De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 4

Chapter 43,837 wordsPublic domain

De ernstige toon, waarin het geheel gesteld is, komt vooral uit in de volgende zinsnede, die bewonderenswaardig heeten mag. „God speelde er niet mede toen hij mij tot overtuiging der waarheid bracht; de duivel speelde er niet mede toen hij mij verzocht; en evenmin speelde ik er mede, toen de angsten der hel op mij nederkwamen; en daarom mag ik er ook niet mede spelen als ik deze dingen verhaal; maar ik leg ze daar klaar en duidelijk neder, juist zooals ze gebeurd zijn.” De titel, welke hij aan zijn boek gaf: „Overvloedige genade bewezen aan den grootsten der zondaren,” was de beste, dien hij kiezen kon.

Meer doorwrochte uitgaven volgden, waarvan het in gereedheid brengen onder Bunyans omstandigheden inderdaad verbazing wekt. Zij waren diepdoordachte studiën over groote waarheden, als, de rechtvaardigmaking door het geloof, de wederopstanding der dooden, en ofschoon nieuwere werken deze in onze theologische scholen hebben verdrongen, ze zijn toch maar zelden overtroffen evenmin in hunne overtuigingskracht als in hun diep inzicht, terwijl ze blijk dragen hoe nauwgezet hij de waarheid toepaste en ook anderen tot ernstige toepassing drong. De eenige hulpbron, die bij zijne letterkundige werken hem als hulpmiddel diende, was een Concordance, en het „Boek der martelaren van Fox;” -- de eenige plaats, waar hij schrijven kon, zijne cel, waar hij ieder oogenblik werd gestoord en hij zoo goed als geene geriefelijkheden krijgen kon. De toon van zijne werken in de gevangenis was grootendeels de polemische, en somtijds was de strijder zelfs hardvochtig en gestreng. Jegens den predikant Fowler, die eene ondubbelzinnige ontkenning en verloochening van het 13e artikel van zijne eigen kerk had geschreven, zegt Macaulay dat hij „woest” was. Hij was voorzeker wel wat ruw, maar Fowler was op zijn minst al even ruw, en beiden verloren veel te veel de bescheidenheid uit het oog.

Het laatste werk, dat uit zijne gevangenis naar de pers ging, was getiteld: „Eene belijdenis van mijn geloof, en eene verdediging van mijn praktijk.” Het had de strekking om zijne praktijk te verdedigen, dat Christenen _als Christenen_ aan ’s Heeren avondmaal mochten deelnemen. Het was volgens Bunyans gevoelen genoeg, dat iemand het bewijs leverde van een geloof in de liefde werkende. Dat zoo iemand nog niet gedoopt was na de belijdenis van zijn geloof, betreurde de Baptisten-predikant ernstig, maar ofschoon hij zich om des gewetens wille van zulk eene indompeling ook voorloopig onthield -- de godzaligheid van zijn wandel was daar het bewijs van -- zoo bleef toch zijn recht op de voorrechten der kerk onaangeroerd, en te Bedford mocht hij ze allen genieten.

Een groot geroep ging er na deze uitgave op onder de Baptisten, en deze openbare mededeeling werd als een onteering van den Heere aangezien. Maar Bunyan volhardde stillekens in zijne overtuiging, wel bewust, dat de almachtige God zijn schild was, en duldde alles, naar hij zeide „tot het mos op zijne oogleden groeien zou.”

