De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 23

Chapter 233,863 wordsPublic domain

De kapiteins van den Prins vochten dapper, zelfs beter dan men van hen zou verwacht hebben in hun nog zwakken gezondheidstoestand; zij verwondden velen en maakten, dat het gansche leger van Diábolus de vlucht moest nemen. Maar toen die kloeke helden kapitein Geloof, Goede-Hoop en Ondervinding den vijand najaagden en er velen in de pan hakten, struikelde de eerste en viel, waardoor hij zich dusdanig bezeerde, dat hij niet kon opstaan vóor kapitein Ondervinding hem hielp. Het volk geraakte daardoor in verwarring en de arme Geloof was zoo vol pijn, dat hij bij iederen voetstap luidkeels jammerde. Dit deed de beide andere kapiteins verflauwen, want zij meenden, dat kapitein Geloof het besterven zou, en nu had ook het andere volk geen lust tot vechten meer. Diábolus, die alles opmerkte hoewel hij tot op het uiterste was gebracht, zag dat er een groot rumoer onder degenen was, die hem vervolgden en maakte daaruit op, dat de kapiteins verwond of gedood waren. Eerst stond hij stil, toen gebood hij om te keeren en viel zijne vervolgers met zulk een helsche razernij aan, dat het hem gelukte tusschen de drie kapiteins in te komen. Daar hakte hij er zoo razend en wild op los, dat het volk met bloed en wonden bedekt, in wanorde en moedeloosheid teruggeslagen, blijde was de poort weder te kunnen bereiken en behouden binnen de stad te komen. Het overige leger van den Prins, ziende hoe slecht de voorhoede gevaren was, trok nu ook terug en allen gingen de Mondpoort weder binnen. Hiermede eindigde deze schermutseling; maar Diábolus was zoo in zijn schik met deze nachtelijke overwinning, dat hij zich verbeeldde nu binnen weinige dagen geheel Menschziel aan zich te zullen onderwerpen. Daarom trok hij den volgenden dag rondom de stad en eischte met groote driestheid, dat men hem dadelijk liet binnentrekken en zich aan hem overgaf. Ook begonnen de Diábolus-mannen daarbinnen weer eenigen moed te scheppen.

De manhaftige burgemeester gaf evenwel een kloek antwoord. Hij gaf aan den reus te verstaan, dat als hij iets won, het dan door geweld zou moeten gebeuren, want zoolang hun vorst Immanuel in leven was, waren zij besloten Menschziel nooit aan een ander over te geven. Daarop begon de heer Vastewil te spreken, en zeide: „Diábolus, gij meester en heer van de spelonk der duisternis en vijand van alle goed! Wij, arme inwoners der stad, dragen te veel kennis van uwe wetten en uwe regeering, van uw oogmerk en bedoelen dan dat wij ons aan u zouden kunnen onderwerpen. Toen wij eertijds toelieten, dat gij ons verschalktet als een vogel, die den strik nog nooit heeft gezien, waren wij zonder kennis en ondervinding; maar sedert wij overgebracht zijn uit de duisternis tot het licht, zijn wij ook overgebracht uit de macht des satans tot God. En ofschoon wij door uwe listen en de sluwheid der Diábolus-mannen van binnen veel verlies geleden hebben en in groote zwarigheid zijn gebracht, zullen wij echter nooit onze wapens afleggen en ons aan zulk een tiran als gij zijt overgeven. Neen, dan sterven wij liever bij de verdediging van het laatste bolwerk.”

Deze ernstige redevoering van den Burgemeester alsook de woorden van den heer Vastewil, deed Diábolus al vrij wat bedaren, ofschoon hij spoedig daarop in nieuwe woede ontstak. Ook werden de inwoners er door versterkt en was het als een pleister op de wond van kapitein Geloof. Inderdaad in zulk een benauwden tijd waren zulke moedige woorden der hoofden des volks als waterdroppelen op een dorstig land.

De heer Vastewil toonde zich intusschen ook een man in daden, want terwijl de kapiteins en soldaten in het veld waren, hield hij de wacht in de stad, en waar hij een Diábolus-man vond, daar moest deze de kracht zijner hand en de scherpte van zijn zwaard ondervinden. Hij verwondde onder dit gespuis Spotter, Overmoed, Neuswijs en Murmureerder; dit waren heeren, en verscheidene van het mindere soort kwamen er niet beter af. De aanleiding, die hij daartoe kreeg was de afwezigheid der kapiteins, waarvan deze vagebonden gebruik wilden maken om een oproertje te verwekken. Daarop waren de anderen in allerijl naar hunne holen teruggekropen.

