De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 26

Chapter 264,001 wordsPublic domain

Maar ziet, terwijl zij spraken stond een getrouw soldaat van den heer Vastewil, die Naarstigheid heette, al luisterend onder den luifel van dit oude huis en hoorde alles wat er verhandeld werd. Die soldaat was een man, op wien de heer Vastewil staat maken kon en die hem innig liefhad. Hij ging onmiddellijk naar zijn overste, en vertelde hem alles. De heer Vastewil kende Twijfelaar-aan-het-kwade best; in den tijd van den afval waren ze goede vrienden, maar nu wist hij hem niet te wonen; daarom was hij zeer verheugd, dat Naarstigheid zijne woonplaats had ontdekt. Zoo gingen zij beiden dan naar de aangewezen plaats en toen vernam de heer Vastewil met eigen ooren wat er verhandeld werd. Hij aarzelde nu niet langer, maar trapte de deur open en legde de hand op het gespuis, waarna Getrouwe, de cipier, geroepen werd om hen naar de gevangenis te brengen. Nadat dit geschied was kreeg de Burgemeester er ’s morgens bericht van en hij verheugde zich zeer over deze zaak, niet alleen omdat dit drietal was gevat, maar ook omdat die oude schavuit nu in den kerker zat, want hij was een groote onruststoker in Menschziel geweest en voor den Burgemeester persoonlijk een groote kwelling.

Nu moesten die vijf lieden ook onderzocht worden, en op den bestemden dag vergaderde het hof en werden zij voor de balie gebracht. De heer Vastewil had macht genoeg om hen zonder vorm van proces stillekens van kant te helpen; maar het dacht hem meer tot eer van den Prins te wezen, tot troost van Menschziel en tot ontmoediging van den vijand, wanneer hij hen in het openbaar richtte. Toen de rechters dan gezeten en de getuigen bezworen waren, werden de gevangenen onderzocht. De rechters waren dezelfde, die Onwaarheid en Onbarmhartig met al de hunnen onderzocht en gevonnisd hadden.

[Afbeelding: NAARSTIGHEID STAAT OP DE WACHT.]

Eerst was de beurt aan den Ouden Twijfelaar-aan-het-kwaad; hij had de andere Twijfelaars geherbergd en verzorgd; men beval hem zijne beschuldiging te hooren, terwijl hij de vrijheid kreeg zich ook te verantwoorden. Zijne beschuldiging luidde:

„Gij, Twijfelaar-aan-het-kwaad, wordt beschuldigd een inkruiper in Menschziel te wezen, dewijl gij van nature een Diábolus-man zijt, iemand die medegewerkt hebt tot het verderf der stad. Gij wordt hier ook beschuldigd, dat gij ’s konings vijanden hebt begunstigd en opgehouden, ja ze in uw huis hebt geherbergd en vriendelijk verzorgd, hun eten en drinken verleenende, in strijd met onze goede wetten. Gij hebt gewenscht aan het hoofd van een leger Twijfelaars te staan binnen de stad Menschziel om Diábolus macht hier weder groot te maken en de stad in zijne handen te spelen. Wat is uw antwoord?”

„Mijnheer,” zeide hij, „ik begrijp de beteekenis van deze beschuldiging niet. Want de man, die door u beschuldigd wordt, heet Twijfelaar-aan-het-kwaad; ik heet daarentegen Nauwkeurig-Onderzoek. Er moet dus een groot misverstand wezen, daar ik, vredelievend mensch, die bang ben van iemand kwaad te denken, hier voor de rechters ben geroepen. Ik vertrouw, dat de heeren dat onderscheid zullen inzien; ik geloof toch, dat men wel ter dege nauwkeurig onderzoek mag instellen zelfs onder de slechtste menschen zonder daarom strafschuldig te zijn.”