Er was een ander boek, dat in het licht gegeven is vóor onze auteur de gevangenis verliet -- dat boek, hetwelk inderdaad zijn naam vereeuwigd heeft. De „Pelgrimsreis” werd begonnen en geëindigd in de gevangenis. Dit boek werd hem als het ware ingegeven en kwam zonder moeite op papier, zich aan hem opdringende met groote zoetvloeiendheid en innig gevoel, als in de bekoorlijkheden van een droomgezicht. Hij was bezig een ander boek te schrijven, toen hij eensklaps aan dit begon. Twintig denkbeelden drongen zich aan hem op, en vóor hij die neergeschreven had weer twintig andere. Hij zette met genot de pen op het papier. Terwijl hij ophield of rustte kwam het denkbeeld, en wachtte hij maar weer dan kwam er weder een ander, tot hij eindelijk in alle opzichten verblijd en verwonderd was over wat hij had geschreven. Hij behandelde dit onderwerp geheel uit zichzelven, geen enkele menschelijke ziel was hem daarbij behulpzaam; hij had niet zooals anders vooraf bouwstoffen opgezameld. Hij had geene inspiratie gezocht, noch bij het plechtig geklots van vele wateren, noch bij den prachtigen aanblik van een Oosterschen hemel, noch in de plechtige eenzaamheid, of zelfs in de afzondering bij verheven natuurtooneelen. Hij was bewoner van een hol en hij was altijd een zwerveling geweest in het weinig romantische land aan den oever der Ouse. Maar tot zijne onuitsprekelijke vreugde had hij Christen temidden van wonderveel en groote zonden heengevoerd naar de liefelijke bergen, en door het land van doodschaduwen naar het Paradijs van God. De bouwstof en de wijze van bewerking was alles het zijne, en geen mensch kwam er iets van te weten vóor het afwas.

In de gevangenis zat ook een zekere Marsom, door wiens familie bericht is, dat toen de „Christenreis” gereed was, Bunyan die aan al zijne medegevangenen voorlas, om van hen te weten te komen of hij het werk zou laten drukken al dan niet.

Men was er niet eenstemmig over. Sommigen zeiden: „John, laat het drukken,” anderen zeiden: „Niet doen.” Sommigen zeiden: „Het kan goed doen,” anderen meenden van niet. Marsom vroeg of hij het nog eens overlezen mocht en na het nauwkeurig bestudeerd te hebben, ried hij aan, dat het zonder mankeeren moest worden gedrukt.

Toch gebeurde het niet vóór 1678, en toen was dit boek onmiddellijk populair en wel in bijzonder groote mate. Binnen tien jaren werden er twaalf herdrukken van bezorgd en in Engeland alleen hadden 100000 exemplaren hunnen weg gevonden vóor Bunyans dood. Van dien tijd af is het een gevierd boek gebleven. Het is in den schouwburg opgevoerd. De romanschrijvers hebben er van geprofiteerd. Allerlei letterkundigen hebben het aangehaald en vele schrijvers er hunne beelden aan ontleend. De kritiek heeft het onder handen genomen en het op allerlei wijzen ontleed, zoodat alle schoonheden en gebreken in het helderste licht verschenen zijn. Door vertaling is het populair geworden bij schier alle natiën onder den hemel. Kunstenaars hebben hun uiterste best gedaan om de schoone tafereelen af te beelden.

De „Geschiedenis van Meester Kwaad”, met nog een of twee andere boeken volgden op de uitgave van den „Christenreis”, en toen kwam in 1682 „De Heilige Oorlog”. Het valt gemakkelijk uit de inleiding op te maken, dat bij de beschrijving van Menschziel, eerst in bezit genomen door Diabolus en dan heroverd door Immanuel, de schrijver zichzelven op het oog heeft. De beschrijving is geheel op militaire wijze, de bijzonderheden uit het krijgsmansleven zijn herinneringen uit zijn eigen militaire loopbaan bij het beleg van Leicester, vandaar dus zijne beelden. De eerste aanval van den duivel, die met zulk een spoedig succes bekroond werd in de vervreemding van den mensch van zijn Maker, is wonderschoon verhaald, en zoo ook de vleeschwording van den Zone Gods tot verlossing van den verloren mensch. Wellicht wordt dit nog overtroffen door de vernieuwde pogingen van den Booze om den mensch weder in zijne macht te brengen. De diepzinnige filosofie van de beelden, die gebruikt worden, is volkomen in overeenstemming met den geest, die hier lichamelijk voorgesteld wordt. Het bovennatuurlijke, het dichterlijke en het evangelische gaan hand aan hand.

