De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 6

Chapter 64,055 wordsPublic domain

Onderwijl Diábolus deze woorden tot Menschziel sprak, schoot Tisiphone[9] op kapitein Tegenstand, daar deze op den muur stond, en trof hem doodelijk[10] aan het hoofd, zoodat hij, tot verbazing van de lieden der stad en tot aanmoediging van Diábolus dood over den muur viel. Nu kapitein Tegenstand dood was, (en hij was de eenige krijgsman in de geheele stad) ontzonk aan de arme Menschziel op eenmaal alle moed, en durfden zij daarbinnen niet langer weerstand bieden. Maar dit was nu juist wat Diábolus begeerde. Toen trad Kwaderust, Diábolus’ redenaar, tevoorschijn, en hij maakte zich op om tot Menschziel te spreken. Zijne aanspraak volgt hier:

[9] ~Tisiphone~ beteekent een verraderlijke geest.

[10] ~Trof Tegenstand doodelijk~. -- Wanneer de onrust des gewetens gedood is, vindt de vleierij licht ingang.

„Edele heeren”, begon hij. „Mijn Meester treft het wel, dat hij heden zulk een stil en aandachtig gehoor bij u vindt; en het is te hopen, dat wij u verder zullen overhalen om onzen goeden raad niet in den wind te slaan. Mijn Meester heeft zeer groote liefde voor u, en ofschoon hij wel weet, dat hij hierdoor gevaar loopt den toorn van Koning El-Schaddaï op te wekken, toch zal zijne liefde tot u maken dat hij verder gaat. Het is niet noodig, dat er nog een enkel woord gesproken worde om de waarheid van hetgeen hij heeft gezegd te bevestigen; hij sprak geen woord of het droeg de getuigenis voor zijne waarheid in zichzelven; de naam van den boom maakt hier reeds een eind aan alle tegenspraak. Daarom zal ik ditmaal u alleen dezen raad geven, indien mijn Meester het mij veroorlooft” (en dit zeggende maakte hij voor Diábolus een zeer diepe buiging): „let op zijne woorden, ziet naar den boom en de veelbelovende vrucht daaraan; bedenkt daarbij dat gij nu nog maar weinig weet en dat dit de weg is om meer te weten, en als dan uw verstand niet geneigd is om zulk een goeden raad aan te nemen, dan zijt gij de lieden niet waarvoor ik u hield.”

Maar toen de burgers der stad zagen, dat de boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de oogen, ja een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken, deden zij zooals Kwaderust hen aanraadde; zij namen en aten daarvan. Maar dit wilde ik u reeds vroeger verhalen, dat terwijl Kwaderust deze verleidelijke woorden tot het volk sprak, de heer Oprecht eensklaps nederzeeg[11] op de plaats, waar hij stond, en niet meer tot bewustzijn gebracht kon worden. Zijn plotselinge dood was veroorzaakt hetzij door een pijlschot uit het leger in hinderlaag, of door eene beroerte of hartsbeklemming; sommigen meenen, dat hij vergiftigd werd door den stinkenden adem van dien leelijken Kwaderust, en daar houd ik het wel het naaste voor. Zoo stierven dan deze beide brave mannen. Brave mannen noem ik hen, want zij waren het sieraad en de heerlijkheid van Menschziel, zoolang zij daarin woonden. Daar bleef nu geen enkele edele ziel in Menschziel over of zij allen vielen af en onderwierpen zich aan Diábolus. Zij werden zijne slaven en lijfeigenen, zooals gij nog hooren zult.

[11] ~Oprecht eensklaps dood nederzeeg~. -- Alle zonde is meer of min onoprechtheid en tegen beter weten in.

