijne oorlogen deze vier in den voortocht te stellen; zij waren dan ook zeer stout en forsch, mannen, juist geschikt om het ijs te breken, en zich een weg te banen langs de snede van hun zwaard, terwijl al hunne manschappen hun daarin geleken.
Aan ieder van deze hoofdlieden gaf de Koning eene banier, opdat hij deze zou ontplooien, wegens de eerlijkheid zijner zaak en het recht, dat hij op Menschziel had.
Eerst werden dan aan kapitein Boanerges, want hij was het opperhoofd, tienduizend manschappen gegeven. Zijn vaandeldrager was vaandrig Donder; hij droeg de zwarte kleur en zijn onderscheidingsteeken was drie brandende donderbussen.
De tweede hoofdman was kapitein Overtuiging. Ook aan hem werden tienduizend manschappen toevertrouwd. De naam van zijn vaandeldrager was Droefheid; hij droeg de bleeke kleur en zijn wapenschild prijkte met een opengeslagen wetboek, waaruit vuurvlammen spatten.
De derde hoofdman was kapitein Oordeel, en onder hem ook tienduizend manschappen. De naam van zijn vaandrig was Vreeze; hij droeg de roode kleur, en op zijn wapenschild stond een vurige brandende oven.
De vierde hoofdman was kapitein Strafoefening; ook hij gebood over tienduizend man. Zijn vaandrig heette Gerechtigheid. Zijne kleuren waren eveneens rood, maar op zijn banier prijkte een onvruchtbare boom met een bijl aan den wortel.
Op zekeren dag hield koning El-Schaddaï over deze vier hoofdlieden en hun legertros, soldaten en onderofficieren eene wapenschouwing; riep hen allen bij hunne namen op, en onderrichtte hen in hetgeen zij voor hunnen koning moesten gaan uitvoeren.
Toen de koning zijne krachten gemonsterd had, deelde hij aan elk der kapiteins hunne bijzondere lastgeving mede, en maande hen aan ten aanhoore van al hunne heirscharen, om getrouw en moedig op hun post te staan om die lastgeving uit te voeren. Die lastgeving was voor ieder hunner in hoofdzaak dezelfde; wat vorm, naam, titel, plaats en rang der kapiteins betrof, daarin waren maar zeer kleine afwisselingen. Ik zal u hier een verslag geven van hetgeen hun lastbrief in hoofdzaak inhield.
[Afbeelding: DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ.]
_De last van den grooten Koning El-Schaddaï, Koning van Menschziel, aan zijn welvertrouwden en edelen hoofdman, den Kapitein Boanerges, voor zijne oorlogsverklaring aan de stad Menschziel._
„O, gij Boanerges, een mijner dappere en donderende aanvoerders over tienduizenden mijner edele en moedige dienaren, ga heen in mijnen naam, in deze uwe kracht, naar het ellendige Menschziel. Als gij daar komt biedt haar dan eerst vredesvoorwaarden aan. Gebied haar dat zij, het juk der tirannie van dien goddeloozen Diábolus afschuddende, tot mij, haar wettigen Vorst en Heer, terugkeere. Gebied haar tevens, dat zij zich reinige van alles wat hem behoort in de stad Menschziel. Maar zie vooral toe, dat gij goede waarborgen hebt aangaande de oprechtheid van hare gehoorzaamheid. Wanneer zij zich in waarheid onderwerpt, doe gij dan alles wat in uw vermogen is om een vesting voor mij op te richten in de vermaarde stad Menschziel; en veroorzaak niet het minste leed aan den geringsten inwoner, die daarin leeft en zich voor mij wil verootmoedigen; maar behandel dien integendeel als uwen vriend en broeder. Al dezulken heb ik lief en ze zullen mij dierbaar wezen. O, zegt het hem, dat ik ter bestemder tijd tot hen zal komen en doet het hun weten, dat ik genadig ben. [1 Thess. 2 : 7-11.]
„Maar wanneer zij, niettegenstaande uwe opeisching en uw bevel, weerstand biedt, tegen u opstaat en rebelleert, dan gebied ik u, dat gij gebruik maakt van al uwe wijsheid, kracht, macht en sterkte, om haar weder tot mij te brengen door eenen sterken arm. Vaarwel.”
Zoo ziet gij hier den inhoud van hun lastbrief; want, zooals ik tevoren zeide, ze waren allen eenerlei voor de overige kapiteins.