Ook dit boek beleefde vele herdrukken gedurende het leven van den schrijver en wordt nog voortdurend gretig gevraagd, maar toch niet in die mate als de onovertroffen inhoud verdient. Het is het beste menschelijke richtsnoer voor hem, die wenscht te weten hoe de wet der zonden in zijne leden woelt en door Satanische macht daarin is gekomen, en hoe ook door de inwerkende genade des Heiligen Geestes die macht in toom kan worden gehouden.

[Afbeelding: BUNYAN PREDIKENDE IN DE OPEN LUCHT.]

Binnen een paar jaren werd het tweede deel van „de Christenreis” uitgegeven, „de Christinnereis,” waarin wij Christens vrouw en kinderen met hunne geburin Barmhartigheid achter hem naar den hemel zien trekken. Andere medereizigers, wier namen eene zeer diepe karakterkennis verraden, voegen zich bij het gezelschap en onder het voortreffelijk geleide van „Grootmoedig”, bereiken zij eindelijk hunne bestemming. Het is heerlijk om te zien hoe het vlakke veld opgevuld is met paarden en wagenen en trompetters om de pelgrims te begroeten, waar zij éen voor éen de gouden stad binnentrekken. De groote rijkdom en afwisseling van Bunyans denkbeelden komt in dit tweede deel vooral uit waar men ze vergelijkt met het eerste. De reis van Christen was meestal een zware en moeielijke worsteling om de zegepraal; de reis van Christina was grootendeels een aangename reis naar het vaderhuis.[1]

[1] Van „De Christen- en Christinnereis naar de eeuwigheid” verscheen bij de uitgevers van dit werk en geheel in dezelfde wijze van uitvoering eene volksuitgave met 100 uitstekende platen en portret van den schrijver, in prachtigen stempelband, tot den geringen prijs van ƒ 4.25.

Christina’s zonen waren achtergebleven als een groote zegen voor de strijdende kerk; de droomer begreep, dat hij daarvan in de toekomst nog wel wat te zeggen zou hebben. Zijn vermoeden werd waarschijnlijk vervuld, ten minste in zooverre dat hij ook nog een derde deel onder handen heeft gehad; want enkele jaren na zijn dood kondigde zijn uitgever, Nathaniel Ponder aan, dat hem het manuscript was toevertrouwd en dat het binnenkort het licht zou zien. Er werd evenwel niets meer van die uitgave van Ponder vernomen. Wel kwam er later iets uit, dat een derde deel beteekenen moest; maar het was eene vervalsching. Alle innerlijke en uitwendige bewijzen zijn voorhanden, dat het volstrekt niets te maken heeft met den wezenlijken droomen-droomer, en zijne twee echte „droomen”.

Weder andere boeken volgden tot omstreeks zestig boekdeelen, waaronder verscheidene van aanzienlijke grootte, Bunyans werken uitmaken. Velen daarvan waren polemisch, maar allen hadden betrekking op de fundamenteele waarheden des Christendoms. In vele gevallen bestonden zij uit eene uitbreiding van zijne predikaties, wanneer de overtuiging zich van hem meester maakte, dat zij zeer geschikt waren om goddelooze lezers te doen ontwaken uit hunnen doodslaap en de vromen tot dieper overtuiging te brengen. Hij wilde nuttig zijn niet alleen voor zijn eigen tijdgenooten, maar ook voor de toekomstige geslachten. Het was inderdaad een moeilijke taak om al de tegenwerpingen der verachtende spotters naar eisch te beantwoorden, maar hij vervulde die taak. Het was een hard werk al de verschillende moeielijkheden op te lossen van tuchtelooze en huichelachtige gemoederen, maar hij deed dat werk. Hem woog de zware verantwoordelijkheid om de gemeente Gods te waarschuwen tegen de menigvuldige verzoekingen om de waarheid te ontkennen of te verminken, op het hart, en hij onttrok zich niet aan die taak, maar arbeidde hieraan ijverig, zoowel op den predikstoel als in de pers. Zijne leer leefde in duizenden zijner tijdgenooten, die hij nooit gezien had, en hij wist hen te vervullen met bewonderende liefde voor het Evangelie van Gods genade.

