De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 7
De naam van den Burgemeester, die Diábolus aanstelde, was Zinnelijke lust, iemand die beide oogen en ooren miste. Al wat hij deed, ’t zij als mensch of als beambte, deed hij volgens natuurdrift als de beesten. En hetgeen hem nog onedeler maakte, (hoewel niet zoozeer in het oog van Menschziel dan wel van degenen, die treurden over haar diep verval) was, dat hem nooit iets goeds bevallen kon, maar dat alleen het kwaad naar zijn smaak was.
De nieuwe Stadssecretaris was de heer Griffier Godvergeter, een niet minder booze gast. Hij kon niets onthouden dan wat slecht was, en slechtheid te doen was zijn vermaak. Hij stelde er zijne eer in dingen te doen, die schandelijk en schadelijk waren, beide voor de stad Menschziel zelve en al haar inwoners. Deze beiden nu door hun voorbeeld en gezag, door hun macht en dreiging, vooral ook door hun glimlachen om al wat kwaad is, oefenden een jammervollen invloed uit en brachten het gemeene volk op zeer gevaarlijke wegen. Want wie bemerkt niet altijd en overal, dat, waar degenen, die hooge posten bekleeden, slecht en bedorven zijn, allen die onder hen staan, ja, het geheele land slecht en bedorven wordt?
Bovendien verhief Diábolus verscheidene lieden in Menschziel tot den adelstand, makende hen eereburgers en overheden der stad. Hij deed dit met het voornemen om, des noodig, uit hen raadslieden, officieren, gouverneurs en magistraatspersonen te kiezen. Hier zijn de namen van de voornaamsten hunner: de heer Ongeloof, de heer Hoogmoed, de heer Vloeker, de heer Hoereerder, de heer Hardhart, de heer Onbarmhartig, de heer Toorn, de heer Onwaarheid, de heer Leugenminnaar, de heer Valschevrede, de heer Dronkenschap, de heer Bedrog, de heer Godverzaker -- ik noem er u dertien. Van dit gezelschap was de heer Ongeloof de oudste en de heer Godverzaker de jongste. Daarna werden ook mindere waardigheidsbekleeders gekozen, als schepenen, gerechtsdienaars, advocaten en dergelijke; maar allen waren lieden van dezelfde soort als de voorgaanden, zijnde vaders, broeders, neven of verwanten van hen, die ik reeds noemde, en daarom laat ik hunne namen kortheidshalve maar weg.
Toen de reus zoover met zijn arbeid gekomen was, kwam het hem in den zin eenige sterkten of kasteelen te bouwen, en hij maakte er drie, die hij ondoordringbaar achtte. De eerste noemde hij het fort Tegenweer, omdat het opgericht was om de gansche stad te bestrijken en te beletten, dat zij van haar ouden koning iets meer te hooren kwam. De tweede sterkte noemde hij Middernachtshol, omdat zij gebouwd werd om Menschziel ook buiten kennis te houden van zichzelve. De derde heette Zoetezonde, omdat hij daarmede Menschziel verdedigde tegen alle begeerten naar het goede. Het eerste dezer kasteelen lag dicht bij de Oogpoort, opdat deze daardoor zooveel mogelijk zou worden verduisterd; het tweede was gebouwd in de nabijheid van het oude kasteel om het zooveel doenlijk in de schaduw te plaatsen; en het derde stond midden op de markt.
De persoon, dien Diábolus gouverneur over de eerste sterkte maakte, was een zekere Inspijt-van-God, een zeer godslasterlijke booswicht: hij was medegekomen met al dat gespuis, dat het allereerst tegen Menschziel optrok, en behoorde daar ook bij. De gouverneur van Middernachtshol was een zekere Lichthater, en behoorde bij datzelfde rot, en de gouverneur van Zoetezonde heette Minnaar des vleesches; ook hij was een snoode gast, maar was niet geboortig uit hetzelfde land als zijne collegas. Deze gast schiep meer behagen in het uitzuigen eener vleeschelijke lust dan in het bezit van Gods heerlijke Paradijs.
En nu achtte Diábolus zich veilig. Hij had Menschziel ingenomen en zich daarin versterkt; hij had de oude waardigheidsbekleeders afgezet en nieuwe aangesteld; hij had het standbeeld van El-Schaddaï vernield en het zijne daarvoor in de plaats gesteld; hij had al de oude wetboeken verscheurd en zijne eigen ijdele leugens afgekondigd; hij had nieuwe magistraatspersonen en raadsheeren aangesteld, nieuwe sterkten gebouwd en ze van getrouwe lieden voorzien. En dit alles had hij gedaan met het oog op de mogelijke komst van den goeden El-Schaddaï of diens Zoon, die hij wel verwachten kon, dat een aanval op hem doen zouden.
