De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 21
Maar nu begon Apollyon en sprak: „Mijn oordeel in deze zaak is, dat wij zoo zoetjes aan moeten voortgaan en de dingen niet te haastig behandelen. Laat onze vrienden binnen Menschziel slechts voortgaan de stad te verontreinigen en te besmetten door haar meer én meer in de zonde te verstrikken; er is niets, dat haar zooveel kwaad doet als de zonde. Indien dit wel gelukt, zal Menschziel vanzelf wel nalatig zijn in het waken, in het aanbieden van verzoekschriften en al het andere, dat tot hare vastigheid dienen kan. Zij zullen hun Immanuel vergeten, en zijne tegenwoordigheid niet begeeren. Kunnen wij hen tot zulk een leven krijgen, zoo zal hun vorst niet licht tot hen komen. Onze vertrouwde vriend Vleeschelijke-Gerustheid met éen van zijne listen, dreef hem uit de stad; waarom zouden de heeren Gierigheid en Onreinheid hem samen niet buiten de stad kunnen houden? En dit zeg ik u, dat twee of drie Diábolus-mannen, die in Menschziel worden opgenomen, meer doen zullen om Immanuel buiten de stad te houden en haar aan ons over te leveren, dan een leger van een legioen, dat wij zouden kunnen uitzenden om tegen haar te strijden.
[Afbeelding: PROFAAN EN BOOS.]
„Laat dus de onzen maar lustig voortgaan binnen Menschziel met alle denkbare list en behendigheid, en laat hen voortdurend onder deze of gene vermomming eenigen van de hunnen uitzenden om zich met het volk van Menschziel te vermaken, en het zal niet eens noodig zijn, dat wij een oorlog met hen beginnen. En mocht dit toch het geval zijn, dan verzeker ik u, dat hoe zondiger zij zijn, zij ook des te onmachtiger zullen wezen. Daarenboven neemt eens het ergste wat gebeuren kan, namelijk dat Immanuel tot hen wederkeerde, waarom zou hij door diezelfde redenen nog niet eenmaal kunnen worden uitgedreven? Waarom zou hij niet voor eeuwig van hen kunnen scheiden, en gebeurt dat, dan gaan immers ook zijne kapiteins, zijne soldaten, zijne stormrammen weg, en Menschziel blijft naakt en bloot achter. Zal de aldus beroofde stad dan niet vanzelf hare poorten voor u openzetten als in de dagen van ouds? Maar dit is een werk van tijd, niet van eenige dagen.”
Nauwelijks had Apollyon gedaan of Diábolus barstte in groote woede en grimmigheid uit en bepleitte zijne zaak aldus: „Mijne heeren en machthebbers van dezen afgrond, oprechte en getrouwe vrienden, met groot ongeduld heb ik naar uw lange redevoeringen geluisterd. Mijn gapende muil en ledige buik verlangt zoo smachtend naar het weder in bezit nemen van mijn beroemde stad Menschziel, dat wat er ook van komen moge, het mij onmogelijk is den afloop van zoo langdradige handelwijzen af te wachten. Ik moet zonder uitstel trachten door alle mogelijke middelen mijn onverzadelijken kolk des afgronds te vullen met ziel en lichaam der stad Menschziel. Leent daarom uwe hoofden, harten, handen, waar ik heenga om mijne stad te herwinnen!”
Toen de edelen en vorsten van den put des afgronds de brandende begeerte van Diábolus zagen om de ellendige stad Menschziel te verslinden, hielden zij op met tegenwerpingen te maken; maar het moet gezegd worden, dat volgens den raad van Apollyon handelend, de verwoesting der stad veel grooter zou geweest zijn. Maar nu waren zij bereid hun opperheer met alle macht bij te staan, daar zij hem later weder noodig konden hebben voor andere ontwerpen. Zoo overlegde men dan met hoeveel en met welke soldaten Diábolus zou optrekken tegen de stad Menschziel om haar in te nemen. Na eenig beraadslagen werd algemeen toegestemd dat het een leger van machtige twijfelaars wezen zou. Tusschen de twintig en dertig duizend scheen hun voldoende.
