De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 19
Nog stelde de gezegende Prins een nieuwen overheidspersoon in de stad aan, die een zeer goed man was. Hij heette Vrede Gods. Deze officier werd gesteld over heer Vastewil, den Burgemeester, den Griffier, den tweeden prediker, den heer Verstand, en over alle inboorlingen der stad Menschziel. Hij zelf was geen inboorling, maar kwam met den Prins van ’s konings hof. Hij was een zeer vertrouwde vriend van kapitein Geloof en kapitein Hoop; sommigen zeggen, dat zij bloedverwanten waren en ik geloof het ook. Deze man nu werd aangesteld tot algemeenen gouverneur der stad, waar kapitein Geloof hem ter zijde stond. Ik heb duidelijk opgemerkt, dat zoolang alle dingen in Menschziel naar den zin van dezen goedhartigen edelman gedaan werden, ieder er volkomen gelukkig was. Nu waren er geen twisten of veten, geen vechtpartijen of scheldwoorden in de gansche stad, ieder hield zich nauwgezet bij zijn eigen werk. De wachters, de officieren, de soldaten, allen gehoorzaamden hem. En wat de vrouwen en kinderen betreft, ook zij waren vroolijk aan hunne bezigheden, zij zongen bij den arbeid van den morgen tot den avond, zoodat in de gansche stad niet anders werd gehoord en gezien dan harmonie, rust, vreugde en gezondheid. En dit duurde zoo den geheelen zomer. [Col. 3 : 15.] [Rom. 15 : 13.]
HOOFDSTUK IX.
GEVAAR VOOR MENSCHZIEL.
Maar nu was er een man in de stad, wiens naam was Vleeschelijke-Gerustheid. Deze persoon bracht na al deze barmhartigheid aan deze plaats bewezen de stad Menschziel in een groote en jammervolle slavernij. Een korte beschrijving van hem en zijn werk moet hier volgen.
Toen Diábolus voor het eerst bezit nam van deze stad, bracht hij een groot getal Diábolus-mannen met zich mede, allen lieden van eigen soort. Onder deze nu was er een, die Zelfbedrog heette, een voornaam heer en zoo aanzienlijk als toen ter tijd niemand anders in de stad. Diábolus bemerkende, dat deze zeer werkzaam, stout en onbeschaamd was, gebruikte hem menigvuldig en tot zeer gewichtige zaken, die hij dan ook met veel beteren uitslag vervulde dan eenig ander persoon, die met hem uit den put des afgronds gekomen was, waarom hij hem zeer bevorderde en naast den heer Vastewil plaatste. Daar de heer Vastewil in die dagen heel wat met Zelfbedrog ophad, gaf hij hem zijne dochter, mejuffrouw Zonder Vrees tot vrouw. Welnu uit deze echt van Zelfbedrog en mejuffrouw Zonder Vrees werd Vleeschelijke-Gerustheid geboren. Vandaar kwam het dat in Menschziel zulke vreemde vermenging had plaats gehad, dat het soms moeilijk was uit te vorschen of zij echte afstammelingen van inboorlingen waren of niet; want de heer Vleeschelijke-Gerustheid had van moeders zijde den echten ouden burger Vastewil tot vader, terwijl hij van vaders zijde een Diábolus-man was.
Deze Vleeschelijke-Gerustheid nu, had waarlijk treffende gelijkenis met vader en moeder, hij was zelfbedrog en vreesde niets en daarbij was hij zeer werkzaam en vlug. Daar was niets nieuws, geen nieuwe leer, geen nieuwe mode of handelwijze of welke verandering het ook zij in Menschziel, of hij was er bij van het begin tot het einde. Maar eene eigenschap had hij daarbij van zich nooit te voegen bij de minderheid of bij die het verloren; de sterkste zijde koos hij steeds.
Toen nu El-Schaddaï, die machtige, en Immanuel zijn zoon aan Menschziel den oorlog verklaarden, ten einde het te veroveren, leefde Vleeschelijke-Gerustheid reeds in de stad en maakte hij zich reeds zeer druk onder het volk, het aanmoedigend tot opstand en hen opwekkende om toch in den tegenstand tegen ’s konings troepen te volharden. Maar toen hij zag, dat de stad was ingenomen en omgeschapen in een residentie van den grooten Prins Immanuel, toen hij daarbij ook zag wat er van Diábolus kwam, hoe hij vernederd en verjaagd was en hoe verder alles plaatsvond zooals wij hebben beschreven, keerde hij op eenmaal zijn mantel om, en evenals hij tevoren Diábolus tegen den Prins gediend had, ging hij nu den Prins dienen tegen Diábolus.
