De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 3

Chapter 33,864 wordsPublic domain

Het gesprek duurde vier uren, maar het had geene uitwerking. Paulus erkende, dat de machten, welke in zijne dagen leefden, uit God waren en toch werd hij meermalen in de gevangenis gezet. Jezus Christus zeide tot Pilatus, dat hij geen macht over Hem zou gehad hebben als het hem van boven niet gegeven was, en toch stierf hij onder Pilatus; en toch hoopte de gevangene, dat de vrederechter niet zou durven zeggen: Paulus en Christus verzetten zich tegen de overheid. De wet gaf twee wegen aan de hand, waar langs zij gehoorzaamd kon worden. In gevallen, die voor het geweten des menschen duidelijk als recht en billijk te boek stonden, was hij ook verplicht volstrekt en onmiddellijk te gehoorzamen, en Bunyan wilde dit doen zelfs al moest het zijn leven kosten. Maar in gevallen, waarin des menschen geweten gekwetst werd, moest hij lijdelijk gehoorzamen, en dus alles dragen wat hem opgelegd werd met geduld en onderworpenheid. En ook hiertoe was Bunyan bereid tot den dood toe.

Toen Cobb aldus het vaste besluit van den gevangene vernomen had, zat hij stil neder en zeide niets meer. De gevangene bedankte hem voor zijn vriendelijk en aangenaam gesprek, en zoo vertrokken zij met het gebed, dat zij elkander in den hemel mochten wederzien. Hoe walgelijk en ongezond het hol ook wezen mocht, Bunyan keerde derwaarts weder om de gevolgen af te wachten.

Het gebeurde daarna, dat er eene kroning plaats had, en volgens de nationale gewoonte verkregen alle gevangenen, alleen de allerergste uitgezonderd, de vrijheid terug. Voor Bunyan echter was er geen pardon. Zijne vijanden wisten hem als zóo gevaarlijk voor het algemeen belang af te schilderen, dat zijne hoop werd teleurgesteld en hij gevangen bleef. Zijne vrouw -- omstreeks een jaar vóor zijne gevangenneming was hij hertrouwd -- begaf zich met een rekest naar Londen, maar er kwam niets van terecht. De eenige kans, die nog overbleef was het met de rechters te beproeven, die aangekomen waren om in den rechtsdag zitting te nemen. Zij zouden uit kracht van het kroningspardon hem kunnen vrijlaten. Bij hunne aankomst begeerde hij tot hen te mogen gaan en van hen kwijtschelding der straf te vragen, maar hij mocht niet naar hen gaan. Nu bleef alleen over dat zijne vrouw gaan zou. Goedhartig en verstandig als zij was, verkreeg zij toegang tot de rechters, zelfs meermalen, en zij bracht het zelfs zoover, dat zij een lang gesprek met haar voerden. Goed en warm bepleitte de vrouw de zaak van haar man; maar ofschoon de president der rechtbank inderdaad met hare droefenis begaan was, hij wilde toch niet voor haar tusschenbeiden treden. Er waren wel een paar wegen, langs welke het vonnis kon vernietigd worden, maar zij had de middelen niet om deze dure processen te voeren, en daarom duurde de gevangenschap voort.

Opdat hij zichzelven van onderhoud zou voorzien en ook nog iets voor zijn huisgezin verdienen, werkte Bunyan als schoenlapper in de gevangenis, en kreeg daarvan meer te doen dan hij af kon. Bij tusschenpoozen las hij in de weinige boeken, die onder zijn bereik waren, maar het Woord Gods ging boven alles en werd geregeld onderzocht.

[Afbeelding: DE OUDE GEVANGENIS TE BEDFORD.]

Weder werden pogingen aangewend bij den volgenden rechtsdag en ook bij het Hof der Gezworenen, om hem in vrijheid te krijgen. Onveranderlijk werd de vraag gesteld: „Wil hij het prediken opgeven?” Wilde hij dit, dan was er geen hindernis. Maar dat wilde hij niet laten, daarom bleef die hindernis bestaan. Zes jaren lang bleef hij in ditzelfde hol toeven, en verduurde daar al de vuiligheid en ongezondheid, welke eene eeuw later Howard, den vriend der gevangenen, aanleiding gaf op welsprekende wijze hun lot als onuitstaanbaar te schetsen.