Toen sprak de heer Vastewil, want hij was een der getuigen: „Mijne Heeren, Eerwaardige rechters, Magistraten van de stad Menschziel! gij hebt allen gehoord met uwe ooren, dat deze gevangene zijn naam ontkent en daarmede zijne beschuldiging meent te ontloopen; maar ik weet wie hij is en hoe hij heet. Ik heb hem meer dan dertig jaar gekend; want hij en ik waren tot mijne schaamte vroeger gemeenzame vrienden, toen Diábolus heerschappij voerde over onze stad.

Ik getuig, dat hij een Diábolus-man is van natuur, een groote vijand van onzen Prins Immanuel en de stad Menschziel. Hij heeft in den tijd van den opstand zeker twintig nachten in mijn huis gelogeerd. Ik heb hem nu in langen tijd niet gezien en geloof ook, dat hij bij de komst van Immanuel zijne vroegere woning heeft verlaten. Maar hij is de man en niemand anders!”

Het hof sprak toen tot den gevangene: „Hebt gij niets meer te zeggen?” -- „Ja, Mijneheeren,” zei hij, „want al wat daar tegen mij is ingebracht komt slechts uit éen mond; het is niet wettig iemand ter dood te brengen op eene getuigenis van minder dan twee.”

Toen stond Naarstigheid op en zeide: „Mijneheeren, toen ik op zekeren nacht op wacht stond hoorde ik om den hoek der Kwade straat in het huis van dezen grijsaard praten; ook bemerkte ik dat daar buitenlanders bij waren, die niet veel goeds in den zin hadden.” Ik dacht: wat hoor ik daar toch? en zachtjes nadertredende, dicht bij het venster van zijn huis om goed te luisteren of ik het niet wèl had, dat daar eene samenrotting plaats had van Diábolus-mannen. Ik hoorde nu eene uitlandsche taal, maar daar ik veel gereisd heb, verstond ik die wel. Zulk eene taal hoorende in zulk een armoedig kot als waar deze mensch woont, zoo legde ik mijn oor aan een kier van het luik en vernam toen het volgende. Deze oude heer Twijfelaar-aan-het-kwaad vraagde aan de andere Twijfelaars wat zij voor volk waren, waar zij vandaan kwamen en wat zij hier deden? En zij antwoordden op al die vragen. Hij vraagde mede hoe sterk zij geweest waren, en zij zeiden: tienduizend man. Hij vraagde hun ook waarom zij geene meerdere mannelijke aanvallen op Menschziel beproefd hadden? Zij zeiden, omdat hun kapitein zoo bloohartig was, dewijl hij op de vlucht was gegaan in plaats van voor zijn vorst te strijden. Toen wenschte die oude schelm daar, (ik heb het nauwkeurig gehoord) dat al die tienduizend Twijfelaars in de stad mochten wezen, en dat hij aan hun hoofd mocht zijn gesteld om met hen overwinningen te behalen. Hij gebood hun ook zeer stil te spreken en zich zeer verborgen te houden; want zeide hij, „als ze u vinden en krijgen, dan moet gij er aan als was ook uw hoofd van enkel goud.”

Hierop zeide het hof: „Wel Twijfelaar-aan-het-kwaad, hier is nu de tweede getuige tegen u en zijne getuigenis is volkomen in orde. Hij zweert, dat die mannen bij u waren, dat gij ze vriendelijk ontvingt en met hen beraadslaagdet in stilte opdat het niet gehoord werd.”

Hij antwoordde: „Dat die mannen in mijn huis kwamen is waar; maar is het dan eene misdaad vreemdelingen te herbergen? Wat dien wensch aangaat, dat een leger Twijfelaars in de stad mocht komen daarvan is niets tegen getuige gezegd. Wel wenschte ik dat volk daar, om gevat te worden ten goede van Menschziel, en den raad, dien ik hun gaf, komt alleen omdat ik zoo ongaarne zie dat menschen gestraft worden; ik gun niemand iets kwaads, zelfs niet aan de vijanden.”

Maar de Burgemeester antwoordde, dat het wel eene deugd was vreemdelingen te herbergen, maar geen vijanden van den koning, dat was verraad; maar dat het in ieder geval voldoende is een Diábolus-man te wezen om des doods schuldig te zijn.

