De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 20

Chapter 203,979 wordsPublic domain

De stedelingen stemden hierin volmondig toe en het verzoekschrift werd opgesteld. Maar wie zou het nu brengen? Ten laatste kwam men overeen, dat de Burgemeester het doen zou. Dit gebeurde. De Burgemeester begaf zich op weg naar het hof van El-Schaddaï, waar Immanuel, de vorst van Menschziel, zich bevond, en hij kwam daar ook aan. Maar de poort was gesloten en een sterke macht bewaakte die, zoodat de afgezant langen tijd moest buiten blijven staan. Daarom verzocht hij, dat iemand tot den Prins mocht gaan om hem mede te deelen wie daar buiten aan de poort stond en wat hij kwam doen. Zoo gebeurde het dan ook. Er was iemand, die aan El-Schaddaï en zijn Immanuel berichtte, dat de Burgemeester van Menschziel daar buiten stond en verzocht in tegenwoordigheid van den Prins te worden toegelaten; maar de vorst wilde niet afkomen of toelaten, dat hem de poort ontsloten werd. Zijn antwoord luidde: „Zij hebben mij den rug gekeerd, en niet het aangezicht, maar nu in dezen tijd hunner benauwdheid zeggen zij tot mij: sta op en behoud ons. Maar kunnen zij nu niet gaan tot hunne Vleeschelijke-Gerustheid, tot wien zij zich begaven als zij mij verlieten, en maken hem in deze benauwdheid tot hunnen leidsman en beschermer? Waarom komen zij mij nu in hunnen angst zoeken, daar zij zich in hunnen voorspoed van mij hebben afgekeerd?” [Klaagl. 3 : 8, 44.] [Jer. 2 : 27, 28.]

Dit antwoord maakte, dat de heer Burgemeester zwart werd in zijn aangezicht, hij was beroerd, verpletterd, als in zijn binnenste verscheurd. Nu begon hij weder te gevoelen wat het te zeggen was geweest gemeenzaam te worden met een Diábolus-man als Vleeschelijke-Gerustheid. Maar ziende dat er voor dit oogenblik aan het hof weinig uitkomst was zoomin voor hem als voor de stad, sloeg hij op zijne borst en keerde weenende terug, den ganschen weg langs het beklagenswaardig Menschziel betreurende.

En als hij nu in het gezicht der stad genaderd was, zoo gingen de oudsten en edelen om hem te begroeten en te vernemen welk wedervaren hij gehad had. Maar hij antwoordde hen op een zoo droevigen toon, dat zij allen het uitschreeuwden, klaagden en weenden. Zij wierpen ook asch op hunne hoofden en deden een zak om hunne lenden, gaande al weenende door de stad. Toen de overige burgers dit vernamen, jammerden zij met hen meê. Dit was voor hen allen een dag van tuchtiging, ontsteltenis, benauwdheid en angst.

Nadat zij nu weder een weinig bedaard waren, kwam het stadsvolk weder samen om te beraadslagen wat hun nu te doen stond. Wederom vraagden zij het advies van den ouden heer Vreeze Gods, en deze zeide hun, dat er geen ander en geen beter middel was dan maar voortdurend requesten te zenden naar het hof; ook al werden ze met bestraffing of met stilzwijgen beantwoord, toch maar telkens opnieuw hunne smeekschriften opzenden. „Want,” zeide hij, „het is El-Schaddaï’s gewoonte de menschen te laten wachten om hun lijdzaamheid te leeren, en zij, die in nood zitten, moeten gewillig zijn om te verbeiden.”

Zoo vatten zij dan weder moed en zonden weder en weder en nogmaals weder; nu ging er geen dag, ja nauwelijks een uur voorbij, of men ontmoette in den omtrek der stad een rijdenden postbode, die op zijn hoorn blies van Menschziel af tot aan het paleis van El-Schaddaï; en die allen droegen smeekbrieven of verzoekschriften ten gunste van Menschziel, of keerden van het hof terug. Ja, de weg was vol boodschappers, gaande en komende, die elkander ontmoetten en dit duurde zoo voort dien ganschen harden kouden wintertijd.