[Afbeelding: DE VAL VAN KAPITEIN GELOOF.]

Deze moedige daad van den heer Vastewil woog eenigszins op tegen de nederlaag der kapiteins en deed Diábolus weten, dat Menschziel zoo gemakkelijk niet te nemen viel. De tiran klapwiekte trotsch met zijne vleugelen en maakte zich tot een nieuwen aanval gereed. Waar ik hen eens geslagen heb daar kan ik het meer doen, dacht hij. Dies beval hij zijn volk zich tegen een bestemd uur op den dag gereed te houden, en al hunne macht aan de Voelpoort te concentreeren om te beproeven of men daar ook inbreken kon. Het wachtwoord, dat hij aan de zijnen gaf, was „Helsch vuur”. „Laat toch”, zeide hij, „wanneer wij in de stad mogen binnendringen, ’t zij een gedeelte onzer macht of het geheele leger, dat woord niet worden vergeten, laat er niets anders binnen de stad gehoord worden dan „helsch vuur! helsch vuur!” Laat de trom zonder ophouden worden geslagen, en alle vlaggen uitwaaien! Houdt u mannelijk tegen Menschziel en overwint!”

Toen het bestemde nachtelijk uur geslagen was en alles gereed, deden zij een onverwachten aanval op de Voelpoort, en stieten eindelijk na eene hevige worsteling die poort wijd open. Ach, deze poort was zeer zwak en daarom het gemakkelijkst in te nemen. Toen de tiran het zóover gebracht had, stelde hij daar zijne kapiteins Pijniger en Zonder-rust, terwijl hij zelf zich verder in de stad waagde. Maar ’s Prinsen kapiteins kwamen op hen af en maakten het hun lastig genoeg, zich flink verwerende. Evenwel drie hunner, de beste en kloekmoedigste, waren verwond en onbekwaam dienst te doen zooals zij begeerden, en de overigen hadden hunne handen vol met de Twijfelaars en hunne aanvoerders. Zoo worstelde het al voort in de straten der stad en de kapiteins ziende, dat zij het niet konden uithouden, begaven zich in allerijl naar het kasteel, als de voornaamste sterkte der stad. Dit wilden zij tot elken prijs voor hunnen vorst behouden; het was het kroondomein.

Daar nu de kapiteins in het kasteel waren gevloden nam de vijand zonder veel tegenstand bezit van de stad en verspreidde zich daar in alle hoeken, onophoudelijk roepende: „Helsch vuur, helsch vuur!” zoodat een wijle door de gansche stad niets anders gehoord werd dan deze legerkreet vergezeld van Diábolus trom. Nu hingen er wel donkere wolken boven Menschziel en had het niets anders dan zijn ondergang voor oogen. Diábolus kwartierde zijne soldaten bij de burgers in, ja zelfs het huis van den Onderleeraar was zóo vol van deze buitenlanders, dat zij er kwalijk in konden, en niet beter ging het met de woningen van de heeren Burgemeester en Vastewil. Ach, er was geen hut, stulp of schuur, die niet van dit ongedierte wemelde; zelfs dreven zij hier en daar de inwoners der stad uit hunne woningen, waar de Twijfelaars zich te bed legden en aan tafel zetten. Ach, arm Menschziel, nu smaakt gij de vruchten der zonde en welk een venijn er stak in de vleiende woorden van Vleeschelijke Gerustheid! Alles waar zij de hand aanlegden beschadigden zij; zelfs staken zij de stad op sommige plaatsen aan brand; kleine kinderen werden in stukken gescheurd. Dat kon nu niet anders gaan, want welke barmhartigheid, welk medelijden of welk geweten kan men bij een buitenlandschen Twijfelaar onderstellen? Ook werden vrouwen en maagden geschonden en beestachtig mishandeld, zoodat er sommigen zelfs van stierven en onbegraven langs de straat lagen.

Nu scheen Menschziel dan ook niets anders te wezen dan een hol der draken, een voorportaal der hel, eene plaats van uiterste donkerheid. Nu lag Menschziel daar als een huilende wildernis, bedekt met doornen en distelen, allerlei onkruid en onreinheid, terwijl de inwoners er ellendig aan toe waren. Ook den heer Geweten hadden zij verwond en zijne wonden waren zóo ingekankerd, dat hij dag noch nacht rusten kon, maar als voortdurend op een pijnbank lag. Hadde El-Schaddaï hem niet bewaard, dan zouden ze hem zeker doodgeslagen hebben. Den heer burgemeester mishandelden zij zoo vreeselijk, dat ze hem bijna de oogen uitsloegen, en ware de heer Vastewil niet in het kasteel geweken, dan was ook hij omgekomen, want hun voornemen was hem in stukken te houwen. Zij zagen hem dan nu ook aan als een der ergste vijanden van Diábolus.