„Ik zie wel,” sprak hij, „hoe deze zaak zal afloopen; ik moet sterven wegens mijn naam en mijne herbergzaamheid!”

Toen werden de buitenlandsche Twijfelaars voor het gerecht geroepen. Eerst kwam Twijfelaar aan de Verkiezing voor. Zijne beschuldiging werd gelezen, en daar hij een buitenlander was, bracht een tolk die in zijne taal over; te weten, dat hij een vijand van Immanuel was, een hater van de stad Menschziel en hare wetten.[66]

[66] ~Twijfelaar aan verkiezing~, ~Roeping~ enz. Bunyan heeft hier het oog op Rom. 8 : 29. De trap, die hier voorgesteld wordt en door de ziel langzamerhand verstaan, geeft de daden Gods aan beginnende bij de eeuwigheid, de verkiezing of voorverordineering, en eindigend evenzeer in de eeuwigheid -- de verheerlijking! Men lette evenwel op het onderscheid, tusschen aan eene zaak te twijfelen, omdat zij ons nog niet recht duidelijk is, en haar geheel te betwijfelen.

De rechter vraagde hem of hij wilde pleiten: maar hij antwoordde, dat hij bekende een Twijfelaar aan de Verkiezing te zijn. Dat was zijn godsdienst, waarin hij opgebracht was, en moest hij nu om zijn godsdienst sterven, zoo stierf hij als martelaar.

Daarop werd hem gezegd, dat het in twijfel trekken der Verkiezing gelijk stond met het loochenen van een groot en voornaam leerstuk van het Evangelie. Het was een verwerpen van de alwetendheid, macht en souvereiniteit van God, die met zijne schepselen handelde naar zijn welbehagen. Daardoor zou men de stad Menschziel doen struikelen in haar geloof en maken, dat zij hare zaligheid zocht in de werken en niet in de genade. Daarom moest hij naar de landswet sterven.

[Afbeelding: DWAASHEID OPGEHANGEN.]

Toen kwam Twijfelaar aan de Roeping en werd verhoord. Zijne beschuldiging kwam in hoofdzaak met de vorige overeen, behalve dat hij ook de Roeping van Menschziel loochende.

De rechter gaf ook hem gelegenheid zich te verdedigen. Hij antwoordde, dat hij nooit kon gelooven, dat er zulk eene bijzondere en krachtige roeping bestond als Menschziel vermeende, maar alleen een algemeene roeping, eene roepstem van het woord, en dat God op geene andere wijze aan de ziel werkte dan door vermaning tot het vermijden van het kwaad en betrachten van het goed met eenige daarbij gevoegde beloften.

Daarop liet zich de rechter aldus hooren: „Gij zijt een Diábolus-man en hebt een groot deel van de beproefdste waarheden van Prins Immanuel ontkend; want hij heeft Menschziel geroepen en zij heeft eene zeer bepaalde en krachtige stem van haren Vorst gehoord, door welke zij levend geworden is en met hemelsche genade vervuld; toen is zij begeerig geworden met haren Vorst gemeenschap te oefenen, hem te dienen, zijn wil te doen en al hare zaligheid te verwachten van zijn welbehagen. Omdat gij nu deze goede leer verworpen hebt zult gij den dood sterven.”

Daarop kwam de Twijfelaar aan de Genade en hoorde zijne beschuldiging aan, waarop hij antwoordde, dat ofschoon hij al geleefd had in het land der Twijfelaars zijn vader een farizeër was, die in zuivere vormen leefde, en temidden zijner buren geacht was, en dat deze hem onderwees en leerde gelooven, dat Menschziel nooit door vrije genade zalig zou worden.

