De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 24
Daarna kwam er nog een brief, die aan de gansche stad Menschziel was geschreven, waaruit zij verstonden, dat hunne dikwijls herhaalde verzoekschriften aan hunnen Heer bij hem in gedachtenis waren en dat zij nu in de toekomst daarvan de vrucht zouden zien. Hun Vorst betuigde daarin, dat het hem recht aangenaam was, dat zij hun hart en hunne zinnen er nu ter dege op gezet hadden om in zijne wegen te wandelen, en dat noch de vleierij noch de dreiging van Diábolus, noch al zijne foltering hen kon bewegen zich over te geven. Onder aan den brief stond nog, dat hun Heer de stad Menschziel achtergelaten had in de handen van den Oppergeheimschrijver en onder het bestuur van kapitein Geloof: „Gedraagt u naar hun onderwijs en begeeren en gij zult ter bekwamer tijd uwen loon ontvangen.”
Nadat de brave kapitein Geloof zijne brieven aan hun adres had afgeleverd, ging hij naar de kamer van den heer Oppergeheimschrijver en bracht daar eenigen tijd door in een vertrouwelijk gesprek. Die twee waren zeer met elkander vertrouwd. De Oppergeheimschrijver had den kapitein Geloof hartelijk lief, en zond hem menige verkwikking van zijne eigen tafel, ja, toonde hem een vriendelijk gelaat, waar de rest van Menschziel nog bewolkt was. Toen zij nu een wijle met elkander gesproken hadden, begaf de kapitein zich ter ruste. Doch niet lang daarna zond de Geheimschrijver weder om hem, die na eene beleefde buiging vraagde: „Wat heeft mijnheer tot zijn dienaar te zeggen?” Waarop de Oppergeheimschrijver hem ter zijde nam en met groote gunstbetooning overlaadde. Daarna sprak hij: „Ik heb u tot onderkoning gemaakt over de gansche stad Menschziel; zoodat van dezen dag af alle inwoners der stad op uw woord zullen opstaan en gij zult hen uit- en inleiden. Uit kracht van uwe waardigheid moet gij ook voor uwen Vorst en de stad Menschziel den oorlog voeren, en naar uwe bevelen zullen de andere kapiteins handelen.”
[Afbeelding: DIÁBOLUS’ TAMBOER.]
Onder zulke omstandigheden kon het niet uitblijven of de burgers moesten beginnen te beseffen welk een invloed deze heer kapitein aan het hof bezat; want wie er ook ooit tot Immanuel werd afgezonden, wie hunner had zoo spoedig en zulk een goed antwoord van daar teruggebracht als deze kapitein? Wat doen zij nu? Nadat zij zichzelven hadden verweten, dat zij in hunne benauwdheid niet meer gebruik van hem hadden gemaakt, zonden zij door de hand van den Onderleeraar tot den Geheimschrijver om hem te verzoeken, dat toch al wat zij hadden of deden gesteld mocht worden onder het bestuur, de zorg en de hoede van kapitein Geloof.
Zoo ging dan de Onderleeraar met deze boodschap en ontving tot antwoord, dat dit alreede was geschied, daar de heer Geloof tot Onderkoning was aangesteld.[54] Daarop boog hij zich en ging heen om dit nieuws aan de burgers der stad te verhalen. Maar dit alles geschiedde in het diepste geheim omdat de vijanden nog zulk een groote macht hadden in Menschziel.
[54] ~De onderleeraar kreeg de boodschap dat alreede was geschied wat hij begeerde~. Hiermede wordt aangeduid hoe de ziel het met God is eens geworden, hoe Gods Geest met onzen geest getuigt, en hoe de belofte bewaarheid wordt: eer ze roepen zal ik antwoorden.
[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF OVERHANDIGT HET VERZOEKSCHRIFT.]
HOOFDSTUK XV.
DE BELOFTE VAN ZIJNE KOMST.