HOOFDSTUK II.
VOORBEREIDSELEN OVER EN WEER.
Nu kunt gij u toch best voorstellen, dat het niet lang behoefde te duren of de een of ander deelde aan den goeden koning El-Schaddaï mede, hoe zijn Menschziel in het groote Heelal-gebied verloren was gegaan, en hoe de afvallige reus Diábolus, eenmaal een van Zijner Majesteits dienaren, nu een opstandeling tegen zijn koning, zich van haar had meester gemaakt. Ja, deze tijdingen werden tot den koning gebracht en wel tot in de kleinste bijzonderheden.
Eerst werd hem bericht hoe Diábolus tegen Menschziel was opgetrokken, dat door een eenvoudig en oprecht volk bewoond, geen erg had in sterkte, slimheid, leugen en bedriegelijke geesten, die hij tegen haar aanvoerde. Verder hoe hij verraderlijk gedood had den zeer edelen en dapperen kapitein Tegenstand, toen hij met de rest van het volk der stad op den muur stond. Verder hoe die brave heer Oprecht dood viel, zooals sommigen zeiden vergiftigd door den verpestenden adem van Kwaderust toen deze met zijn duivelschen mond den edelen en rechtvaardigen vorst El-Schaddaï lasterde. De boodschappers verhaalden al verder hoe de lieden der stad, nadat deze Kwaderust een korte toespraak tot hen gehouden had ten gunste van Diábolus, zijn meester, geloovende, dat hij waarheid sprak, er in toestemden om de Oorpoort, de voornaamste van alle stadspoorten, te openen en hem met zijn gespuis inlieten, zoodat hij in het bezit kwam van het wijdvermaarde Menschziel. Zij verhaalden verder hoe Diábolus met den heer burgemeester en den stadssecretaris gehandeld had, hen uit alle ambt en bediening ontzettende. Nog verder werd aan koning El-Schaddaï bericht, dat de heer Vastewil een rebel en een afvallige geworden was, evenals de heer Bedenken zijn klerk, en dat zij beiden zooveel oproer en schelmerij in de stad aanrichtten en allen leerden in hunne goddelooze wegen te wandelen. Hij hoorde, dat deze heer Vastewil in groote gunst stond bij Diábolus en dat deze alle sterkten in Menschziel in zijne hand gegeven had, terwijl Meester Bedenken de afgezant van den heer Vastewil was in diens meest oproerige ondernemingen. „Ja”, zeide een der boodschappers, „dit monster Vastewil heeft openlijk zijn koning El-Schaddaï afgezworen en zich plechtig aan Diábolus verbonden!”
[Afbeelding: EL-SCHADDAÏ ONTVANGT TIJDING VAN MENSCHZIEL.]
Ook ging de boodschapper voort: „Benevens dit alles heeft de nieuwe koning, of liever oproerige tiran, over de eens zoo beroemde maar nu in ellende verzinkende stad Menschziel, een burgemeester en een griffier op eigen hand aangesteld. Als burgemeester benoemde hij Zinnelijke lust, en als griffier Godvergeter, twee van de allergeringsten uit de stad Menschziel.” Deze betrouwbare getuige ging al voort en verhaalde welk nieuw soort van adeldom Diábolus had ingesteld, en dat deze verscheidene sterke forten of kasteelen in Menschziel had gebouwd. Hij vertelde, wat ik bijna vergeten had, dat Diábolus de stad in de wapens had geroepen en hen in den wapenhandel geoefend om des te beter El-Schaddaï, hunnen Koning, weerstand te kunnen bieden, wanneer hij haar kwam opeischen.