De rechter antwoordde: „De wet is in dezen zeer duidelijk, want die zegt ten eerste: ~niet uit de werken~, ontkennenderwijs en daarna: ~uit genade zijt gij zalig geworden~. Uw Godsdienst is naar het vleesch en zijne werken, en de werken des vleesches behooren ten onder te worden gebracht. Bovendien berooft gij God van zijne eere en geeft dien aan een zondig menschenkind. Gij verklaart, dat Christus werk niet noodzakelijk, genoegzaam en voldoende was. Gij versmaadt het werk des Heiligen Geestes en steunt op den vleeschelijken wil. Gij zijt een Diábolus-man; de zoon van een Diábolus-man en daarom moet gij sterven.” [Rom. 3. Efez. 2.]

Toen het hof zoover genaderd was gingen de rechters met elkander raadplegen en keurden hen allen des doods schuldig. De Griffier opstaande zeide tot de gevangenen: „Gij, die hier voor den rechterstoel staat, zijt allen wettig onderzocht en schuldig bevonden aan hoog verraad tegen Immanuel onzen Vorst en Menschziel gesmeed. Uw vonnis is eenerlei; gij moet sterven.”

En onmiddellijk werd tot de uitvoering van dit vonnis overgegaan. Allen werden gekruisigd op de plaats, waar Diábolus zijn laatste leger samentrok; alleen de Twijfelaar-aan-het-Kwaad werd aan zijne eigen deur, op den hoek der Kwade straat opgehangen.

Zoo was Menschziel van deze hare vijanden verlost: maar nu werd nog een strikt bevel gegeven dat de heer Vastewil met zijn dienaar Naarstigheid nog voortvaren zouden, het overschot van het complot op te sporen. Hunne namen waren Slecht, Goed-Verwerper, Slaafsche vrees, Zonder-Liefde, Wantrouwen, Vleesch en Onwillig. Ook de kinderen van Twijfelaar-aan-het-kwaad moesten worden gevat en zijne woning afgebroken. De kinderen heetten Twijfel, Wettisch, Ongeloof, Verkeerde-Gedachten-van-Christus, Belofte-besnoeier, Gevoelsleven en Eigenliefde. Hunne moeder was vrouw Zonder-hoop, eene nicht van den ouden Ongeloof en eene dochter van baas Duister.

De heer Vastewil voerde dit bevel uit. Hij ving Slecht bij den weg, en hing hem op tegenover den Molsgang. Deze Slecht had kapitein Geloof in Diábolus handen overgegeven. Ook Goedverwerper werd op de markt gevat en gevonnisd. Binnen de stad leefde nu nog een arme vrome man, die Overdenking heette. Hij had in de dagen van den afval weinig attentie getrokken, maar nu was hij in achting. Hem werd nu al het bezit van Goedverwerper overgegeven, zoodat hij rijk werd en met zijne vrouw Vroom, des Griffiers dochter en zijn zoon Weldenkend in vreugde leefde.

Nu werd nog Belofte-besnoeier gevat, een groot booswicht, die heel wat van ’s konings geld besnoeid had. Hij werd veroordeeld om te pronk te staan en door alle inwoners van Menschziel gegeseld te worden. Daarna moest hij hangen. Die straf was wel gestreng maar niet onverdiend; want alle eerlijke handelaars weten welk kwaad de geldsnoeiers uitvoeren.

[Afbeelding: HUISZOEKING NAAR VLEESCHELIJK GEVOELEN.]

Men ving ook Vleeschelijk gezind en zette hem vast, maar hij brak los en ontkwam. Die leelijkert hield zich daarna schuil binnen de stad, en spookte des nachts rond als de lieden sliepen. Daarom werd er eene kennisgeving uitgevaardigd, dat al wie hem in Menschziel vond, hem vangen en dooden moest, en tot loon zou hij aan ’s konings tafel eten en bewaarder der schatten worden. Maar hoevelen er ook op uitgingen, ze konden hem maar niet te pakken krijgen.

Ook Verkeerde Gedachten werd gegrepen; maar deze had reeds de tering en stierf daaraan. Eigenliefde onderging hetzelfde lot; velen in Menschziel waren met hem vermaagschapt en wilden hem dus sparen; maar de heer Zelfverloochening zeide: „Indien zulke booswichten binnen Menschziel geduld worden, dan leg ik mijn post neer!” Hij ontrukte hem dus aan het volk en sloeg hem de hersens in. De dappere daad van den kapitein hoorde de Prins en deze verhief hem tot den adelstand. Ook de heer Vastewil ontving lof voor zijn ijver.

