De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 25
Ook wachtten de kapiteins elk op zijn post hunnen Prins op toen hij de poorten van Menschziel binnenreed. Kapitein Geloof was de eerste, dan volgde Goede-Hope; daarna kapitein Liefde, met anderen van zijn gezelschap. Het laatst kwam kapitein Geduld met de overige hoofdlieden, sommige ter rechter-, anderen ter linkerzijde. Zoolang de intocht duurde wapperden alle vlaggen, klonken de trompetten en was er groot gejuich onder de soldaten. De Prins zelf was weder gekleed in zijne wapenrusting van geslagen goud; de pilaren van zijn koets waren van zilver, de vloer van goud, het verhemelte van purper en het binnenste was bespreid met liefdeblijken voor de dochters van Menschziel. [Hoogl. 3 : 10.]
De Prins vond de straten bestrooid met leliën en bloemen en van boven kunstig overdekt met triomfbogen van de groene takken der boomen, die rondom de stad stonden, terwijl ieder voor zijn huis eene versiering had aangebracht; dat alles diende om den Prins te vereeren; en overal waar hij voorbijkwam klonk het gejuich: „Gezegend is hij, die daar komt in de naam zijns Vaders El-Schaddaï.” [Ps. 118 : 26.]
Voor de poort van het kasteel werd Zijne Majesteit weder begroet door de oudsten van Menschziel, n. l. de Burgemeester, de heer Vastewil, de Onderprediker, de heer Kennis en de heer Gemoed met anderen uit den adel dezer plaats. Zij bogen voor hem neder, kusten het stof van zijne voeten, dankten, zegenden en prezen Zijne Majesteit omdat hij hun niet tegen was wegens hunne zonden, maar medelijden had gehad met hunne ellende en nu in barmhartigheid tot hen wederkeerde om voor eeuwig hun Menschziel op te bouwen. Zoo trok hij dan regelrecht het kasteel binnen; want dat was het koninklijk paleis en de plaats, waar zijne eere woonde. Alles was daar reeds door den Oppergeheimschrijver en den kapitein Geloof gereed gemaakt.
Maar nu naderde hem al het volk van Menschziel binnen het kasteel om te weenen en te kermen en hunne goddeloosheid te bejammeren. Zij bogen zich bij het binnenkomen zeven maal voor hem ter aarde en weenden, terwijl zij den Prins vergeving vraagden, hem smeekende, dat hij als van ouds onder hen wilde wonen. Waarop de Prins antwoordde: „Weent niet, maar gaat uws weegs, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt deelen aan uwe broeders: want de blijdschap des Heeren is uwe sterkte. Ik ben tot Menschziel wedergekeerd met ontferming en mijn naam zal daardoor verhoogd en verheerlijkt worden.” Ook omhelsde hij de burgers, kuste hen en drukte hen aan zijn hart. [Neh. 8 : 11.]
Bovendien gaf hij aan de oudsten van Menschziel en aan iederen machthebber der stad een gouden keten en een ring. Ook zond hij aan hunne vrouwen oorsieraden, juweelen, armbanden en dergelijken, en aan de echte kinderen van Menschziel deelde hij kostelijkheden uit. Toen Immanuel al deze dingen voor het beroemde Menschziel gedaan had, zeide hij eerst tot hen: „Wascht uwe kleederen, en doet uwe versierselen aan, en komt daarna in mijn kasteel terug.” Zoo gingen zij dan heen om zich te wasschen naar de fontein, die geopend was voor Juda en Jeruzalem. Daar maakten zij hunne kleederen wit en stonden daarna rein en versierd voor Immanuel. [Pred. 9 : 8.] [Zachar. 13 : 1.] [Openb. 7 : 14, 15.]
Nu was er muziek en dans door de gansche stad, omdat hun Vorst hen weder vereerde met zijne tegenwoordigheid en met het licht van zijn aangezicht; de klokken werden geluid en de zon scheen vriendelijk op hen voor een langen tijd.