Dagen achtereen kon men nu Menschziel doorwandelen, dat men nauwelijks éen godsdienstig man in de stad ontmoette. Welk een treurige toestand! Overal zag men niet anders dan Twijfelaars. Rood-rokken en zwart-rokken liepen bij troepen door de straten en vervulden de huizen met hun liederlijke liederen, leugenachtige verhalen en lasterlijke taal tegen El-Schaddaï en zijn zoon. Ook leefden de Diábolus-mannen in de wallen en holen op, en kwamen zelfs open en vrij voor den dag, wandelend in gezelschap der Twijfelaars. Ja, zelfs hadden zij meer vrijmoedigheid om zich in het openbaar te vertoonen dan de inboorlingen zelven.

Toch waren Diábolus en zijne mannen niet met Menschziel tevreden. Zij werden daar geenszins behandeld als de kapiteins en soldaten van Immanuel. De burgers toonden hun overal een stuursch gelaat, en nooit kregen zij iets voor hun levensonderhoud of zij moesten het met geweld halen. Men verbergde alles voor hen wat men maar eenigszins kon, en wat men niet verbergen kon stond men tegen wil en dank af. Zij hadden dat vreemde volk gaarne zien heengaan, maar, ach arme! zij waren nu hunne gevangenen en werden tot alles gedwongen. [Rom. 7.]

De kapiteins lieten ook uit het kasteel telkens hunne slingers op hen spelen, hetgeen den vijand zeer verbitterde. Wel is waar ondernam Diábolus het dikwijls de poorten van het kasteel open te breken; maar de heer Vreeze Gods was poortwachter gemaakt, en hij was een man van beleid en dapperheid, daarom trachtten zij tevergeefs zoolang hij leefde dit werk ten uitvoer te brengen. Daarom bleven alle aanvallen van Diábolus vruchteloos. Ik kon somtijds den wensch niet onderdrukken, dat deze man het geheele bestuur van Menschziel op zich genomen had!

[Afbeelding: MENSCHZIEL INGENOMEN.]

Zoo ging het in de stad wel omtrent twee en een half jaar. Menschziel was nu het tooneel van den oorlog; de inwoners waren in verborgen plaatsen en holen gedreven en alle heerlijkheid lag in het stof. Welke rust kon er nu zijn? Welken vrede kon men genieten? Welke zon zou nu schijnen? Hadden de vijanden nog buiten de muren en poorten gelegen, dan zou die tijd voldoende geweest zijn om hen uit te hongeren; maar nu waren zij binnen de stad, deze was hun legerplaats, zij maakten daarbinnen hunne loopgraven en sterkten tegen het kasteel. Zij hielden daar huis tot zij alles weggeroofd zouden hebben en wachtten er op het kasteel te verbreken en te verwoesten. Ach, welk een armzalige plaats was nu dat eertijds zoo gelukkig Menschziel!

HOOFDSTUK XIV.

„ZIET, HIJ BIDT.”

Nadat de stad Menschziel al dien tijd in dezen droevigen staat verkeerd had en geen rekwest, aan hun vorst gezonden, noch rechtstreeks beantwoord was, kwamen de inboorlingen, namelijk de oudsten en opperhoofden samen, en na hunne ellende beweend, en het droevig oordeel, waaronder zij zuchtten, beklaagd te hebben, vatten zij nogmaals het voornemen op alles in een dringend verzoekschrift aan Immanuel bloot te leggen. Maar nu stond de heer Vreeze Gods op en zeide, dat hij te weten was gekomen, dat hun Heer en Vorst nooit een verzoekschrift van dezen aard aannam dan wanneer het gegeven was door de hand van den Oppergeheimschrijver. „Om deze reden”, sprak hij, „hebt gij nog geen gehoor ontvangen.” Toen zeiden zij, dat zij dan een rekwest zouden opstellen en verzoeken dien Edelman daaronder zijne handteekening te plaatsen, maar ook dit had hij geweigerd; waarop de heer Vreeze Gods weder aanmerkte, dat hij stellig wist, dat de Oppergeheimschrijver nooit zijne hand zette onder eenig rekwest in welker samenstelling hij niet zelf de hand gehad had. „Onze Vorst kan in dit opzicht niet bedrogen worden, want hij kent het schrift en het werk van zijn Geheimschrijver uit alles wat men hem voorlegt,” zeide hij. Deze hooge personage woonde in het kasteel met de andere hoofden.