Maar laat ons tot Diábolus terugkeeren. Toen deze zag hoe kloekmoedig de heer burgemeester hem had weerstaan en de woorden van heer Vreeze-Gods overdacht, sloeg hij aan het woeden en riep een krijgsraad bijeen om zich op Menschziel te wreken, waarop al de vorsten van den poel samenkwamen en de oude Ongeloof vooraan om samen te beraadslagen wat er te doen stond. Het besluit van dien raad was, dat zij trachten moesten het kasteel hoe eer hoe beter te bemachtigen; want zij rekenden zich, en terecht, geen meester van de stad zoolang zij dat kasteel niet hadden. ’t Was Apollyon, die den doorslag gaf en sprak: „Mijne broederschap, ik heb u twee dingen voor te stellen, waarvan het eerste is: laat ons weder de stad verlaten en in het veld kampeeren; want ons verblijf in de stad doet ons geen goed, omdat het kasteel nog in de handen onzer vijanden is, en het is ons onmogelijk dat in te nemen zoolang die stoute gast Vreeze-Gods de poortwachter is. Wanneer wij ons nu naar buiten begeven, zullen zij zich verheugen en wellicht zorgeloos worden, en dat zou hun nadeeliger kunnen worden dan iets dat wij doen. Ook zullen de kapiteins dan wellicht hun schuilhoek verlaten, een uitval doen, ons achtervolgen en gij weet hoe slecht dit hun bekomen is. Kunnen wij hen maar in het veld lokken, zoo zullen wij in een achterlage achter de stad ons verschuilen, en een deel van ons zal die binnentrekken en ook het kasteel veroveren.”
[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF TOT LUITENANT VAN DEN PRINS BEVORDERD.]
Eerst wilde Beëlzebul daar niet van weten en voerde aan, dat deze onderneming tevergeefs zou wezen omdat zij het kasteel niet zouden verlaten. Hij stelde dus andere middelen voor; maar de anderen meenden dat Apollyons raad beter was, hoewel zij moesten toegeven, dat het ook bijzonder dienstig wezen zou als zij middelen wisten te bedenken om hen aan het zondigen te brengen. „Wij hadden gerust onze Twijfelaars thuis kunnen laten, wanneer wij hen geen meester kunnen doen worden van het kasteel,” zeiden zij, „want Twijfelaars, die van verre staan, zijn gelijk aan beschuldigingen, die men met goede bewijzen wederleggen kan. Kunnen wij hen echter in het kasteel krijgen en maken, dat zij dat in bezit nemen, dan hebben wij een goeden dag. Laat ons daarom terugtrekken naar het open veld; maar eerst moeten wij nog raadplegen met onze vertrouwde aanhangers hier in de stad, die ons moeten helpen om haar door verraad in onze handen te spelen. Waarlijk wij moeten hen aan het zondigen helpen, hierin heeft Beëlzebul groot gelijk, en dan de stad uit.” [2 Petr. 2 : 18-21.]
