De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 22
[43] ~Zijn tamboer moest des nachts de muren der stad naderen~. „Dit is uwe ure en de macht der duisternis,” zeide Jezus. Alle boos werk is in den nacht het meest voorspoedig. De schrik des nachts is voor den Christen anders niet zoo ijselijk als hij maar nabij zijn God leeft. Maar juist in zulke dagen van afval en achteruitgang, wanneer dan de ziel is ontwaakt, zoo wordt zij des nachts maar al te vaak vreeselijk gekweld door visioenen en droomen, waarin de booze de hand heeft.
[Afbeelding: DE VREEZELIJKE KAPITEIN GRAF EN ZIJN STANDAARD-DRAGER VERDERF.]
Nu hield hij ook deze toespraak: „O Menschziel! Mijn meester heeft mij bevolen u te zeggen, dat zoo gij u gewillig onderwerpt, gij het goede dezes lands zult genieten; maar zoo gij hardnekkig weigert, zal hij u met geweld aantasten!” Echter niemand gaf hem antwoord, want al het volk liep naar de kapiteins in het kasteel, zoodat zij hem kwalijk hoorden spreken. Zoo keerde hij dan tot zijn meester terug. Diábolus ziende, dat hij op deze wijze Menschziel niet aan zich onderwerpen kon, zond den volgenden nacht nogmaals een tamboer, maar zonder trommel om de burgers te laten weten, dat hij genegen was eene overeenkomst te sluiten. Dit onderhoud liep echter ook op niets uit, want alles bestond hierin, dat hij de stad opeischte. De burgers gaven hem niet eens antwoord, want zij herinnerden zich wat het hun de eerste maal gekost had naar hem te hooren.
Toen zond hij voor de derde maal een bode, dien schrikkelijken kapitein Graf, welke voor de muren van Menschziel deze toespraak tot haar hield:
„O, gij ingezetenen van de rebelleerende stad Menschziel! ik eisch in den naam van den prins Diábolus, dat gij zonder tegenstreven de poorten uwer stad openzet en den grooten heer toelaat daarbinnen te komen. Maar zoo gij blijft rebelleeren en wij de stad met geweld komen in te nemen, dan zullen wij u als het graf verslinden. Derhalve zegt het nu, of gij naar ons hooren wilt of niet. De reden van dezen eisch is omdat mijn heer zonder twijfel uw prins en overste is, waarvoor gij hem ook zelf erkend hebt. En de schande, die mijn heer aangedaan is toen Immanuel hem zoo verachtelijk behandelde, zal toch niet kunnen uitwerken, dat hij zijn recht op u verliezen zou. Overweegt dan nu wat ge wilt. Geeft ge u dadelijk over, dan wordt onze oude vriendschap vernieuwd; maar weigert ge nog en rebelleert gij, verwacht dan niets anders dan vuur en zwaard.”
Toen de machtelooze stad Menschziel dezen parlementair en zijnen eisch vernomen had, werd zij wel des te meer verslagen, maar gaf toch aan dien kapitein geen antwoord; daarom moest hij heengaan gelijk hij gekomen was.
Zij overlegden samen wat te doen en besloten eindelijk opnieuw bij den Oppergeheimschrijver om raad te vragen. Ofschoon hij nog niet geheel hersteld was zoo ontving hij hen toch en zij verzochten hem om de volgende drie zaken.
1^{e}. Dat hij hen weder in gunst wilde aannemen, zich niet langer zoo aan hen onttrekken, en hun nu wilde gehoor geven waar zij hunne ellende hem bekend maakten.
Maar hij antwoordde daarop als vroeger, dat hij nog ongesteld was en daarom niet kon doen als tevoren.
2^{e}. Dat zij hem verzochten hun toch te willen raad geven in deze gewichtige zaak, daar Diábolus voor de stad gekomen was met meer dan twintig duizend Twijfelaars, en dat hij en zijne veldoversten zeer wreed waren, waarom zij hen ook zeer vreesden.
Maar hij antwoordde: „Gij moet de wet van uwen Vorst maar eens inzien, om te weten wat u daarin wordt bevolen.”