Deze twee edelen dood zijnde handelde nu de rest der inwoneren van de stad niet anders dan als lieden, die het Paradijs der dwazen gevonden hebben; zij wilden de proef nemen of de woorden van den reus waarheid bevatten! Eerst deden zij wat Kwaderust hun aanried; zij zagen de vrucht aan en werden er door bekoord; zij overlegden eerst, namen daarna en aten er van. Nauwelijks hadden zij dat gedaan of zij werden er dronken van, en zetten de poorten open; beide de Oorpoort en de Oogpoort, en zoo lieten zij Diábolus met al zijn gevolg binnentrekken, vergetende den goeden El-Schaddaï en zijne wetten, mitsgaders het oordeel, dat Hij onder zulke plechtige bedreigingen had uitgesproken, wanneer zij die kwamen te verbreken.

Diábolus nu ingang in de poorten der stad gekregen hebbende trok door tot het middelpunt om zijne verovering zoo zeker te maken als hij maar kon; en daar hij te dezer tijd bemerkte, dat de toegenegenheid der inwoners sterk tot hem overhelde, zoo vond hij het geraden het ijzer te smeden terwijl het heet was, en weder eene verleidelijke redevoering te houden. „Helaas, mijn arme Menschziel! ik heb u nu dezen dienst bewezen, dat ik u tot groote eer en vrijheid den weg heb gebaand! Maar ach, ach! mijn lieve Menschziel, nu moet ge er een hebben, die u verdedigt; want wees er verzekerd van, dat als El-Schaddaï hoort wat er gebeurd is, hij stellig komen zal; het zal hem smarten, dat gij zijne banden hebt verbroken en zijne touwen van u afgeworpen. Wat wilt gij nu doen? Wilt gij toelaten, dat u na deze bevrijding, uwe voorrechten weder afhandig gemaakt worden? Of wilt gij uzelven helpen?”

[Afbeelding: VASTEWIL ONTVANGT ZIJNE AANSTELLING.]

Toen zeiden zij allen tegelijk tot dezen braambosch: „Regeer gij over ons”. Dit verzoek nam hij aan en werd koning van Menschziel. Dit gedaan zijnde moest hij nu ook in het bezit worden gesteld van het kasteel,[12] en daarmede van de gansche sterkte der stad. Daartoe trad hij ook het kasteel binnen; dat kasteel, hetwelk El-Schaddaï in Menschziel gebouwd had tot zijn eigen lust en vermaak; -- nu was het een spelonk en een fort voor den reus Diábolus geworden.

[12] ~In het bezit van het kasteel~. -- Van het hart des menschen.

Hij nu aldus dit prachtige paleis of kasteel in bezit genomen hebbende, maakte daarvan een vesting voor zichzelven, en versterkte het met allerlei voorraad tegen Koning El-Schaddaï, of tegen ieder, die trachten zou het te hernemen of onder zijne gehoorzaamheid terug te brengen.

Dit was in orde, maar hij achtte zich nog niet veilig genoeg, en daarom was nu weder zijn eerste werk de stad een nieuw aanzien te geven; het éene opbouwende en het andere afbrekende of nederwerpende, naar zijn eigen welgevallen; maar vooral moesten de heer burgemeester Verstand en de griffier Geweten uit ambt en macht gezet worden.

Wat den burgemeester aangaat, ofschoon hij een verstandig man was en ook met al de overigen had toegestemd in de overgave van de stad aan den reus; toch achtte Diábolus het niet raadzaam hem in zijn vorige luister en heerlijkheid te laten omdat hij een vèrziend man was. Daarom maakte hij hem niet alleen blind door hem uit ambt en macht te ontzetten, maar hij bouwde ook een hoogen muur en een sterken toren tusschen de zonnestralen en de vensters van des burgemeesters paleis, door middel waarvan zijn woning geheel en al duister werd gemaakt, zoo donker als de duisternis zelve. Hij, nu aldus van het licht afgesloten zijnde, werd zóo blind als een die blindgeboren is. In dit huis bleef die heer nu opgesloten als in eene gevangenis, en hij mocht op zijn woord van eer niet verder gaan dan zijne eigen palen strekten. Al had hij nu al een hart gehad om iets voor Menschziel te doen, wat kon hij voor haar doen of waarin kon hij haar van dienst wezen? Maar, zoolang Menschziel in de macht van Diábolus was, (en zij was dit zóo lang als zij hem gehoorzaam bleef, te weten tot zij door een oorlog uit zijne hand verlost werd) -- was mijnheer Verstand veeleer een hinderpaal[13] voor die vermaarde stad dan haar voordeelig. [2 Cor. 10 : 4, 5.] [Efeze 4 : 18, 19.]

