De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 5
Dit droevig einde van de gevallen Menschenziel wordt nu aanleiding tot de openbaring van Gods heerlijkheid. Dit breken van het heilig verbond tusschen God en den mensch brengt al dadelijk den Zone Gods in het geding; deze komt de gevallen creatuur te hulp. _Immanuel_ maakt nu met zijnen Vader een verbond, dat Hij zelf de ziel onder de souvereiniteit van God zal terugbrengen; en dit vervult Hij door zijn dood en zijne offerande en de daarop volgende werkingen van den Heiligen Geest.
Maar intusschen heeft Satan den troon in Menschziel opgeslagen en daar een nieuwe regeering aangesteld. De overweldiger moet verjaagd worden. Diensvolgens begint de worsteling, en hier daalt de allegorie af tot het bijzondere; tot uw ziel en de mijne. De ziel wordt door Christus hernomen; maar daar zijn nog die loerende handlangers van Diàbolus, het zaad des boozen in het hart, het overschot van het onkruid, het overblijfsel van den „ouden mensch” en de bedorven natuur. Deze veroorzaken menigmaal geestelijke schade aan de ziel; zij bedroeven den Heiligen Geest, en drijven somtijds Christus weg van zijnen troon. Satan treedt spoedig weder binnen, en moet weder verhuizen. Afwisselend geluk en tegenspoed zijn de toestanden van ons eigen geestelijk leven, brengende ons dichter bij Christus of houdende ons verder van Hem verwijderd dan weleer.
Zoo is de aard van dit onnavolgbare werk -- DE HEILIGE OORLOG. Wij wilden nu slechts de aandacht van den godzalige en den goddelooze, van het vrijgemaakt kind Gods en den gekluisterden slaaf des satans, van den zwakke in het geloof en den bevenden, twijfelenden Christen op dit wondervolle tooneel van strijd vestigen.
[Afbeelding]
[Afbeelding]
HOOFDSTUK I.
MENSCHZIEL, HAAR OORSPRONG EN AFVAL.
In mijne omwandeling, terwijl ik vele landstreken en gewesten doorreisde, gebeurde het mij, dat ik in dat wijdberoemde land kwam, het Heelal genaamd. Dat is een zeer groot en wijd gebied; het ligt tusschen de twee polen en juist in het midden der vier hemelstreken. Het is eene overvloedig bewaterde en rijkelijk van heuvelen en dalen voorziene streek, aangenaam gelegen en grootendeels, ten minste op de plaats waar ik was, zeer vruchtbaar, goed bevolkt en in een overheerlijk klimaat.
De inwoners van dat land zijn niet allen van denzelfden aard, noch spreken eenerlei taal, noch hebben dezelfde zeden, manieren of godsvereering, maar verschillen zooveel van elkander als de eene planeet van de andere. Sommigen zijn rechtschapen en anderen mismaakt, evenals dat in andere landschappen pleegt te zijn.
Zooals ik zeide, in dit land moest ik reizen en mijn zwerftocht aldaar duurde zóo lang tot ik heel wat van de moedertaal, zeden en gewoonten dergenen, met wie ik verkeerde, leerde kennen. En, om u de waarheid te zeggen, ik was zeer met al wat ik zag en hoorde ingenomen; ja, zoo gevoelde ik mij daar op mijn gemak, dat ik zeker voortdurend tot aan mijn dood toe als inboorling onder hen had blijven leven, als mijn Meester mij niet naar huis teruggeroepen had, om daar werk voor Hem te doen, en mijn gedanen arbeid te overzien.
Nu is er in dat aangename land, het Heelal, eene zeer schoone, bekoorlijke stad of gemeente, Menschziel geheeten, eene stad wat hare bouworde aangaat zoo buitengewoon, wat hare ligging betreft zoo gemakkelijk, wat hare privilegiën aangaat zoo voordeelig -- (ik zeg dit met het oog op haar oorsprong) -- dat van haar, evenals vroeger van het land, waarin zij gebouwd is, met alle recht kan gezegd worden: zij heeft haars gelijke niet onder den geheelen hemel.[4]
[4] ~Menschziel~. -- In het heelal heeft de stad haar gelijke niet. (Hand. 17 : 28).