Toen had Lucifer nog het volgende te zeggen: „Al wat dusver voorgesteld is, is goed, en om dat te bevorderen, moeten wij de burgers niet meer zoo verschrikken, noch door onzen trommel noch door martelingen. Laat ons maar ver weg trekken en doen of wij geen acht op hen slaan; want de vreeze houdt hen wakker en doet hen op tegenweer bedacht zijn. Gij weet, dat Menschziel eene marktstad is, die veel vermaak schept in den koophandel, laat nu sommigen onzer zich aanstellen als kooplieden of boeren uit vergelegen plaatsen, die ter markt komen om hunne koopwaar aan den man te brengen. Laat ons die desnoods verkoopen voor den halven prijs! Maar die dit doen, moeten ons zeer getrouw wezen, ik wil hun mijn kroon tot belooning geven als zij er in slagen. Er komen mij er daar twee in gedachten, die bijzonder geschikt zijn voor dit werk. De een heet: Muguitzuiger-kemeldoorzwelger en de ander is Alles-in-de-Waagschaalzetter-om-een-kleine-winst. Deze mannen met zulke lange namen zijn uitmuntend tot ons doel. En wat dunkt u als wij daar eens bijvoegden, ’s Werelds-Goed en Aardsche Rijkdom? Die beiden zijn zeer listig en zeer bescheiden. Laat dezen met eenige anderen hun best doen en laat het volk slechts rijk en zat worden, dan zullen wij bij hen winnen. Bedenk maar eens op welke wijze wij Laodicea overwonnen hebben! Als zij nu zat worden en wij hen niet verontrusten, zoo zullen zij hunne ellende vergeten en daarbij in slaap vallen en hun kasteel niet langer bewaken. Ja, zelfs zouden wij zoover kunnen gaan, door hen met allerlei overvloed te bezwaren, dat zij van hun kasteel een pakhuis maakten en er het oorlogsvolk uit wegnamen. Derhalve zoo wij onze goederen en koopwaar binnen weten te krijgen, zoo denk ik, dat de stad al half gewonnen is. Ook hunne kapiteins zullen het dan benauwd genoeg krijgen. Kent gij niet de gelijkenis van den rijken dwaas? En weet gij niet, dat als het hart overladen is met brasserij en dronkenschap en de zorgvuldigheden des levens, dat dan den mensen alle kwaad overkomt, eer hij er om denkt? Bovendien is het niet goed voor een volk, dat zij met onze goederen vervuld zijn, wanneer zij niet eenigen der onzen in huis hebben,[55] zoogenaamd als dienaars, maar eigenlijk om alles tot ons te trekken. Waar is er een burger van Menschziel, die vol is van ’s werelds goed en niet tot zijn knecht of oppasser heeft een zekeren Overdadig, of Dartel, of Wellust, of Loos, of Pocher, of nog anderen van onze getrouwen? Deze nu, zouden het kasteel kunnen in de lucht laten springen of ongeschikt maken langer eene vesting van Immanuel te zijn. Op deze wijze gaat het beter dan door een groot leger. Ik blijf dus bij mijn raad. Laat ons dien nu spoedig uitvoeren en wegtrekken.” [Openb. 3 : 17.] [Luk. 8 : 14.] [Luk. 21 : 34, 36.]
[55] ~Bovendien is het niet voor een volk, dat zij met onze goederen vervuld zijn, zoo zij niet een der onzen in huis hebben~. De Heere zeide: „Maakt u vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat zij u ontvangen in de eeuwige tabernakelen.” De satan weet zeer goed, dat wereldsche schatten uitmuntend te gebruiken zijn in ’s Heeren dienst en daarom stuurt hij er ~zijn~ volk op af om ons te helpen die te beheeren en daardoor eigenlijk aan ’s Heeren dienst te onttrekken. Men wake en bidde vooral als men rijk is!
Wat deze hellevorst geraden had werd voor een helsch meesterstuk geacht. Maar ziet nu eens hoe het uitkwam! Pas was de vergadering van Diábolus uiteengegaan of kapitein Geloof ontvangt een brief van Immanuel, waarvan de korte inhoud was, dat hij hem op den derden dag in de vlakke velden van Menschziel zou ontmoeten.
De kapitein begreep deze boodschap niet. Hem in het veld ontmoeten! zeide hij, wat bedoelt Prins Immanuel daarmede? Daarom nam hij den brief en ging er mede naar den Opperleeraar en Geheimschrijver, want deze was een ziener in al ’s konings zaken, Menschziel ten goede. Dezen edelman vroeg hij om raad. Nadat de Opperleeraar den brief stilzwijgend had gelezen zeide hij: „Het Diábolus-komplot heeft een groote beraadslaging gehad en zij hebben daar besloten tot het uiterste verderf van Menschziel. Van die zijde dreigt een groot gevaar. Zij maken zich gereed de stad te verlaten en zich weder in het veld te begeven om vandaar uit nieuwe helsche maatregelen te nemen. Maar zorg gij nu, dat gij tegen den derden dag gereed zijt, want dan komt ook de Prins met een groot leger in het veld tegen den opgang der zon, bij het aanbreken van den dag. Hij zal dan het leger van Diábolus van voren aangrijpen en gij van achteren, en zoo zal het ganschelijk vernield of verstrooid worden.”