[13] ~Was mijnheer Verstand veeleer een hinderpaal~ -- Het verstand, bedorven door de zonde en gevangen onder de gehoorzaamheid des ongeloofs, is een van de grootste hinderpalen voor de bekeering.

Wat den heer griffier of stadssecretaris betreft,[14] hij was eer de stad ingenomen was een welbelezen man, zeer ervaren in al ’s Konings wetten, en om de volle waarheid te zeggen, ook een man van moed en trouw, met een rappe tong en een goed hoofd. Diábolus kon dezen Geweten in het geheel niet verdragen, omdat ofschoon hij ook zijne toestemming tot het binnenrukken in de stad gegeven had, het Diábolus geenszins gelukken wilde door zijne valschheden, listen en bedriegerijen dezen man tot zijn slaaf te maken. Wel is waar was hij zeer vervreemd van zijn vroegeren Koning, en met vele van de nieuwe wetten van den reus ingenomen; maar dit alles baatte niet, daar hij niet geheel de zijne was. Hij kon zoo nu en dan eens weder aan El-Schaddaï denken en voor diens wetten vreezen, en dan kon hij beginnen Diábolus tegen te spreken met een stem zoo krachtig als het gebrul van een leeuw. Ja, hij kon ook nu en dan als hij het op zijn lijf kreeg, (want gij moet weten dat hij soms zeer zonderlinge kuren en luimen had), de geheele stad Menschziel in rep en roer brengen door zijn verschrikkelijke stem. Om die reden nu mocht de nieuwe koning van Menschziel hem volstrekt niet lijden.

[14] ~Wat den heer Griffier betreft~. -- Men moet alle trappen der zonde doorloopen hebben, zal het geweten geheel toegeschroeid en tot zwijgen gebracht zijn.

Diábolus vreesde den secretaris meer dan een der andere heeren, die in Menschziel levend gebleven waren, omdat, zooals ik zeide, zijne woorden geheel Menschziel deden trillen en beven als voor ratelende donderslagen en donderbussen. Daar de reus hem nu niet geheel aan zijne zijde kon krijgen, stond hem niets anders te doen dan te overleggen wat in het werk te stellen ware om dien ouden edelman te verschalken en hem door uitspattingen en verwildering in het verstand te verstompen en zijn hart hoe langer hoe meer te verharden op de wegen der ijdelheid. En wat hij beproefde dat volbracht hij ook: hij verwilderde den man langzaam aan; hier een weinig en daar een weinig trok hij hem in de zonde en goddeloosheid, tot die hoogte, dat hij eindelijk niet alleen verwilderd was en zoo als in het begin bezoedeld; maar nu zóo diep gezonken, dat hij schier geen enkele gewetenszaak meer van de zonde maakte. Maar dit was dan ook het verste punt, waartoe hij hem brengen kon, verder kon Diábolus niet gaan. Daarom bedacht hij er iets anders op en dat was om de lieden der stad wijs te maken: „die oude heer secretaris is gek, gij moet u niet aan hem storen.” Als bewijs daarvoor bediende hij zich van zijne vlagen. „Als de man goed bij zijn verstand is”, vervolgde hij, „waarom is hij dan niet altijd zoo? Maar het gaat hem als alle gekken, die hun kuren en vlagen hebben, en daarin allerlei dolzinnigheden uitbraken; die oude suffige heer!”