Wat de ligging van deze stad aangaat: zij is gelegen tusschen de twee werelden;[5] en haar eerste Fondeerder en Bouwmeester was, volgens de beste en authentiekste bescheiden, die ik machtig worden kon, zekere El-Schaddaï.[6] Deze bouwde haar tot zijn eigen vermaak. Hij maakte haar tot een spiegel en tot eene heerlijkheid van al zijne werken, ja tot een meesterstuk boven al het andere, wat Hij in dit land had daargesteld. Zoo goed was de stad Menschziel, dat toen zij eerst gebouwd was, naar ons bericht wordt, zelfs de goden nederdaalden om haar te komen zien en van vreugde vroolijk te zingen. En evenals Hij haar maakte aangenaam voor het gezicht, zoo gaf hij haar ook macht over al het omliggende land. Ja, aan allen was geboden Menschziel als hunne hoofdstad te erkennen, en allen brachten haar gaarne als zoodanig hunne hulde. De stad had dan ook van haren koning macht en last gekregen om van allen heerendiensten te eischen en allen ten onder te brengen; die haar in eenig opzicht miskenden. [Gen. 1 : 26.]
[5] ~Tusschen de twee werelden~. -- Tusschen de tegenwoordige en toekomende wereld.
[6] ~El-Schaddai~. -- God de almachtige.
In het midden van deze stad was een zeer beroemd en aanzienlijk paleis opgericht; wegens zijne sterkte kon het wel een kasteel genoemd worden; wegens zijne aangenaamheid een paradijs, wegens zijne uitgebreidheid eene plaats, die de gansche wereld omsloot. Deze plaats begeerde de koning El-Schaddaï alleen voor zichzelven te behouden, en voor niemand anders met Hem; ten deele tot zijn eigen vermaak en ten deele ook opdat de schrik der vreemden niet over deze stad zou komen. Van deze plaats maakte Elschaddaï ook eene vesting, maar liet hare bewaring enkel aan de burgers der stad over. [Pred. 3 : 11.]
De muren der stad waren wèl gebouwd, ja zóo vast en sterk waren zij gemetseld en zóo dicht saamgedrongen, dat, ware het niet gebeurd door de lieden der stad zelven, zij in eeuwigheid niet konden bewogen of verbroken worden. Want hierin bestond de voortreffelijke wijsheid van Hem, die Menschziel bouwde, dat de muren nooit konden worden opgebroken noch zelfs eenigszins beschadigd door den allermachtigsten vijandelijken potentaat, ’t en ware dat de inwoners zelven daarin bewilligden.
Deze beroemde stad had vijf poorten om er in te komen en er uit te gaan, en deze waren, evenals de wallen of muren, ondoordringbaar,[7] en konden nooit of nimmer geopend of gesloten worden buiten den wil en de toelating van hen, die daar binnen woonden. De namen van deze poorten waren: Oorpoort, Oogpoort, Mondpoort, Neuspoort en Voelpoort.
[7] ~Evenals de wallen of muren ondoordringbaar~. -- Zonder ’s menschen eigen toestemming was het, zelfs voor Satan zelf, onmogelijk hem van God te doen afvallen.
[Afbeelding: DIABOLUS UIT DEN HEMEL GEWORPEN]
Nog andere dingen waren aan deze stad Menschziel eigen, die als gij ze bij de reeds genoemde voegt, u een nog overvloediger bewijs zullen geven van de heerlijkheid en sterkte dezer plaats. Zij had voortdurend een voldoenden voorraad binnen hare muren; zij bezat de beste, meest gezegende en voortreffelijkste wetten, die ooit in de wereld bekend waren. Daar was niet éen schelm, oproermaker of verrader binnen hare wallen; ’t ware alle oprechte lieden, trouw en innig met elkaêr verbonden, en dit is -- zooals gij weet -- van groot belang. En boven dit alles bezat zij (zoolang zij aan haren koning El-Schaddaï getrouw bleef) zijn steun, zijne bescherming, en was zij zijn vermaak.