Men bedankte daarom den heer Vreeze Gods voor zijn raad, en de hoofden begaven zich onmiddellijk naar de kamers van den Oppergeheimschrijver, hem nauwkeurig met het doel van hunne komst bekend makende, en hem verzoekende toch uit hun naam een rekwest op te stellen aan Immanuel, den zoon van den almachtigen El-Schaddaï, en aan hun Koning en Heer, die zijn eeniggeboren zoon was.

Toen zeide die edelman tot hen: „Welk verzoekschrift is het, dat gij door mij begeerdet op te stellen?” Maar zij antwoordden: „Onze Heer weet beter dan wij hoe wij er aan toe zijn, en hoe wij van onzen Vorst zijn afgeweken en ontaard. Ook weet gij in welk een oorlog wij gewikkeld zijn en welk een leger tegen ons Menschziel is opgetrokken, zoodat wij nu voortdurend op voet van oorlog leven. Mijnheer weet bovendien welk een onmenschelijke behandeling onze mannen, vrouwen en kinderen onder hunne handen hebben te doorstaan, en hoe onze inwonende Diábolus-mannen thans met trotschheid door onze straten wandelen. Laat daarom onze heer naar de wijsheid Gods, die in hem is, een verzoekschrift opstellen voor zijn ellendige knechten, aan den grooten Immanuel.”

„Goed”, antwoordde de Oppergeheimschrijver, „ik zal het verzoekschrift opstellen en er ook mijne handteekening onder plaatsen.”

Toen zeiden zij: „Wanneer mogen wij het komen halen?”

Maar hij antwoordde: „Gij zelf moet bij het opstellen tegenwoordig zijn, ja, gij zelf moet uwe begeerten daarin uitdrukken. Wèl zal de hand en de pen mijne zijn; maar de inkt en het papier moeten van u wezen, hoe kunt gij anders zeggen, dat het uw verzoekschrift is? Ik behoef het voor mijzelven niet te doen, want ik heb niets misdaan.”

Hij voegde daar nog bij: „Geen verzoekschrift gaat in mijn naam naar den Vorst, en evenmin tot zijn Vader, dan wanneer het volk daarin zijn gansche hart en ziel heeft uitgedrukt; want die moeten er bij ingesloten worden.”

Zoo stemden zij dan van ganscher harte met deze woorden in, en een verzoekschrift werd klaar gemaakt.

Maar nu was de vraag: „Wie zal het wegbrengen?” De Oppergeheimschrijver raadde aan, dat kapitein Geloof dit doen zou, omdat hij een welbespraakt man was.

[Afbeelding: DE VERWOESTING IN MENSCHZIEL.]

Zoo lieten zij hem dan roepen en droegen hem dit werk op. „Wel”, zeide deze, „ik neem gaarne dat werk op mij en hoewel ik kreupel ben, zal ik het toch zoo spoedig doen als mij mogelijk is.”

De inhoud van het verzoekschrift was als volgt:

„O, onze Heer en souvereine Vorst Immanuel, machtige lankmoedige Prins! Genade is op uwe lippen uitgestort, en bij u is genade en schuldvergiffenis ofschoon wij tegen u hebben gerebelleerd. Wij, die niet meer waard zijn uw Menschziel genaamd te worden, of uwe zegeningen voortaan te genieten, smeeken u en uwen Vader met u, onze overtredingen uit te delgen. Wij belijden, dat gij alle recht hebt ons te verwerpen; maar och, doe dat niet om uws naams wil: Zie onze ellende aan en laat uwe ingewanden over ons rommelen!

„Wij zijn van alle kanten ingesloten, Heer; onze eigen afdwalingen kastijden ons; de Diábolus-mannen binnen onze stad verschrikken ons, en het leger uit den bodemloozen afgrond onderdrukt ons. Uwe genade kan ons redden, maar anders weten wij niet waarheen ons te wenden.