3^{e}. Dat hij hen toch helpen mocht om een verzoekschrift aan El-Schaddaï op te stellen en dat hij er zijne hand onder zetten mocht als een teeken, dat hij het hierin met hen eens was. „Want Hoogedele Heer,” zeiden zij, „wij hebben reeds verscheiden verzoekschriften opgezonden, doch kunnen geen bevredigend antwoord krijgen; maar als gij er uw hand onder zet dan zal alles ten gunste der stad Menschziel uitloopen.”
Maar ook hierop antwoordde hij, dat zij hunnen vorst Immanuel hadden beleedigd en bedroefd, en dat zij nu maar moesten handelen, zooals zij zelf het best konden.[44]
[44] ~Handelen zooals zij zelf het best konden~. De ziel moet de geopenbaarde waarheid in het Woord raadplegen en daarnaar handelen. Eerst gehoorzaamheid en dan offeranden. De Heilige Geest bezielt alleen het gebed, dat in volkomen ootmoed en onderwerping en uit gehoorzaam geloof wordt opgezonden. Bunyan heeft dit willen voorstellen in de schijnbare wederstreving des Heiligen Geestes. De Heere heeft een twist met de inwoners des lands.
[Afbeelding: NEDERLAAG VAN DIÁBOLUS EN ZIJN LEGER VOOR IMMANUEL.]
HOOFDSTUK XII.
HET SMEEKSCHRIFT VAN MENSCHZIEL.
Het antwoord, dat de Oppergeheimschrijver hun gaf, viel als een molensteen op de harten der burgers, ja het bedroefde hen zóo, dat zij niet wisten wat te doen; toch durfden zij geenszins het verlangen van Diábolus bevredigen. Ook wisten zij niet, of hunne kapiteins nu den eenig goeden weg volgden. De arme stad Menschziel was nu van tweeën gedrongen; hare vijanden vielen op haar aan en hare vrienden wezen het af haar te helpen. [Klaagl. 1 : 3.]
Toen stond de burgemeester op, wiens naam was Verstand, en hij begon het antwoord van den Geheimschrijver te overleggen tot hij eindelijk nog troost putte uit de schijnbaar harde woorden van dien edelman. „Eerstens”, zeide hij, „dit volgt onvermijdelijk uit zijne woorden, dat wij om onze zonden nog moeten lijden. Toch straalt er in door, dat wij eindelijk van onze vijanden zullen verlost worden, en dat Immanuel na deze groote verdrukking ons helpen zal.” De reden waarom de burgemeester die woorden van den Oppergeheimschrijver zoo fijn onderzocht was hierin gelegen, dat deze meer dan een profeet was en al zijne woorden stellig kwamen.
Zoo namen zij dan afscheid van hem en keerden tot hunne kapiteins terug, die nadat zij alles gehoord hadden het met den burgemeester eens waren. Zoo spraken zij dan ook den burgers moed in en raadden hen aan zóo moedig tegen Diábolus en zijn aanhang te strijden als hun maar eenigszins mogelijk was. Ieder begaf zich daarop naar zijn post, de kapiteins, de burgemeester, de gewezen secretaris en de heer Vastewil. De kapiteins waren begeerig voor hun vorst te strijden en handteerden het krijgsgeweer met vermaak. Het eerste antwoord kreeg Diábolus met de slingers, des morgens vroeg toen de zon opging. De reus had het gewaagd nader te komen, maar o, de slingersteenen vlogen hem en zijn volk als horselen om de ooren. En evenals er voor Menschziel niets verschrikkelijker was dan zijn trom, zoo was er voor hem niets gevaarlijker dan Immanuels slingers. Daarom was hij genoodzaakt verder van de stad te wijken. Toen liet de burgemeester de klok luiden en beval, dat men den Oppergeheimschrijver zou gaan bedanken, omdat door zijne woorden de stad was bemoedigd, hetgeen de onderleeraar ook deed. [Zach. 9 : 15.]