Nu was er op zekeren tijd een Diábolus,[8] een zeer groote en machtige reus, die een aanslag waagde op deze beroemde stad Menschziel, ten einde haar in te nemen en tot zijne eigen woonplaats te maken.
[8] ~Diábolus~. -- Satan, aanklager, tegenstander.
Deze reus was koning der zwarten, en de roofzuchtigste vorst der wereld. Met uw believen zullen wij eerst over de afkomst van dezen Diábolus spreken en dan over zijne verovering van de beroemde stad Menschziel.
Deze Diábolus is inderdaad een groot en machtig vorst en toch tegelijkertijd arm en ellendig. Wat zijne afkomst betreft, zoo was hij in den beginne een van Koning El-Schaddaï’s dienstknechten, door Hem daartoe gemaakt en opgenomen in de allerhoogste en machtigste plaatsen, ja hij was zelfs tot de hoogste posten en waardigheden in ’s konings gebied verheven. Deze Diábolus was gemaakt tot een „zoon des dageraads” en bezat een schoone plaats, die hem veel heerlijkheid en glans gaf en een inkomen, dat zijn Lucifershart wel had kunnen voldoen, ware het niet onverzadelijk geweest en wijd gapend als de hel zelve. [Jes. 14 : 12.]
Hij, zich aldus in grootheid en eere verhoogd ziende, en toch naar hooger staat en trap strevende, deed niet anders dan bij zichzelven overleggen hoe hij er toe komen mocht tot een Heer over alles te worden verheven en het gansche opperbestuur te bezitten onder El-Schaddaï. Dit nu bewaarde de Koning voor zijn Zoon, en had het dezen reeds verleend. Daarom hield hij nu eerst raad met zichzelven wat in dezen het best te doen ware, en daarna openbaarde hij zijne gedachte ook aan sommigen zijner gezellen, en slaagde er in hen over te halen. Zoo kwamen zij dan ten laatste tot dit plan, dat zij een aanslag zouden wagen op ’s Konings Zoon om hem te verderven, opdat de erfenis hunne werd. Om kort te gaan, het verraad werd, zooals ik zeide, besloten, de tijd bepaald, het wachtwoord gegeven, de oproerlingen op een vastgestelde plaats bijeengeroepen en de aanslag beproefd. Daar nu de Koning en zijn Zoon altijd en overal alles zien, zoo kon geen enkele plek in hun gebied voor hen verborgen wezen; en daar Hij altijd zijn Zoon liefheeft als zichzelven, zoo moest Hij wel grootelijks vertoornd en beleedigd wezen door wat Hij aanschouwde. Wat kon Hij nu ook anders doen dan hen bij de eerste poging, die zij in het werk stelden, van verraad overtuigen, van oproer aanklagen, hun de verschrikkelijke samenzwering, die zij bestonden, voor oogen houden, en hen allen onmiddellijk uit iederen post van vertrouwen, van eer, voorrang of voordeel, dien zij bekleedden, ontzetten? Dit gedaan zijnde verbande hij hen ook van zijn hof, wierp hen neder in dien verschrikkelijken afgrond, waar zij met ketenen vastgebonden, nooit meer de minste gunst uit zijne handen verwachten kunnen, maar onder het oordeel moeten blijven, dat Hij bepaald heeft en dat eeuwig duren zal. [2 Petr. 2 : 4.] [Jud. 6.]