Beide door zijne eenvoudige werken als daar is „Het boek voor jongens en meisjes”, en door zijne diepzinnige geschriften, als b. v. „De Genadewet ontvouwd”, werd het volk over het algemeen aangetrokken; het hield die geschriften dankbaar in waarde, en werd er krachtig door overtuigd.

Niet éen was er onder al die zestig deelen, waarvan niet veilig kon gezegd worden, dat zijn onderwerp waardig, zijne taal verstaanbaar, zijne redeneering vloeiend, zijne inkleeding smaakvol, zijne oprechte bedoeling doorzichtig, zijn toon die van Boanerges en Barnabas was; nu eens verontrustend en verschrikkelijk, dan weer vertroostend -- altijd geschikt om zijne lezers een inzicht te geven in het ware zaligmakende geloof.

Als eene proeve van zijne aangrijpende welsprekendheid, diene het volgende: „Luiaards, onverschilligen, slaapt gij dan altijd? Zijt gij nu vast besloten den slaap des doods te slapen? Zullen noch boodschappen van den hemel noch van de hel u wakker maken? Zult gij dan maar altijd zeggen: Nog een weinig slapens, nog een weinig sluimerings, noch een weinig handvouwens al nederliggende? O, dat mijne oogen tranenbeeken waren, en dat ik een hart vol medelijden met u hadde! Hoe zou ik u dan beklagen! Hoe zou ik u beweenen! Arme, verloren, stervende ziel! Hoe hard is mijn hart, dat ik niet over u wegsmelt in tranen! Indien gij maar een lid van uw lichaam verloort, of een kind, of een vriend, dan zou het nog zoo erg niet wezen; maar arme mensch, het is UWE ZIEL! Indien die naar de hel verwezen werd voor één dag, of voor een jaar, of zelfs voor duizend jaren, dan ware het vergelijkender wijze nog te overkomen; maar het is voor eeuwig! O die ontzettende EEUWIGHEID! Welk een zielverbrijzelend woord zal dat voor u wezen als tot u gezegd wordt: „Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat den duivel en zijnen engelen bereid is!””

[Afbeelding: BUNYANS LAATSTE LIEFDEWERK.]

In zijn omgang met bekommerden en wankelmoedigen ging hij met groote wijsheid te werk. Lees hier wat hij tot hen zegt: „Niets is eene meer algemeene kwaal onder ons menschen, dan dat er velen zijn, die twijfelen aan de genade Gods, en dat bekomt een zondaar toch wel het allerslechtste. De wet te verbreken is inderdaad reeds dwaas genoeg; maar de genoegzaamheid der genade te betwijfelen is nog erger dan dwaasheid en zonde, erger dan al wat slecht heeten moet. Daarom, wanhopende zielen -- want het is tot u dat ik spreek -- werpt uw wantrouwen weg, schudt uit uwe slaafsche vrees, hangt al uwen argwaan aan den kapstok, en gelooft, dat gij daartoe een zeer voldoende reden hebt, want daar stroomt eene rivier voor uwe voeten. Laat uw gebrek aan vroomheid en goede werken u niet het minste verhinderen. Dit is eene rivier van het water des levens: stroomen van genade en barmhartigheid ziet gij daar. En wanneer gij ziet dat zij, die vreezen van honger te sterven, mondvoorraad opdoen te Tunbridge, Epsom, Bath en elders, opdat zij voor lange reizen op de wateren uitgerust zijn; zorgt gij dan, dat gij voorzien zijt van levend water, dat gij niet behoeft te koopen, maar dat u wordt aangeboden om niet. O, laat dan uwe ziel niet ophouden noch u terughouden door vrees of twijfel; maar drinkt, drinkt en leeft in eeuwigheid.”