[Afbeelding: DE BURGEMEESTER WACHT AAN DE POORT.]
Nadat hij een weinig kennis genomen had van Immanuels doen en handelwijze, voegde hij zich weder bij de burgers en begon ook weer als van ouds over het een en ander meê te praten. Hij wist, dat de macht en sterkte van Menschziel zeer groot waren, en dat het voorzeker de burgerij zeer behagen zou wanneer hij daarover roemde en hen prees. Zoo begint hij dan listiglijk met de macht en grootheid van Menschziel te roemen en haar als onverwinnelijk voor te stellen. Nu eens verheerlijkte hij hare kapiteins en hare slingerwerktuigen en stormrammen; dan weer had hij allerlei schoons te vertellen van hare fortificaties en kasteelen, eindelijk wees hij hen op de duidelijke verzekering van hunnen vorst, dat Menschziel voor altijd gelukkig zou wezen. Toen hij nu bemerkte, dat sommigen der burgers met zijne gesprekken zeer waren ingenomen en zich gaarne door hem lieten vleien, maakte hij er zijn werk van van straat tot straat te wandelen, huis in huis uit te gaan, de burgers éen voor éen te bezoeken, en ten langen laatste bracht hij er Menschziel toe naar zijne pijpen te dansen en telkens toe te nemen in vleeschelijke gerustheid, tot zij eindelijk zoo onbezorgd waren als hij zelf. Van het praten kwam het tot maaltijden, en van deze feestdagen zelfs tot spotternij. Zoo kwam uit het éen het andere voort. Nu was Immanuel nog in de stad en zag deze dingen aan. Hij bemerkte dat de Burgemeester, de heer Vastewil en de Griffier ook al door het gebabbel van dezen Diábolus-man waren medegesleept, vergetende de waarschuwing, die hun vorst hun had gegeven om toch door geen enkele Diábolische streek zich te laten verschalken. Hij had hun immers duidelijk aangetoond, dat hunne veiligheid niet afhing van de tegenwoordige kracht en sterkte der stad alleen, maar veel meer van het gebruik, dat zij daarvan maakten, en van de inwoning van Immanuel in haar kasteel. Want de rechte leer van Immanuel was, dat de stad Menschziel toch zou toezien om nooit de liefde van hem of zijn Vader te vergeten, zich aldus gedragende, dat zij in deze liefde bleven om daaruit kracht te putten. En dit was nu immers geenszins de weg om daarin te blijven, namelijk waar zij zoo verliefd geraakten op dezen Diábolus-man, en dan nog wel op zulk een persoon als deze Vleeschelijke-Gerustheid was, zoodat zij zich door hem bij den neus lieten nemen. Zij hadden naar hun Prins moeten luisteren; hunnen Prins moeten vreezen, hunnen Prins beminnen, en dezen nietswaardigen deugniet met steenen steenigen. Ze hadden moeten blijven wandelen in de wegen, door den Vorst hun voorgeschreven, want dan zou hun vrede geweest zijn als eene rivier en hunne gerechtigheid als de golven der zee.
Toen nu Immanuel bemerkte, dat door de slimme handelwijze van den heer Vleeschelijke-Gerustheid de harten der lieden van Menschziel jegens hem waren verkoeld en hun werkdadige liefde jegens hem verminderd, begon hij eerstens met den Oppergeheimschrijver hun staat en toestand te beweenen, zeggende: „O, dat mijn volk naar mij had geluisterd en dat Menschziel in mijne wegen gewandeld had! Ik zou het met de vetste tarwe hebben gevoed, en zou hen gelaafd hebben met honig uit den rotssteen.” Daarna sprak hij in zijn hart: „ik zal terugkeeren naar het hof en naar mijne eigen plaats gaan opdat Menschziel hare schuld in dezen leere kennen en inzien.” En zoo deed hij dan ook weldra, want zij maakten, dat hij weg moest door dat zij hem veronachtzaamden. Ziet hier wat ze deden.