Toen Diábolus bemerkte, dat zijne kapiteins, soldaten en machtige edelen verschrikt en verslagen waren door de gouden slingers van den vorst der stad Menschziel, zoo bedacht hij iets anders, en zeide: „Ik zal hen door vleierij en pluimstrijkende woorden in mijne macht zien te krijgen.” Derhalve kwam hij spoedig terug, maar nu niet met zijn trommel, noch met kapitein Graf, maar zijne lippen suikerzoet gemaakt hebbende, deed hij zich voor als een lieftallig vorst, die vreedzaam was en zich volstrekt niet wreeken wilde, maar slechts het welzijn der stad beoogde. Hij hield, nadat hij zich vertoond had de volgende rede:
„O, gij beminde mijns harten, beroemde stad Menschziel! Hoeveel nachten heb ik doorgebracht om te overleggen hoe ik u ten goede mocht wezen. Verre, zeer verre zij het van mij, dat ik begeeren zou u den oorlog aan te doen, indien gij maar handelbaar waart en u gewillig aan mij overgaaft. Gij weet, dat gij van ouds de mijne waart, en dat zoolang gij mij voor uwen heer erkendet en ik u als mijne onderdanen beschouwde, u niets ontbroken heeft van al wat u aangenaam was en vermaak kon bezorgen. Bedenk toch, dat zoolang gij de mijne waart, gij nooit zulke bange, nare en moeielijke uren hebt doorgebracht als sedert gij tegen mij zijt opgestaan. Ook zult ge voortaan geen rust meer genieten voordat wij het weder samen zijn eens geworden. Laat mij nu zooveel op u vermogen, dat gij mij weder inhaalt, en ik zal u al uwe oude voorrechten teruggeven, en nog vele nieuwe bovendien, zoodat gij weder de vrijheid zult hebben om te bezitten en te genieten al wat van Oost en West aanlokkelijk voortkomt. Nooit zal ik iemand iets vergelden wat gij mij ook hebt aangedaan. Ook zullen nooit mijne vrienden binnen in u, die op u loeren en zich versteken, u eenigszins meer schadelijk zijn. Integendeel zij zullen uwe dienaren wezen en u alles geven wat gij van hen begeert. Ik behoef hier niets meer bij te voegen, gij kent hen en zijt dikwijls in hun gezelschap vroolijk geweest. Waarom zouden wij dan in zulk eene vijandschap leven? Laat ons de oude vriendschap vernieuwen. Weest het eens met uwe vrienden; ik durf vrijmoedig tot u spreken omdat ik u innige liefde toedraag. Mijn hart klopt voor u. Lieve vrienden, doet mij derhalve geen meerdere moeite aan en uzelven geen angst en vreeze. Vlei u niet met de macht uwer kapiteins en denk niet, dat Immanuel spoedig komt. Ik ben tegen u opgetrokken met een sterk en onverschrokken leger; al de vorsten van den afgrond staan aan het hoofd daarvan. Mijne kapiteins zijn vlugger dan arenden, sterker dan leeuwen en roofzuchtiger dan avondwolven. Wat is Og van Bazan? Wat is Goliath van Gath? Ja, wat zijn honderd zulke reuzen tegen een mijner minste kapiteins? Hoe zou Menschziel dan ooit kunnen denken, dat zij mijne macht ontkwame!” [1 Petr. 5 : 8.] [Openb. 12 : 10.] [Matth. 4 : 8, 9.] [Luk. 4 : 6, 7.]
[Afbeelding: WREED EN PIJNIGER.]
Diábolus had nauwelijks deze bedriegelijke rede geëindigd of de burgemeester antwoordde daarop:
„O, Diábolus, vorst der duisternis en leermeester van alle bedrog! Uwe pluimstrijkende, leugenachtige woorden hebben wij gehoord, en wij kennen u bij ondervinding.[45] Reeds al te diep proefden wij uit den beker des verderfs, zouden wij dan weder naar u hooren en ons aan u verbinden, terwijl wij de wetten verbreken van onzen El-Schaddaï? Zou dan onze vorst ons niet voor eeuwig verstooten? En als wij van hem verworpen zijn, kan dan de plaats, die hij voor u bereid heeft, eene rustplaats voor ons wezen? Bovendien, gij zijt van alle waarheid ontbloot en hebt die voor goed van u afgeschud; wij voor ons zijn eerder bereid door uwe hand te sterven dan ons door u te laten verstrikken.”
[45] ~Diábolus vleiende taal~ wordt nu beter doorzien dan in het eerst. Zijne listen zijn ons niet onbekend, is het nu. Toen de satan voor het eerst kwam was Menschziel onbewust van wat haar te wachten stond als zij luisterde en toegaf. Nu wist zij het ten volle uit lange smartelijke ondervinding. Zij was door schade wijs geworden.
