De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 27

Chapter 271,227 wordsPublic domain

„Mijn geliefd Menschziel! ik heb u dikwijls verlost van de aanslagen, complotten, samenzweringen en aanvallen van Diábolus, en voor dit alles eisch ik niets van u dan dat gij mij geen kwaad voor goed vergeldt; maar dat gij in uw gemoed mijne liefde bewaart en nooit de duurzaamheid mijner genegenheid tot Menschziel vergeet. Laat dit vooral u aansporen te wandelen in den u voorgestelden regel, gedachtig aan al de weldaden, die ik aan u heb besteed. Van ouds waren de offerdieren met touwen aan het altaar verbonden. Gedenk wat ik u gezegd heb, o mijne rijk gezegende en beweldadigde!

„O, mijn Menschziel, ik ben levend en ben dood geweest. Ik leef en zal niet meer sterven. Ik leef opdat gij niet sterft. Omdat ik leef zult ook gij leven. Ik verzoende u door het bloed van mijn kruis, en verzoend zijnde zult gij leven door mij. Ik zal voor u bidden en voor u strijden. Niets kan u kwaad doen dan de zonde, niets kan u voor uwe vijanden doen vreezen dan de zonde. Niets kan u ontsieren en verachtelijk maken dan de zonde. Pas daarom op voor de zonde.

„En weet gij waarom ik nog toeliet, dat er Diábolusmannen in uwe muren wonen? Dat is om u waakzaam te doen blijven en u te doen zien wat gij aan mijn kapiteins en legerbenden hebt, en wat mijne genade voor u is. Het is ook opdat gij zoudt weten in welk een beklagenswaardigen staat gij eens waart; ik meen toen niet alleen sommigen maar allen, niet slechts binnen uwe muren, maar ook binnen uw kasteel, in uwe forteressen woonden, o, Menschziel! Al zou ik ze allen slaan, die daar binnen zijn, daar zijn er zooveel buiten u, die u in slavernij zouden voeren. Waren de vijanden binnen in u geheel vernietigd, die van buiten zouden u slapende vinden. Dan zouden zij als in een oogenblik mijn Menschziel opzwelgen. Ik heb hen derhalve nog in u gelaten, maar niet tot hinder of schade voor u (hoewel zij dat zeer begeeren), maar ten uwen beste, waartoe zij dus moeten medewerken, zoo gij maar waakt en bidt en strijdt. Weet derhalve, dat waartoe zij u ooit verzoeken mogen, het nooit mijn oogmerk is, dat u dit verre van mij drijve, maar juist integendeel dichter tot mijnen Vader en mij brenge, en u leere klein in eigen oog te zijn. Wees dus op uwe hoede en strijd den goeden strijd des geloofs. Toon mij uwe liefde en laat niets anders uwe genegenheid opwekken. Bedenk voortdurend wat mijne kapiteins en soldaten voor u hebben gedaan en wees dankbaar. Voed ze en verzorg ze, want dat komt Menschziel ten goede. Toon mij dan uwe liefde, o, mijn Menschziel! en laat hen, die binnen uwe muren zijn, uwe genegenheden nooit aftrekken van hem, die u verlost heeft. Ja, laat het gezicht van een Diábolonist uwe liefde tot mij nog versterken. Ik ben een- en andermaal gekomen om u te bevrijden van de giftige pijlen, die u den dood zouden hebben aangedaan: kom dan nu ook op voor mij, uwen vriend, o Menschziel! en sta tegenover alle Diábolusmannen pal, en ik zal uwe zaak verdedigen voor mijn Vader en zijn gansche hof. Heb mij lief temidden van alle verzoekingen en ik zal u liefhebben niettegenstaande al uwe zwakheden.

„Bedenk, o Menschziel, wat mijne kapiteins, soldaten en oorlogstuigen voor u gedaan hebben. Zij hebben voor u gestreden; zij hebben om uwentwil veel geleden; zij hebben heel wat van u verdragen, en bleven toch uwen welstand bevorderen. Hadt gij hen niet gehad om u te helpen, Diábolus had zeker een eind aan u gemaakt. Koester hen dan, mijne geliefde, en verzorg hen goed. Als gij u wel gedraagt zullen zij u ook zeer genegen zijn en u veel liefde bewijzen. Wanneer gij hen kwalijk handelt zullen zij krank worden en zeer verzwakken. Maak mijne kapiteins niet ziek; want zoo zij krank zijn kunt gij niet sterk wezen; zoo zij verflauwen of bezwijken kunt gij niet dapper of kloekmoedig wezen voor uwen koning. Ook moogt gij niet altijd leven bij gevoel, maar door het geloof aan mijn woord. Ook moet gij dat doen als gij mij niet ziet en ik van u verwijderd schijn; ik draag u toch eeuwig op mijn hart. Bedenk, geliefde, hoe innig ik u bemin en hoe getrouw mijne liefde is. Ik leg u geen anderen last op dan dien gij reeds kent en draagt. Houd wat gij hebt opdat niemand uwe kroon neme. Waak totdat ik kom!”