Nu grepen die twee een bijzonderen moed en vielen samen op Gevoelsleven en Wettisch aan, hen inkerkerend tot ze stierven. Maar Ongeloof was zulk een looze vos, dat ze hem niet machtig konden worden wat zij ook deden. Hij en enkele anderen bleven daarom nog over totdat Immanuel zelf hen zou verdelgen. Toch bleven zij in kuilen en spelonken, en werden ze soms gezien, dan zette de gansche stad hen na. Ja, zelfs wierpen de kinderen hen met steenen. Nu geraakte Menschziel in een staat van vrede en rust; haar vorst bleef bij haar, de kapiteins ondersteunden haar, de soldaten deden hun plicht en zij zelve dreef veel koophandel met een vergelegen land. [Jes. 33 : 17.] [Phil. 3 : 20.]

HOOFDSTUK XIX.

IMMANUELS TOESPRAAK TOT MENSCHZIEL.

Nu bepaalde de Prins een zekeren dag,[67] waarop hij op de markt het gansche volk bijeen wilde zien, hun bevelen geven aangaande de toekomst; hun zeggende wat tot hun troost zou dienen en tot verderf der Diábolus-mannen. Op dien dag kwam hij aanrijden op zijn wagen en al de zijnen omringden hem in groot uniform. De Prins opende den mond en sprak aldus:

[67] ~De Prins bepaalde een dag~, waarop allen op de markt naar hun kwamen luisteren. Wat in de Christenpelgrimsreis het land Beulah genoemd wordt is de toestand der ziel, die nu gereinigd en geheiligd, in het genot der gemeenschap met haren Immanuel verkeert. Hij spreekt liefelijke woorden tot haar, troost haar en vermaant haar. Maar er volgen ook waarschuwingen. Hij leidt haar terug al den weg, dien zij gegaan heeft in afdwaling en bekeering, voor het eerst en bij vernieuwing. Wij zouden dit laatste hoofdstuk wel de sleutel kunnen noemen tot al de voorgaande, waarin de schrijver zelf alles uitlegt en verklaart.

„O, gij mijn geliefd Menschziel. Vele en groot zijn de voorrechten, die ik aan u heb te koste gelegd. Ik heb u van anderen afgezonderd en voor mijzelven uitverkoren, niet wegens uwe waardigheid, maar om mijns naams wil. Ik heb u ook verlost, niet alleen van de verschrikkingen van mijns Vaders wet, maar uit Diábolus hand. Dit deed ik omdat ik u liefheb, en omdat ik er mijn hart op gezet heb om u wèl te doen en u den weg tot de hemelsche vreugd te banen. Daarom heb ik ook voor u en voor uwe ziel eene volkomen genoegdoening gegeven, en u mij tot een eigendom gekocht. Dit geschiedde niet tot een vergankelijken prijs, maar dien mijns bloeds, hetwelk ik vrijwillig op de aarde heb uitgestort om u de mijne te maken. Daar ik u volkomen met mijn Vader heb verzoend, zoo heb ik u ook eene woning besteld bij mijn Vader in de Koninklijke stad, waar dingen zijn, o Menschziel, die geen oog gezien heeft en geen oor gehoord, en in geens menschen hart zijn opgekomen. Daarenboven weet gij hoe ik u heb gered uit de hand van al uwe vijanden, die u tegen mijn Vader deden rebelleeren en die u ten verderve zouden hebben gebracht. Eerst kwam ik tot u met mijne Wet, daarna met mijn Evangelie om u te doen ontwaken en u mijne heerlijkheid te toonen, en gij weet wat gij waart, wat gij zeidet, wat gij deedt, en hoe dikwijls gij tegen mijn Vader en mij opstondt. Nochtans heb ik u niet verlaten zooals gij heden te dage ziet; maar ik ben tot u gekomen; ik heb geduld met u gehad, op u gewacht, en u daarna omhelsd uit enkel genade en goedertierenheid. Hoewel gij u moedwillig in het verderf hadt gestort, zoo wilde ik zulks toch niet gedoogen. Ik omringde u, ik onderwierp u, ik bracht er uw hart toe om uwe zaligheid niet langer te verwaarloozen. En toen ik nu eene volkomen overwinning op u behaald had, zoo gebruikte ik die tot uw voordeel.