Ook deed de stad thans meer voortdurend en ernstig onderzoek om de nog overgebleven Diábolus-mannen in de wallen uit te vinden en te vernielen; want er waren er toch nog van dat gespuis, die de handen hunner onderdrukkers hadden weten te ontkomen. De heer Vastewil was thans een veel grooter verschrikker voor hen dan hij ooit tevoren geweest was, daar zijn hart nu ten volle was overgebogen om hen op te zoeken en te dooden. Hij vervolgde hen dag en nacht en bracht hen in zware verdrukking zooals nog later blijken zal.
Toen nu alles zoover weder in orde was werd door den Prins order gegeven, dat de burgers der stad zonder verder uitstel er sommigen zouden uitzenden om naar de vlakte te gaan ten einde de beenderen der Twijfelaars te begraven,[61] opdat de stank en uitwaseming daarvan de lucht niet besmetten zouden in de beroemde stad. Dit moest ook gebeuren, omdat zoolang Menschziel bestond de nagedachtenis van deze hare groote vijanden zou worden weggedaan.
[61] ~De lijken der Twijfelaars worden begraven~. Het leger der Twijfelaars is verslagen; een volkomen nederlaag overdekt hen met schande en smaad en ondergang. Maar de Christen krijgsman heeft nog niet alles gedaan zoolang de onbegraven lijken nog in het gezicht zijn. Ook de nagedachtenis der zonde moet uit den weg geruimd. De herinnering aan vroegere schuld kan schaden en in verzoeking brengen; daarom al wat er aan herinnert weg.
[Afbeelding: KAPITEIN PAUS.]
Zoo werd dan bevel gegeven door den Burgemeester, dat verstandige en vertrouwde vrienden tot dit noodige werk zouden worden gebruikt, en de heer Vreeze Gods en zekere edelman Oprecht werden tot opzieners hierover aangesteld. Verscheidene menschen waren daar druk mede. Sommigen groeven de kuilen, anderen begroeven de lijken, en nog anderen liepen maar rond om naarstig te zoeken of zij nog botten en beenderen vonden, die van een Twijfelaar afkomstig waren. Zij moesten daarbij dan een kenteeken plaatsen opdat de doodgravers ze vinden zouden. Alle naam en nagedachtenis der Diábolus-mannen moest op die wijze worden weggeruimd en uitgedelgd van onder den hemel en dat de kinderen, in Menschziel later geboren, niet weten zouden wat een doodsbeen van een Twijfelaar was. Deze lieden deden dan ook zooals hun geboden was. Zij begroeven de Twijfelaars en alle beenderen en stukken daarvan waar zij ze vonden, en zoo werd de vlakte gereinigd. Ook nam de heere Vrede Gods weder zijn post waar als in vroeger dagen. Er was nu van al de Twijfelaars aan de Verkiezing, noch aan de Roeping, noch aan de Volharding, noch aan de Genade, noch aan de Opstanding of de Zaligheid, of de Heerlijkheid niets meer te bespeuren. Al de kapiteins, n.l. Woede, Wreed, Verdoemenis, Onverzadelijk, Zwavel, Torment, Zonder-Rust, Graf en Wanhoop waren met den ouden veldmaarschalk Ongeloof op de vlucht gegaan of gewond. Zoo ook de zeven legerhoofden Beëlzebul, Lucifer, Legio, Apollyon, Belial, Python en Cerberus, die als generaals dienst hadden gedaan. Daardoor waren dan ook hunne manschappen verslagen en door Immanuels macht op de vlucht gejaagd. Zelfs hunne wapenen, die akelig en verschrikkelijk waren, met hunne banieren en vaandels werden met hen begraven, zoodat er niets meer viel te zien of te ruiken, dat aan een Diábolistischen Twijfelaar herinnerde.
HOOFDSTUK XVII.