Door dit een en ander wist hij het schier zóover te brengen, dat Menschziel de woorden, die de heer Geweten sprak, niet achtte, in den wind sloeg, ja zelfs verachtte. Want behalve wat ik u heb medegedeeld, wist Diábolus ook nog raad om te maken dat die heer, wanneer hij vroolijk was weder alles loochende en herriep wat hij in zijne vlagen gezegd en bevestigd had. Dit was inderdaad de naaste weg om hem bespottelijk te maken en er voor te zorgen, dat niemand meer op hem lette. Hij sprak nu ook nooit meer over Koning El-Schaddaï dan wanneer hij er toe gedwongen werd. Bovendien was hij thans zoo ongestadig in zijne handelingen, dat hij den eenen tijd hevig uitvoer tegen hetgeen hij een ander maal stillekens liet begaan. Somtijds scheen hij wel vast ingeslapen, ja of hij dood was, en dat nog wel bij gelegenheden, dat de geheele stad op het luidruchtigst feest vierde en naar de pijpen van Diábolus danste.

[Afbeelding: HET STANDBEELD VAN DIÁBOLUS OPGERICHT.]

Daarom wanneer Menschziel door de donderende stem van den heer griffier Geweten werd opgeschrikt, en dit Diábolus werd aangezegd, zoo zeide hij, dat al die woorden van den ouden sukkel volstrekt niet voortkwamen uit liefde tot haar of uit medelijden met haar, maar alleen uit een gekke bui, waarin hij er op verzot was te praten -- en daardoor stelde hij het volk dan weer tevreden. En om nu geen enkelen bewijsgrond ongebruikt te laten ten einde hen in zijne klauwen te houden, zoo beweerde hij en herhaalde dit dikwijls: „O, Menschziel, bemerkt gij wel, dat niettegenstaande al dat getier van den ouden heer en het geraas van zijn donderende stem, gij niets te hooren krijgt van El-Schaddaï zelven!” Die snoode leugenaar en bedrieger! alsof elk geroep van den heer griffier tegen de zonde van Menschziel niet de stemme Gods tot hen was, die van zijnentwege tot hen kwam. Maar hij ging voort en sprak: „Gij ziet, dat hij niet veel geeft om het verlies en den opstand van Menschziel, en dat hij er zich niet moeielijk om maken zal om haar tot verantwoording te roepen waarom zij zich aan mij heeft overgegeven. Hij weet, dat hoewel gij eertijds de zijne waart, gij nu wettig de mijne zijt geworden, en zoo heeft hij zijne hand van ons afgetrokken, latende ons rustig in elkanders bezit.”

„Behalve dit, o Menschziel,” ging hij voort, „bedenk eens hoe ik u geholpen heb tot het uiterste van mijn vermogen toe, en dat wel met het beste wat ik heb of wat voor u in de geheele wereld te vinden is. Ik durf dan ook gerust zeggen, dat de wetten en gebruiken, waaronder gij nu leeft, en waardoor gij mij huldigt, u heel wat meer genoegen en verkwikking geven dan het Paradijs, hetwelk gij eerst bezat, u ooit geven kon. Uwe vrijheid is, gelijk gij zelf weet, door mij ook grootelijks vermeerderd en uitgebreid, daar ik u vond als een gekortwiekt volk. Ik heb u geen enkelen band aangelegd, gij hebt geene wetten of rechten van mij te vreezen; ik roep niemand uwer tot verantwoording over uwe handelingen behalve alleen dien dolleman -- gij weet wien ik bedoel; ik heb u vergund allen als vorsten te leven, ieder in het zijne met even weinig last van mij als ik van u heb.”