Weshalve zij, allen en een iegelijk, zijn gezag hebbende ontvangen uit huns konings hand, en dag en plaats van hun aantreden bepaald zijnde, verschenen in zulk een wapendosch als aan hun ambt en roeping paste. Na een nieuw onderhoud met El-Schaddaï, trokken zij voorwaarts met vliegende vaandels om tegen de vermaarde stad Menschziel op te trekken. Kapitein Boanerges bestuurde de voorhoede, kapitein Overtuiging en kapitein Oordeel vormden den middentocht en kapitein Strafoefening bracht de achterhoede mede. Zij hadden een grooten weg af te leggen, want de stad Menschziel lag zeer ver van het hof van El-Schaddaï verwijderd en zij marcheerden door landen en gewesten van vele volken, niemand last of nadeel doende, maar overal zegenend waar zij kwamen. Ook leefden zij op ’s konings kosten langs al den weg dien zij gingen. [Efez. 2 : 13, 17.]
Zóo vele dagen gereisd hebbende, kwamen zij ten laatste in het gezicht van Menschziel, en toen zij haar zagen konden de kapiteins zich in het eerst niet onthouden den jammerlijken staat der stad te beweenen, want zij bemerkten hoe zij aan den wil van Diábolus was onderworpen en reeds gewoon in zijne wegen en inzettingen te wandelen.
Om kort te gaan, de kapiteins sloegen zich voor de stad neder, en trokken toen op naar de Oorpoort, want dat was de plaats, waar men gehoor kreeg. Hunne tenten opgeslagen hebbende en zich daar legerend maakten zij zich tot den aanval gereed.
De lieden der stad voor het eerst zulk een prachtig leger, dat zoo goed ingericht was, onder zulk eene uitmuntende discipline stond, en in zoo schitterende wapenrusting zijn vliegende vaandels ontplooide, bemerkende, konden niet anders doen dan onmiddellijk hunne woningen verlaten om het aan te staren. Maar de listige vos Diábolus, die bang was, dat zijn volk bij dit gezicht op een plotselinge opeisching der stad de poorten zou openen en de kapiteins binnenlaten, kwam in alle haast uit zijn kasteel en liet hen terugtrekken naar het midden der stad, waar hij deze leugenachtige en bedriegelijke redevoering tot hen hield:
„Mijneheeren,” zeide hij; „ofschoon gij mijn getrouwe en veel geliefde vrienden zijt, kan ik toch niet nalaten u eene kleine bestraffing te geven wegens uwe onvoorzichtige handelwijze, daar gij uit uwe woningen zijt gegaan om te kijken naar dat groote en machtige leger, dat sedert gisteren zich hier heeft vertoond en een beleg gaat beginnen tegen de vermaarde stad Menschziel. Weet gij wel wie ze zijn, vanwaar ze komen en wat hun oogmerk is met onze goede stad? Zij zijn het, van wie ik u reeds lang geleden heb verteld, dat zij komen zouden om deze stad te vernielen, en tegen wie ik u van top tot teen gewapend heb, en deze groote sterkten heb opgericht. Waarom hebt gij dan niet veel eer zelfs bij hunne eerste verschijning het uitgeschreeuwd, de vuurbakens aangestoken en de geheele stad in alarm gebracht, opdat wij allen in staat van verdediging geraakten en hen met groote verachting en tegenweer ontvangen hadden? Dan hadt gij u mannen getoond naar mijn hart, terwijl door hetgeen gij gedaan Hebt, gij mij bijna bevreesd gemaakt hebt -- ik zeg bijna bevreesd -- dat wanneer wij en zij eens vlak tegenover elkander komen te staan, ik bij u gebrek aan moed zal ontdekken om het tegen dien vijand uit te houden. Waarvoor heb ik bevolen dat er patrouilles zouden rondloopen en dat gij uwe wachten aan de poort verdubbelen zoudt? Waarom heb ik getracht u zoo hard te maken als ijzer, en uwe harten als een stuk van een molensteen? Was dat, naar uwe meening, opdat gij u als vrouwen aanstellen zoudt, en dat gij als een troep onnoozelen naar uwe doodvijanden zoudt gaan staan kijken? Foei, foei, stelt u in staat van tegenweer, roert de trom, loopt samen als dappere krijgers, opdat uwe vijanden mogen weten, dat gij mannen zijt en dat zij nog heel wat te doen zullen hebben eer zij deze stad Menschziel in hun bezit krijgen.”