HET LEGER DER MANNEN DES BLOEDS.[62]
[62] ~De mannen des bloeds~. Dit is eene nieuwe uitvinding van Satan. Hij beproeft door vervolging de ziel te kwellen en afvallig te maken. Eerst deed hij het met den twijfel in iederen vorm, en geheel geeft hij dit wapen nooit op; maar nu moet een ander beproefd, waarvan hij beter gevolg verwacht -- uitwendige folteringen, vuur en zwaard, brandstapel en moordschavot. Maar dit is dan ook de laatste toevlucht van eene slechte zaak. Als alle argumenten vruchteloos blijken, dan blijft woest geweld over. De geschiedenis des Bijbels en der kerk beide leeren dit. Daarop wordt hier in den vorm van de kapiteins der bloedmannen gewezen, waarvan Kaïn de eerste en de Paus de laatste is.
Toen nu de tiran weder aan Hellepoortsheuvel was gekomen, vergezeld van zijn ouden vriend Ongeloof, daalde hij onmiddellijk in den put neer en daar voor eene poos met hunne gezellen hun treurig lot beklaagd hebbende en tevens het groot verlies, dat zij leden, overdacht, zoo werden zij eindelijk woedend en zwoeren, dat zij zich wreeken zouden over het verlies der beroemde stad Menschziel. Daarom beraadslaagden zij al dadelijk weer over hetgeen gedaan kon worden; want hunne holle buiken en verslindende keelen lieten hun dag noch nacht met rust. Iedere dag scheen hun een halve eeuw. Zij besloten daarom andermaal de stad Menschziel aan te tasten met een gemengd leger van Twijfelaars en Bloeddorstigen. Laat ons dit volk nader beschrijven.
De Twijfelaars dragen hunnen naam naar hunne natuur zoowel als van het koninkrijk, waar ze geboren zijn. Het komt met hunnen aard overeen iedere uitspraak en ieder woord van Immanuel in twijfel te trekken, en hun land heet het land der Twijfeling, liggende naar het noorden tusschen het gewest der Duisternis en de Vallei der schaduwen des doods. Van het land der duisternis en de Vallei der schaduwen des doods wordt somtijds gesproken als van hetzelfde gewest; maar dat is onjuist. Ze liggen dicht bij elkaêr, maar het land der Twijfeling ligt daar tusschen. ’t Was dus al soortgelijk volk als dat van de laatste maal.
De Bloeddorstigen zijn een volk, dat zijn naam heeft naar de boosheid hunner natuur en de woede, die in hen is tegen de stad Menschziel. Hun land ligt onder de Hondster en door haar worden zij ook geregeerd. De naam van die streek is de provincie Walg-van-het-Goede; zij ligt verre van het land der Twijfelaars, maar grenst er aan éene zijde toch aan, aangezien beide landen uitkomen aan Hellepoortsheuvel. Toch kunnen zij zich best met de Twijfelaars vereenigen omdat zij gelijken haat koesteren tegen Immanuel.
Uit deze twee landen riep Diábolus eene lichting op van 25000 man, n.l. 10000 Twijfelaars en 15000 Bloeddorstigen. Verschillende generaals werden over hen aangesteld, maar de oude Ongeloof was weder veldmaarschalk. Vijf van de zeven kapiteins, die den vorigen tocht mede gemaakt hadden, werden nu ook aangesteld; de anderen werden verlaagd tot vaandeldragers. De Twijfelaars stonden nu onder de vorsten Beëlzebul, Lucifer, Apollyon, Legioen en Cerberus.
Maar Diábolus rekende deze Twijfelaars volstrekt niet voor de voornaamsten; want hij had hunne dapperheid wel beproefd maar die te licht bevonden; daarom diende hun aantal alleen om zijn leger te vergrooten; maar zijn grootste vertrouwen stelde hij op de Bloeddorstigen. Dat waren zeer ruwe gasten en hij wist wat al schelmstukken zij vroeger gepleegd hadden. Deze nu stonden onder de bevelhebbers Kaïn, Nimrod, Ismaël, Ezau, Saul, Absalom, Judas en Paus.