Aldus stilde Diábolus de stad Menschziel en stelde haar weder tevreden wanneer de griffier haar somtijds eens lastig viel; ja, hij kon zelfs met deze vervloekte redeneeringen de geheele stad tegen den ouden heer in woede en opstand brengen. Ja, nog erger, het gemeen zou hem zelfs wel hebben willen vermoorden! Zij hebben vaak genoeg gewenscht, dat hij op duizend mijlen afstands van hen zat: zijn gezelschap, zijne woorden, zijn gezicht alleen maar, vooral wanneer zij zich herinnerden hoe hij van ouds hen placht te dreigen en te veroordeelen (want in dit alles was hij nu zeer verwilderd) -- kon hen in groote benauwdheid en ontsteltenis brengen. Maar al deze wenschen en dreigingen waren tevergeefs, ofschoon het mij een raadsel is hoe hij nog onder hen in het leven kon blijven ten ware door de kracht en de wijsheid van El-Schaddaï. Bovendien, zijn huis was sterk als een kasteel en stond dicht bij een vestingwerk van de stad. Wanneer dan het gepeupel hem wilde vermoorden, zette hij de sluizen open, en liet er zulk een watervloed in stroomen, dat hij allen in den omtrek dreigde te verdrinken.

Maar om nu den griffier Geweten eens daar te laten en op den heer Vastewil terug te komen, een ander adelijk persoon der stad Menschziel; -- deze heer Vastewil was van even hooge afkomst als maar iemand anders in de gansche stad, en zulk een vrijheer, dat maar weinigen hem evenaarden, zoo hij hen niet allen overtrof. Hij had ook eenige bijzondere privilegiën in die vermaarde stad. Daarbenevens was hij een man van groote sterkte, vastbesloten moed en dapperheid, zoodat niemand hem gemakkelijk van zijn stuk kon brengen. Of het nu uit trotschheid op zijn stand, privilegiën, sterkte of wat dan ook ware (voorzeker was het uit hoogmoed op het een of ander), maar hij wilde geen slaaf wezen in Menschziel; daarom besloot hij onder Diábolus dienst te nemen op voorwaarde, dat hij volgens zijn stand en staat een aanzienlijk heerscher of regent[15] zou worden in Menschziel. En een heethoofd als hij was, zoo begon hij reeds bijtijds; want deze man was een van de eersten, die, toen Diábolus zijne verleidelijke redevoering aan de Oorpoort hield, zijne woorden toestemden, en zijn raad aannamen als zeer goed, namelijk om voor hem de poort te openen en hem in de stad toe te laten. Daarom had ook Diábolus genegenheid voor hem opgevat, en hem eene betrekking bezorgd. Zijn moed en dapperheid opmerkende was hij zelfs begeerig hem onder zijne grooten te stellen en van hem gebruik te maken in alle zaken van het hoogste belang.

[15] Zoolang ’s menschen ~wil~ niet bekeerd is, is de mensch nog niet bekeerd. Daarom maakte Satan hem ook tot gouverneur van het kasteel -- het ~hart~; en van de wallen -- het ~vleesch~, en wachter der poorten -- de ~zinnen~.

[Afbeelding: ZINNELIJKE LUST. BURGEMEESTER.]

Zoo liet hij hem dan halen en sprak met hem over de heimelijke zaken, die hij op zijn hart had; maar er waren niet vele beweegredenen noodig om hem daartoe over te halen. Want evenals hij eerst gewillig geweest was Diábolus in de stad toe te laten, zoo was hij nu ook gewillig hem te dienen.

Zoodra de tiran de gewilligheid van dien edelman bemerkte om hem te dienen en dat zijne gedachten hem reeds waren onderworpen, maakte hij hem dadelijk kapitein van het kasteel, gouverneur van de wallen en bewaarder der poorten van Menschziel; ja er was zelfs een artikel in zijne aanstelling, dat zonder hem niets gedaan mocht worden in de geheele stad. Daardoor kon of mocht er nu niets gedaan worden in gansch Menschziel, dat niet in alles overeenstemde met Diábolus welbehagen, want hij en de heer Wil waren het volkomen eens. Ook had hij een zekeren klerk, genaamd Bedenken,[16] een man, die in ieder opzicht altijd sprak als zijn meester, want hij en zijn heer waren het in beginsel eens, en in de praktijk verschilden zij ook niet noemenswaardig. Zóo kwam het nu, dat Menschziel er toe gebracht werd de lusten van den wil en het vleeschelijk bedenken te volbrengen. [Rom. 8 : 7.]