[Afbeelding: DE KRIJGSRAAD DER BOOZEN.]
Nauwelijks had kapitein Geloof dit gehoord of hij begaf zich naar de andere kapiteins en deelde hun mede welk een brief hij ontving en hoe de Opperleeraar hem al wat in Immanuels schrijven duister was had uitgelegd. Hij zeide hun daarenboven wat hij en de anderen doen moesten om aan het oogmerk van Immanuel te beantwoorden. Toen waren al de kapiteins vroolijk en op bevel van den onderkoning werden al de trompetten op het kasteel geblazen en maakten een overheerlijke muziek, waaraan gansch Menschziel zich verkwikte en die Diábolus ook hoorde. Toen stond Diábolus op eenmaal stil en zeide: „Wat zou toch dit trompetgeschal te beduiden hebben? Ze hebben paarden noch zadels, noch spijze. Wat overkomt dezen aemechtigen lieden, dat ze zoo vroolijk en blijde zijn?” Toen antwoordde hem een van zijn eigen volk en sprak: „Dit is uit vreugde, dat hun Prins Immanuel komt om de stad Menschziel te verlossen; tot dit doel trekt hij aan het hoofd van een leger op, en die verlossing is nabij.”
De inwoners van Menschziel waren ook zeer bewogen door deze melodieuse tonen en zij spraken er met elkander over. „Dit kan ons geen leed doen,” zeide de een. „Neen,” zei een ander, „dit is een lied der verlossing.” De Diábolus-mannen beraadslaagden nog in alle haast en kwamen tot het besluit, dat het toch maar best was de stad te verlaten. Ze zouden hun voornemen nu ook uitvoeren, en kwam er een leger opdagen het dan in het open veld ontmoeten. Op den tweeden dag begaven zij zich dan ook buiten de stad en sloegen hun legerkamp op het vlakke veld op; maar vlak in het gezicht van de Oogpoort, en wel zoo indrukwekkend en afgrijselijk als hun slechts mogelijk was. Zij waren nu ook in het open veld gelegerd met het oog op een mogelijke vlucht, die daar gemakkelijker viel dan in de stad. Want waarlijk de stad zou hen tot een put en afgrond zijn geworden als vorst Immanuel zich daar legerde.
Toen nu het oogenblik gekomen was, dat de kapiteins op Diábolus’ leger zouden aanvallen, bereidde een ieder zich zorgvuldig voor den slag. Kapitein Geloof had hun des nachts gezegd, dat zij in den morgenstond hunnen Prins in het veld zouden ontmoeten. Dit maakte hen des te vuriger om tegen den vijand op te rukken. Deze woorden: „Morgen zult gij den Prins in het vlakke veld zien!” waren als olie in een brandend vuur. Ze hadden hem zoo langen tijd gemist en zagen reikhalzend naar hem uit. Als het nu tijd was trok kapitein Geloof met al de strijdmacht van Menschziel naar buiten eer het dag was, de Mondpoort uit. Toen allen gereed stonden stelde hij zichzelven aan het hoofd en gaf aan de andere kapiteins het wachtwoord, en deze weder aan hunne officieren en soldaten. Dat wachtwoord luidde: „Het zwaard van den Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof.” Dit wachtwoord klonk in de taal der burgers van Menschziel als: „Het woord Gods en het geloof!” Daarop vielen zij nu het leger van Diábolus aan en begonnen het rondom te omsingelen en te benauwen.