1^{e}. Zij hielden op hem volgens hunne gewoonte te komen bezoeken; neen, ze kwamen niet meer als tevoren in het koninklijk paleis.
2^{e}. Het kon hen niet meer schelen of hij hen kwam bezoeken in hunne woningen.
3^{e}. Zij verzuimden nu tot de liefdemaaltijden te komen, die hij steeds voor hen gereed maakte. Hij liet hen wel roepen, maar zij kwamen niet en verheugden er zich niet meer mede.
4^{e}. Zij wachtten niet langer tot hij hun raad gaf, maar zij begonnen eigenwijs en zelfvertrouwend te worden, besluitende, dat zij nu sterk genoeg waren en onoverwinnelijk, en dat Menschziel veilig was boven het bereik van elken vijand en dat hun toestand voor eeuwig onbewogen blijven zou.
Nu, zooals gezegd is, Immanuel bemerkende, dat door den invloed van Vleeschelijke-Gerustheid de stad Menschziel hare afhankelijkheid van hem en zijn Vader niet meer gevoelde en waagde hem te beleedigen, zoo betreurde hij eerst haar staat en toen stelde hij middelen in het werk om haar te doen verstaan, dat haar tegenwoordige weg gevaarlijk was. Daartoe zond hij den Oppergeheimschrijver tot haar om haar zulke wegen te ontraden. Toen deze tot de burgers kwam vond hij hen juist bij den heer Vleeschelijke-Gerustheid aan tafel en met hem in gesprek. Alzoo bemerkende, dat zij niet over dingen met hem wilden spreken, die hen goed konden doen, werd hij bedroefd en ging weg. Pas had hij dit aan den Prins verhaald, of deze was daar zoo boos en bedroefd om, dat hij maatregelen nam om naar zijns Vaders hof terug te keeren.
De manier waarop hij daarbij handelde, was deze:
1^{e}. Ofschoon hij nog in Menschziel bleef zoo hield hij zich meer verborgen en afgezonderd dan eertijds.
2^{e}. Zijn toespraak was, als hij tot hen kwam, niet meer zoo aangenaam en vertrouwelijk als tevoren.
3^{e}. Ook zond hij evenmin als in verleden tijden aan de burgers lekkernijen van zijn eigen tafel.
4^{e}. Ook als zij hem nog nu en dan bezochten, wilde hij niet meer zoo dadelijk hen te woord staan, zooals zij hem vroeger altijd bereid hadden gevonden. Zij moesten nu een of tweemaal kloppen, maar het scheen, dat hij hen niet opmerkte, terwijl vroeger als hun voetstap maar vernomen werd, hij reeds opstond en hen tegemoet ging om hen onderweg te ontmoeten, te omhelzen en aan zijn hart te drukken.
Maar Immanuel hield zich maar zoo; het was zijn doel op deze wijze hen tot nagedachten te brengen opdat zij tot hem wederkeerden. Maar, helaas, zij merkten het niet op, zij kenden zijne wegen niet, zij werden er niet door getroffen en vergaten de vorige gunstbewijzen. Wat deed hij dan nu? Hij verwijderde zich stillekens uit zijn paleis en begaf zich naar de stadspoort. Zoo verliet hij dan Menschziel totdat het arme volk zijne overtreding leerde kennen en zeer ernstig zijn aangezicht zocht. Ook de heer Vrede Gods legde zijne bediening neer en wilde voor het tegenwoordige niets meer met de stad te doen hebben. [Ezech. 11 : 21.] [Hos. 5 : 15.] [Lev. 26 : 21-24.]
[Afbeelding: BOODSCHAPPERS GAANDE NAAR EN KOMENDE VAN MENSCHZIEL.]
Aldus gedroegen zij zich verkeerd jegens hem en hij bij wijze van tegenstelling gedroeg zich ook verkeerd jegens hen. Maar, helaas, te dezer tijd waren zij zoo verhard in hunne wegen en hadden zij de leer van Vleeschelijke-Gerustheid zóo ingedronken, dat het vertrek van den Prins hen niet trof; zij bemerkten het niet eens, dat hij wegging en daarom bedroefde zijne afwezigheid hen ook niet. [Jer. 2 : 32.]