Deze berichtgever deed zijn verhaal niet in het geheim, maar voor het volle hof, voor den Koning, zijn Zoon, zijn hoogen Raad, hoofdofficieren en edelen, waar deze allen tegenwoordig waren om naar hem te luisteren. En als gij nu eens gezien hadt, welk een indruk het hooren van deze tijdingen op hen maakte, dan zoudt gij u verwonderd hebben over de smart, de droefenis, de verslagenheid van geest, die hen allen aangreep bij de gedachte, dat dit vermaarde Menschziel nu genomen was. Alleen de Koning en zijn Zoon voorzagen dit alles reeds sedert lang, ja zelfs hadden zij reeds voldoende voorzien in hetgeen noodig was om Menschziel weder te herstellen, al hadden zij er ook nog met niemand over gesproken. Echter zij wilden ook deelnemen in de algemeene droefheid over het verlies van Menschziel en spraken hun leedgevoel zeer duidelijk uit. De Koning zeide openlijk, dat het hem smartte aan zijn hart, en gij kunt er op rekenen, dat het met zijn Zoon niet anders was gesteld. Daardoor werden nu allen overtuigd, dat zij groote liefde en groot medelijden voor de vermaarde stad Menschziel voelden. Daarop gingen de Koning en zijn Zoon in hunne binnenkamer, waar zij altijd samen raadpleegden over hetgeen zij voornemens waren te doen. Zij hadden daar vroeger reeds afgesproken, dat indien zij al toelieten, dat Menschziel in der tijd verloren ging, het toch voorzeker zou worden heroverd; en wel heroverd langs zulk eenen weg, dat beiden de Koning en zijn Zoon daarbij eeuwige roem en heerlijkheid behalen zouden. Waarom dan ook na deze beraadslaging, de Zoon van El-Schaddaï, -- een uitnemend persoon vol liefde, en die altijd groot medelijden aan den dag legde met hen, welke in droefenis verkeerden, maar die een doodelijken haat in zijn binnenste koesterde tegen Diábolus, omdat deze het op zijn kroon en waardigheid toelegde, -- waarom dan ook, zeg ik, deze Zoon van El-Schaddaï, na zijnen Vader er de hand op te hebben gegeven, beloofde, dat hij zijn dienaar wilde zijn in het herwinnen van Menschziel, daarin vastberaden te werk zou gaan en zich daarover later niet te zullen berouwen. De hoofdzaak van dit raadsbesluit kwam hierop neder, dat op een bepaalden tijd, door beiden vastgesteld, de Zoon des Konings eene reis zou doen in de landstreek Heelal, en dat Hij daar langs een weg van gerechtigheid en waarheid, door voor de zonden en dwaasheden van Menschziel te boeten, het fondament zou leggen voor hare volkomen verlossing uit de macht van Diábolus en zijne onderdrukking. [Gen. 6 : 5, 6.]
Bovendien besloot Immanuel op een bepaalden tijd een oorlog te beginnen tegen den reus Diábolus omdat hij bezit genomen had van de stad Menschziel, en dat hij door de kracht zijner hand hem uit zijne sterkten, waar hij zich genesteld had, zou uitdrijven en die tot zijne woonplaats maken.
Dit alles nu besloten zijnde zoo werd bevel gegeven aan de Opperste Secretarie van het hof om een verslag op te stellen van hetgeen bepaald was, en te zorgen, dat dit zou worden publiek gemaakt in alle hoeken van het koninkrijk des Heelals. Een klein uittreksel uit den inhoud van dit geschrift, kunt gij, als gij wilt, hier lezen:
„Laat allen, die het aangaat, nu weten, dat de Zoon van El-Schaddaï, den grooten Koning, door een verbond met zijn Vader zich heeft verplicht zijn Menschziel tot hem weder te brengen; ja uit kracht van zijne grenzelooze liefde wil hij haar zelfs in veel gelukzaliger toestand brengen dan waarin zij ooit verkeerd heeft eer Diábolus haar veroverde.”
De papieren werden bovendien op verschillende plaatsen aangeplakt tot geen geringe ergernis van Diábolus, „want nu”, dacht hij, „zal ik worden aangevallen en mijne bezitting mij worden ontnomen.”
Maar toen dit plan en voornemen in het paleis van den Koning en zijn Zoon werd vernomen, wie kan vertellen hoe de hoogedele hoofdlieden en edele vorsten, die daar waren, dat opnamen! Eerst fluisterden zij het tot elkander en daarna begon het door het geheele paleis te weerklinken, terwijl allen het glorierijke voornemen en het heerlijke verbond van den Koning en zijn Zoon ten gunste van het ellendige Menschziel bewonderden! Ja, de hovelingen konden nauwelijks iets voor hunnen Koning verrichten of zij vlochten daarin eenig bericht aangaande de groote liefde des Konings en zijns Zoons voor de vermaarde en ongelukkige stad Menschziel.
[Afbeelding: WACHTEN AAN DE POORTEN VAN MENSCHZIEL.]