Toen nu de tiran zag, dat er met onderhandelen weinig voor hem bij den burgemeester viel te winnen, verviel hij in een helsche woede en voerde weder zijn leger Twijfelaars op de stad aan.
Opnieuw liet hij den trommel roeren opdat zijn volk gereed zou zijn tot den strijd, hetgeen Menschziel deed beven, en rukte met zijne krijgsmacht voorwaarts. Kapitein Wreed en kapitein Pijniger plaatste hij aan de Voelpoort en beval, dat zij zich daar zouden nederslaan om zich tot den aanval gereed te houden. Ook zorgde hij dat kapitein Zonder-rust te hulp zou komen.[46] Voor de Neuspoort plaatste hij de kapiteins Zwavel en Graf; maar aan de Oogpoort zette hij dat grijnzend aangezicht van kapitein Wanhoop. Daar plantte deze ook zijn afgrijselijke standaard. Kapitein Onverzadelijk zou Diábolus ter zijde staan en moest zorg dragen voor de te rooven buit, zoo van menschen als goederen.
[46] ~De kapiteins Wreed, Pijniger en Zonder-rust~. Nu dreigementen niet hielpen en pluimstrijkende woorden vruchteloos bleven, gaat hij tot dadelijkheden over. Nu komen de vervolgingen en het onthouden van rust ook op den dag des Heeren.
Mondpoort hielden de burgers om uitvallen te doen, daarom bewaarden zij die zeer krachtig. Ook was dat de weg waarlangs hunne verzoekschriften naar den koning gingen. Van den top dezer poort speelden de kapiteins met hunne slingers op den vijand. Nu was het Diábolus’ voornemen om Mondpoort met slijk te versperren. Waar de reus aldus allerlei toebereidselen maakte om de stad van buiten aan te vallen, waren de kapiteins en soldaten bezig zich van binnen te verdedigen, zij bereidden hunne slingers, richtten hunne banieren op, bliezen op hunne bazuinen en ordenden zich in afdeelingen naar zij het noodig keurden. Ook kregen de soldaten bevel zich bij het geluid der bazuinen tot den strijd gereed te houden. De heer Vastewil nam den post op zich om tegen de rebellen daar binnen te waken, en te doen wat hij kon om hen voor den dag te halen en te verworgen. En inderdaad sedert hij boete gedaan had over zijn bedreven kwaad, toonde hij grooten ijver en liefde voor den koning. Hij greep onder anderen zekeren Vroolijk en zijn broeder Dartel, de twee zoons van dien Geoorloofd Vermaak, welke in de gevangenis kwijnde, die nog in wezen waren, en nagelde ze met zijne eigen handen aan het kruis. De reden, waarom hij hen ophing, was deze: nadat hun vader in handen van den cipier Getrouwe was overgeleverd, begonnen deze zonen huns vaders rol te spelen en met de dochters van hunnen heer te gekken en te boerten. Ja, zelfs was er een sterk vermoeden, dat zij de grenzen der betamelijkheid overschreden. Dit was den huisvader ter oore gekomen. Om billijk te wezen, wilde hij hen niet op losse geruchten vatten. Hij zette zijne twee knechts, Naspeurder en Alverteller, op den uitkijk; deze betrapten hen aldra, en deelden dat aan hunnen heer mede. Toen nu de heer Vastewil ten volle van de waarheid overtuigd was, nam hij de twee jonge boeven en voerde hen naar de Oogpoort, waar hij hen aan zeer hooge kruisen hing,[47] in het gezicht van kapitein Wanhoop en Diábolus’ standaard.
[47] ~Waar hij hen aan zeer hooge kruisen hing~. Nu blijkt dat het Menschziel ernst wordt. De zonde wordt aangegrepen en gekruist, zelfs de boezemzonde in eigen binnenste. Het vleesch wordt gekruist met de begeerlijkheden. Eene heerlijke vrucht van het lijden!
Deze flinke daad van den moedigen Vastewil diende tot groote beschaming van kapitein Wanhoop, ontmoedigde het leger van Diábolus, en deed de aanhangers van den reus binnen de stad sidderen, terwijl de kapiteins van den Prins er zeer door werden bemoedigd. Diábolus zag nu duidelijk, dat de burgers der stad genegen waren tegen hem te strijden en dat hij op zijne vrienden daarbinnen niet hopen kon. Nog meer proeven gaf de edele Vastewil van zijn oprechte gehechtheid aan zijn vorst, zooals weldra zal blijken.