Aldus uit alle posten van vertrouwen, voordeel en eere verstooten zijnde, en wetende, dat zij de gunst van hunnen vorst voor eeuwig verloren hadden, verbannen van zijn hof en in dien allerakeligsten put des afgronds nedergeworpen, voegden bij hunnen vorigen hoogmoed alle woede en boosaardigheid tegen El-Schaddaï en zijnen Zoon, waartoe zij in staat waren.
Derhalve in groote woede en furie, al brullende omloopend van plaats tot plaats, om, waar zij wellicht iets vinden mochten dat ’s Konings eigendom was, dat te schenden, ten einde zich op Hem te wreken -- zoo gebeurde het ten laatste, dat zij in dit ruime landschap het Heelal kwamen, en recht op de stad Menschziel aanliepen. Alsnu in aanmerking nemende, dat deze stad een van de meesterstukken en de vermaking van Koning El-Schaddaï was, zoo wisten zij niet beter te doen dan na genomen raadslag, een aanval op de stad te wagen. Ik zeide: zij wisten dat Menschziel den Koning El-schaddaï toebehoorde, want zij waren er bij tegenwoordig toen Hij haar bouwde en voor zich opsierde. Toen zij nu die plaats gevonden hadden juichten zij geweldig van vreugde en brulden haar tegen als een leeuw zijne prooi, zeggende: „Nu hebben wij den schat gevonden, en nu weten wij hoe ons op Koning El-Schaddaï te wreken voor hetgeen Hij ons gedaan heeft!” Zoo zaten zij dan neder en riepen een krijgsraad bijeen, onderzoekende langs welken weg en op wat wijze zij het zouden aanleggen om deze beroemde stad Menschziel voor zich te bemachtigen. Vier zaken werden toen voorgesteld en besproken. [1 Petr. 5 : 8.]
[Afbeelding: KRIJGSRAAD VAN DIÁBOLUS.]
Ten eerste, of het best was, dat zij allen zich tot dit doel voor de stad vertoonden.
Ten tweede, of het wel geraden was zich voor de stad neder te slaan in hun lompen en bedelaarsgewaad, want hun prachtige kleeding was nu verscheurd en vernield.
Ten derde, of het goed zou zijn aan de stad Menschziel hun oogmerk te ontdekken en het doel, waarmede zij kwamen, bloot te leggen, dan of men haar liever zou aanvallen langs valsche wegen en met bedriegelijke woorden.
Ten vierde, eindelijk, of het niet best was, dat aan eenigen hunner een bijzonderen last gegeven werd om hun geluk te beproeven, ten einde éen of meer van de voornaamste lieden der stad neder te schieten, of men niet oordeelde dat daardoor hun zaak en voornemen des te beter bevorderd werd.
Op de eerste dezer voorstellen werd ontkennend geantwoord, namelijk, dat het niet best zou wezen dat allen zich voor de stad zouden vertoonen, daar de verschijning van zoo velen de stad verschrikken en ontstellen kon, terwijl het waarschijnlijk was, dat weinigen of enkelen hunner dit niet doen zouden. En om dezen raad ingang te doen vinden werd er bijgevoegd, dat indien Menschziel verschrikt werd of alarm begon te slaan, het dan onmogelijk zijn zou die stad in te nemen. „Want,” zeide Diábolus -- hij was het namelijk, welke dien raad gaf -- „want niemand kan haar nemen zonder haar eigen toestemming. Laat daarom slechts weinigen of een enkele Menschziel aanvallen; en volgens mijn gevoelen”, zoo besloot Diábolus, „moet ik dat zelf doen.” En allen stemden daarin toe.