Evenmin konden deze raadsheeren, kapiteins en vorsten zich vergenoegen met deze tijding aan het hof te laten blijven berusten, zij maakten dat, zelfs eer het officieele verslag daarvan volkomen in orde was, die goede tijding reeds overal verteld werd in het landschap Heelal. Daardoor kwam zij dan ook, zooals ik reeds zeide, ter ooren van Diábolus tot zijne niet geringe verlegenheid; want gij kunt wel begrijpen, dat het hooren van zulke voornemens en plannen tegen hem, hem verschrikken moest. Na er eenigen tijd over te hebben nagedacht, verzon hij de vier volgende zaken.
Eerstens. Dat dit nieuws, deze goede tijdingen namelijk, zoo eenigszins mogelijk voor de ooren van Menschziel zouden verborgen gehouden worden; „want”, zeide hij, „als zij eens tot de wetenschap kwamen, dat El-Schaddaï, hun vroegere koning, en Immanuel zijn Zoon het goede voor de stad Menschziel zoeken, wat zou daar dan anders voor mij uit kunnen voortvloeien dan dat zij tegen mij opstaan en onder zijne heerschappij terugkeeren?”
Om nu dit voornemen te vervullen vernieuwde hij zijne vleierij jegens den heer Vastewil en gaf hem ook strengen last en bevel om toch dag en nacht wacht te houden bij al de poorten van de stad, maar vooral bij de Oorpoort en de Oogpoort, „want ik hoor”, zeide hij, „van een besluit, dat ons allen tot verraders verklaart en dat Menschziel tot zijne eerste slavernij terugkeeren moet. Ik hoop, dat het maar verzinseltjes zijn; maar toch mag zulk eene tijding in geenendeele in Menschziel bekend worden, opdat het volk niet verontrust worde. Ik vermoed, Mijnheer, dat het ook voor u geen welkome tijding wezen kan, en ik ben zeker dat zij het voor mij niet is; en daarom denk ik het wijs en van het uiterste belang al zulke rumoeren den kop in te nijpen vóor zij ons volk in de war brengen. Daarom begeer ik, Mijnheer, dat gij in deze zaak zult handelen zooals ik zeg. Laat ons iederen dag sterke wachten zetten aan elke poort van de stad. Houd ook aan en onderzoek al degenen, die gij bemerkt, dat van verre tot ons komen om handel te drijven, en laat ze onder geen voorwendsel in Menschziel worden toegelaten tenzij gij wel overtuigd zijt, dat zij ons uitmuntend gouvernement gunstig zijn gestemd. Ook beveel ik,” ging Diábolus voort, „dat er voortdurend spionnen de stad op en neer wandelen, met macht en last om alles te onderdrukken wat zij eenigszins in ons nadeel bemerken te zijn, en wat El-Schaddaï en Immanuel zou kunnen begunstigen.”
Dit werd alles overeenkomstig zijn bevel gedaan; de heer Vastewil gehoorzaamde zijn heer en meester en volgde gewillig het bevel op, en met allen vlijt waartoe hij in staat was, hield hij alles buiten en onderdrukte elke tijding voor Menschziel aangaande deze dingen.
Ten tweede. Dit gedaan zijnde legde Diábolus, opdat hij Menschziel zoo onneembaar maken zou als hij maar kon, aan al het volk der stad een nieuwen eed op en maakte met hen een verschrikkelijk verbond, te weten, dat zij nooit hem of zijne regeering zouden verlaten, noch bedriegen, noch zijne wetten zoeken te veranderen; maar dat zij hem als hun wettigen koning zouden erkennen, getrouw blijven en verdedigen tegen een iegelijk, die nu of voortaan door eenig voorwendsel, wet of instelling, hoe dan ook, op de stad Menschziel aanspraak maken zou. Hij dacht hierbij, naar het scheen, dat El-Schaddaï geene macht had om hen te ontslaan van dit verbond met den dood en dit voorzichtig verdrag met de hel. En die onnoozele stad Menschziel had op dit alles niets tegen, zag geen gevaar, in dit monsterverbond, maar als ware het een splintertje geweest in den bek van een walvisch, slikte zij het door zonder eenigen schroom. Was zij er wel eenigszins door ontroerd? O, neen, integendeel, zij roemden op hunne getrouwheid aan den tiran, hun voorgewenden koning, zwerende, dat zij nooit zouden wankelen, nooit hun ouden heer voor een nieuwen verruilen. Aldus kluisterde Diábolus het arme Menschziel vast. [Jes. 28 : 15.]