Kapitein Kaïn was over twee benden, nl. de Vurige en de Nijdige Bloeddorstigen. Zijn vaandel had een roode kleur en zijn wapen was een moordknods. [Gen. 4 : 8.]
Kapitein Nimrod was ook over twee benden, te weten de Wreedaardige en de Sluipende Bloeddorstigen. Zijn vaandel was ook rood en zijn wapen de groote Bloedhond. [Gen. 10 : 8, 9.]
[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF EN KAPITEIN GEDULD VERSTERKEN DE STAD.]
Kapitein Ismael was ook over twee benden, n.l. de Spottende en de Lasterende Bloeddorstigen. Ook zijn vaandel was rood en zijn wapen: iemand, die Abrahams Isaäk bespotte. [Gen. 21 : 9, 10.]
Kapitein Ezau had ook twee benden, n.l. de Murmureerende Bloeddorstigen en de Wraakgierige Bloeddorstigen. Eveneens was zijn vlag rood, maar zijn wapen was: iemand, die heimelijk loerde op Jakobs ondergang. [Gen. 27 : 41-45.]
Kapitein Saul voerde het bevel over de Bloeddorstigen, die zonder reden gebelgd waren, en diegenen, welke helsche woede openbaarden. Zijn rood vaandel was versierd met drie bloedige pijlen op David geworpen. [1 Sam. 18 : 10; en 19 : 10; en 20 : 33.]
Kapitein Absalon bestuurde de Bloeddorstigen, die om wereldsch voordeel wel een vader wilden vermoorden, en de mannen des bloeds, die vriendelijk met iemand omgaan tot zij hem het zwaard in het hart steken. Zijn rood vaandel voerde ten wapen een vadermoorder. [2 Sam. 15.]
Kapitein Judas was gesteld over de voor geld verradende Bloeddorstigen en hen, die dit verraad plegen met een kus. Zijn rood vaandel droeg ten wapen dertig zilverlingen en een strop. [Matth. 26 : 14-16, 49.]
Kapitein Paus had maar éene bende, want hij weet alle geesten tot een éen te brengen als zij onder hem dienst nemen. Ook zijne vlag was rood en zijn wapen vertoonde een brandstapel met een martelaar daarop. [Openb. 13 : 7, 8.]
De reden nu waarom Diábolus zoo spoedig met deze nieuwe legermacht kwam opdagen was, dat hij zulk een groot vertrouwen stelde in deze mannen des bloeds; want hoewel zijne Twijfelaars hem tevoren veel dienst bewezen hadden zoo waren zij minder betrouwbaar gebleken; maar dit volk kon, naar hij dacht, de proef doorstaan. Hij wist dat deze mannen als bloedhonden zich vastklemden aan alles wat onder hun bereik kwam, al ware het vader of moeder, zuster of broeder, ja al ware het de vorst der vorsten in eigen persoon. Zelfs was het hun eenmaal gelukt Immanuel uit het koninkrijk Aardbodem te verdringen, waarom zouden zij nu niet hetzelfde doen met de stad Menschziel?
Toen nu dit groote leger door generaal Ongeloof aangevoerd optrok, was juist de heer Toezicht uit Menschziel op kondschap uitgegaan, en bracht hij dan ook onmiddellijk tijding van hunne komst. Dadelijk werden de poorten gesloten en alles op voet van oorlog ingericht.
Diábolus legerde zijne nieuwe Twijfelaars bij de Voelpoort en de Bloeddorstigen voor de Oog- en Oorpoorten. De heer Ongeloof zond nu in naam van Diábolus, van zichzelven, van de Bloedmannen en alle anderen eene opeisching aan Menschziel zoo heet als gloeiend ijzer, dreigende bij weigering aanstonds geheel Menschziel te verbranden. Het was er nu niet zoozeer om te doen de stad te veroveren dan wel om haar uit te roeien van onder de levenden. Al wilden zij zich overgeven, dat was nog niet genoeg; zij wilden het bloed der lieden van Menschziel uitzuigen; wanneer zij geen bloed slurpten, konden zij niet leven. Daarom had Diábolus ook die Bloedhonden tot het allerlaatste bewaard, om als alles vruchteloos bleek door hen de stad te verdelgen. [Jes. 59 : 7.] [Jer. 22 : 17.]