HOOFDSTUK X.

EEN DIABOLISCH COMPLOT.

Wanneer gij het nog niet vergeten zijt, dan herinnert gij u hoe ik u tevoren mededeelde, dat, nadat Immanuel Menschziel had ingenomen en vernieuwd, er nog heel wat loerende Diábolusmannen overbleven, die zich in de holen en spelonken verscholen. De namen van sommigen hunner zijn ook genoemd, als daar zijn Onreinheid, Overspel, Moord, Toorn, Overdaad, Bedrog, Boosoog, Lastering en vooral die gevaarlijke booswicht, de oude Gierigheid. Tegen hen had de goede Prins aan den heer Vastewil en de anderen, ja, aan de gansche stad bevelen gegeven ze op te zoeken, te grijpen en ten onder te brengen, ten einde alzoo de vijanden van hunnen vorst uit de gezegende stad weg te doen. Doch zij hadden dezen last niet volvoerd, en verzuimd de Diábolisten na te speuren en vast te zetten of te verdoen. Wat deden nu deze booswichten? Zij verkloekten zich en staken langzamerhand het hoofd weder op. Nu en dan vertoonden zij zich aan de burgers en sommigen van dezen begonnen, helaas, maar al te gemeenzaam met hen om te gaan, tot groot nadeel der stad, zooals later zal blijken.

[Afbeelding: ZIEKTEN IN MENSCHZIEL.]

Deze overgebleven Diábolus-mannen, bemerkende, dat Menschziel zijnen vorst beleedigd, en hij zich aan de stad onttrokken had en weggegaan was, maakten onderling eene samenzwering tot verderf der stad. Zoo kwamen zij op zekeren tijd samen in den schuilhoek van Boosheid, een oud heer, die ook tot de Diábolus-mannen behoorde, en overlegden daar hoe zij de stad weder in de handen van hunnen heer zouden overleveren. De een raadde dit, de ander wat anders, tot ten laatste de heer Onkuisch voorsloeg, dat enkelen hunner zich aan de inwoners van Menschziel als dienstknechten zouden aanbieden. „Indien het hun gelukt als zoodanig geplaatst te worden, zouden zij voor ons en onzen heer het innemen der stad veel gemakkelijken,” zeide hij. Maar Moord, die booswicht, stond op en sprak: „Dat mag heden niet geschieden, want Menschziel is nu in beroering en zeer boos omdat zij reeds eenmaal door onzen vriend Vleeschelijke-Gerustheid is verschrikt. Wij moeten geschikter tijd afwachten. Daarenboven hebben zij in last ons te grijpen en te verslaan, waar zij ons ook vinden. Laat ons dan listig zijn als de vossen.” Zoo werden zij het dan samen eens, dat éen hunner uit aller naam een brief zou gaan brengen aan Diábolus, waarin men hem alles zou mededeelen zoowel aangaande de ongenade, waarin Menschziel bij zijnen vorst viel, als aangaande hun plan in dezen.

Die brief werd spoedig opgesteld en was van den volgenden inhoud:

„Aan onzen grooten heer, den vorst Diábolus, wonende op den bodem der hel.

„Groote vader en machtige vorst Diábolus, wij uwe getrouwe aanhangers, nog overgebleven in de rebelleerende stad Menschziel, die ons aanzijn van u ontvangen hebben en uit uwe hand leven; -- wij kunnen onmogelijk langer met onverschilligheid aanzien, dat gij aldus veracht, onvriendelijk behandeld en versmaad wordt door de inwoners dezer stad. Ook is uwe afwezigheid ons hoogst onaangenaam, dewijl zij tot onze schade dient.