Het besluit van den breeden raad hield dus in, dat Diábolus nu onmiddellijk den trom zou laten roeren om volk aan te werven in het land van Twijfelzucht, dat niet verre van Hellepoortsheuvel aflag; altemaal volk, dat hij uitmuntend kon gebruiken tegen de ellendige stad Menschziel. Ook werd vastgesteld, dat de heeren zelven hem in den oorlog zouden bijstaan en te dien einde het leger commandeeren en aanvoeren.
Zij stelden dan wederom een brief op en zonden dien aan de Diábolus-mannen, die intusschen Menschziel begluurden en op de terugkomst van Onheilig wachtten. Wij zullen dezen brief maar niet in zijn geheel wedergeven. Wij weten reeds hoe men daar in die nare en duistere hellespelonk schreef. Zij ontkenden ook thans niet, dat zij bezield waren met het allervergiftigste oogmerk en bedoelen tegen de stad Menschziel. Al dat helsche gebroed verheugde zich in de aanvankelijk goede uitkomst en maakte nu ook de verdere pogingen bekend, die door hen zouden worden aangewend. Dat het leger van Diábolus volgens den raad der Diábolus-mannen uit de stad van enkel twijfelaars zou zijn samengesteld, meer dan twintig duizend in getal. „Allen wakkere mannen en van schrikbarend voorkomen,” aldus stond in den brief, „lieden van ouds in den oorlog gewoon, en die den trommel wel hooren mogen.” Het helsche geschrift eindigde aldus:
„Wat den tijd onzer komst vóor Menschziel betreft, zoo is nog niet bepaald of het een marktdag of wel een nacht, die op een marktdag volgt, zal wezen. Houdt gij u in ieder geval gereed bij het hooren van onzen trommelslag. De edele heeren Lucifer, Beëlzebul, Apollyon, Legio en al de anderen groeten u, gelijk ook Diábolus zelf, en wenschen u denzelfden voorspoed, dien wij genieten.”
Onheilig had in het naar huis gaan weder een gesprek met den portier Cerberus, die hem naar de boodschap vraagde, welke hij had meêgekregen; waarop Onheilig antwoordde, dat al de plannen der Diábolus-mannen in de stad waren goedgekeurd.
„En,” vraagde Cerberus, „is het Diábolus’ voornemen om zelf mee op te trekken?”
„Voorzeker,” was het antwoord „en dat wel met meer dan twintig duizend man, altemaal twijfelaars, in den oorlog geoefend.”
Toen werd Cerberus vroolijk en riep uit: „Als er zulke maatregelen genomen zijn, dan zou ook ik wel mede optrekken willen aan het hoofd van een duizendtal, om mijne dapperheid te toonen.”
„Welnu,” zeide Onheilig, „waarom zou dat niet kunnen geschieden? Maar ik heb nu haast en moet voort.”
„Ja, haast u, mijn vriend, en zeg aan de vrienden binnen Menschziel, dat ook Cerberus hen laat groeten en van ijver brandt om hen te hulp te komen.” Zoo namen dan die twee afscheid en keerde Onheilig naar Menschziel terug, in de legerplaats van den heer Boos, waar de Diábolus-mannen hem reeds verwachtten, en met graagte den brief lazen en alles vernamen wat Onheilig te zeggen had.
Aldus was nu de tegenwoordige toestand der ongelukkige stad Menschziel; zij had haren vorst beleedigd en hij was heengegaan; zij had de machten der hel aangemoedigd door hare dwaasheid, en tot haar eigen verderf hen tot zich gelokt. Wel had de stad hare zonde leeren beseffen, maar de Diábolus-mannen roerden zich in hare ingewanden; zij riep, maar Immanuel was heengegaan en hare kreten bereikten niet meer zooals vroeger zijn oor. Bovendien wist zij niet wanneer en of hij wel ooit zou terugkeeren. Daarbij kende zij de listige aanslagen van den vijand niet en hoe gereed deze stond om tegen haar op te trekken met het gansche komplot der hel.