„Gij ziet ook welk een groot getal van mijns Vaders heirmacht binnen uwe muren gelegerd zijn, die tot onderwerping uwer vijanden dienst doen. Gij kent al mijne kapiteins, bevelhebbers, soldaten, oorlogstuig van buitengewone kracht, zooals het in geen ander koninkrijk voorkomt in alle deelen van het heelal. Mijne dienstknechten zijn ook de uwe tot bescherming en reiniging en heerlijkheid; want gij zijt geschapen om alzoo toebereid te worden. Daarenboven weet gij hoe ik uwe afkeeringen heb genezen. Ja, ik ben toornig op u geweest, maar mijn toorn is nu van u afgekeerd en heeft uwe vijanden getroffen. Niet wegens uwe goedheid, maar omdat ik u bleef liefhebben. Alleen wegens uwe ongerechtigheid heb ik mijn aangezicht eene wijle voor u verborgen. De afkeering kwam van u, maar de wederkeer van mij. Ik maakte uwe zoetigheid tot bitterheid, uw dag tot nacht, uw effen weg tot een doornig pad, tot beschaming van allen, die uw verderf zochten. Ik was het, die maakte, dat Vreeze-Gods Menschziel niet verliet. Ik wekte uw geweten op, uwen wil en uwe genegenheid tegelijk met uw verstand. Ik gaf weder leven in u opdat mijn Menschziel mij zoeken zou, en daarmede vondt gij genezing, geluk en zaligheid. Ik verdreef voor de tweede maal het Diábolus-complot en overwon het met mijn aangezicht.

[Afbeelding: DE DOOD VAN EIGENLIEFDE.]

„En nu, mijn Menschziel, ik ben tot u wedergekeerd in vrede en al uwe overtredingen tegen mij zijn uitgedelgd alsof ze niet geschied waren. Ook zal het u niet vergaan als in het begin, maar ik zal nog meer, nog grooter dingen voor u doen. Nog eenen kleinen tijd -- o ontzet u daarover niet, wees niet bevreesd -- maar ik zal u afbreken en al uwe steenen en uw houtwerk en muren overbrengen naar mijn eigen land, het koninkrijk mijns Vaders, en bouwen u daar weder op, veel heerlijker dan gij nu zijt, opdat mijn Vader in u wone. Ja, gij zult veel heerlijker worden dan eenig koninkrijk op aarde. Daartoe is dan ook uwe stad in den aanbeginne bestemd; ik zal haar maken tot een gedenkzuil mijner ontferming, ja, tot een wonderteeken. Daar zullen dan de ingezetenen van Menschziel dat alles zien, wat zij hier niet vermochten te aanschouwen en hen, die hen overtreffen, gelijken. Daar zult gij in gemeenschap met mij, met mijnen Vader en zijn Oppergeheimschrijver genieten wat hier nooit genoten kan worden al leefdet gij hier ook duizend jaar.