„Bovendien, genadige Vorst, hebben wij onze kapiteins verzwakt en zijn ze ontmoedigd, krank en sommigen hunner zelfs ernstig gewond door de kracht van den tiran. Ja, zelfs diegenen onzer kapiteins, waarop wij eertijds ons vertrouwen het meeste stelden, zijn verminkt. Onze vijanden daarentegen zijn vol leven en gezondheid, zij beroemen zich ons weldra als een buit te zullen verslinden. Ze zijn op ons aangevallen met vele duizenden Twijfelaars, die allen even grimmig en onbarmhartig zijn en ons tegenstaan zoowel als u.

„Onze wijsheid is weg, onze kracht is weg, omdat Gij van ons zijt weggegaan. Wij hebben niets meer wat wij het onze kunnen noemen dan zonde, schande en schaamte voor uw aangezicht. Heb medelijden met ons, o Heer, heb medelijden met uwe ellendige stad Menschziel en red ons uit de handen onzer vijanden. Amen.”

Met dit verzoekschrift vertrok de dappere kapitein Geloof. Hij ging de Mondpoort uit en het gelukte hem in alle stilte het hof van Immanuel te bereiken.

Hoe het kwam weet ik niet, maar het kwam uit en bereikte zelfs de ooren van Diábolus. Dat hij er kennis van kreeg bleek duidelijk hieruit, dat hij de stad dreigde en riep: „Gij hardnekkige en oproerige Menschziel, ik zal u dat verzoekschriften indienen wel afleeren!” Ja, hij wist ook wie de overbrenger geweest was en dat maakte hem beide bang en woedend. Dies beval hij dat zijn tamboer weder de trom zou roeren, iets dat Menschziel dan al zeer slecht verdragen kon.

Toen nu de trom was geroerd en de mannen van Diábolus bijeengeroepen, sprak de reus hen aan: „O, gij stoutmoedig Diábolus-volk! u zij bekend, dat er in deze oproerige stad verraad is gesmeed; want ofschoon zij in onze macht zijn, hebben die ellendige inwoners van Menschziel zich verstout naar het hof van Immanuel om hulp te zenden. Dit zeg ik u om u te leeren op uwe hoede te zijn. Daarom, mijne getrouwen, beveel ik u haar te meer te kwellen. Rooft hare vrouwen en maagden, slacht hare kinderen, slaat haar ouden den schedel in en steekt haar zelve in brand. Gij kunt haar niet te veel kwaad doen; ik zal u beloonen.”

Dit was zijn bevel, maar er gebeurde nog iets tusschen dit voornemen en de uitvoering, waarop de reus niet gerekend had en dat de inwoners van Menschziel maar nauwelijks hadden durven hopen. Pas had Diábolus dit zoo besteld of hij marcheerde op het kasteel aan en eischte dat op. Maar de heere Vreeze Gods antwoordde daarop, dat noch hem, noch zijnen volgelingen de poorten zouden worden geopend, en sprak de overtuiging uit, dat Menschziel na nog eene wijle geleden te hebben, verlost, versterkt, volmaakt en bevestigd zou worden.

Toen zeide Diábolus: „Geef mij dan de mannen over, die het rekwest hebben overgeleverd en vooral kapitein Geloof, die het aan uw Prins gebracht heeft. Als ik dien slaaf in handen heb dan zal ik de stad verlaten.”

Daarop trad iemand uit zijn gevolg op, n. l. Slecht, en sprak: „Mijnheer biedt u zeer veel aan; het is immers beter voor u, dat éen mensch sterve[52] dan eene gansche stad verloren ga.” Maar de heer Vreeze-Gods vraagde: „Hoe lang zou Menschziel buiten den poel blijven, zoo zij haren kapitein Geloof aan Diábolus had overgegeven? Zoo gaat dan de stad verloren als Geloof verloren gaat; als de een weg is moet de andere wijken.” Toen Slecht daarop niets antwoordde sprak de burgemeester: „O gij verwoester! het zij u bekend, dat wij naar uwe woorden niet hooren zullen. Wij zijn besloten zoolang er éen kapitein, éen man, éen slinger, éen steen overblijft, u tegenstand te bieden!”

[52] ~Het is beter dat éen mensch sterve~! Deze Kajafas-raad is duidelijk genoeg. Met schijnbare wijsheid en voorzichtigheid gaf de hoogepriester van Israël dien raad met het oog op Jezus Christus. Bunyan heeft begrepen, dat de satan het hem had ingegeven, en daarom legt hij dezen die woorden in den mond met het oog op kapitein Geloof, de hand waarmede men Christus aangrijpt.

[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF ONTVANGT HET VERZOEKSCHRIFT.]