[Afbeelding: KRIJGSRAAD IN MENSCHZIEL.]
Wel zond zij voortdurend verzoekschriften naar den vorst, maar hij beantwoordde die met stilzwijgen. Zij verzuimde zich te hervormen en dat was Diábolus naar den zin; want hij wist, dat, indien zij de ongerechtigheid in haar hart toeliet, haar koning haar gebed niet hooren zou; daarom werd zij nu al zwakker en zwakker en was als een rollend blad voor den wind. Zij riep tot haren koning om hulp en duldde Diábolus-mannen in haren boezem: wat kon daarom haar koning voor haar doen? Ja, daar scheen nu wel eene vermenging plaats te hebben in Menschziel, want de burgers der stad en de Diábolus-mannen wandelden samen langs de straten. Zelfs dachten de mannen van Menschziel er aan om met hen vrede te sluiten, daar de krankheid binnen de stad zoo doodelijk was geweest, en zij zoodanig daardoor waren gedund en verzwakt, dat het toch tevergeefs zou wezen tegen hen te vechten. De zwakheid van Menschziel was de kracht van hare vijanden,[37] en de zonde van Menschziel in het voordeel der Diábolus-mannen. Zoo begonnen dan reeds deze lieden zich te verbeelden, dat zij de stad in eigendom konden krijgen; beiden schenen nu reeds het bezit daarvan met elkander te deelen. Ja, de Diábolus-mannen groeiden aan en namen toe, terwijl de stad zelf verminderde. Meer dan elfduizend mannen, vrouwen en kinderen waren aan de ziekte gestorven.
[37] ~De zwakheid van Menschziel was de kracht harer vijanden~. Bunyan beschrijft meesterlijk den ellendigen toestand der ziel, die buiten Gods gemeenschap in Christus leeft, omdat zij die heeft verzondigd. Alles is krachteloos; ’t is vorm wat er nog overblijft van godsdienstige verrichtingen, een vorm der godzaligheid, maar die de kracht daarvan verloochent.
HOOFDSTUK XI.
HET COMPLOT ONTDEKT.
Volgens het welbehagen van El-Schaddaï was daar iemand in de stad, die Toezicht heette, een groot vriend der inwoners en die Menschziel liefhad. Deze man had tot gewoonte aangenomen om overal in de stad te luisteren en op te letten, of hij ook iets te hooren of te zien kreeg, dat kwade gevolgen hebben kon. Hij vertrouwde de Diábolus-mannen evenmin binnen als buiten de stad. Nu gebeurde het eens, dat deze heer Toezicht op eene plaats, genaamd Kwaadheuvel, kwam, waar de vrienden van Diábolus plachten saam te komen; zoo hoorde hij eenig gemompel, (gij moet weten, dat het nacht was), en sloop zachtkens naderbij om beter te kunnen luisteren wat daar besproken werd. Al dadelijk ving hij een gesprek op, waarin iemand verklaarde, dat het niet lang meer duren zou of Diábolus was meester van de stad Menschziel, en dat dan al de burgers met het zwaard zouden worden gedood, al ’s konings kapiteins verjaagd en al zijne soldaten uit de stad gedreven. Hij voegde daarbij, dat er reeds een leger van twintig duizend strijdbare mannen bij Diábolus gereed stond om dit voornemen tot werkelijkheid te brengen; het zou geen maand meer duren, of dit alles was gebeurd.
Nauwelijks had Toezicht dit gehoord of hij begaf zich naar het huis van den Burgemeester en stelde er dezen mede in kennis. De Burgemeester zond dadelijk naar den heer Geweten, die het ambt van tweeden prediker waarnam, opdat hij alarm zou roepen in de stad. De Oppersecretaris was nog ongesteld.[38] Zoo liet dan ook even spoedig de heer Geweten de klok luiden en kwam het volk samen, waarop hij hen dadelijk eene korte vermaning gaf om toch waakzaam te wezen, en tevens het nieuws, dat Toezicht bracht, bekend maakte. „Een vreeselijke samenzweering is tegen ons gesmeed,” zeide hij; „de heer Toezicht, die er de man niet naar is om iets leugenachtigs bekend te maken, heeft het ons ontdekt. Ik zal hem roepen, dan kunt gij hem zelf hooren.”