[16] ~Bedenken~. -- Het bedenken is onderworpen aan den wil en doet wat hij gebiedt.

O, ik kan het niet half uitdrukken welk een ellendeling deze edelman Vastewil zich betoonde en hoe hij zich gedroeg toen de macht hem in handen gegeven was. Vooreerst begon hij met gladweg te loochenen, dat hij eenigen dienst schuldig was aan zijn vroegeren vorst, dat zijn wettige heer eenig recht op hem had. Daarna zwoer hij een duren eed van trouw aan zijn grooten meester Diábolus, en daarop in zijne bediening, ambt en voorrechten bevestigd zijnde, kunt gij u niet half verbeelden welk een armzalig werk deze werkmeester in de stad Menschziel tot stand bracht.

Hij haatte den heer Geweten met een doodelijken haat; hij wilde hem nooit onder zijne oogen dulden, noch een woord uit zijn mond hooren; hij sloot de oogen als hij hem soms bij geval ontmoette en stak zijne vingers in zijne ooren als hij zijn stemgeluid vernam. Evenmin duldde hij, dat eenig deel der wet van koning El-Schaddaï ergens in de stad te zien ware. Zijn klerk Bedenken had nog eenige oude gescheurde perkamenten, waarop de wet van den goeden El-Schaddaï stond, in zijn huis, maar toen de heer Vastewil die zag wierp hij ze dadelijk achter zijn rug. Alleen had de oude secretaris Geweten nog eenige wetten in zijne studeerkamer en daar kon heer Vastewil, hij deed wat hij vermocht, niet aankomen. Daarom begon hij nu te vertellen, dat de vensters van het oude burgemeestershuis veel te groot en te licht waren voor Menschziel. Zelfs het licht van een kaars kon hij niet verdragen. Alzoo mocht aan gouverneur Vastewil niets meer behagen dan wat zijn heer Diábolus aangenaam was. [Neh. 9 : 26.]

Niemand evenaarde hem in het uitbazuinen langs ’s heeren straten van koning Diábolus braaf karakter, wijs gedrag en groote heerlijkheid. Hij zwierde langs de wegen van Menschziel om de voortreffelijkheden van zijn manhaftigen vorst uit te schreeuwen, en stelde zich daarbij aan als ware hij de gemeenste van al het gespuis der stad. Waar of wanneer hij deze schavuiten maar ontmoette, altijd maakte hij zich met hen gemeenzaam. In alle kwade praktijken mocht hij handelen zonder last of bevel en was geheel zijn eigen baas.

De heer Vastewil had ook een gezant of bediende, Meester Genegenheid[17] genaamd, iemand van zeer verkeerde grondstellingen en wiens leven daarmede overeenstemde; hij was geheel aan het vleesch overgegeven en daarom noemde men hem ook wel Oneerlijke Bewegingen. Daarbij kwam nog eene Vleeschelijke Begeerlijkheid, de dochter van Bedenken, die hem sprekend geleek. Deze twee verliefden op elkaêr, verloofden zich en traden in het huwelijk, en als ik het wèl heb, dan teelden zij vele kinderen, als daar zijn Onkuisch, Zwartmuil en Bestraffinghater. Dit drietal waren zwarte knapen. Daarbij kregen zij ook nog drie dochters, namelijk Waarheid-verachtster, God-verzaakster en de jongste heette Wraak. Deze groeiden op en huwden weder in de stad, zoodat dit goddeloos gebroed sterk voortteelde, te veel om ze allen te noemen. Maar dit in het voorbijgaan. [Rom. 1 : 26.]