Er kwamen tijden, waarin hij geheel ter neergeslagen was. De scheiding van zijne vrouw en hulpbehoevende kinderen neep hem menigmaal als het ware het vleesch van de beenderen, en dat niet alleen omdat hij zoo innig aan hen was gehecht; maar ook omdat zij maar al te zeer, ook uitwendig, in zijn lijden deelden, en hij hen door vrij te wezen had kunnen onderhouden. „Arm kind!” zeide hij tot zijn blinde dochter, „welk een smart hebt gij toch in deze wereld voor uw deel gekregen! Gij moet honger lijden. Koude en naaktheid en duizend andere jammeren komen daarbij, ofschoon ik voor mij niet verdragen kon, dat de wind op u blies.” Maar weer tot zichzelven komende, kreeg hij nieuwe kracht en gaf al zijn hulpelooze kleinen in Gods hand. Hij liet zijn huis op vrouw en kinderen nederstorten, maar het moest zoo zijn en kon niet anders.

Hij begreep zeer goed, dat hij eindelijk van zijn land en volk zou verbannen worden en in den vreemde sterven, of dat zijne gevangenis in de galeien eindigen zou; maar toch kon hij zijn recht niet opgeven om het Woord Gods te prediken. Verlossing uit zijn lijden zou hem zeer aangenaam geweest zijn, want hij zuchtte er vaak onder, bezwaard zijnde; maar hij mocht die niet betalen met ontrouw aan Christus.

Twaalf jaren lang duurde zijne gevangenis; sommigen zijner cipiers waren hem vriendelijk en toegenegen, anderen daarentegen onvriendelijk en lastig. Aan de vriendelijkheid van sommigen moet het toegeschreven worden, dat hij nu en dan de gevangenis mocht verlaten. Niet slechts werd het hem in zijn kerker meer dragelijk gemaakt, maar zelfs werd hem soms verlof gegeven zijne broeders te gaan bezoeken, nadat hij beloofd had op zijn woord van eer terug te keeren. Deze zaak werd verklapt en op zekeren avond werd een bode door de overheden gezonden om den cipier wakker te roepen en hem te vragen Bunyan eens te laten voor den dag komen. Nu gebeurde dit juist op een dag dat Bunyan uit geweest was, maar hij stond onmiddellijk gereed en ontmoette den bode. Zoo was toch alles in orde. Slechts een uur tevoren was hij teruggekeerd, en dat wel zeer haastig, want hij had aan zijn hart gevoeld, dat zijne vijanden hem op het spoor waren. Welke vriendelijkheden hunne ondergeschikten hem ook mochten bewijzen, de overheidspersonen en regeerders wisten van geen de minste barmhartigheid.

Ten langen leste daagde er toch verlossing op. In Maart van het jaar 1672 vaardigde de koning een besluit uit, waarbij alle dissenters (afgescheidenen), uitgezonderd de Papisten, vergunning kregen openbare godsdienstoefening te houden, aan zulke plaatsen en onder zulke leeraars als van tijd tot tijd zouden worden erkend. De bedoeling van dit besluit was de invrijheidstelling der afgescheidenen, die op verschillende plaatsen in de gevangenis zaten. Daarom werden nu ook pogingen gedaan om hunne loslating te bewerken, in het bijzonder door vele Kwakers, wier broeders het grootste getal der lijders om des gewetens wille uitmaakten. Door de onvermoeide en kostbare nasporingen van George Offor zijn feiten ontdekt, die vele onder het volk verspreide en algemeen geloofde misvattingen over de wijze, waarop deze lijders in vrijheid kwamen, aan het licht hebben gebracht, en tevens is de ware toedracht der zaak geopenbaard. Al die gebeurtenissen zijn door Offor in eene meesterlijk geschreven levensschets van Bunyan opgenomen. Wat hier nu volgt geeft er eene korte opsomming van.

„Gij hebt mij wel meer gezien,” zeide een afgezant der Kwakers tot koning Karel. -- „Waar dan?” -- „Aan boord van het schip, dat u veilig naar Frankrijk overbracht na het gevecht van Worcester.” -- „Ja, dat herinner ik mij.” -- „En herinnert gij u dan niet, dat een kaper ons nazat, en dat sommigen onzer u naar den oever roeiden, en dat éen onzer u op de schouders nam, door het bruisende water waadde, en u hoog en droog naar een naburig dorp droeg?” -- „Ja wel”. -- „De man, die u toen op de schouders droeg, was ik, en nu kom ik u vragen, dat gij toch vriendelijk handelen wilt met mijne broeders in hunne droefenis, zooals wij toen vriendelijk geweest zijn jegens u.”