[Afbeelding: GELOOF TE WAPEN GEROEPEN.]
Kapitein Ondervinding wilde men in de stad laten, omdat hij nog altijd niet genezen was van de wonden,[56] die Diábolus hem in den laatsten slag had toegebracht. Maar toen hij bemerkte, dat al de kapiteins aan den strijd deelnamen, eischte hij zijne krukken en strompelde daarmede zoo goed het ging ook de stad uit. -- „Neen”, zeide hij, „ik kan hier niet zoo gemakkelijk blijven liggen, waar mijne broeders in de hitte van den strijd trekken en vorst Immanuel zich aan hen in het veld zal vertoonen.” Toen de vijanden dezen man met zijne krukken zagen waren zij te meer verslagen. Welke geest, dachten zij, is nu in die mannen van Menschziel gevaren, dat zij zelfs op krukken tegen ons willen vechten! Intusschen waren de kapiteins er op aangevallen en maakten een flink gebruik van hunne wapenen, terwijl zij luide juichten: „Het zwaard van Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof.”
[56] ~Kapitein Ondervinding krank aan zijne wonden~. De bevinding van den Christen is aan allerlei afwisseling onderworpen en heeft haar ebbe en vloed. Er hebben worstelingen des geloofs plaats, waarin zij duchtig wordt gekwetst en het hard te verantwoorden heeft. Naar de maat van iemands geloof is ook zijne ondervinding. Wanneer het geloof taant, is ook de ondervinding zeer zwak; toch kan het herdenken van ’s Heeren daden den moed des geloofs weer aanwakkeren. Dit is eigenaardig door Bunyan voorgesteld in de allegorie, dat deze kreupele kapitein naar zijne ~krukken~ vraagt en mede naar buiten strompelt.
Diábolus bemerkte hoe stoutmoedig hij omsingeld werd en vreezende,[57] dat hun tweesnijdend zwaard er dapper op inhakken zou, viel hij ’s Prinsen leger aan met doodelijke woede, en zoo begon de slag. Die Diábolus het eerst aanvielen, waren kapitein Geloof en de heer Vastewil, de een benauwde hem aan de éene zijde en de ander aan den anderen kant. De slagen van den heer Vastewil waren als die van een reus; want die man had een sterken arm en hij viel op de Twijfelaars aan de Verkiezing aan, want dit was Diábolus lijfwacht. Inderdaad, hij hield hen een wijle duchtig bezig, hakkende er geweldig op in. Kapitein Geloof benauwde diezelfde compagnie van den anderen kant en aldus geraakten zij in groote wanorde. Kapitein Goede Hoop had de Twijfelaars aan de Roeping voor zijne rekening genomen en dat volk was waarlijk sterk genoeg, maar de kapitein was ook zeer dapper en werd nog bovendien door kapitein Ondervinding en zijne troepen bijgestaan. Zoo werden dan ook de Twijfelaars aan de Roeping tot wijken gedrongen. De rest van het leger was zeer verwoed; ’t scheen, dat zij allen in het besef verkeerden, dat het er nu op aan kwam, er op of er onder voor altijd; daarom werd aan alle zijden wanhopig gevochten. Toen commandeerde de Oppergeheimschrijver, dat de slingers van het kasteel daaronder spelen zouden. De slingeraars konden mikken op een haar en brachten ook veel bij tot de overwinning. Eenigen tijd was Diábolus’ volk zeer verward en begonnen de meesten er al over te denken de vlucht te kiezen voor ’s Prinsen kapiteins. Maar neen, zij verzamelden zich weer en vielen stoutmoedig op de achterhoede aan. Zij brachten dáar zulk eene geweldige botsing teweeg, dat ’s vorsten leger verflauwde. Eensklaps herinnerden dezen zich echter, dat zij het aangezicht van hunnen Prins zouden zien, en dat deed hen weder moed grijpen, zoodat de strijd opnieuw hevig werd. Daarop juichten de kapiteins en riepen: „Het zwaard van Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof!” Dit deed Diábolus terugdeinzen in de meening, dat er versterking was aangekomen. Maar Immanuel verscheen nog niet. De overwinning was nu eenigen tijd twijfelachtig en van weerszijden trok men een weinig terug. In deze oogenblikken van twijfelmoedigheid riep kapitein Geloof zijn volk toe en moedigde hen aan om toch vol te houden.