Toen nu de burgers deze gloeiende opeisching ontvangen hadden, veroorzaakte zij onder hen groote ontsteltenis, en liepen hunne gedachten zeer door elkander. Maar in minder dan een half uur tijds waren zij overeengekomen die opeisching tot den Prins te brengen, en schreven daaronder: „Heere, verlos ons van de mannen des bloeds!” [Ps. 59 : 3.]
Hij nam het geschrift aan, bezag en overwoog het; ook aanschouwde hij in gunst wat Menschziel daar zoo kort en bondig onder geschreven had. Toen riep hij den edelen kapitein Geduld en beval hem zijne macht met zich te nemen en goed op te letten naar dien kant, waar Menschziel nu belegerd was. Daarna belastte de Prins, dat kapitein Goede Hope, kapitein Liefde en de heer Vastewil de andere zijde der stad zouden bewaren. „En Ik”, zeide de Vorst, „zal mijn standaard planten op de wallen van het kasteel; waakt gijlieden tegen de Twijfelaars.” Ook beval hij nog, dat kapitein Ondervinding zijn volk op de markt zou laten exerceeren, en dat wel dag aan dag voor de oogen des volks.
Deze belegering was langdurig en de vijand deed menigen verwoeden aanval, vooral de Bloeddorstigen, door welken zij menigmaal zeer onzacht behandeld werden. Maar aan Oor- on Oogpoort, waar kapitein Zelfverloochening de zorg was opgedragen, hadden zij de handen vol. Deze kapitein Zelfverloochening was nog jong,[63] maar zeer dapper en een burger van Menschziel evenals kapitein Ondervinding. Ook hij was over duizend manschappen aangesteld. Deze kapitein deed nu en dan een uitval op hen, en richtte dan veel schade onder den vijand aan; maar het liep voor hem niet geheel zonder kleerscheuren af; want hij droeg verscheidene litteekens.
[63] ~Kapitein Zelfverloochening~ bewijst nu goede diensten. Inderdaad onder alle Christelijke deugden, die in het lijden geoefend worden, is zelfverloochening wel die, welke het meest geoefend wordt, en het eigen ik heeft daar eene leerschool om te worden verkleind en ten onder gebracht. Zelfverloochening is de tucht des Christens.
[Afbeelding: DE AANRAKING DER LIPPEN.]
Nadat er eenigen tijd was doorgebracht waarin het geloof, de hoop en de liefde van de stad Menschziel beproefd waren, riep Prins Immanuel op zekeren dag zijne kapiteins en oorlogsvolk samen en verdeelde hen in twee compagniën. Daarna beval hij hen op een bepaalden tijd zeer vroeg in den morgen op den vijand een uitval te doen, zeggende: „Laat de eene helft van u op de Twijfelaars aanvallen en de andere helft op de Bloeddorstigen. Die ge van de Twijfelaars in handen krijgt moet ge keelen zoodra het u mogelijk is; maar de Bloeddorstigen zult gij niet dooden, maar levend grijpen.”
Zeer vroeg in den morgen had de uitval plaats. De kapiteins Goede Hoop en Liefde, Oprecht en Ondervinding trokken op de Twijfelaars aan, en de kapiteins Geloof, Geduld en Zelfverloochening op de Bloeddorstigen. De eerste helft marcheerde in slagorde voorwaarts; maar de Twijfelaars wachtten hen niet eenmaal af en gingen, gedachtig aan de laatste nederlaag voor ’s Prinsen volk, op de vlucht. Deze zaten hen na en doodden er velen, maar allen konden zij thans niet meester worden. Van degenen, die ontkwamen, gingen sommigen naar huis en anderen doolden als zwervelingen bij troepjes om. Intusschen deden zij heel wat kwaad bij de Barbaren, die zich evenwel niet tegen hen verzetten, maar zich gewillig tot slaven lieten maken. Daarna wilden zij zich nog wel eens vertoonen voor de muren der stad, maar dat duurde gewoonlijk niet lang, want als de kapiteins Geloof, Goede Hoop en Ondervinding zich maar even lieten zien, dan liepen ze haastig weg.