De kinderen van Spaarzaam, die bij den heer Gemoed inwoonden, heetten Afnijper en Inhalig. Een daarvan was zelfs getrouwd met eene dochter van Gemoed, wier naam was Houd-het-kwade-vast. Toen deze bemerkten hoe de heer Vastewil met Vroolijk en Dartel gedaan had, trachtten zij te vluchten; maar de heer Gemoed zette hen in zijn huis gevangen, en gedachtig aan de wet, dat alle Diábolus-mannen moesten sterven, liet hij hen in ketenen naar de markt slepen en hing hen eveneens op.
[Afbeelding: DE KAPITEINS ZETTEN DE VERDEDIGING VOORT.]
De burgers werden hierdoor aangemoedigd nog nauwkeuriger onderzoek te doen; maar het gebroed van Diábolus hield zich nu zóo schuil, dat men het onmogelijk vinden kon.
Eerst was Diábolus met zijn leger op het gezicht van deze kloeke daden wel een weinig ontmoedigd, maar aldra veranderde zijne kleinmoedigheid in woedende dolheid en brieschend als een leeuw vloog hij op tot den strijd. Den stedelingen en kapiteins was een hart onder den riem gestoken; en daar zij stellig geloofden, dat zij nog eenmaal zouden triomfeeren, vreesden zij niet. De Onderleeraar hield eene predikatie over den tekst uit Gen. 49 : 19. „Aangaande Gath, eene bende zal hem aanvallen, maar hij zal haar aanvallen aan het einde.” Daarin toonde hij aan, dat ofschoon Menschziel er nu zeer ellendig aan toe was; zij toch voorzeker zou overwinnen.
Diábolus liet weder zijn trom roeren; maar de kapiteins der stad, dat hoorende, bliezen op hunne zilveren trompetten. Trommen waren in Menschziel niet. Toen kwam Diábolus leger op de stad aan om die in te nemen, terwijl de kapiteins op Mondpoort de slingers lieten werken en de slingeraars van den muur het hunne deden. In Diábolus leger hoorde men niet anders dan vervaarlijk tieren en lasteren; maar in de stad verstandige redeneeringen, gebeden en psalmen. De vijanden braakten allerlei scheldwoorden uit op het geluid van hun trom; maar die van de stad bliezen voortdurend op hunne heerlijke trompetten en wierpen met slingersteenen. Zoo hield deze strijd aan vele dagen achtereen. Alleen hielden zij nu en dan een weinig rust, opdat de soldaten zich konden verkwikken en de kapiteins zich tot een nieuwen aanval gereed maken.
De kapiteins van Immanuel waren gekleed in zilveren wapenrusting en die der soldaten was van wel beproefd metaal. De soldaten van Diábolus waren in het ijzer gekleed, dat zoo was ingericht, dat het Immanuels schoten kon weerstaan. In de stad waren sommigen licht gewond en anderen vrij ernstig. Het ergste van alles was, dat er geen geneesmeester in Menschziel was omdat Immanuel afwezig was.[48] Toch werden zij door de genezende bladeren van een boom van sterven bewaard, ofschoon hunne wonden grootelijks vervuilden en sommigen zelfs een ondragelijken stank van zich afgaven, vooral bij den heer Rede, die aan het hoofd gewond was. Een andere gewonde was de heer burgemeester zelf; die was in zijn oog getroffen. Een derde geblesseerde was de heer Gemoed; hij kreeg eene verwonding in zijn maag. Daarbij kwam nog de brave Onderleeraar, die een schot ontving niet verre van het hart; maar geen dezer wonden waren doodelijk. Vele minderen waren insgelijks getroffen, sommigen zelfs doodelijk. [Openb. 22 : 2.] [Ps. 38 : 5.]
[48] ~Geen geneesheer in Menschziel; maar wèl genezende bladen~. Zeer goed wordt door onzen Bunyan hier onderscheid gemaakt tusschen het bezit van Christus zelf en dat van zijne gaven. Ware de Geneesmeester er zelf geweest, dan zou zijne tegenwoordigheid alleen alle kranken gezond hebben gemaakt. Hier ziet men ook het onderscheid tusschen genezingen door het geloof en door de middelen, waarbij Christus meer indirect zijne kracht openbaart.