De koning herinnerde zich die gebeurtenis volkomen. Deze man, Richard Carver, was bij een groot gevaar een vriend in nood geweest. Hij verdiende wel eene belooning, dat was waar; maar dissenters waren zoo dweepachtig, dat als men hen uit de gevangenis liet, zij dadelijk alles weer zouden doen als tevoren, en dus spoedig naar den kerker teruggezonden worden. De oude zeeman zette echter zijn pleidooi voort en beduidde den koning, dat de wetten, die hen weder naar de gevangenis terug zouden zenden, slechte wetten waren, die herroepen dienden te worden. De goedhartige koning Karel vergunde den Kwaker zijn verzoek nogmaals te mogen herhalen. Geen tijd werd verspild, en andere Kwakers voegden hun smeekschrift bij dat van Carver, terwijl deze zijn rekest uitstrekte tot alle afgescheidenen van welken naam ook.

Eenig uitstel had plaats, maar op den 13^{en} September van het jaar 1672 werd een bevelschrift geteekend, waarbij John Bunyan vrij verklaard werd. Hij bevond, dat zijne zaak geheel verloopen was, en dat hij weer van voren af aan beginnen moest alsof hij pas op de wereld kwam. Vóor zijne bevrijding was hem een verlofschrift van den koning gezonden, ’t welk behelsde, dat hij prediken mocht, en daar de predikant Gifford dood was, zoo werd door diens gemeente besloten, dat hij hun herder en leeraar worden zou, ingeval hij in hunne begeerte bewilligde.

Volgens de aanwijzingen der apostelen was hij de gevangene des Heeren geweest. Hij had met vreugde de berooving zijner goederen aangezien, zijn leven niet dierbaar achtende voor hemzelven, opdat hij het Hoofd der gemeente mocht navolgen. Het verbod dat hij niet prediken mocht, was eene onteering geweest, eene schande Christus aangedaan. Het verbod om vrij uit het hart te mogen bidden was eene onteering van den Heiligen Geest. Hij had geen ander doel gehad dan pal te staan voor de eere Gods. Zijne gehoorzaamheid aan de hemelsche overheid noodzaakte hem tot ongehoorzaamheid aan de aardsche overheid. Hij kon de clericale wet niet houden omdat die met de goddelijke wet streed. Hij ging naar de gevangenis en daar zou hij tot aan zijn dood gebleven zijn; niet aangevuurd door eene dwaze dweepzucht of wanhopige partijzucht, maar uit diepen eerbied voor God en zijn Woord. Als ziende Hem, die onzichtbaar is, gaf hij het groote voorrecht niet op zijn hart ongedwongen te mogen uitstorten voor den Heere, of durfde hij de bediening, die hij van den Heere Jezus ontvangen had, vaarwel zeggen, wel wetende, dat het Evangelie zich openbaart als eene genadekracht Gods.

IV.

ZIJNE BEDIENING ALS HERDER EN LEERAAR.

Bunyan geloofde, dat hij zijn ambt van God gekregen had. Deze overtuiging lag als een last op zijne schouders. Als een vuur in zijne beenderen was het verlangen in hem om de blijde tijding aan anderen te brengen. Sedert lang was hij de dienaar zijner medegevangenen geweest; ook in de gevangenis had hij van Jezus getuigd. Maar nu mocht hij weer openbaar getuigen, en wat was zijne prediking stichtelijk! Wat ging er eene kracht uit van zijne getuigenis der waarheid! Hij verhaalt van zekere gelegenheid, toen hij in de kamer der gevangenis zich buiten staat gevoelde meer dan vijf woorden te spreken. De vergadering wachtte en de tekst was over het heilige Jeruzalem, afdalende uit den hemel van God. ’t Was of eene schittering van de paarlen poorten zijne oogen verblindde, en hij zelf vermoedde, dat hij meer zou te zien krijgen. Hij stortte zijn hart uit voor God, en kreeg zulk eene toestrooming van geestelijke gedachten, dat al de aanwezigen verzadigd en verblijd werden. Toen hij allen hun bescheiden deel gegeven had hield hij nog een korf vol over.