Zij, die tegen de Bloeddorstigen uitgetrokken waren sloegen niemand dood, maar zij zochten hen slechts te omringen. Deze bloedmannen, ziende dat Immanuel niet in het veld was, meenden, dat hij ook niet in Menschziel was, en daarom zagen zij deze vreemde handelwijze aan als eene onhandigheid van de kapiteins. Zij verachtten hen daarom meer dan zij hen vreesden. Maar de kapiteins wisten wel wat ze deden en eindelijk, bijgestaan door de overigen, die de Twijfelaars hadden weggejaagd, kregen zij ze geheel in het net en namen ze allen gevangen. Ze zouden nu gaarne op de vlucht gegaan zijn, want hoe wreed en hardvochtig dat bloeddorstige volk ook zij wanneer ze regeeren, zijn ze lafhartig als ze eens gevoelen met hun meerdere kennis te maken. Zoo werden ze dan voor den Vorst gebracht.[64]
[64] ~De mannen des bloeds worden gevonnisd~. Zeer fijn is hier de blik van den allegorist. De inwendige zonde moet zonder genade sterven; maar de uitwendige oorzaken tot zonde, afval of vervolging niet alzoo; zij worden nog gespaard sommigen om tot bekeering te komen, anderen om beter te worden ingelicht en anderen voor het oordeel Gods. Wij zien hier drie bronnen ~onwetendheid~, ~ijver zonder verstand~ en ~nijd~. „Ontfermt u wel sommiger”, zegt apostel Judas. Maar let nu eens op Saulus van Tarsen, die meende Gode een dienst te doen met de vervolging der broeders, die hij later lief kreeg. En Jezus bad, Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.
Toen deze dit volk vóor zich had, bemerkte hij dat, ofschoon zij uit één land kwamen, zij toch in drie Graafschappen waren verdeeld. De eerste die voorkwamen waren uit het land der Blinden; deze hadden alles wat ze ooit misdeden in hunne onwetendheid gedaan. De tweede soort kwam uit het graafschap der Blinde IJveraars, en zij deden alles uit bijgeloof. De derde soort kwam uit het land der Boosheid uit de stad Nijd. Zij hadden gehandeld uit wraakzucht en onverzoenlijkheid. [1 Tim. 1 : 13-15.] [Matth. 5 : 44.] [Luk. 6 : 22.] [Joh. 16 : 1, 2.] [Handel. 9 : 5, 6.] [Openb. 9 : 20, 21.] [Joh. 8 : 40-43.]
De eersten van dezen, n. l. die uit het land der Blinden kwamen, toen zij zagen waar zij zich bevonden en tegen wien zij gestreden hadden, beefden als een riet en stonden daar weenende voor den Prins. Zoovelen van hen als hem om genade smeekten, die raakte hij met zijn gouden schepter de lippen aan.
Zij, die uit het land der Blinde IJveraars kwamen, verschilden hierin van de voorgaanden, dat zij voor hun recht pleitten, daar Menschziel eene stad was, wier zeden en gewoonten wijd verschillend waren van alle andere plaatsen. Zeer weinigen van deze soort konden er toe gebracht worden hun kwaad in te zien; maar die het deden en om genade smeekten, verkregen ook gunst van den Prins.
En nu zij, die uit de stad Nijd in het landschap Boosheid kwamen, die weenden niet en die verdedigden zich ook niet, die hadden geen berouw, maar stonden daar hunne tong kauwende van angst en smart, omdat zij hun wraak op Menschziel niet konden ten uitvoer brengen. Deze laatsten nu met al de anderen, die geen pardon vraagden voor hun misdaden, liet hij stevig in banden slaan om zich weldra op den algemeenen gerechtsdag te verantwoorden over alles wat zij tegen Menschziel en haren koning bedacht en gedaan hadden. Die groote dag des oordeels zou voor het geheele rijk des Heelals worden gehouden en ieder zich afzonderlijk moeten vertoonen.