Ook voor den geloovige, die zich in Christus verheugt, had hij een woord op zijn pas. „Het is zoo heerlijk en Gode zoo aangenaam, wanneer Christenen wandelen waardiglijk hunne roeping, hun staat en hun toestand: in alle dingen getrouw aan wat God van hen maakte. Dan zijn zij als de bloemen in den tuin. Waar de tuinman ze geplant heeft daar staan ze, en van den hysop, die aan den wand uitwast, tot den ceder van den Libanon toe is van hen allen hunne vrucht ook hunne heerlijkheid. En aangezien de stam, waarop zij ingeënt zijn, de vruchtbaarste stam is, en het sap, dat door hen heenvloeit het vruchtbaarste sap, en de Kweeker onzer zielen de wijste hovenier, zoo vertrouwen wij alles aan Hem toe ook wat ons vreemd toeschijnt, alleen zorg dragende, dat wij rijk worden in goede werken. Daardoor toont gij immers, dat gij geen geschilderd vuur zijt, dat geen warmte afgeeft; geen geschilderde bloemen, die geen geur hebben; geen geschilderde boomen, waaraan nooit vruchten groeien.”

VI.

ZIJN LEVENSEIND.

Lijden om des gewetens wil bleef Bunyans deel tot het einde. Zijn weinige gehechtheid aan de staatskerk en zijne evangelische getrouwheid brachten hem dikwijls in onaangenaamheden met de overheid, en deze heeft hem meer dan eens van zijne goederen beroofd. Zijn kerkgebouw werd zelfs eene wijle gesloten en hij moest zijne vergaderingen in het open veld houden.

Temidden van al deze onzekerheid voor de toekomst vermaakte hij aan zijne innig geliefde vrouw alles wat zijn eigendom was bij een document, dat gedagteekend is van den 23^{sten} December 1685. Hij, „John Bunyan, kopersmid, gaf, door innige liefde gedreven, aan haar alle goederen, die hij bezat, zoowel roerend als onroerend, en alle schuldvorderingen, waar die ook mochten gevonden worden.”

Aldus op alles voorbereid was hij tijdig en ontijdig in zijn Meesters werk. Zijn roem groeide telkens aan. Van alle zijden werd het hem moeielijk gemaakt door overstelpende bezigheden. Hij werd beter met boeken vertrouwd, en zijne groote kennis der menschelijke maatschappij bracht hem eigenaardige voordeelen aan. Alles werd tot zijn doel aangewend; hij kon alles gebruiken; menigmaal werden onderwerpen uit het dagelijksch leven aangehaald om als illustratiën te dienen, en niet minder staatkundige gebeurtenissen of de geschiedenis van den dag. Als hofprediker van den Lord Mayor van Londen, tot welk ambt hij eens geroepen werd, of als gast der eenvoudige hutbewoners in afgelegen dorpen, wien hij na het landelijk maal het Evangelie prediken zou, altijd was hij dezelfde, altijd bleek zijne vurige begeerte om anderen nuttig te wezen en tot God te leiden.

In het voorjaar van 1688 leed hij veel door de zweetziekte,[2] en het scheen zelfs, dat hij er aan sterven zou. Gedeeltelijk herstelde hij wel weer, en eindelijk meende men zelfs, dat hij zijne volle kracht terugbekomen had. Maar zijn einde was op handen en het duurde niet lang of het kwam. Eer zelfs dan hij of zijne zoo innig aan hem verkleefde echtgenoote vermoed hadden, want hij stierf waar zij hem niet bijtijds kon bereiken, twee dagreizen van huis.