[17] ~Meester Genegenheid~, een bediende of gezant van den Wil. Wanneer de genegenheden den vleeschelijken Wil dienen gaan zij over in lage zinnelijke genegenheden.

Toen de reus zich op deze wijze in de stad genesteld had, dezen had aangesteld en anderen afgezet naar zijn goeddunken, begon hij ook te denken aan eene gedaanteverandering van Menschziel zelve. Midden op de markt en op de poorten van het kasteel stond een standbeeld van den gezegenden koning El-Schaddaï. Dit beeld was keurig gegraveerd, en wel in goud, en, het geleek koning El-Schaddaï beter dan eenig andere gelijkenis ter wereld. Laaghartig beval hij dat dit beeld zou vernield worden en dit bevel werd even laaghartig uitgevoerd door de hand van Meester Onwaarheid. Nu moet gij bovendien weten, dat toen Diábolus de vernieling van dit beeld bevolen had en deze was uitgevoerd door Meester Onwaarheid, hij dezen zelfden persoon last gaf daarvoor in de plaats te stellen het afgrijselijke afschrikwekkende standbeeld van zijne Diábolische Majesteit,[18] tot grooten smaad van den vroegeren koning en tot vernedering van de stad Menschziel.

[18] ~Standbeeld van zijne Diábolische Majesteit~. -- Het beeld Gods wordt veranderd in het beeld van den satan, terwijl iedere gedachtenis aan den Schepper en zijn kunstgewrocht vernield wordt.

Daarenboven maakte Diábolus scheurpapier van alle overblijfsels der wetten en statuten van koning El-Schaddaï, die in de stad Menschziel gevonden werden, te weten dezulken, die betrekking hadden op de leer en de zeden, met alle burgerlijke en huishoudelijke verordeningen. Alles wat daarop betrekking had trachtte hij te vernietigen. Om kort te gaan er bleef geen enkel spoor van het goede Menschziel over, dat hij en gouverneur Vastewil niet zochten te vernietigen; want het was hun oogmerk Menschziel te verdierlijken, ja het onder de behandeling van Onwaarheid in een zinnelijk zwijn om te scheppen.

Aldus alle wetten en goede ordonnantiën vernietigd hebbende, zette hij zijn voornemen door om Menschziel geheel van haren koning El-Schaddaï te vervreemden; daartoe liet hij zijne eigen ijdele verordeningen, statuten en bevelen afkondigen, in alle plaatsen, die onder Menschziel ressorteerden nl. de zoodanigen, die vrije inwilliging van alle lusten des vleesches, van de begeerlijkheid der oogen en den hoogmoed des levens toestonden; welke niet uit El-Schaddaï zijn, maar uit de wereld. Hij moedigde alle overdaad en goddeloosheid aan en bevorderde die. Ja, hij ging nog verder om de goddeloosheid in de stad Menschziel ten top te voeren, hij beloofde haar vrede, genot, vreugde en voorspoed als zij zijne wetten onderhield, met de verzekering, dat zij nooit voor een rechterstoel zou worden geroepen voor wat zij ook misdeed. Laat dit nu tot een proefje verstrekken aan hen, die zoo gaarne hooren verhalen wat buiten hun weten in verre landen gebeurd is. [1 Joh. 2 : 16.]

Menschziel op deze wijze geheel aan zijne voeten gelegd en onder het juk gebracht zijnde, werd er voortaan niets meer in gehoord en gezien dan wat diende om het te verdierlijken.

Daar hij nu den Burgemeester en den Stadssecretaris van Menschziel uit hunne bediening had ontslagen, en wel wetende, dat de stad vóor hij tot haar kwam, een van de oudste en beroemdste rijken der wereld uitmaakte, -- daarbij vreezende, dat als hij haren luister niet staande hield, zij hem te eeniger tijd mocht verwijten, dat hij haar vernederd had -- om al die redenen koos hij zelf voor haar een nieuwen Burgemeester en een anderen Stadssecretaris, die mannen naar zijn hart waren en hem behaagden.