Ten derde. De jalousie, die zich nooit sterk genoeg waant, dreef hem aan tot nog meerdere heldendaden, en dat was om Menschziel, zoo mogelijk, nog meer tot uitspattingen aan te hitsen. Hij liet dan zekeren heer Vuil, een verachtelijk, wulpsch en beestachtig persoon, geschriften opstellen en die boven de poorten van het kasteel plaatsen, waarbij hij verlof gaf aan al zijne getrouwe aanhangers en zonen in Menschziel om alles vrijelijk te volbrengen wat hunne zinnelijke lusten streelen kon, en dat niemand hen daarin kon verhinderen of tegenstaan op straffe van zich het ongenoegen van hunnen vorst op den hals te halen.
Dit deed hij om deze navolgende redenen:
1^{e}. Dat de stad Menschziel daardoor al zwakker en zwakker worden zou en des te meer ongeschikt om als de tijdingen kwamen, die van hare verlossing getuigden, daaraan geloof te slaan of daarop te hopen, omdat men algemeen denkt: hoe grooter zondaar des te minder kans op barmhartigheid.
2^{e}. De tweede reden was, dat als misschien Immanuel, de Zoon des grooten Konings, hunne verschrikkelijke en afschuwelijke handelingen zag, hij berouw mocht krijgen, dat hij een verbond had aangegaan om zulk volk te verlossen, en er van mocht afzien het uit te voeren. Want hij wist, dat El-Schaddaï heilig is en dat ook zijn Zoon Immanuel heilig is, ja hij wist dit bij ondervinding, want om zijne eigen zonden was Diábolus uit de hoogste sfeeren verjaagd. Weshalve hij zeer rationeel tot dit besluit kwam, dat wegens hare gruwelijke zonde het ook zoo gaan zou met Menschziel. Toch nog vreezende, dat ook dit touw breken zou bedacht hij nog iets anders.
[Afbeelding: DIÁBOLUS ROEPT MENSCHZIEL TE WAPEN.]
3^{e}. Hij wilde verder alle gemoederen in Menschziel doordringen van het denkbeeld, dat El-Schaddaï een leger aangeworven had om de stad te verderven. Dit deed hij om alle tijdingen, die tot haar komen mochten aangaande eene voorgenomen verlossing krachteloos te maken, „want”, dacht hij, „als ik dit gerucht maar eerst in omloop breng, zullen alle daarna komende tijdingen, die hun oor bereiken, daardoor verslonden worden; want wat anders zal Menschziel zeggen wanneer zij hoort, dat zij verlost moet worden, dan dat de eigenlijke bedoeling van El-Schaddaï is haar te vernielen?” Tot dat einde riep hij de gansche burgerschap op het marktplein bijeen, en daar sprak hij haar met een bedriegelijke tong aldus aan:
„Mijne heeren en goede vrienden, gij allen zijt, zooals gij weet, mijne wettige onderdanen en lieden der beroemde stad Menschziel. Gij weet, van den eersten dag af, dat ik onder u verkeerde tot op dit oogenblik, hoe ik mij in uw midden heb gedragen, en welke vrijheden en groote voorrechten gij onder mijne regeering hebt genoten, naar ik hoop tot uwe en mijne eer en niet minder tot uw en mijn genot. Welnu, beroemde stad Menschziel, er loopt daarbuiten een gerucht, dat de stad kan verontrusten en dat mij om uwentwil leed doet, want ik ontving daar juist door de post van den heer Lucifer, die altijd goed op de hoogte is van alles, een brief, waarin staat, dat uw oude heer en koning El-schaddaï een leger werft om tegen u op te trekken, ten einde u met wortel en tak uit te roeien. En dit is nu de oorzaak, o Menschziel, dat ik u heb opgeroepen om te raadplegen wat in dezen nood het best zij te doen. Wat mij zelf betreft, ik ben maar alleen en kan mij gemakkelijk uit de voeten maken, als ik mijn eigen welzijn zocht en mijn Menschziel in het gevaar alleen wilde laten, maar mijn hart is innig aan u verbonden, en zoo onwillig ben ik om u te verlaten, dat ik met u wil staan en vallen, wat mij dan ook overkomen moge. Wat zegt gij, o geliefde Menschziel! Wilt gij nu uw ouden vriend verlaten of hem bijstaan?” Toen riepen zij allen als een eenig man en uit éenen mond: „Sterven moet wie u ontrouw wordt!”