[Afbeelding: DIÁBOLUS BESTRAFT MENSCHZIEL.]
„Ik zal nu ophouden met u te bestraffen en niet meer op u schelden, maar dan eisch ik ook, dat ik voortaan zulke dingen niet meer zie. Laat voortaan niemand uwer, zonder eerst bevel van mij ontvangen te hebben, het wagen zijn hoofd over den muur te steken. Gij hebt mij nu gehoord, doet wat ik u bevolen heb en dan zal ik veilig in uw midden blijven wonen, en zorg voor u dragen als voor mijzelven in alles wat onze veiligheid en heerlijkheid bevorderen kan. Vaarwel!”
Nu werden de mannen van Menschziel zeer ontroerd; ’t was of eene panische schrik hen allen had bevangen; zij draafden maar onophoudelijk door de straten van Menschziel, luid roepende: „Help! Help! Deze mannen, die de wereld in oproer gebracht hebben, zijn ook hier gekomen.” Niemand hunner kon zich voortaan meer rustig houden, maar voortdurend riepen en schreeuwden zij als mannen, die van hun zinnen beroofd waren: „De verwoesters van onzen vrede en van ons volk zijn hier gekomen!” Dit hoorde Diábolus. „Ha!” zeide hij bij zichzelven, „zoo gaat het goed; zoo wilde ik het hebben; nu toonen zij dat zij aan hun vorst gehecht zijn! Houd u maar zoo,” riep hij, „en laat ze dan de stad eens innemen als ze kunnen!”
Eer nu ’s konings leger drie dagen voor Menschziel had gelegen, beval kapitein Boanerges zijn trompetter naar de Oorpoort te gaan, en daar in naam van den grooten El-Schaddaï de stad Menschziel op te eischen om gehoor te geven aan de boodschap, die hij in zijns Meesters naam tot haar bracht. De trompetter, wiens naam was: „Ziet toe hoe gij hoort” ging heen zooals hem geboden was naar de Oorpoort en blies daar op zijne trompet om gehoor, maar er was niemand, die voor den dag kwam of eenig antwoord gaf, of uitkeek, want zoo had Diábolus het geboden.
Zoo keerde dan de trompetter tot zijn kapitein terug en vertelde hem wat hij gedaan had en hoe hij was gevaren, waarover de kapitein zeer bedroefd was, maar hij verzocht den trompetter naar zijne tent te gaan.
Weder zond kapitein Boanerges zijn trompetter naar de Oorpoort om daar gehoor te verzoeken; maar ze hielden zich weder stil, kwamen niet voor den dag, noch wilden hem eenig antwoord geven, zoo nauwkeurig volgden zij het bevel van Diábolus hunnen koning op.
Toen hielden de kapiteins en de andere veldoversten een krijgsraad om samen te overleggen wat verder te doen zij om Menschziel te bemachtigen; en nadat zij met elkander beraadslaagd hadden wat de inhoud van hun lastbrief hun in dezen gebood, zoo kwamen zij tot het besluit om door de hand van den voornoemden trompetter nog eenmaal te zenden, en voor de derde keer dezelfde oproeping te laten hooren. Maar zou deze opnieuw geweigerd worden of de stad zich voortdurend stil houden, dan bepaalden zij, en verzochten den trompetter dit ook aan de onwilligen mede te deelen, dat zij alle middelen, die in hunne macht stonden, zouden aanwenden om de ongehoorzamen met geweld onder het gezag van hunnen koning te doen bukken. [Luk. 14 : 23.]
Zoo gebood dan kapitein Boanerges zijn trompetter weder naar de Oorpoort te gaan, en in naam van den grooten koning El-Schaddaï een luide sommatie te doen hooren om zonder dralen bij de Oorpoort te verschijnen ten einde aldaar gehoor te verleenen aan ’s konings voortreffelijkste kapiteins. De trompetter ging heen en deed wat hem bevolen was. Bij de Oorpoort blies hij op zijne trompet en deed eene derde oproeping aan Menschziel hooren. Hij zeide bovendien, dat indien zij weigerden aldus te doen, de kapiteins van zijn vorst met een krachtigen arm op hen zouden aanvallen en hen met geweld dwingen tot gehoorzaamheid. [Jes. 58 : 1.]