[38] ~De oppersecretaris was nog ongesteld~. De Heilige Geest was bedroefd en daarom geweken. De ziel ondervond de kracht des Geestes niet, echter niet omdat de Geest „ongesteld” wezen zou; maar omdat er geene gemeenschapsoefening met hem is.
Dit gebeurde en Toezicht verhaalde nauwkeurig al wat hij op Kwaadheuvel van de Diábolusmannen vernomen had. Ieder moest er de waarheid van inzien, vooral nadat de prediker gezegd had: „Het is volstrekt niet bevreemdend, dat de Diábolus-mannen zulke ontwerpen smeden; want door onze eigen schuld hebben wij El-Schaddaï beleedigd, zijn zoon Immanuel aanleiding gegeven onze stad te verlaten en ons zeer verzwakt; terwijl wij in veel te vriendschappelijke verstandhouding met dat slechte volk leven. De krankheid, die in onze stad is, verzwakt ons; menig dapper en goed burger is gestorven en de Diábolus-mannen worden hoe langer hoe sterker. Bovendien heb ik van Toezicht vernomen, dat er verscheidene brieven heen en weer geschreven zijn naar en van Diábolus, die niets liever ziet dan den ondergang der stad.”
[Afbeelding: BEGEERLIJKHEID WORDT GEVANGEN GENOMEN.]
Toen Menschziel dit alles hoorde hief zij hare stem op en weende. Toezicht stemde daarmede in. Intusschen beraamden zij plannen om een nieuw verzoekschrift aan El-Schaddaï en zijn zoon op te zenden.[39] Ook zochten zij de kapiteins op en verzochten hen toch goed wacht te houden en gereed te zijn tegen een mogelijken overval; hunne wapenrusting na te zien, en vooral goeden moed te hebben.
[39] ~Plannen om een nieuw verzoekschrift op te zenden~. Nood leert bidden; maar dat gebed voldeed niet aan de vereischten van een ootmoedig geloofsgebed, dat verhooring vindt. Ook de Christelijke deugden werden weder beoefend met meer ijver, terwijl de waakzaamheid toenam. Dit alles is prijzenswaard, maar ’t kan werk zijn in eigen kracht en eigengerechtigheid kweeken. Het geestelijk leven is een ~nauw~ leven.
Toen de kapiteins dit hoorden, zij die allen Menschziel in waarheid liefhadden, schudden zij zich uit evenals Simson toen hij van de hinderlaag der Filistijnen hoorde, en kwamen zij dadelijk samen om te beraadslagen wat er te doen stond. Zij besloten tot het volgende.
1^{e}. Dat de poorten zouden worden gesloten en met bouten en grendelen voorzien, en dat alle in- en uitgaande lieden nauwkeurig zouden worden onderzocht. Daardoor meenden zij te kunnen ontdekken wie de personen waren, die met Diábolus in verbintenis stonden. [1 Cor. 16 : 13.] [Klaagl. 3 : 40.]
2^{e}. Vervolgens zou een nauwkeurig onderzoek worden ingesteld binnen de stad; huiszoeking gedaan bij iederen burger of daar ook Diábolus-mannen verborgen waren. [Hebr. 12 : 15, 16.]
3^{e}. Verder, dat ieder bij wien een Diábolus-man gevonden werd, om het even wie het ook wezen mocht, die huisvesting en voedsel aan dat gespuis verleend had, op een openbare plaats tot zijn groote schaamte en schande zou worden te pronk gezet. [Jer. 2 : 34; 5 : 26.] [Ezech. 16 : 52.]