„De reden, waarom wij thans aan onzen heer schrijven, is omdat wij nog niet alle hoop hebben opgegeven, dat deze stad nog eenmaal weder uwe woning worde; want zij is grootelijks van haren heer afgeweken en hij is tegen haar vertoornd en van haar weggegaan, ja, ofschoon zij telkens opnieuw tot hem zenden, dat hij toch mocht wederkeeren, zoo kunnen zij hem niet bewegen of een goed woord van hem loskrijgen. Er heeft ook onlangs eene hevige ziekte geheerscht, die nog aanhoudt, en dat niet onder lieden van den geringen stand, maar onder de aanzienlijksten en de hoogste rangen. Wij, Diábolus-mannen, blijven echter gezond en wel, sterk en levenslustig, zoodat wij oordeelen, dat zij door hunne overtreding ter eener zijde en hunne ziekte en zwakheid ter anderer zijde gansch en al voor uwe macht open liggen. Zoo het derhalve bestaan kan met uw geduchte wijsheid, en is naar den raad van uwe vorsten om nog eens een aanslag op Menschziel te wagen, laat het ons dan weten, en wij zijn gereed ons uiterste te doen om haar in uwe hand over te leveren. Zoo echter hetgeen wij zeggen door u niet geschikt geoordeeld wordt, laat ons dan uwe meening met een paar woorden weten; want wij zijn bereid uwen raad in alles op te volgen, al hing er ons leven van af.

„Aldus gegeven onder onze eigen hand, na voorafgaand overleg ten huize van den heer Boos, die nog levend overgebleven is, in onze begeerlijke stad Menschziel!”

Toen Onheilig met dezen brief aan den Hellepoortsheuvel kwam, (want hij was de bode), klopte hij aan de koperen poort om te worden binnengelaten. Daarop deed de deurwachter Cerberus de poort open en nam den brief aan, welken hij onmiddellijk aan Diábolus overgaf met de woorden: „Tijding uit Menschziel, Mijnheer! Zij komt van vertrouwde vrienden.”

Nu kwamen uit alle hoeken van den afgrond Beëlzebul, Lucifer, Apollyon met al de rest van dat gespuis voor den dag om te vernemen wat er gaande was. Men opende den brief en las hem in tegenwoordigheid van Cerberus. Die lezing was luid genoeg om hetgeen er in stond in alle hoeken van den afgrond te doen weerklinken. Onmiddellijk werd bevel gegeven, dat van louter blijdschap de doodsklok zou worden geluid, hetgeen ook gebeurde, en alle helsche vorsten verheugden zich, dat Menschziel nog het onderspit zou delven. De klokkeluider riep: „De stad Menschziel -- komt wonen -- bij ons -- in de hel! Maak plaats dan -- voor Menschziel -- in de diepte der hel!” Dit alles bewees, dat zij hoopten Menschziel weer machtig te worden.

[Afbeelding: ONHEILIG VOOR DIÁBOLUS.]

Nadat deze akelige plechtigheid volbracht was, kwamen zij weder samen om te overleggen welk antwoord zij aan hunne vrienden zenden zouden. Omdat de zaak spoed vereischte lieten zij het geheel aan vorst Diábolus over, oordeelende, dat hij de eigenlijke vorst en heer der stad was. Hij stelde dan naar eigen goedvinden een brief op en zond hem door dezelfde hand terug, die de tijding gebracht had. Hier is de inhoud:

„Aan ons geslacht, de hoogmogende Diábolus-mannen, die nog wonen in de stad Menschziel. Diábolus, de groote vorst, wenscht een gelukkigen uitslag aan die goede ondernemingen, raadslagen en voornemens, die gij uit liefde tot onze eer en heerlijkheid in uwe harten koestert, om ze uit te voeren tegen Menschziel.