[57] ~Diábolus wordt verschrikt door de stoutmoedigheid van ’s Prinsen kapiteins~. De duivel is bang voor het geloof en als hij zelfs gewonden met moed ziet vervuld, speurt hij in hen de kracht Gods, die in hunne zwakheid wordt volbracht.
[Afbeelding: HET ZWAARD VAN VASTEWIL EN HET SCHILD VAN KAPITEIN GELOOF.]
[Afbeelding: DE VLUCHT.]
„Mijne vrienden, dappere soldaten”, riep hij, „mijne broeders, allen bezield met hetzelfde oogmerk, dat ook het mijne is. Het verblijdt mij zeer u allen thans voor onzen Prins in het veld te zien, als een groote heirmacht, die doordrongen is van liefde jegens Menschziel. Gij hebt u tot dusverre mannen van moed en trouw betoond, zoodat Diábolus nog geen voordeel op ons behaald heeft. Grijpt nu allen weder den ouden moed en toont u mannen als tevoren, en weinige oogenblikken na dezen aanval zult gij zien, dat uw Prins zich te velde vertoont. Nog dezen aanval op Diábolus, -- en dan komt Immanuel!”[58]
[58] ~Immanuel komt~. De belofte is stellig en vast: „Ziet uw koning komt tot u” maar hij komt eerst op het uiterste oogenblik, als er ten bloede toe gestreden is en de lijdzaamheid een volmaakt werk heeft gehad. Dan zijn echter alle smarten en wonden vergeten en wordt door zijne nabijheid in de ziel niet alleen iedere vijand verslagen maar ook alle wonden genezen. „Sta op, Heere, tot uwe rust, Gij en de ark uwer sterkte! Dat uwe priesters bekleed worden met gerechtigheid en uwe gunstgenooten juichen. Want de Heere heeft Sion verkoren. Hij heeft het begeerd tot zijne woonplaats. Ik zal mijne vijanden met schaamte bekleeden; maar op haar zal zijne kroon bloeien. Ps. 132.
HOOFDSTUK XVI.
DE TERUGKOMST VAN DEN VORST.
Nauwelijks had kapitein Geloof deze redevoering tot zijne soldaten gesproken of een zeker man genaamd Spoed[59] kwam te post aan het leger van den Prins met de boodschap, dat Immanuel in het gezicht was. Zoodra Kapitein Geloof dit blijde nieuws vernam, deelde hij het onmiddellijk aan de anderen mede en deze weder aan hunne manschappen, waardoor het gansche leger, als waren het mannen uit den dood opgestaan, zich opmaakte om den vijand aan te vallen, roepende als tevoren: „Het zwaard van Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof!”
[59] ~Zekere heer Spoed~. Menschziel strijdt nu den goeden strijd des geloofs. De twijfel is op de vlucht gedreven: de twijfelaars zijn de stad uit. Beter is de openlijke strijd met vijanden van buiten dan met inwendig bederf en ongeloof. Nu kan de heer Spoed van ’s Prinsen leger komen. Nu is er weer gemeenschap tusschen de ziel en Immanuel.