Toen stond de heer Vastewil op, hij, die gouverneur van de stad was, wij herkennen hem als dien afvallige over wien vroeger is gesproken, en die de poorten bewaakte. Met ruwe en trotsche woorden vraagde hij aan den trompetter wie hij was, vanwaar hij kwam, en wat wel de oorzaak zijn mocht, dat hij zulk een geweldig leven aan de poort maakte, zulke onverdragelijke woorden tot Menschziel sprekende.
De trompetter antwoordde: „Ik ben een dienaar van den edelen kapitein Boanerges, generaal van het leger des grooten konings El-Schaddaï, tegen wien gij en de gansche stad Menschziel gerebelleerd hebt en uwe hand hebt opgeheven. Mijn meester, de kapitein, heeft een speciale boodschap voor deze stad, en tot u, als een van hare burgers; eene boodschap, die gij rustig zult moeten aanhooren of anders moet gij maar afwachten wat er komt.”
Toen zeide de heer Vastewil: „Ik zal uwe woorden aan mijnen heer bekendmaken, en zal daarna hooren wat hij zegt.”
Maar de trompetter antwoordde: „Onze boodschap is niet bestemd voor den reus Diábolus, maar voor de ellendige stad Menschziel; ook zullen wij er volstrekt niet op letten welk antwoord door hem wordt gegeven, noch door een ander in zijne plaats. Wij zijn naar deze stad gezonden om haar van onder zijn wreede tirannie te verlossen, en haar over te halen zich, zooals zij in vorige tijden deed, te onderwerpen aan den allervoortreffelijksten koning El-Schaddaï.”
Toen zeide de heer Vastewil: „Ik zal uwe boodschap aan de stad overbrengen.”
Toen riep de trompetter: „Heerschap, bedrieg ons toch niet, want door dat te doen fopt gij uzelven het meest.” Hij voegde daar nog bij: „Wij zijn besloten, als gij u niet langs een vreedzamen weg onderwerpt, u den oorlog aan te doen en door geweld ten onder te brengen.” En ten bewijze, dat ik u thans de waarheid zeg, zal het u een teeken zijn, dat gij de witte vlag met hare vurige brandende donderkogels morgen ochtend op den heuvel zult zien wapperen tot verachting van uwen vorst en tot een teeken van onderwerping aan uwen Heer en wettigen Koning.”
[Afbeelding: KAPITEIN STRAFOEFENING.]
Zoo keerde dan de heer Vastewil van de wallen terug, en de trompetter kwam in het kamp. Toen deze laatste in het kamp was teruggekeerd, kwamen al de kapiteins en officieren samen om van hem te weten te komen of hij gehoor bekomen had en wat de uitwerking van zijne boodschap was. De trompetter begon aldus: „Toen ik mijne trompet geblazen had en luid tot de stad om gehoor geroepen kwam de heer Vastewil, gouverneur der stad en bewaarder der poorten, voor den dag bij den klank mijner trompet en gluurde over den muur. Hij vraagde mij wie ik was, vanwaar ik kwam en waarom ik zooveel leven maakte. Zoo deelde ik hem mijne boodschap mede, op wiens gezag en in wiens naam ik sprak. Daarop ging hij eindelijk van mij af, zeggende: ik zal het aan de lieden der stad mededeelen.”
Alsnu sprak de dappere Boanerges: „Laat ons nu een wijle stil op onze hoede liggen en zien wat deze oproermakers doen zullen.”
Toen de tijd nu daar was, dat Menschziel aan den dapperen Boanerges en zijne medgezellen antwoord geven moest, werd bevolen, dat alle krijgslieden van het gansche leger van El-Schaddaï als een eenig man in de wapens zouden staan en zich gereed houden om, mocht de stad hooren, haar onmiddellijk in genade te ontvangen, en zoo niet, dan haar te dwingen tot onderwerping. Daar bliezen de trompetters door het gansche leger opdat alle krijgers gereed zouden wezen voor het werk van dien dag. Maar toen zij, die binnen de stad Menschziel waren, het geluid der trompetten vernamen in het legerkamp van El-Schaddaï, en daaruit opmaakten dat dit met geen ander doel geschiedde dan op de stad storm te loopen, geraakten zij in groote ontsteltenis des harten. Maar nadat zij zich weer een weinig hersteld hadden, maakten ook zij toebereidselen tot den oorlog om zich te verdedigen als die storm begon.