Nu kwam het tweede voorstel aan de orde, namelijk of zij zich aan Menschziel zouden vertoonen in hun havelooze plunje. Daarop werd eveneens ontkennend geantwoord. O neen, geenszins, want ofschoon de stad Menschziel er op ingericht was om met onzichtbare dingen om te gaan en daarvan ook reeds voordezen ervaring had gehad, toch zagen zij nooit eenig medeschepsel in zulk een droevigen en haveloozen staat. Dit was het advies van den trotschen Alecto. Toen zeide Apollyon: „Die raad is uitmuntend, want zoo slechts éen onzer haar verscheen zooals wij nu zijn, dan zouden daardoor noodzakelijk zulke denkbeelden in hen oprijzen en zich vermenigvuldigen, welke hen in ontsteltenis des geestes brengen zullen en hen dringen op hunne hoede te zijn. En gebeurt dit”, ging hij voort, „dan is het, zooals vorst Diábolus zegt, voorzeker tevergeefs aan de inneming der stad te denken.” Toen zeide de sterke reus Beëlzebub: „Het reeds gegeven advies is zeer goed, want ofschoon de lieden van Menschziel zulke wezens als wij eertijds waren ook al gezien hebben, tot hiertoe zagen zij nooit zulke wezens als wij nu zijn; en het dunkt mij best te wezen tot hen te komen, in zulk eene gedaante als waarmede zij bekend zijn, en waarmede zij zich reeds vertrouwd maakten”. Toen dit tot algemeen genoegen besloten was, moest er nu worden besproken in welke gedaante, gestaltenis of vermomming Diábolus zich zou voordoen, wanneer hij zich opmaakte om Menschziel de zijne te maken. Daarop zeide de een dit, de ander wat anders. Ten laatste antwoordde Lucifer, dat volgens zijne gedachte, het best was dat zijn meester het lichaam van een of ander schepsel, over hetwelk de bewoners der stad heerschappij hadden, zou aannemen. „Want”, zeide hij, „deze zijn hun niet alleen bekend, maar daar deze onder hen staan, zullen zij zich nooit verbeelden, dat een aanslag op de stad bedoeld wordt. En om nu allen te verblinden, laat hem het lichaam aandoen van een dezer beesten, die men in Menschziel meent dat wijzer is dan al de overigen.” Dit advies werd door allen toegejuicht, en zoo werd dan bepaald, dat Diábolus den draak zou gebruiken, aangezien deze in die dagen even familiaar met de stedelingen van Menschziel was als tegenwoordig een vogeltje met een knaap. Want er was niets in de slang toen zij in haar oorspronkelijken staat verkeerde, dat eenigen schrik kon wekken. Nu gingen zij tot het derde voorstel over. [Gen. 3 : 1.] [Openb. 20 : 1, 2.]
Dit gold de vraag of zij hun voornemen en bedoeling openlijk zouden toonen bij hunne komst te Menschziel, ja dan neen. Ook dit werd ontkennend beantwoord; na het tevoren beslotene sprak dit dan ook als vanzelf. Menschziel was een sterke stad, een sterk volk woonde daarin; de wallen en poorten waren ondoordringbaar (om nu nog niets te zeggen van haar kasteel), en in geenen deele kon iets op haar gewonnen worden zonder haar eigen goedvinden. „Bovendien”, zeide Legioen (want hij was het, die dit antwoord gaf), „wanneer wij ons oogmerk blootleggen konden zij wel eens om hulp naar hunnen Koning zenden, en als dat gedaan werd, dan weet ik wel hoe het met ons gesteld zal zijn. Laat ons daarom in gehuichelde oprechtheid tot haar komen, ons voornemen met allerlei leugenen bedekkend; laat ons vleierij en pluimstrijkende woorden gebruiken; dingen voorgevende, die nooit bestaan zullen, en beloften doende, die nooit vervuld zullen worden. Dit is de weg om Menschziel te winnen en te maken, dat zij hare poorten voor ons opent, ja, zelfs, dat zij verlangend wordt dat wij tot haar inkomen. En de reden waarom ik denk, dat dit plan gelukken zal, ligt hierin, dat het volk van Menschziel eenvoudig en onnoozel is; allen zijn daar eerlijk en oprecht; tot op heden weten zij nog niet wat het is met bedrog, leugen en huichelarij te worden aangevallen. Zij zijn vreemd aan leugenachtige en verachtelijke lippen, daarom kunnen wij aldus vermomd, door niemand hunner worden onderkend; onze leugens zullen voor echte waarheid doorgaan en onze veinzerijen voor oprechte handelingen. In hetgeen wij hun beloven zullen zij ons gelooven, vooral indien wij in al onze leugenen en huichelachtige woorden groote liefde voor hen veinzen en alleen hun voordeel en hunne heerlijkheid als ons eenig doel voorstellen.” Hier viel niets tegen in te brengen en het voorstel ging er zoo glad en vlot door als een waterval, die langs eene steilte neêrstort. Daarom gingen zij nu over tot het laatste denkbeeld.