„Beminde kinderen en leerlingen, Mijneheeren Onkuisch, Overspel en de anderen! Wij hebben hier in ons eenzaam verblijf uw aangename letteren ontvangen door de hand van onzen vertrouweling Onheilig, en om te toonen hoezeer wij er ons over verheugden, hebben wij van blijdschap onze klokken geluid. Hoe blijde zijn wij dat wij nog vrienden in Menschziel hebben, en dat haar Prins vertoornd is weggegaan. Ook hoorden wij met genoegen van hunne ziekte en uwe gezondheid. Hoe blijde zouden wij ook wezen, konden wij deze stad weder in onze macht krijgen, en daartoe zullen wij geen enkele helsche list sparen. Natuurlijk wordt gij dan ook weder onze kapiteins en overheden. Wij komen met sterkere macht dan de eerste maal, want zijn wij er nu weder meester van, dan blijft zij de onze voor eeuwig, aangezien het eene wet van hun vorst is, dat, zoo wij hen ten tweeden male overwinnen, zij dan ons ongestoord en wettig eigendom blijft.

„Doet dan nog nauwkeuriger onderzoek en tracht al de zwakke zijden van Menschziel te bespieden. Gij moet ons ook eens laten weten welk middel u het beste voorkomt om hen te krenken, namelijk door hen tot een loszinnig leven te verleiden of hen tot wanhoop en vertwijfeling te brengen, of wel de stad te laten in de lucht springen door ons buskruit van hoogmoed en zelfbedrog. Houdt u gereed om van binnen een ijselijk wapengeschrei aan te heffen, wanneer wij van buiten vaardig zijn om storm te loopen. Bovendien moeten wij deze dingen met haast doen. Al de zegeningen des afgronds zijn over u!

„Gegeven aan den mond van den put des afgronds door gemeene toestemming van al de vorsten der duisternis om gezonden te worden, naar het geweld, dat wij nog in Menschziel uitoefenen, door de hand van den heer Onheilig.

Door mij, Diábolus.”

Deze brief werd nu naar Menschziel gezonden tot de Diábolus-mannen, welke daar overbleven in de wallen. Toen nu deze Onheilig weder in Menschziel was teruggekeerd, begaf hij zich onmiddellijk naar de woning van heer Boos, want daar kwam de troep samen. Bemerkende, dat hun afgezant gezond en wel was teruggekeerd, verheugden zij zich, en hunne blijdschap nam nog toe toen zij den brief van Diábolus hadden gelezen. Zij vraagden Onheilig naar den welstand van al hunne bekenden in den put des afgronds, en zetten zich daarna weder aan het beraadslagen.

Het eerst werd bepaald, dat zij alles voor Menschziel zouden stil houden. „Laat het toch niemand merken welk voornemen wij tegen hen koesteren,” zeiden zij. Na eenig heen en weer praten stond de heer Bedrog op en zeide: „Echte Diábolus-vrienden, luistert. Onze heeren en machtigen uit den afgrond stellen ons drie wegen voor. De eerste is de weg der loszinnigheid, de tweede die van den wanhoop, en de derde het doen springen van alles door hoogmoed en zelfbedrog. Ik voor mij geloof dat haar hoogmoedig te maken wel iets helpen zal en dat loszinnigheid ook wel eenige uitwerking kan hebben; maar konden wij haar tot wanhoop brengen, dan hadden wij het rechte punt geraakt. Dan zouden wij haar in de eerste plaats aan de hartelijke liefde van haar vorst doen twijfelen, en dat zal hem zeer tegenstaan. Werkt dit een weinig door dan zullen zij wel ophouden verzoekschriften naar hem op te zenden -- dan is het uit met al dat smeeken en kermen om hulp en bijstand; want dan ligt de sluitrede voor de hand: „Waartoe zal dit alles dienen?”” En in dezen raad van Bedrog stemden zij eenparig toe.