In het uiterste oogenblik wilde nu Boanerges hun antwoord vernemen en zond zijn trompetter uit om Menschziel op te roepen tot het hooren der boodschap van El-Schaddaï. Deze ging uit en blies, en de mannen der stad kwamen voor den dag, maar maakten de Oorpoort zoo stijf vast als zij maar konden. Toen zij nu allen den muur beklommen hadden, begeerde kapitein Boanerges den burgemeester te zien, maar de heer Ongeloof was toen burgemeester, want hij was aangesteld in de plaats van Vleeschelijke Lust. Zoo kwam dan Ongeloof voor den dag en plaatste zich op den muur, maar toen kapitein Boanerges hem gezien had, riep hij uit: „Dat is hij niet. Waar is de heer Verstand, de oude burgemeester der stad Menschziel? Aan hem wilde ik mijne boodschap bekendmaken.” [Zach. 7 : 11.]
Toen sprak de reus, (want Diábolus was ook meêgekomen) tot den kapitein: „Heer hoofdman, gij hebt de vrijpostigheid gebruikt om Menschziel viermaal op te roepen tot onderwerping aan uwen koning, uit wiens naam en op wiens gezag, dat weet ik niet en daar wil ik ook niet over twisten. Maar ik vraag u wat de reden is van al dit rumoer, of wie gij wel zijt als gij uzelven kent?”
Kapitein Boanerges, wiens kleuren zwart waren en wiens vaandel drie brandende donderbussen vertoonde, sloeg geen acht op den reus of op zijne woorden, maar richtte zich tot de stad Menschziel. „Laat het onder u bekend zijn”, zoo sprak hij, „o, ongelukkig en oproerig Menschziel, dat de genadigste van alle koningen, de groote Vorst El-Schaddaï, mijn Meester, mij tot u gezonden heeft met eene boodschap” (en dit zeggende liet hij aan het volk zijn grooten bezegelden lastbrief zien) „om u onder zijn gezag terug te brengen. Hij heeft mij bevolen, ingeval gij naar mijne roepstem wilt hooren, mij jegens u te gedragen alsof gij mijne vrienden en broeders waart; maar hij heeft evenzeer geboden, dat indien gij na de oproeping tot onderwerping, nog volhardt met uwe rebellie, wij trachten moeten ons met geweld van u meester te maken.”
Toen stond kapitein Overtuiging op, en sprak (hij was het, die de bleeke kleuren droeg en een wijd geopend wetboek in zijne vlag had). Hoor, o Menschziel! Gij, o Menschziel, waart eens beroemd wegens uwe onschuld, maar nu zijt gij ontaard door leugen en bedrog. Gij hebt gehoord wat mijn broeder, kapitein Boanerges, gezegd heeft, en gij zult wijs wezen en het zal een geluk voor u zijn, als gij de vredesvoorwaarden aanneemt, die u aangeboden zijn, en dat nog wel door eenen tegen wien gij hebt gerebelleerd, een die de macht heeft u te verpletteren, want zulk een is El-Schaddaï onze koning. Wie kan bestaan voor zijnen toorn? Als gij zeggen wildet, dat gij niet gezondigd hebt noch oproerig tegen onzen koning gehandeld, dan zou uw gansche gedrag sedert den dag, dat gij zijn dienst verlaten hebt (en dat was reeds het begin van uwe zonde) tegen u getuigen. Wat beduidde dan toch uw luisterend oor naar den tiran, en waartoe hebt gij hem tot koning aangenomen? Waarom hebt gij de wetten van El-Schaddaï verworpen en zijt gehoorzaam geweest aan Diábolus? Ja, wat beduidt dit dan, dat gij de wapens hebt opgevat en de poorten gesloten voor ons, den getrouwe dienaren van uwen koning? Laat u dan raden en neemt mijns broeders uitnoodiging aan, en laat den tijd van genade niet voorbijgaan, maar onderhandelt spoedig met uwe tegenpartij. Ach, Menschziel! Laat toch niet toe, dat gij van de genade vervallen zoudt en in duizend ellenden geraken door het vleiend gesnap van Diábolus! Misschien zal die aartsleugenaar en bedrieger nog trachten u te doen gelooven, dat wij ons eigen voordeel zoeken in dezen onzen dienst; maar weet, dat het alleen gehoorzaamheid aan onzen Koning en liefde tot uw geluk is, dat ons tot deze onderneming heeft gebracht. [Rom 3 : 10, 19-23; 16 : 17, 18.] [Ps. 50 : 21, 22.] [Luk. 12 : 58, 59.]