4^{e}. Dat een openbare vast- en bededag zou worden uitgeroepen, opdat de gansche stad Menschziel zich verootmoedigde wegens hare overtredingen tegen haar grooten Vorst en Heere. Allen, die daar niet mede instemden en voortgingen met hunnen arbeid op den bededag, zouden voor Diábolus-mannen gehouden worden en hunne ongerechtigheid dragen. [Joël 1 : 14; 2 : 15, 16.]
5^{e}. Ook werd nog besloten, met hunne dringende smeekschriften om hulp, tijding naar het hof te zenden van hetgeen de heer Toezicht had ontdekt en openbaar gemaakt. [Jes. 37 : 4.]
6^{e}. Terwijl eindelijk den heer Toezicht uit naam der stad werd dank gezegd voor hetgeen hij had gedaan en hem de post van schout bij nacht werd opgedragen.
Volgens deze besluiten werd nu ook gehandeld en de nieuwe schout bij nacht bekleedde zijn post met grooten ijver en opoffering van eigen rust en gemak. De man was altijd ijverig in de weer, en lag op zijn loer wanneer hij vermoeid was van het omzwerven. Inderdaad, Menschziel had dien post aan niemand beter kunnen opdragen dan aan dezen persoon. Niet vele dagen daarna als hij zijne onderzoekingstochten ook tot ver buiten de stad voortzette, kwam hij bij Hellepoortsheuvel in het land der Twijfelaars, waar hij tot zijn schrik vernam, dat Diábolus reeds alles gereed had om op te trekken. Daarom kwam hij met haast terug en riep de oudsten van Menschziel samen, en deed hun verslag van hetgeen hij vernam, in het bijzonder ook dat Diábolus den ouden heer Ongeloof tot opperbevelhebber van zijn leger had aangesteld, dat dit leger uit meer dan twintig duizend man bestond, die allen Twijfelaars waren. Diábolus had het voornemen alle voorname vorsten van den helschen afgrond tot kapiteins aan te stellen, en vele prinsen van het Zwarte Woud stonden met den hellevorst in betrekking. De Twijfelaars hadden zich ook verpraat, niet wetende met welk doel onze Schout bij nacht hen uithoorde en aan den heer Toezicht verteld, dat de reden waarom de oude heer Ongeloof veldmaarschalk was geworden hierin bestond, dat niemand aan Diábolus trouwer was dan hij, en hij sedert zijne ontvluchting uit Menschziel deze stad doodelijk was blijven haten, naar niets vuriger verlangende dan zich op haar te kunnen wreken wegens den smaad hem aangedaan. Ook is niemand beter dan hij met de stad bekend omdat hij er eertijds heerschte. Dit alles deelde de trouwe schout bij nacht mede.
Toen nu de kapiteins van Menschziel met de oudsten der stad dit alles vernamen,[40] begrepen zij dat niets beter was dan onmiddellijk de wetten uit te voeren, die hun Vorst tegen de Diábolus-mannen had uitgevaardigd. In het huis van den heer Gemoed en van den grooten heer Vastewil woonden nog twee daarvan. Bij den eerste woonde Begeerlijkheid, maar die zijn naam veranderd had in Spaarzaam. Bij den laatste vond men Onreinheid, maar die zich Geoorloofd Vermaak liet noemen. De kapiteins en oudsten namen nu deze twee gevangen en gaven hen over aan den stokbewaarder Getrouwe, die hen zwaar met ketenen belaadde en zoo nauw opsloot, dat ze de tering kregen en in de gevangenis stierven. Hunne meesters moesten ook in het openbaar boete doen, dat wil zeggen: in eene openbare plaats zich vertoonen om volledige schuldbelijdenis af te leggen.[41]
[40] ~Toen nu de kapiteins van Menschziel dit alles vernamen~. Bij de zonden der ziel voegde zich nu de listen des satans, die het op den ondergang van het kind Gods gemunt heeft. Maar uit hetgeen hier medegedeeld wordt, blijkt, dat zijne listen ons niet onbekend zijn.