Maar nu deed zich de vraag voor: hoe zullen wij dit ons voornemen ten uitvoer brengen? En dezelfde heer beantwoordde die vraag als volgt: „Laat zoovelen van onze vrienden als die niet schromen zich voor hunnen vorst in het gevaar te begeven, zich vermommen, andere namen aannemen, en als boeren verkleed naar de markt gaan. Laat hen zich aanstellen als wilden zij in de stad Menschziel dienen als knechten en arbeiders. Laat hen zich voor hunne meesters zoo diep mogelijk buigen. Indien Menschziel hen dan huurt, zullen zij in korten tijd zoo verdorven worden, dat zij het ongenoegen van hunnen vorst geheel over zich brengen, en hem zóo vertoornen, dat hij hen uit zijn mond spuwt. Is dit geschied, dan zal onze vorst op hen aanvallen, en zij vallen ons als vanzelf in de klauwen.”

[Afbeelding: DIÁBOLUS’ HAAT EN KWAADAARDIGHEID.]

Dit voorstel was nog maar kwalijk gedaan of het werd toegejuicht en al de Diábolus-mannen drongen zich voorwaarts om zulk een schoonen buit machtig te worden. Er werden er nu een drietal uitgezocht, n. l. de heeren Gierigheid, Onreinheid en Gramschap. Gierigheid noemde zich Spaarzaam, Onreinheid veranderde zijn naam in Geoorloofd-vermaak, en Gramschap noemde zich Voortvarendheid.

Op zekeren marktdag lieten zich deze drie vroolijke klanten op den markt vinden, aangenaam voor het oog en in schapenvachten gekleed, die zoo wit waren, ja, bijna zoo wit als de kleederen van Menschziel; ook konden zij de taal van Menschziel duidelijk spreken. Toen zij op de markt gekomen waren en aan de burgers hun dienst aangeboden hadden, werden zij ook spoedig gehuurd, want zij eischten maar weinig loon en beloofden hunnen meesters trouwen dienst.

De heer Gemoed huurde Spaarzaam; en de heer Vreeze Gods huurde Voortvarendheid; Geoorloofd Vermaak ging niet zoo spoedig van de hand; hij kon zoo vlug als de anderen geen meester krijgen, want het was in de vasten. Maar toen deze bijna uit was, kreeg ook hij een dienst bij den heer Vastewil als lijfknecht. Zoo hadden nu allen meesters. Toen deze booswichten op die wijze in de huizen der lieden van Menschziel waren, begonnen zij daar aldra veel kwaads te doen; want listig en boos als dit gebroed was, zoo bedierven zij de huisgezinnen en sarden hunne meesters; vooral Spaarzaam en Geoorloofd-vermaak. Hij, die onder den naam van Voortvarendheid doorging, behaagde ook zijn meester zoo niet, want deze zag weldra, dat hij een huichelachtige deugniet was. En pas had de schelm dit bemerkt of hij pakte zich het huis uit, of anders zou zijn meester hem zonder twijfel hebben opgehangen.

Toen nu deze fielten het zoo ver gebracht hadden en alles zooveel mogelijk hadden bespied en bedorven wat zij konden, beraadslaagden zij op welken tijd Diábolus van buiten den aanval zou wagen, en zij hem van binnen ondersteunen. Zij kwamen overeen, dat een marktdag daarvoor de geschiktste tijd zou wezen; want dan waren de stedelingen het drukste. Men kan dit als een vaste regel aannemen, wanneer de menschen het drukste zijn in hunne bezigheden, dan vreezen zij het minst voor een overval. De Diábolus-mannen zouden dan ook het best den tijd hebben, meenden zij, om te ontsnappen. Dit alles besloten zijnde, schreven zij een brief en zonden dien weer op door de hand van Onheilig. Hij luide ongeveer als volgt:

„De heeren der ijdelheid zenden aan den grooten en machtigen Diábolus, uit onze holen en spelonken in en om de wallen van Menschziel groetenis.

„Onze groote heer en onderhouder van ons leven, Diábolus! hoe blijde waren wij als wij uwe vaderlijke bereidwilligheid vernamen om ons behulpzaam te wezen ten einde Menschziel in het verderf te storten. [Rom. 7 : 21.] [Gal. 5 : 17.]