[Afbeelding: DIÁBOLUS EN ZIJN RAAD OP WEG NAAR MENSCHZIEL.]
Zou men nu niet aan eenigen uit hun midden bevel geven éen of meer der voornaamste burgers uit de stad neder te vellen tot bevordering van hun doel en oogmerk? Deze vraag werd bevestigend beantwoord en de burger, die aangewezen werd als het eerste slachtoffer, was een zekere heer Tegenstand, of anders genoemd, kapitein Tegenstand. Hij was een voornaam man in Menschziel, deze kapitein Tegenstand, een man, dien de reus Diábolus en zijn komplot meer vreesden dan alle anderen in Menschziel samen. Maar wie zou nu deze krijgslist wagen en dezen moord uitvoeren? Hiertoe werd aangewezen zekere Tisiphone, een der booze geesten uit den poel des vuurs.
Aldus hun krijgsraad geëindigd zijnde, stonden zij op en beproefden nu ook te doen wat zij besloten hadden. Zij trokken naar Menschziel op, ofschoon allen op éen na onzichtbaar, en deze éene naderde de stad evenmin in zijne eigen gedaante, maar in het lichaam der slang.
Zoo maakten zij zich op en zetten zich neder voor de Oorpoort, want dat was de plaats, waar gehoor verleend werd aan allen buiten de stad, evenals de Oogpoort de plaats was, waar men uitzag. Zooals gezegd is, de reus legde de bende, die hem volgde, in een hinderlaag, met het oog op kapitein Tegenstand een boogschot van de stad af. Dit gedaan zijnde kwam hij dicht voor de poort en vraagde om audientie en gehoor. Hij had nu niemand bij zich dan alleen zekeren Kwaderust, die in alle moeielijke gevallen zijn woordvoerder was. Zooals gezegd is: voor de poort staande, blies hij, naar de manier van dien tijd, op zijne trompet om audientie, waarop de opperhoofden van Menschziel zich vertoonden. De heer Oprecht, de heer Vastewil, de heer burgemeester Verstand, de heer griffier Geweten en kapitein Tegenstand kwamen op den muur om te zien wie daar was en wat er aan de hand was. De heer Vastewil sprak het eerst, hij keek over den muur naar beneden wie daar voor de poort stond, vragende met welk doel hij kwam en waarom hij de stad Menschziel door zulk ongewoon rumoer verschrikte.