[41] ~Schuldbelijdenis afleggen~. De ziel begint alles te onderzoeken en alles te belijden, en wat beleden is wordt vergeven.
Daarna trachtten de kapiteins en oudsten nog meerdere Diábolus-mannen machtig te worden en in hunne kuilen en spelonken na te speuren; maar ofschoon zij de afdruksels hunner voetstappen duidelijk zagen, zoo was het hun onmogelijk hen te grijpen, zelfs waar zij hun onaangenamen geur roken. Dat gebroed wist zich wonderwel te verschuilen. Toch heerschte nu Menschziel met een sterken arm over de Diábolisten, zoodat het hun geraden was zich schuil te houden. Er was een tijd geweest, dat ze op klaarlichten dag langs de straten durfden wandelen, maar die tijd was voorbij. Ze vlogen nu als nachtuilen in het duister. Alle burgers zagen hen nu voor hun doodvijanden aan, zoo goed had de heer Toezicht zijn werk verricht.
[Afbeelding: VERDEDIGINGSWERKTUIGEN IN MENSCHZIEL.]
Omtrent dezen tijd nu had Diábolus zijn leger volkomen gereed. Hij zelf was opperheer, Ongeloof veldmaarschalk; van de generaals zullen wij later spreken; maar hier zijn de namen van de kapiteins met hunne vaandrigs en wapenen.
1^{e}. Kapitein Woede; deze was een hoofdman over de Twijfelaars aan de Verkiezing. Hij voerde eene roode vlag, die gedragen werd door vaandrig Vernieler, en een groote roode draak was zijn wapen. [Openb. 12 : 3, 4, 13, 15-17.]
2^{e}. Daarna kwam kapitein Uitzinnig, deze was gesteld over de Twijfelaars aan de Roeping. Zijn vaandeldrager heette Donkerheid; zijn vaandel was vaal en zijn wapen prijkte met drie vurige slangen. [Num. 21 : 6.]
3^{e}. Toen volgde kapitein Verdoemenis; deze was een hoofdman over de Twijfelaars aan de Genade. Ook zijne vlag was rood en werd gedragen door Geen-Hoop-op-pardon, terwijl een duister hol zijn wapen was. [Matth. 22 : 13.] [Openb. 9 : 1.]
4^{e}. Nu kwam kapitein Onverzadelijk, een hoofdman over de Twijfelaars aan het Geloof. Zijn vaandel was rood en Verslinder droeg het, terwijl een paar opgesperde kaken zijn wapen vertoonden. [Spreuk. 27 : 20.]
5^{e}. Ook was een kapitein Zwavel, gesteld over de Twijfelaars aan de Volharding der heiligen. De heer Vuurbrand droeg het roode vaandel, terwijl een blauwe en stinkende vuurvlam zijn wapenschild sierde. [Ps. 11 : 6] [Openb. 14 : 11.]
6^{e}. Kapitein Torment, die een hoofdman was over de Twijfelaars aan de Opstanding. Zijn vaandel was bleek en de heer Knagend droeg het met een zwarte worm in zijn wapen. [Mark. 9 : 44.]
7^{e}. Kapitein Zonder-rust, een hoofdman over de Twijfelaars aan de Zaligheid, voerde het roode vaandel met een afzichtelijk doodsbeeld tot wapen, dat Rusteloos droeg. [Openb. 14 : 11, 6 : 8.]
8^{e}. De achtste kapitein heette de heer Graf. Hij was gesteld over de Twijfelaars aan de heerlijkheid; had een vaal en bleek vaandel, dat vaandrig Verderf droeg, en zijn wapenschild prijkte met een bekkeneel en gekruiste doodsbeenderen. [Jer. 5 : 16.]
9^{e}. Eindelijk was er ook nog een kapitein Wanhoop, die een aanvoerder was van de Twijfelaars aan de gelukzaligheid. Zijn vaandrig heette Vertwijfeling, die een roode vlag droeg met een gloeiend ijzer en een hard hart tot wapen. [1 Tim. 4 : 2.] [Rom. 2 : 5.]