In het leger van Diábolus was het getal gewonden en verslagenen buitengewoon groot. De kapiteins Woede en Wreed beiden. De kapitein Verdoemenis werd genoodzaakt te wijken en zich zeer verre van de stad te begeven;[49] de standaard van Diábolus was nedergeworpen en zijn vaandeldrager Veelkwaad werden door een slingersteen de hersenen ingeworpen tot groot verdriet van zijn vorst. Velen van de Twijfelaars werden ook nedergeveld, hoewel er nog genoeg in het leven bleven om Menschziel te doen beven en sidderen. Daar evenwel te dezer dage de overwinning voortdurend aan de zijde van Menschziel was gebleven, zoo gaf dit grooten moed aan de lieden, en Diábolus leger was als met eene wolk bedekt. Den volgenden dag rustte Menschziel en er werd gelast, dat de klokken zouden worden geluid en de trompetten geblazen, en toen dit gebeurde juichten al de kapiteins.
[49] ~Kapitein Verdoemenis moest wijken -- zeer ver van de stad~. „Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.”
[Afbeelding: DE GENEZENDE BLADEREN.]
De heer Vastewil zat ook niet ledig, maar bewees van binnen belangrijke diensten met het oog op de aanhangers van Diábolus. Hij ontdekte den heer Neutraal van wien eertijds verhaald is, dat hij eene wijle onder Boanerges had gediend, maar aldra was gevangen genomen en in Diábolus dienst was overgegaan. Ook vatte hij een zekeren Losvoet, die een verspieder van dat gespuis was, hetwelk in Menschziel huisde. Deze twee zond de heer Vastewil naar den cipier Getrouwe, met bevel hen in de ijzers te klinken. Hij had het oogmerk hen te kruisigen wanneer dit het meest dienstig kon wezen tot ontmoediging van den vijand. Ook de heer burgemeester, ofschoon hij niet zoo werkzaam kon zijn als tevoren, wegens de ontvangen wonde,[50] gaf bevel aan alle burgers van Menschziel, om toch vooral goed wacht te houden en op hunne hoede te zijn, terwijl de heer Geweten als leeraar zijn uiterste best deed om alle goede leering in de harten des volks levendig te houden.
[50] ~De burgemeester wegens de ontvangen wonde niet zoo werkzaam~. Het verstand heeft ook zijn onvermogen leeren inzien om alles te doorgronden. Het heeft zich gevangen gegeven onder de gehoorzaamheid des geloofs.
HOOFDSTUK XIII.
EEN MIDDERNACHTELIJKE UITVAL.[51]
[51] ~Een middernachtelijke uitval~ schetst den overmoed, waarin het behaalde voordeel de ziel brengt. Onze wapenen des Geestes zijn ~verdedigingswapenen~.
Niet lang daarna werden de kapiteins met de kloeksten in de stad het samen eens om een uitval te wagen. Zij wilden des nachts het leger van Diábolus overvallen. ’t Was jammer, dat zij het in den nacht deden; want de nacht is altijd de beste tijd voor den vijand en Menschziel nadeelig. Maar hun moed was zeer groot en de laatste overwinningen lagen nog zoo versch in het geheugen.
Toen de bepaalde nacht daar was, wierpen de dappere kapiteins het lot wie van hen het eerst zou uittrekken om op Diábolus en zijn leger aan te vallen. Allen waren even vurig en even dapper; allen hadden hun leven en al hunne kracht voor de goede zaak over. De eer van hun koning en het welzijn der stad gold hun boven alles. Daarom moest het lot beslissen wie vooraan trekken zou. Het lot viel op kapitein Geloof. Hij zou met de kapiteins Ondervinding en Goede Hoop de voorhoede aanvoeren. Zoo geschiedde het. Zij deden een uitval op het leger, dat zich tegen hen verschanst had, en vielen juist midden in het kamp hunner vijanden. Diábolus en zijne mannen, zeer gewoon aan den nachtelijken arbeid, maakten dadelijk alarm en waren onmiddellijk gereed hun slag te leveren, even alsof zij een overval hadden verwacht. Van beide zijden werd zwaar gevochten; de helletrom werd lustig geroerd, terwijl de trompetten een aangenaam geluid gaven. Kapitein Onverzadelijk wachtte reeds op roof.