[2] Deze vreemde ziekte, die slechts een verloop van enkele uren had, meestal met doodelijk einde, sleepte omstreeks dien tijd in Engeland vele honderden ten grave.

Hij was door een jongeling zeer dringend verzocht eene poging te doen om hem met zijn vader te verzoenen, die gedreigd had hem te zullen onterven. Daar was in het geheel geen kans op dan alleen door een persoonlijk bezoek, en daartoe moest Bunyan eene reis ondernemen van Bedford naar Reading, een afstand van vijftig mijlen.[3] Hij ondernam dien tocht te paard en slaagde zoo goed in zijne opofferende onderneming, dat de vader er in toestemde zijn zoon te vergeven en de bedreiging introk. Zeer verblijd over den goeden uitslag, besloot Bunyan Londen op de terugreis aan te doen, waar die jongeling woonde. Hij wilde hem zelf de goede tijding brengen. Het weder was buitengewoon onstuimig en de reis viel hem zuur. Toen hij de woning van zijn vriend Shaddoks op Sneeuwheuvel bereikte, overviel hem de koorts, en ofschoon er eerst alle hoop was op zijn herstel, stierf hij tien dagen later. De datum is onzeker, daar de opgaven verschillen tusschen den 12^{en}, 17^{en} en 31^{sten} Augustus 1688.

[3] Ongeveer achttien uren.

[Afbeelding: BUNYANS GRAF IN BUNHILL FIELDS.]

Bunyans dood was een waardig besluit van zijn leven. Zijne lenden waren omgord en zijne lamp brandende. Hij bleef getrouw tot den dood. Hij blies den laatsten adem uit, verzegelende, dat God waarachtig is. „Wat zoudt gij beter voor mij kunnen begeeren,” zeide de stervende tot de omstanders, „dan wat God mij te zien geeft in het heerlijk visioen, waarmede Hij mij verwaardigt? Mijne begeerte is, dat gij heilig moogt leven en _eenmaal komen om het te zien_. Ik ga naar den Vader van onzen Heer Jezus Christus, die mij zonder twijfel uit kracht van het verzoenend bloed van zijnen Zoon, aannemen zal, ofschoon ik een zondaar ben. Weent niet over mij. Wij zullen elkander eerlang weder ontmoeten om het nieuwe lied te zingen en eeuwig samen gelukkig te zijn.” Hij wist, dat hij in den hemel een beter en onsterfelijk leven tegemoet ging.

Het lichaam werd te Bunhill Fields begraven temidden van vele treffende bewijzen van algemeene liefde en eerbied. Te Bedford was de smart hevig, in het bijzonder bij de gemeente, die nu herderloos was, maar niet minder in heel den omtrek. Het was nog geen veertien dagen geleden, dat zij hunnen herder, leeraar, vriend en stadgenoot hadden zien wegrijden op zijn Samaritanentocht der barmhartigheid naar Berkshire, en toen zag hij er niet minder sterk uit dan vroeger, een krachtig, flink gebouwd man van zestig jaren. Sommigen hunner hadden hem eerbiedig goeden dag gezegd, anderen meer familiaar en vriendschappelijk gegroet.

En nu was hij reeds dood en begraven. Bij zijne bijzondere vriendelijkheid voor een verstootene had hij zijn leven ingeboet. In den dienst van zijnen Heer en Heiland was hij ingesluimerd en tot zijne vaderen vergaderd. Grootmoedige, eerwaardige Bunyan! Gij rust van uwen arbeid en uwe werken volgen u na. Uw loopbaan was moeielijk, maar gij waart standvastig. Gij werdt zwaar beproefd en diep bedroefd, maar gij bleeft getrouw. Uw pelgrimsreis van deze wereld naar de toekomende loopt evenwijdig met uw eigen, bewonderenswaardigen, onnavolgbaren droom, van het begin af tot aan het zegevierend en God verheerlijkend einde.