Diábolus begon toen, alsof hij een lam geweest ware, eene redevoering te doen, en sprak: „Mijne Heeren van de beroemde stad Menschziel, ik ben, zooals gij bemerken kunt niet ver van u verwijderd, maar integendeel u zeer na, een dergenen, die door den Koning verplicht is u te huldigen en allen dienst te bewijzen, die in mijn vermogen is. Opdat ik nu mijne verplichtingen nakome zoo wat mijzelven betreft als ook jegens u, heb ik u iets van groot belang mede te deelen. Vergunt mij daarom audientie en hoort mij geduldig aan. Vooreerst zal ik u de verzekering geven, dat ik niet mijzelven bedoel maar u; -- niet mijn maar uw voordeel zoek ik door deze mijn handeling, gelijk genoegzaam en ten volle zal blijken wanneer ik u mijne meening zal blootgesteld hebben. Want, edele heeren, ik ben, om u de waarheid te zeggen, gekomen om u te toonen hoe gij groot zult kunnen worden en eene volkomen verlossing erlangen van eene slavernij, waarin gij, zonder het zelf te bemerken, gevangen ligt.” Dit deed de stad Menschziel de ooren spitsen. „Wat is dat dan? O, als het u belieft, zeg ons wat dat is?” vraagden zij. En hij antwoordde: „Ik heb u wat te zeggen aangaande uwen Koning, zijne wet betreffende, en daarom betreft het ook u. Wat uw Koning aangaat, ik weet Hij is groot en machtig; maar toch is al wat Hij u gezegd heeft niet waarachtig en evenmin tot uw voordeel. 1º. Het is niet waar, want hetgeen, waarmede Hij u tot dusverre bedreigd heeft, zal niet geschieden, of vervuld worden, ofschoon gij ook al deedt wat u verboden is. Maar zoo er al gevaar ware, welk eene slavernij is het dan nog altijd in vrees te leven voor de strengste straffen, die bedreigd zijn, op zulk een kleine overtreding als het eten eener onnoozele vrucht! 2º. Aangaande zijne wetten, deze -- ik moet het zeggen, -- zijn onredelijk duister en ondragelijk. Onredelijk omdat de straf niet geëvenredigd is aan de misdaad: er is een groot onderscheid tusschen het leven en een appel, daartusschen bestaat geene vergelijking; toch moet het eerste aan den laatste worden opgeofferd volgens El-Schaddaï’s wet. Maar die wet is ook duister, en om u in de war te brengen, daar eerst is gezegd gij moogt van alles eten, en later wordt het eten van éene vrucht u verboden. En dan ten laatste, moet het u toch wel onverdragelijk wezen, dat diezelfde vrucht, welke u verboden is, (indien zij u ten minste verboden is), juist diegene is, welke alleen de kracht heeft, om, als gij ze eet, u een voorrecht te bezorgen, dat u tot dusverre onbekend bleef. Dit wordt duidelijk door den naam des booms zelven; hij is genoemd: „de boom der kennis des goeds en des kwaads.” En bezit gij die kennis wel? Neen, neen, nooit kunt gij er achter komen hoe aangenaam, hoe begeerlijk het is iemand verstandig te maken, zoolang gij in uws Konings gebod blijft berusten. Waarom zoudt gij in onwetendheid en blindheid blijven volharden? Waarom zoudt ge niet uitgebreid worden in kennis en wetenschap? En nu, o gij inwoners van de beroemde stad Menschziel, om meer in het bijzonder tot uzelven te spreken, gij zijt geen vrij volk! Gij wordt in knechtschap en slavernij gehouden, en dat door geen andere hinderpaal dan een ernstige bedreiging, waarvoor geen andere grond wordt opgegeven dan een: „Zoo wil ik het hebben; zoo moet het zijn!” Is het dan niet naar te moeten denken, dat deze zelfde zaak, die u verboden is, indien gij ze doen mocht, u tot wijsheid en eere brengen zou? Want dan zullen uwe oogen geopend worden en gij zult als God zijn. De zaken nu aldus staande,” zeide hij, „moet gij dan niet toestemmen, dat gij kwalijk door eenigen vorst in grooter slavernij en knellender dienstbaarheid kondt gehouden worden, dan waaronder gij heden ten dage leeft? Gij wordt overheerscht en ligt in velerlei ellenden, zooals ik u duidelijk getoond heb. Want welke slavernij is grooter dan blind te worden gehouden? Zal u de rede zelve niet leeren, dat het beter is oogen te hebben dan die te missen? En is het niet beter in vrijheid rond te loopen dan in een donkere, stinkende spelonk te zijn opgesloten?”
[Afbeelding: DOOD VAN TEGENSTAND.]