Zulke oefeningen waren niet weinig geschikt geweest om hem voor te bereiden voor het werk der bediening als herder en leeraar der gemeente van Christus. Door het voortdurend ernstig Bijbelonderzoek en het gebruik, dat hij van zijne gaven gemaakt had, was hij een welsprekend man geworden, machtig in de Schriften. Bij zijne loslating vond hij een groote vergaderzaal, die keurig netjes was ingericht en waar het volk bij menigten samenstroomde. Ernstig en diep bestudeerde hij zijn onderwerp, dan predikte hij, en daarna, volgens zijne opvatting in dezen, schreef hij uit wat hij gezegd had tot later gebruik. Zijne hulpbronnen waren slechts weinige; vooral in het eerst had hij geene andere dan het Woord Gods en het gebed. Hij vond zijne hulp en zijne inspiratie bij een hoogere bron, zooals hij zelf voortdurend verklaarde. Water uit zijne eigen regenbak te putten was zijn genot, een ander te mogen verblijden met wat God hem had geschonken door de kracht van Woord en Geest verheugde hem. De groote bijbelkennis van Bunyan kwam uit in elke preek, die hij deed. Het gebruik, dat hij van de Schrift maakte, was niet slechts voortdurend, maar ook recht gepast en krachtig; hij toonde steeds aan zonder het zelf te vermoeden, dat het ware geloof en de zuivere prediking nooit anders dan schriftuurlijk zijn. Daarbij drukte hij zich zeer klaar en eenvoudig uit. Hij zeide dat woorden, die goed verstaan worden, tot het gemoed doordringen, terwijl hooge en geleerde uitdrukkingen slechts de lucht slaan. In geen enkel opzicht gaf zijne bazuin een onzeker geluid. Zijn prediking was dadelijk te verstaan. Het geringe volk hoorde hem gaarne, terwijl de meer ontwikkelden zich nooit over zijne woorden beklaagden. Hij was begrijpelijk zonder plat te zijn, en krachtig zonder brutaal te wezen.

In het uitspreken zijner redevoeringen had hij het voorrecht een scherpe en vlugge blik, een mooie stem en een aangenaam talent te bezitten. Zoowel door de natuur als de genade was hij geschikt gemaakt om een goed prediker van Jezus Christus te wezen. Geen wonder dus, dat zijne kerk altijd opgepropt was van toehoorders en dat menigeen daar getroffen werd, terwijl vele belangstellenden moesten buiten staan. Daar ging kracht uit van dezen prediker, dat werd in den ganschen omtrek openbaar, terwijl allerlei lieden zijn onderricht begeerden.

Op bepaalde tijden bezocht hij de omliggende dorpen, en bijgemeenten werden gevormd, die tot op heden bestaan. Nu en dan bracht hij ook een bezoek aan de hoofdstad, waar hij bijna even populair was als tehuis. Eene enkele aankondiging was voldoende om hem een groot gehoor te verzekeren. Een ooggetuige zegt: „Ik heb eens eene prediking van hem bijgewoond, waar, naar ik gis, twaalf honderd menschen samen kwamen, en dat nog wel des morgens om zeven uur op een werkdag, in den donkeren wintertijd. Ook woonde ik eene prediking bij op den dag des Heeren in eene vergaderzaal te Londen, waar meer dan drie duizend waren opgekomen, zoodat de helft zich genoodzaakt zag uit gebrek aan plaats weer heen te gaan, en Bunyan zelf kon slechts met moeite door een achterdeur als over de schouders der hoorders heen zijn predikstoel bereiken”. Het was een zeer aandoenlijk schouwspel wanneer hij op afgelegen plaatsen optrad, meestal voor een duizendtal personen en dat nog wel midden in den nacht. Zijn groote beroemdheid vervulde hem met zorg. Hij verontmoedigde zich des te dieper voor den Heere. Indien hem geen groote genade van den hemel ware geschonken, dan zou hij zijn gaan roemen buiten de maat, en de duivel zou hem verstrikt hebben.