Maar Diábolus antwoordde: „Hoopt gij nog? Wacht gij nog? Ziet gij nog uit naar hulp en verlossing? Gij hebt naar Immanuel gezonden, maar uw goddeloosheid kleeft aan uwe zoomen, en uwe onnoozele verzoekschriften beduiden toch niets. Hoeveel zondt gij er vroeger reeds op? Denkt gij, dat gij het nu winnen zult? Gij zult bedrogen uitkomen; want niet alleen ik ben tegen u, maat Immanuel evenzeer. Ja, Hij is het zelf, die mij tegen u heeft uitgezonden. Waar hoopt gij dan nog op? Door welke middelen wilt gij het ontkomen?”

De burgemeester antwoordde: „Voorwaar, wij hebben gezondigd, maar daaruit zult gij bij Immanuel geen voordeel trekken; want in groote getrouwheid heeft hij gezegd: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.” Hij heeft ook gezegd, dat alle zonde en lastering den menschen zal vergeven worden. Daarom durven wij niet wanhopen; maar willen blijven uitzien, wachten en hopen op onze verlossing.”

Intusschen was kapitein Geloof van Immanuels hof wedergekeerd en droeg een pakket onder den arm. De heer burgemeester zulks verstaande onttrok zich aan het geraaskal van den woedenden tiran, en liet hem tegen de muren van het kasteel praten. Hij sloop weg naar het verblijf van den kapitein en vraagde naar de reis en den welstand van het hof, alsmede welk nieuws hij medebracht. Ach, de tranen stonden hem in de oogen. Maar kapitein Geloof zeide: „Houd moed, mijnheer, alles zal nog wel terecht komen.”[53] Dit zeggende haalde hij zijn pakket voor den dag en deed het open, waaruit de burgemeester en de anderen opmaakten, dat er goede tijding was. Daar nu de tijd des welbehagens daar was, zond hij om alle kapiteins en oudsten der stad, die in het kasteel hun verblijf hielden of op wacht waren. Daarop kwamen allen en verwelkomden hem, waarna hij uit zijn pakket verscheidene brieven voor den dag haalde. De eerste was voor den burgemeester.

[53] ~Houd moed, Mijnheer, alles zal nog wel terecht komen~. Het geloof houdt zich vast als ziende den Onzienlijke, en krijgt bij Geestes licht telkens dieper inzicht in de geopenbaarde waarheid. Dit wordt in de allegorie voorgesteld door de medegebrachte brieven. Het getuigenis Gods moet gelezen als een brief persoonlijk tot u gericht.

De Prins was zeer vergenoegd, dat deze edelman zijn ambt zoo getrouw had waargenomen in alle gewichtige aangelegenheden, die hem in Menschziel waren opgedragen. Ook gaf hij hem zijn welgevallen te kennen over zijne kloekmoedigheid en getrouwheid voor den Prins tegen Diábolus. Aan het slot stond, dat hij weldra zijn loon ontvangen zou.

De tweede brief was voor den heer Vastewil, waarin te kennen gegeven was, dat zijn Vorst Immanuel wel verstaan had, hoe dapper hij voor zijn heer geweest was in zijn afwezen en toen zijn naam in verachting was bij de Diábolus-mannen. Ook dat hij zich zoo flink gehouden had in het opsporen en ophangen der Diábolus-mannen, die in hunne holen lagen. Hem zou eveneens zijn loon niet ontgaan.

De derde brief was voor den Onderleeraar, waarin vermeld stond hoezeer de Prins zich verheugde, dat hij zoo eerlijk en getrouw zijn ambt had waargenomen in het bestraffen en vermanen en waarschuwen. Ook gaf de Vorst zijn welgevallen te kennen over den vast- en bededag toen Menschziel het verdorven had en dat hij daarbij de hulp van kapitein Boanerges had ingeroepen. Alles wist de Prins en voor alles zou de Onderleeraar beloond worden.

Een vierde brief was voor den heer Vreeze Gods. Daarin stond, dat zijn Heer had opgemerkt, hoe hij de eerste in gansch Menschziel geweest was, die Vleeschelijke Gerustheid had openbaar gemaakt. Daarenboven gaf zijn Heer hem te verstaan, dat hij alle tranen en klaagliederen over Menschziel in gedachten zou houden en zijne kloekmoedige houding in de feestzaal van Vleeschelijke Gerustheid niet vergeten. Ook dat hij de poorten van het kasteel zoo goed had bewaard en de stedelingen geleerd hoe zij een verzoekschrift moesten inzenden, dat kracht deed. Daarom zou ook hij binnenkort zijn loon ontvangen.