„Wij hebben dan eerst overwogen dat helsch drievoudig ontwerp, dat gij ons in uwen laatsten brief voorsteldet, en besloten eindelijk dat het ons best voorkwam haar te voeren in eene zee van wanhoop. Wij hebben gemeend op tweeërlei wijzen dit ontwerp uit te voeren. Ten eerste door de stad zoo goddeloos te maken als wij maar kunnen, en daarna u te verzoeken de stad op een gegeven oogenblik aan te vallen. Als gij dan een leger van twijfelmoedigheid meebrengt zult gij wel het best van allen slagen. Op die wijze moeten wij winnen, en als de poel zijn mond opent, zullen zij zich in wanhoop daarin storten. Reeds hebben wij drie van onze vertrouwelingen onder hen gezonden, die zich vermomd en hunne namen veranderd hebben, te weten Gierigheid, Onreinheid en Gramschap. Deze laatste diende onder den naam van Voortvarendheid bij den heer Vreeze Gods, maar die oude heer heeft hem weggejaagd. ’t Had hem bijna zijn leven gekost. De anderen hebben het beter getroffen, maar alle werkten mede om ons plan tot wijsheid te brengen.

„Nu stellen wij u voor, dat gij de stad aanvalt op een marktdag, omdat zij dan het zorgeloost zijn en het minst aan een overval denken; zij kunnen zich dan het minst verdedigen, en wij, uwe getrouwen, zullen gereed staan om u van binnen te helpen. In de verwarring zal alles gelukken. Indien uwe slangenkoppen en draken onzen heer een beteren weg kunnen wijzen, laat ons dan spoedig uw wil kennen.

Aan de monsters van den put des afgronds uit het huis van Boos, in Menschziel, door de hand van Onheilig.”

Al de dagen dat deze helsche booswichten aldus tot verderf der stad samenspanden, was de arme stad in een jammervollen toestand, eensdeels omdat zij El-Schaddaï en zijn zoon zoo zwaar beleedigd hadden, en anderdeels omdat de vijanden van binnen nieuwe kracht kregen; en verder omdat zij op al hunne verzoekschriften om vergeving en genade tot dusverre nog geen vriendelijk antwoord hadden ontvangen. Door de loosheid en listen van de inwonende Diábolisten was hun toestand eer erger dan beter geworden.

De krankheid bleef ook al heerschen in Menschziel, zoowel onder de kapiteins als de burgers der stad, en hunne vijanden waren kloek en sterk; zij schenen nu wel ten hoofd en Menschziel ten staart geworden. ’t Was dan ook in dien tijd dat voormelde brief naar den afgrond werd gezonden, en Onheilig dien aan Hellepoortsheuvel aan Cerberus overhandigde. Toen deze twee elkander weder ontmoetten, waren zij straks zoo gemeenzaam met elkaêr als de eene bedelaar met den ander, en begonnen een gesprek over de zaken van Menschziel en de plannen tegen haar gesmeed. De portier ving aan:

„Wel, mijn oude vriend, zijt gij daar weder aan Hellepoortsheuvel; hoe blij ben ik u te zien.”

Onheilig: „Ja, mijnheer, ik kom hier in het belang der stad Menschziel.”

Cerberus. „Ik bid u, hoe staat het thans met de stad?”

[Afbeelding: ONHEILIG KEERT UIT DEN AFGROND TERUG.]

Onheilig. „Naar het mij voorkomt in een besten toestand; ten minste wat ons aangaat, want zij hebben zeer afgenomen in godsvrucht en dat doet ons goed. Hun Heer is ook zeer op hen vertoornd, en wij hebben grooten invloed op hen en komen in hunne huizen. Ook heerscht er eene erbarmelijke ziekte onder hen, die hen zwak maakt; zoodat wij goede hope hebben het eindelijk nog te winnen.”

„Geen tijd zoo geschikt als deze,” antwoordde Cerberus, de helhond, „om dit oogmerk te bereiken. Ik wensch het van harte om de arme Diábolus-mannen, welke ouder gedurige vrees voor hun leven in Menschziel wonen.”