God liet ook toe, dat zijn knecht werd gekastijd. Er kwamen kwade geruchten in omloop, die hem onteerden. Er werd verzekerd, dat hij het zevende gebod had geschonden en het negende evenzeer. Zekere heer Beaumont kwam plotseling te sterven. Zijne dochter, die eerst door hem op straat was gezet omdat zij Bunyans prediking volgde, was daarna weder in gunst ontvangen nadat zij beloofd had niet langer onder „dat volk” op te gaan. Zij had spoedig spijt van die belofte en smeekte haar vader haar toch verlof te geven om naar de preek te gaan luisteren. Op zekeren avond toen de oude heer reeds ter rust was gegaan, zocht zij hem op zijne slaapkamer op en sprak zoo ernstig met hem, dat hij tot tranen bewogen werd. In den loop van dien nacht kwam de vader te sterven. Nu liep het gerucht dat hij vermoord was, dat zijne dochter hem vergiftigd had, en dat haar leeraar haar hierin was behulpzaam geweest. Dit gerucht bracht heel den omtrek in beweging. Deze vrouw was eene moordenares en haar prediker leefde met haar in ontucht. Ofschoon echtgenoot en vader was hij een schandelijk overspeler, zoo niet nog erger dan dat! Het gerecht zou hem straffen. Een onderzoek werd ingesteld, nu ook naar andere lasteringen, die reeds in omloop waren. Maar met dit onderzoek eindigde ook de gansche zaak. De lasteraars werden door den lijkschouwer aan de kaak gesteld, en ernstig wegens hunne vermetelheid bestraft, terwijl de leeraar zeide: „Ik roep God tot getuige aan, dat ik onschuldig ben. Niet dat ik uit of van mijzelven van eenige goddeloosheid ben teruggehouden; maar God heeft mij in zijne genade bewaard, zooals ik bid, dat Hij altoos doen zal.”

[Afbeelding: BUNYAN IN DE GEVANGENIS.]

Dit zooveel opspraakmakende leed werkte mede ten goede. De prediking won aan kracht, en de prediker kwam in nog grooter roep als een goed dienstknecht van Jezus Christus. Uitnoodigingen kwamen tot hem van andere en grootere gemeenten. Hij kreeg beroepen, die zijn inkomen aanmerkelijk zouden vermeerderd hebben en hem in staat gesteld een grooten staat te voeren. Maar hij was onbeweeglijk. De stad Bedford met hare nabuurschap was zijn kring, met dien verstande echter, dat hij ook als de gelegenheid zich aanbood elders ging prediken. Hij werd nu in de wandeling altijd „bisschop Bunyan” genaamd en ontzag moeite noch arbeid om naar verwijderde streken heen te reizen, waar het volk zijne hulp noodig had. Het was hem nu vergund te prediken en raad te geven zonder dat iemand hem eenigszins mocht hinderen, en ofschoon hij voortdurend bleef ontkennen, dat hij deze vergunning behoefde, kwam zij hem toch ten goede. Van zijne roeping als leeraar liet hij zich nooit aftronen, evenmin door goed als kwaad gerucht. Zijn vriend Charles Doe getuigt daarvan: „Toen Bunyan eens op weg naar Cambridge was, ontmoette hem iemand van de universiteit, die tot hem zeide: „Hoe durft gij prediken, aangezien gij den oorspronkelijken tekst niet kent en geen geleerde zijt?” Toen antwoordde Bunyan: „Hebt gij den oorspronkelijken tekst?” -- „Ja”, zeide de academie-man. „Zoo, zijt gij in het bezit van de oorspronkelijke handschriften, die door de pennen der profeten en apostelen zijn geschreven?” vroeg Bunyan verder. -- „Neen” zeide de ander, „maar wij hebben de echte copiën van het oorspronkelijke.” -- „Hoe weet gij dat?” -- „Hoe?” herhaalde de ander. „Hoe? Wel wij gelooven, dat wij de ware en echte copiën van den grondtekst bezitten.” -- „Juist,” zeide Bunyan, „en zoo geloof ik nu ook, dat de Engelsche vertaling een echte en zuivere copie van den grondtekst is.” En de geleerde mijnheer ging door.

Het zaad des Woords viel in goede aarde. Vele werden bekeerd en den Heere toegevoegd. De gemeente, die onder zijne hoede stond, werd voortdurend uitgebreid, en als een onderherder arbeidde hij voortdurend aan haar welzijn. Op de bediening der sacramenten was hij zeer stipt en daarin zeer getrouw. Zij waren de genade niet, maar wel genademiddelen, die niemand verzuimen mocht. Het laatste avondmaal veranderde niet in het lichaam en bloed des Heeren; maar het stelde het voor. En deze leeraar geloofde, dat de berouwhebbende zondaar en de pasbekeerde geloovige ze niet mochten verzuimen, of zij verzuimden een voorrecht en begingen eenen misslag.