Toen zeide Diábolus weder: „Het is tevergeefs voor ons op genade te hopen; want deze koning weet van geen kwartier geven. Ja, misschien zal hij, als hij pas tot ons komt, over eene dusgenaamde barmhartigheid spreken, opdat hij daardoor des te eer en des te gemakkelijker zich meester make van de stad Menschziel. Wat hij nu daarover zal believen te zeggen, geloof er geen letter of tittel of jota van; want al zulke taal dient maar om ons te verschalken en dan ons de slachtoffers van zijne armzalige zegepraal te maken, terwijl wij daar liggen te wentelen in ons bloed. Daarom is het mijn plan, dat wij hem tegenstaan tot den laatsten man toe, en hem in geen enkel opzicht gelooven; want door die deur dreigt het gevaar binnen te sluipen. Maar zullen wij ons aldus door dit gevlei om hals laten brengen? Ik hoop toch, dat gij te veel weet van de regelen der staatkunde om u zoo jammerlijk onder het juk te laten brengen.”
„Maar onderstelt nu eens, dat als hij eenmaal de stad in handen kreeg, hij sommigen van ons spaarde, dat hij enkele onderdanen in het leven liet, wat zal dat u baten, die opperhoofden zijt in deze stad, in het bijzonder u, die ik zoo hoog verheven heb, en die uwen adelstand verdiend hebt door innige gehechtheid aan mij? En stel nogmaals, dat hij sommigen uwer kwartier gave, houdt u er toch van verzekerd, dat hij u een slavernij zal brengen, evenals die u vroeger gekneld hield of erger dan die, en wat hebt gij dan aan uw leven? Zult gij het bij hem zoo prettig en aangenaam hebben als tegenwoordig bij mij? Neen, neen, gij zult gebonden worden door wetten, die u zullen knellen, en gij zult genoodzaakt worden te doen wat gij nu haat en verafschuwt. Ik ben voor u als gij voor mij zijt; en het is beter dapper en met eere te sneuvelen dan als jammerlijke slaven te leven. Maar dit zeg ik u, dat een slavenleven nog te goed geacht zal worden voor Menschziel, als de stad valt. Bloed, bloed, niets anders dan bloed! dat roept iedere toon uit El-Schaddaï’s trompet, die van verre weerklinkt. Eilieve, neemt het ter harte; ik hoor, dat hij komt. Op, staat in de wapens; waar gij nu nog eenige rust hebt, zoo wil ik u nog eenige krijgslisten leeren. Ik heb eene wapenrusting voor u, die geschikt is om u van top tot teen te harnassen. Zoodoende kunt gij niet gekwetst worden door wat hij ook tegen u begint, als gij deze wapenrusting maar stevig aangespt. Komt daartoe in mijn kasteel, gij zijt er welkom, en harnast u tegen den oorlog. Daar is een helm, een borstharnas, zwaard en schild, die maken zullen dat gij als mannen vechten kunt.”
„Daar hebt gij eerst mijn helm of hoofdbedekking, het is de hoop, dat het nog wel goed afloopen zal of dat gij eindelijk nog wel goed zult doen welk leven gij ook tot dusverre leefdet. Deze helm is in het bezit van allen, die voorgeven, dat zij toch vrede hebben al wandelen zij ook in de goddeloosheid hunner harten om de dronkenen te doen tot de dorstigen. Dat is een beproefd stuk wapen, en al wie het bezit en het vast kan houden, wordt al dien tijd door geen pijl, spies of zwaard gewond. Zet dat hoofdbedeksel op en gij kunt menigen stoot weerstaan, geliefd Menschziel.” [Deut. 29 : 19.]
„Mijn borstwapen is een ijzeren borstharnas. Ik heb het in mijn eigen land gesmeed en al mijne soldaten zijn daarmede gewapend. Om het u duidelijk te zeggen, het bestaat uit een hard hart, een hart zoo hard als ijzer en zoo ongevoelig, ongevoelig als een steen. Doet ge dat aan dan zal de barmhartigheid u niet verteederen noch het oordeel u verschrikken. Daarom is het zoo hoog noodig voor allen, die El-Schaddaï haten, en onder mijne banieren willen strijden.” [Openb. 9 : 9.]
„Mijn zwaard is eene tong, die in het helsche vuur gescherpt is, en die maar niets liever doet dan kwaad spreken van El-Schaddaï, zijn Zoon, zijn wegen en zijn volk. Gebruikt dit zwaard, het is beproefd wel duizendmaal, de duizenden verdubbeld. Wie het bezit, vast houdt en er dat gebruik van maakt, dat ik begeer, kan nooit door mijn vijand overwonnen worden.” [Ps. 57 : 5; 64 : 4.] [Jac. 3 : 6.]