Onheilig antwoordde: „Het plan is zoo goed beraamd, en zij zijn maar onnoozele duiven; ze hebben geen hart in hun lijf. Alles wel beschouwd moeten wij het winnen.”

Cerberus. „Het is zooals gij zegt, ga binnen bij de heeren, hier. Ik heb uwen brief reeds overgegeven en zij zullen u een goede belooning geven.”

Onheilig trad dan binnen en als Diábolus hem ontmoette, riep hij hem toe: „Welkom, gij trouwe dienaar, ik ben verblijd over den brief!” Ook de andere overheden van den afgrond groetten hem, waarop Onheilig antwoordde: „Dat Menschziel aan mijnheer Diábolus gegeven worde, en dat hij eeuwig haar koning zij!” En daarop gaven de holle afgrond en de gapende muil van de hel zulk een akelig geluid, dat er de bergen van schudden. Dit gold daar voor muziek.

Nadat zij nu den brief besproken en overwogen hadden, overlegden zij ook welk antwoord zij wedergeven zouden. De eerste was Lucifer, die zijn advies gaf in deze woorden. „Het eerste plan van de Diábolus-mannen zal wel gelukken, n. l. om langs allerlei middelen en wegen Menschziel goddeloos te maken. Er is geen betere weg dan deze tot verderf der ziel. Onze oude vriend Bileam sloeg vóor eenige jaren juist dezen zelfden weg in, en het gelukte hem best. Laat dit dan regel bij ons wezen en ten allen tijde ons doel, er is niets in de wereld, dat dit tegenstaan kan, dan alleen de genade, waaraan, naar ik hoop, deze stad geen deel heeft. Maar wat het andere punt betreft om op een marktdag te komen en vallen de stad aan, daar moeten wij eerst nog eens goed over denken; want het kon wel eens wezen, dat zij op dien dag dubbele wachten uitzetten, en dat zij ons op zulk eene wijze opwachtten, dat al hunne burgers te wapen liepen. Dan waart gij bedrogen en onze vrienden geraakten in gevaar.” [Num. 31 : 16.] [Openb. 2 : 14.]

Toen zeide de groote Beëlzebul: „Hetgeen deze overste gezegd heeft dient wel in aanmerking genomen te worden, maar hij zou zich toch kunnen vergissen. Wij moeten daarom eerst eens trachten te weten te komen of de stad Menschziel kennis draagt van haar vervallen staat en van het voornemen, dat wij tegen haar hebben opgevat, zoodat zij hare wachten zou uitzetten op de marktdagen. Sluimeren zij en zijn ze slaperig, welnu, dan kunnen wij het best op een marktdag beproeven. Maar hoe komen wij dat nu te weten? Wacht, laat ons Onheilig binnen roepen, die weet het wel.”

Zoo werd dan Onheilig binnengeroepen, en men stelde hem de vraag voor, waarop hij aldus antwoordde: „Mijne heeren, voor zoover ik weet is Menschziel tegenwoordig vervallen in haar geloof en hare liefde; Immanuel, haar vorst heeft haar den rug toegekeerd; wel zendt zij vele verzoekschriften aan hem, maar hij maakt geen haast om die te beantwoorden. Ook wordt er niet veel meer hervormd.”

„Wel”, zeide Diábolus, „ik ben er best mede tevreden, dat zij traag zijn om zich te hervormen, maar ik vrees hunne verzoekschriften. Toch toont de loszinnige wandel dezer burgers, dat zij weinig ter harte nemen hetgeen zij aan Immanuel vragen; en is hun hart er niet bij, dan zijn die dingen niet veel waard.”

„Indien de zaken aldus staan met Menschziel,” zeide Beëlzebul, „als Onheilig daar zegt, zoo behoeven wij er niet zoo lang over te praten op welken dag wij den aanval zullen doen; dan is er geen kracht in al hunne verrichtingen.”