Dit waren zijne kapiteins, met hunne manschappen en wapens en vlaggen. Zeven generaals stonden boven die kapiteins, namelijk de heer Beëlzebul, de heer Lucifer, de heer Legioen, de heer Apollyon, de heer Python, de heer Cerberus en de heer Belial, en veldmaarschalk Ongeloof was hun overste. Nog waren daar vrijwilligers uit het Zwarte Woud, die tot hoofdlieden van honderd werden aangesteld.
De verzamelplaats van deze strijdmacht was Hellepoortsheuvel. Vandaar braken zij op en marcheerden rechtstreeks op de stad Menschziel aan. Gelukkig, dat tengevolge van Toezichts waarschuwing de poorten waren gesloten en met dubbele wachten bezet; de slingers stonden op hunne standplaatsen, en alles was gereed.
Ook konden de Diábolus-mannen in de stad niet zooveel kwaad doen als zij zich hadden voorgenomen, want Menschziel was nu ontwaakt. Maar ach, het arme volk werd zeer verschrikt, toen de vijanden zich eerst vertoonden en vooral toen zij hun trom roerden.[42] Deze was dan ook ijselijk om te hooren; de lieden beefden voor dit geluid wel zeven mijlen ver, althans voor zoover zij wakker waren. Ook zwaaiden de vaandrigs onophoudelijk met hunne afgrijselijke vaandels. [1 Petr. 5 : 8.]
[42] ~De trom van Diábolus~, die Menschziel zoo zeer verschrikte, beduidt de aanvechtingen en verschrikkingen des satans als hij op de wet wijst, die den zondaar veroordeelt, en van dood en verdoemenis gewaagt als rechtvaardig door de ziel verdiend. Dit zijn de verschrikkingen des Boozen.
Toen Diábolus voor de stad kwam sloeg hij zijne legermacht op voor de Oorpoort en deed daarop een geduchten aanval, meenende, dat zijne vrienden in Menschziel gereed waren ook iets te beginnen, maar daarvoor was gezorgd door de kapiteins. Dit viel hem tegen; hulp kreeg hij niet, maar wel leed zijn leger veel schade van de slingersteenen, die de dappere kapiteins moedig op de zijnen wierpen; daarom zag hij zich genoodzaakt achteruit te trekken, buiten het bereik van de slingeraars. [Jak. 4 : 7.]
In den omtrek wierp hij nu vier sterkten tegen de stad op, waarvan de eerste, naar zijn eigen naam, Diábolus heette, om daardoor de arme stad nog meer te verschrikken. Hij meende haar te bespringen als een leeuw zijn buit, en verwachtte, dat zij van schrik voor hem zou nedervallen. Maar de kapiteins en soldaten hielden zich zoo flink, dat hij wijken moest, waardoor de inwoners moed grepen.
Op de hoogte aan de noordzijde der stad opgeworpen, plantte de tiran zijn standaard, ijselijk om aan te zien; want hij had door eene satanische kunst daarin een wapen aangebracht bestaande uit een vurige vlam, waarin een afbeeldsel der stad Menschziel brandde. Hij gaf ook bevel, dat zijn tamboer alle nachten de muren der stad zou naderen[43] en daar den trommel slaan ten einde met de lieden over de overgave te onderhandelen. Overdag durfde hij niet wegens de slingers, maar ’s nachts meende hij hen door dien afgrijselijken trommelslag uit den slaap te houden en zoo bang te maken, dat zij eindelijk bevende van angst hem inlieten. Deze tamboer deed zooals hem geboden was, en als hij dat akelig geluid maakte was er duisternis en benauwheid in de stad en scheen zelfs het licht des hemels verduisterd te worden. Nooit hoorde men op aarde zulk een oorverdoovend geluid, alleen de stem van El-Schaddaï wanneer hij spreekt, uitgezonderd. Menschziel meende dan ook niet anders dan verslonden te zullen worden. [Jes. 5 : 30.]