INHOUD.

Bladz. HET LEVEN VAN JOHN BUNYAN 3

I. ZIJNE GEBOORTE EN OPVOEDING 3 II. ZIJNE BEKEERING EN BELIJDENIS 8 III. ZIJN LIJDEN OM DES GEWETENS WIL 14 IV. ZIJNE BEDIENING ALS HERDER EN LEERAAR 19 V. ZIJN LOOPBAAN ALS SCHRIJVER 22 VI. ZIJN LEVENSEIND 28

INLEIDING 31

I. MENSCHZIEL, HAAR OORSPRONG EN AFVAL 33 II. VOORBEREIDSELEN OVER EN WEER 50 III. DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ. HET BELEG 58 IV. IMMANUELS LEGER. DE AANVAL 80 V. DE CAPITULATIE EN HARE GEVOLGEN 98 VI. INTOCHT VAN DEN VORST 118 VII. EENEN MEESTER DIENEN 124 VIII. DE NIEUWE GRONDWET 138 IX. GEVAAR VOOR MENSCHZIEL 150 X. EEN DIABOLISCH COMPLOT 158 XI. HET COMPLOT ONTDEKT 170 XII. HET SMEEKSCHRIFT VAN MENSCHZIEL 178 XIII. EEN MIDDERNACHTELIJKE UITVAL 183 XIV. „ZIET, HIJ BIDT!” 188 XV. DE BELOFTE VAN ZIJNE KOMST 193 XVI. DE TERUGKOMST VAN DEN VORST 202 XVII. HET LEGER DER MANNEN DES BLOEDS 206 XVIII. „HOUD MOED, MENSCHZIEL!” 210 XIX. IMMANUELS TOESPRAAK TOT MENSCHZIEL 218

Opmerkingen van de bewerker

In de browserversie van dit boek (zie www.gutenberg.org) zijn ook de illustraties en versierde tekstkaders zichtbaar, mogelijk ontbreken die in andere versies, afhankelijk van de gebruikte hard- en software en hun instellingen.

Inconsistenties in taalgebruik (spelling, afbrekingen, spatiëring, gebruik van hoofdletters, enz.) zijn niet veranderd, behalve zoals hieronder aangegeven. Dit geldt ook voor eigennamen, waarvan verschillende varianten in het boek voorkomen. Op verschillende plaatsen lijken woorden weggevallen te zijn; deze zijn niet toegevoegd behalve zoals hieronder aangegeven; evenmin zijn ongebruikelijke of foute zinsconstructies gecorrigeerd.

Pag. 186, [Rom. 7.]: mogelijk is het versnummer weggevallen. Pag. 222, [Jud. : 23.]: waarschijnlijk is het hoofdstuknummer weggevallen.

Aangebrachte veranderingen:

Overduidelijke (zet)fouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd; aanhalingstekens en andere leestekens zijn waar nodig stilzwijgend toegevoegd of gecorrigeerd.

In het originele werk zijn drie soorten noten aanwezig: genummerde voetnoten, ongenummerde voetnoten en noten in de tekst (met verwijzingen naar Bijbelboeken). De ongenummerde voetnoten zijn behandeld als voetnoten, waarbij de verwijzing op de meest geëigende plaats in de betreffende pagina is ingevoegd. Beide soorten voetnoten zijn verplaatst naar het einde van de betreffende alinea. De noten in de tekst zijn [tussen vierkante haken] aan het eind van de betreffende alinea geplaatst.

Pag. 8: Nummer II. toegevoegd

Pag. 64: brondocument: waartoe gij hem tot koning aangenomen? veranderd in: waartoe hebt gij hem tot koning aangenomen?

Pag.76: brondocument: Desniettemin belegerden zij met alle macht het huis, waar hij was om het boven zijn hoofd te laten instorten veranderd in: Desniettemin belegerden zij met alle macht het huis waar hij was, om het boven zijn hoofd te laten instorten

Pag. 103: brondocument: welk eene vreugde er Immanuels leger was veranderd in: welk eene vreugde er in Immanuels leger was

Pag. 165: brondocument: HEILIG (in illustratie) veranderd in: ONHEILIG (in onderschrift)

Pag. 222: brondocument: kunt niet dapper of kloekmoedig wezen veranderd in: kunt gij niet dapper of kloekmoedig wezen.