Hij zorgde voor het krankbezoek met veel medelijden en liefde. Waar soms strijd tusschen de broeders ontstond, trad hij onmiddellijk tusschen beiden. Voor zoekenden naar de waarheid in hunne menigvuldige aanvechtingen en bekommering, was hij een trouw en vriendelijk raadgever. Met de leden, die naar elders vertrokken waren, hield hij briefwisseling, er in toestemmend, dat zij elders zich bij eene zusterkerk aansloten, die op denzelfden bodem stond. De tucht op degenen, die zich vergrepen, paste hij met alle gestrengheid toe. Hij zelf ging eerst met de zoodanigen in de eenzaamheid; gelukte het hem dan niet de dwalenden terecht te brengen, dan moesten de broeders er aan tepas komen. Alle tuchtiging, die hij oplegde, moesten de broeders goedkeuren of verzachten. Hij handelde daarin geheel eenstemmig met hen.

De haast, waarmede hij strafte, werd weder goedgemaakt door de haast waarmede hij vergaf. Menigmaal hief hij de tuchtroede op of verzachtte de kastijding aanmerkelijk, waar hij groot berouw en oprechte schuldbekentenis bespeurde, zoodat de tucht diende tot opbouwing van het allerheiligst geloof.

Bunyan matigde zich geen monopolie aan voor den dienst des Evangelies. Hij achtte zich gesteld over de broederschap des Heeren, als voorganger en herder der gemeente. Maar hij zag in ieder lid der gemeente een medearbeider en droeg hun zulke bedieningen op als het best voor hen pasten. De jongere en oudere leden leerden hunne voorrechten en verplichtingen kennen; allen beijverden zich in ’s Heeren dienst, om elkander op te voeden in het Evangelie, elkanders lasten te dragen en alzoo de wet van Christus te vervullen.

Langs deze verschillende wegen werd zorg gedragen voor de kudde over welke de Heilige Geest hem tot een opziener gesteld had. Hij voedde haar met het brood des levens; hij bracht haar tot werken des geloofs; hij oefende haar in godzaligheid; hij bezielde allen met zelfverloochenenden ijver; hij hield haar terug van een zelfvertrouwen, dat gevaarlijk wezen zou, en van verachtering in het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.

V.

ZIJN LOOPBAAN ALS SCHRIJVER.

Bunyan was vertrouwd met de behandeling der pen. Het schrijven was hem daarbij een genot. De opstellen gingen van zijn hart naar zijn hoofd en dan kwamen ze door zijne vingers op het papier. Het moet intusschen worden toegestemd, dat de handeling van het schrijven zelf hem veel moeite kostte en zeer langzaam ging. Te oordeelen naar de vroegste staaltjes van zijn pennekunst, moet het hem heel wat tijd gekost hebben zijn dunste boek voor de pers gereed te maken. De geest was zonder twijfel de pen ver vooruit.

Hij werd auteur in 1656, bijna tegelijkertijd toen hij prediker werd, en zijn eerste werk was een strijdschrift. Het droeg den titel: „Eenige Evangelische waarheden volgens de Schriftuur uitgelegd.” Het doel daarvan was zich te verzetten tegen enkele dwalingen, waaraan zekere Kwakers leden, namelijk de geringschatting van de Schrift en van het offerbloed des Lams in het plaatsvervangend lijden.

Het werd dadelijk beantwoord, en op dat antwoord gaf hij een buitengewoon scherp wederantwoord. Andere boeken volgden en toen werd hij gevangen gezet. Maar het schrijven hield niet op, want de nood drong hem zijne pen geen rust te laten. Hij moest zijne familie ondersteunen, en ofschoon hij een gevangene was, toch moest hij zijn eigen kost verdienen. Daar nu het schoenlappen daartoe niet voldoende was, schreef hij nu en dan korte stukjes, welke zijne vrienden lieten drukken om ze langs de straten te verkoopen. Ze gingen zoo goed van de hand, dat de liedjeszangers bij Newgate en Londen Bridge zijn portret en handteekening op hunne prullerij plaatsten, ten einde ze ingang te doen vinden bij het volk.

Als een bewijs van vriendschap voor hen, die zijne prediking gevolgd waren, en voor wie ze gezegend was geweest, schreef hij een kort verhaal van hetgeen Gods barmhartigheid voor hem gedaan had. Deze levensbeschrijving, die van zijne geboorte tot zijne gevangenneming loopt, is een der merkwaardigste autobiographiën, die ooit uitkwamen. Zij bevat inderdaad de aanleidende oorzaak voor ieder punt zijner bekeering, al wat hij ondervond, dat invloed uitoefende op zijne inwendige wijding tot het leeraarschap. De lezer van deze levensschets heeft dan ook grootendeels den man zelf hooren spreken, zij is in hoofdzaak wat Bunyan zelf geschreven heeft.