„Dáar zult gij niet meer vreezen voor de moordenaars en Diábolus en de zijnen zullen u niet meer verschrikken. Daar zullen geen samenzweringen meer tegen u gesmeed worden, noch voornemens tegen u gedacht; dáar zult gij geen kwaad gerucht meer hooren noch iets, dat u verschrikt. Ook Diábolus trommel niet, die u deed beven. Daar zult gij ook geene kapiteins of oorlogsmannen meer behoeven. Smart noch jammer overkomt u meer. Daar zal geen heuvel noch bolwerk meer tegen u worden opgeworpen, en Diábolus zal er zijn standaard niet meer planten, die ontzettende, verschrikkelijke standaard! Daar zal u droefheid noch rouw meer ontmoeten, en nooit of nimmer zal eenig Diábolist de macht hebben u weder te bekruipen, zich in uwe grachten te legeren of in uwe wallen te nestelen, of zich binnen uwe grenzen te vertoonen, alle de dagen der eeuwigheid. Het leven zal daar langer duren dan gij het hier zoudt kunnen begeeren en nochtans zal het altijd zoet en nieuw zijn, door geene kwalen des ouderdoms ooit gekweld; zonder de minste stoornis of hinder tot in der eeuwen eeuwigheid. Daar zult gij er velen ontmoeten, die als gij gedeeld hebben in ellende en smart, die ik ook heb uitverkoren en verlost en voor mijns Vaders hof bewaard. Zij zullen zich in uw geluk verheugen en gij u in het hunne.

„Er zijn dingen in mijns Vaders paleis, o Menschziel, die nooit gezien zijn van het begin der wereld af, die mijn Vader in zijn schathuis heeft opgelegd; die dingen zullen u verblijden. Ik heb u gezegd, dat ik u verplaatsen wil en elders overplanten, en daar zal ik u vaststellen en bevestigen, waar zij zijn, die u beminnen; die zich nu reeds van uit de verte over u verblijden; maar hoeveel grooter zal hunne vreugde zijn als zij u in zulk een staat van eer en heerlijkheid bij zich zien! Mijn Vader zal om u zenden om u te laten halen en zij zullen u met zich voeren en u veilig geleiden naar de eeuwige woningen. Zoo heb ik u dan alles getoond wat na dezen met u geschieden zal, maar nu zal ik u ook zeggen wat uwe roeping is, en wat gij te doen hebt tot ik u bij mij kom halen, volgens hetgeen daarvan gezegd is.

„Eerstens zult gij uwe kleederen witter houden dan ooit. Ik had ze u gegeven zonder vlek of rimpel toen ik de eerste keer bij u kwam, maar gij hebt ze bezoedeld en verkreukt. Pas er nu beter op, dat zal wijs van u wezen. Ze zijn wit uit hunnen aard; maar houdt ze zoo wat ik u bidden mag; dit zal uw wijsheid en uwe eere zijn. De koning zal lust hebben in uwe schoonheid, en de wereld zal zien, dat gij de mijne zijt. Gij weet dat daar eene fontein geopend is voor alle onreinheid; wasch ze daarin voortdurend. Als uwe kleederen wit zijn zal de wereld u als de mijnen aanzien. Als uwe kleederen wit zijn dan heb ik vermaak in uwe gangen; want dan zullen uwe voetstappen overal wezen gelijk aan een bliksemstraal, zoodat allen, die het aanschouwen, hunne oogen voelen schemeren. Versier u derhalve met mijne geboden en maak rechte gangen voor uwe voeten naar mijne wet. Dan en zóo zal de koning lust in uwe schoonheid hebben; daar hij uw Heer is zoo buig u voor hem neder. [Ps. 15.]

„Verzuim daarom vooral niet, o mijn Menschziel, gebruik te maken van mijne fontein. Opdat gij uwe kleederen rein en onbesmet zoudt houden gelijk ik u bevolen heb, heb ik juist die fontein voor u daargesteld. Neem daarom telkens weer de moeite ze te wasschen en wandel nooit in een vuil gewaad. Niet alleen dat dit mij tot oneer en smaad verstrekt en mij op het allermeeste mishaagt, maar het zal uzelven ook zeer tot nadeel strekken en u van allen troost berooven. Laat daarom uwe kleederen of eigenlijk mijne kleederen, die ik u gegeven heb, niet door het vleesch bezoedeld of bevlekt worden. Houd ze wit en laat op uw hoofd geene olie ontbreken. [Zach. 13 : 1.] [Jud. : 23.]

[Afbeelding: IK LEEF EN GIJ ZULT LEVEN.]