[Afbeelding]

INLEIDING.

In „De Heilige Oorlog” bezitten wij een van de meesterstukken onder de allegorische werken van den Onsterfelijken Bunyan. Met zijn „Christenreis naar de eeuwigheid” vergeleken is het eene allegorie van geheel verschillende stijl en karakter, voorstellende een andere gestalte der bevinding. Bunyans Heilige Oorlog mag met alle recht genoemd worden „de geschiedenis van ’s menschen ziel.”

In dit opzicht verschilt deze tegenwoordige beeldspraak van het vroegere werk van den uitstekenden droomer; „de Christenreis” handelt over de uitwendige omstandigheden van eens Christens pelgrimstocht, in zooverre zij voor het geestelijk leven voordeelig of schadelijk zijn, en daardoor invloed uitoefenen op de innerlijke gemoedswerkzaamheden van den Christen. De _Heilige Oorlog_ behandelt de inwendige worstelingen der ziel, en gaat vandaar tot de uitwendige gevolgen over, waar zij ’s menschen geluk en vrede bewerken. De Pelgrimstocht beschrijft de vijanden van buiten, die de ziel aanvallen, terwijl de Heilige Oorlog de inwendige vijanden beschrijft, die alle menschelijk geluk, ja zijn leven bedreigen.

Uit deze oorzaak hebben velen de gelijkenis van den „Heiligen Oorlog” zelfs als een veel geestelijker werk dan de „Christenreis” beschouwd, en wellicht is dit eerste daarom ook door de groote menigte minder verstaan en gewaardeerd. Deze leerrijke gelijkenis is een ontleder van het hart in de geestelijke ontleedkunde der ziel. Zij is een geestelijke spiegel, die doet uitblinken wat de mensch was, wiens slaaf hij werd, welke oorlogen en gevechten, welke worstelingen en aanvallen gewaagd en uitgestreden moeten worden, vóor Christus weder op den troon zit in het hart en de verloren Menschenziel kan zingen het nieuwe lied, dat de herwonnen Menschenziel waardig is.

De twee groote denkbeelden, die het geheele werk beheerschen zijn de Verloren en Herwonnen Menschenziel, en doen ons denken aan Miltons Verloren en Herwonnen Paradijs. De eerste zinspeling, toegepast op de stad Menschziel heeft het oog op ’s menschen ziel in het algemeen, maar verder in het bijzonder op dat wezen, hetwelk ziel genaamd, ’s menschen _ik_ aanduidt, waarop eens Gods beeld en zegel werd gedrukt. Het was Gods handenwerk, en evenals al Gods werken, werd het „zeer goed” genoemd. Het was onder al Gods scheppingen het naast in gelijkenis en het innigst in liefde aan God verwant: „God schiep den mensch naar zijn beeld.” De ziel werd geschapen om Gods tempel te wezen, de plek, waar zijn troon stond. Het kasteel van Menschziel is het hart; de wallen zijn het lichaam of het vleesch, en de poorten de vijf zinnen -- vandaar hun zeer verstaanbare benamingen. De bewoners van de stad zijn het verstand, het geweten, de wil, de lusten, de gedachten -- de duizenden gedachten, die in de ziel rondwriemelen. Dit zijn de mannen, vrouwen en kinderen der stad, aldaar ontvangen, geboren, gevoed, en aldus opgroeiende in daden ten goede of ten kwade. Deze koninklijke verblijfplaats viel in de vernielende handen van satan of _Diàbolus_ en zijne hoofdmannen; de woorden veraanschouwelijkende van den wijsten der koningen -- die samenvatting van de geschiedenis der menschheid: -- „Ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mensch goed gemaakt heeft; maar zij hebben vele vonden gezocht.” [Pred. 7:29.]