Die van den reus spanden ook alle krachten in, maar in dezen laatsten strijd verloren zij den moed, en velen der Twijfelaars vielen gedood ter aarde. Nadat zij nu nog ruim een uur in het heetst van het gevecht hadden doorgebracht, hief kapitein Geloof zijne oogen op, en ziet, daar kwam Immanuel aan met vliegende vaandels en klinkende trompetten, terwijl de voeten dergenen, die hem volgden, nauwelijks de aarde aanraakten. Met zulk eene snelheid spoedden zij zich voort om bij de kapiteins te komen, die maar voortdurend bleven strijden. Kapitein Geloof wendde zich nu met de zijnen stadwaarts en liet voor Diábolus het veld ruim. Daarop trok Immanuel voorwaarts en zoo was de vijand tusschen hen ingesloten. Toen viel kapitein Geloof met de zijnen wederom op hen, en ziet, zoo langzamerhand ontmoetten Immanuel en kapitein Geloof elkander over de verslagenen heen, die zij onder hunne voeten vertraden.
Toen ook de andere kapiteins zagen, dat de Prins gekomen was en dat het Diábolus-leger tusschen Zijner Majesteits en kapitein Geloofs troepen werd ingesloten en in de pan gehakt, zoo juichten zij met een groot gejuich, zoodat er de aarde van spleet, roepende: „Het zwaard van Immanuel en het schild van Geloof!” Diábolus zich zoo geheel ingesloten ziende zocht met de andere vorsten van den afgrond eene opening om te ontvluchten, latende al zijn volk in de steek. Al dit volk viel voor het aangezicht van den prins en zijne heirkracht; er bleef nauwelijks een Twijfelaar in het leven; de dooden lagen verspreid over de vlakte als mest op het land.
Toen de slag geëindigd was kwam alles weder in orde, en alle kapiteins en oudsten van Menschziel kwamen samen om Immanuel te begroeten. Hij lachte hen vriendelijk toe, en zeide: „Vrede zij ulieden!” Daarna stelden allen zich in het gelid om naar Menschziel op te trekken, ook de Prins met zijne versche legermacht, die hij nu had medegebracht. Alle poorten werden opengezet om hem waardig te ontvangen. Ook de poorten van het kasteel werden wijd geopend en de oudsten en overheden stelden zich daar om hem bij het intrekken te verwelkomen. Toen hij nu de poorten naderde riepen zij: „Heft uwe hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de koning der eere inga!” En anderen zeiden: „Wie is die koning der eere?” Waarop het antwoord weder klonk: „De Heere, sterk en geweldig in den strijd. Heft uwe hoofden op, gij poorten, ja verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de koning der eere inga!” [Ps. 24.]
Verder was verordend door de oversten van Menschziel, dat langs den geheelen weg van de stadspoort tot die van het kasteel voortdurend liederen zouden worden gezongen door diegenen, welke het meeste verstand van muziek hadden. Alzoo werd er een beurtzang aangeheven toen Immanuel zijn intocht deed,[60] nu en dan afgewisseld door trompetgeschal. En toen hij aan de poorten van het kasteel kwam klonk het: „Zij hebben uwe gangen gezien, o God! de gangen mijns Gods, mijns konings, in het heiligdom!” De zangers gingen vóor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden. [Ps. 68 : 25, 26.]
[60] ~Het binnentreden van Immanuel~. Hier keert Jezus in de ziel terug na vele droevige dagen van afwezigheid. De groote waarheid, dat Jezus nooit met de zonde kan samenwonen, wordt hier duidelijk gemaakt. Hoe weinig er noodig is om die innige gemeenschap te verstoren en hoeveel er moet geschieden eer al de gevolgen van onze onbedachte handelwijze zijn uitgewischt. John Bunyan neemt het niet licht op met de zonde. Door schade en schande geleerd is de blijdschap der opnieuw verloste ziel onuitsprekelijk groot. Men gevoelt in de beschrijving, dat Bunyan tevergeefs tracht den indruk weer te geven. Welkom aan de poorten, godgewijde liederen, bloemen en eerebogen, saluutschoten, muziek, enz.
[Afbeelding: DE BEENDEREN DER TWIJFELAARS BEGRAVEN.]