En hiermede hebben wij genoeg gezegd van dit tweede leger, dat tegen Menschziel opgetrokken was.
HOOFDSTUK XVIII.
„HOUD MOED! MENSCHZIEL!”
Nu waren er nog een stuk of drie personen, die uit het land der Twijfelaars afkomstig waren, en na den nederlaag hier en daar rondgedoold hebbende, het eindelijk weer waagden de stad binnen te komen. Zij wisten, dat er nog oude Diábolus-mannen in Menschziel verborgen zaten. Ze durfden nergens anders aankloppen dan bij deze, daar de burgers hen niet geduld zouden hebben. Weldra ontmoetten zij in een achterhoek zekeren ouden schelm, die den naam droeg Twijfelaar-aan-het-kwaad. Bij hem moesten ze wezen, want hij was een echte Diábolus-man.[65] Deze schurk verwelkomde hen, beklaagde hun rampspoed en gaf hun ververschingen. Nadat dit geschied was vraagde hij hun, of zij allen uit éene stad waren, en zij antwoordden: „Neen, zelfs niet uit dezelfde provincie.” „Ik,” zeide de een, „ben nog een overgeblevene van de Twijfelaars aan de Verkiezing en deze mijn maat behoort onder de Twijfelaars aan de Roeping.” -- „En ik,” zeide de derde, „ben een Twijfelaar aan de Zaligheid, terwijl wij nog een gezel hebben uit de Twijfelaars aan de Genade.” Zij waren allen den ouden gast even welkom en hij ondervroeg hen verder naar het leger en den strijd, waarvan zij hem volledig bescheid gaven. „’t Was toch een flink leger van tienduizend Twijfelaars”, zeide de oude weer, „hoe kwam het dat gij zoo dra op de vlucht gingt?” -- „Onze generaal,” antwoordden zij, „was de eerste, die het op een loopen zette.” -- „Die lafaard! Wie was hij?” -- „Wel, hij is vroeger Burgemeester van Menschziel geweest. Maar noem geen lafaard; want niemand heeft ooit Menschziel meer kwaad gedaan dan hij. Hij heet Ongeloof. Hadden ze hem gekregen dan zou hij stellig opgehangen zijn!” -- „Ik zou wel willen,” antwoordde de oude schurk weder, „dat deze 10000 Twijfelaars hier binnen de stad lagen en dat ik hun aanvoerder ware!” -- „O, mocht dat eens waar zijn!” riepen zij, en wel zóo luid, dat Twijfelaar-aan-het-kwaad hen vermaande toch zachtjes te spreken. -- „Waarom?” vraagden de Twijfelaars van buiten. „Wel, omdat de Prins zelf, de Oppergeheimschrijver en al hunne kapiteins en soldaten zich tegenwoordig binnen de stad ophouden. En bovendien is er een zekere heer Vastewil, een gezworen vijand van ons; deze is bewaarder der poorten, en zoekt allerlei slag van Diábolus-vrienden op om ze te dooden. Als hij u in den neus krijgt dan zijt gij weg al was ook uw hoofd van goud.”
[65] ~Het complot wordt ontdekt~. Die oude Twijfelaar aan het kwade huisvest toch nog verborgen in de ziel en houdt bij zich in huis de vreemde Twijfelaars op on onthaalt hen. De twijfel in den vorm van ketterij komt nu nog voor den dag. ’t Is een overblijfsel van ’s vijands leger, maar ’t schijnt onschuldiger. Er is zelfs eene gedaante der godzaligheid, een omloop of bedekking van waarheden, maar een kern van leugen, die door Gods Woord openbaar wordt gemaakt en naar eisch bestraft.
[Afbeelding: DE SAMENZWEERDERS GEVANGEN GENOMEN.]