Nu gebeurde het op zekeren tijd, dat deze oude heer Vleeschelijke-Gerustheid een feest aanrichtte voor de burgers van Menschziel, en daar kwam ook een zekere heer Vreeze Gods bij, een edelman, die eertijds groote achting genoot in Menschziel. Helaas, het voornemen van Vleeschelijke-Gerustheid was ook dezen heer te misleiden evenals de rest, daarom had hij hem thans met zijne buren op het feest verzocht. Op het bestemde uur kwam hij dan ook met de andere gasten. Ze gingen aan tafel en dronken samen, maar deze eene man, Vreeze Gods, deed niet meê; want hij zat daar als een vreemdeling, die er in het geheel niet bij behoort. Dit bemerkte de gastheer en sprak hem aan:
„Mijnheer Vreeze Gods,” zeide hij, „zijt gij niet wel? Gij schijnt naar lichaam of ziel krank te wezen of misschien wel beiden tegelijk. Ik heb eene hartsterking voor u, door Vergeet-het-Goede klaar gemaakt; indien gij daar een droppel of wat van neemt, zal het u recht prettig en vroolijk maken, en daardoor dan ook meer geschikt voor dit lustige gezelschap.”
Daarop antwoordde de goede oude heer zeer vriendelijk: „Ik bedank u wel voor al uwe beleefdheden en voorkomendheid; maar wat uwe hartsterking betreft, daarin heb ik geen lust. Ik zal slechts éen woord spreken tot de inwoners van Menschziel. „Gij ingeborenen van Menschziel, gij oudsten en voornaamsten der stad, hoe is het mogelijk, dat gij u zoo vroolijk en blijde gedragen kunt, waar onze goede stad in zulk een beklagenswaardigen toestand verkeert?”
Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Gij hebt slaap noodig, mijn goede man, dat geloof ik vast. Leg u als het u belieft neer en slaap eens uit, dan kunnen wij in dien tusschentijd vroolijk zijn.”
Daarop antwoordde de goede man het volgende: „Mijnheer, wanneer gij een eerlijk hart bezat, zoudt gij niet kunnen handelen zooals gij doet en gedaan hebt.”
Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Wat dan?”
Vreeze Gods. „Ik bid u val mij niet in de reden. Het is waar, dat de stad Menschziel sterk was en op éene voorwaarde ondoordringbaar en onneembaar; maar gij, de lieden der stad zelven, hebt haar verzwakt, en daarom ligt zij thans voor hare vijanden open. Nu is het geen tijd om elkander te vleien, of om stil te zitten; gij, mijnheer, hebt Menschziel beroofd en de eere van haar genomen; gij hebt de stad nedergeworpen, de poorten opengebroken, gij hebt hare grendels en sloten weggenomen.
„En om mij nu nauwkeurig uit te drukken, Mijne heeren van Menschziel, van dien tijd af, dat gij zoo groot zijt geworden, is de sterkste van Menschziel weggenomen; hij is opgestaan en heengegaan. Wanneer iemand de waarheid mijner woorden in twijfel trekt, dan zal ik hem alleen beantwoorden met deze wedervraag: waar is de Prins Immanuel? Waar heeft iemand onzer hem gezien? Wanneer hoordet gij van hem of proefdet iets van zijne kostelijke lekkernijen? Gij zijt nu bezig feest te vieren met de Diábolische monsters, maar hij is uw vorst niet. Daarom zeg ik, ofschoon de vijanden van buiten, als gij u goed gehouden hadt, geen prooi van u hadden kunnen maken, zoo zijn, sedert gij gezondigd hebt, uw vijanden binnen in u, u reeds te sterk!”
Toen Vleeschelijke-Gerustheid dit hoorde riep hij: „O foei, Vreeze Gods! Foei wat is dat voor taal? Zult gij dan nooit uwe bloohartigheid afleggen? Zijt gij dan nog altijd bang voor het vogelgeschrei? Wie doet u kwaad? Ik houd het geheel met u, alleen met dit onderscheid, dat gij het twijfelen bemint, en ik ben gaarne verzekerd van de zaak. Waarom vervalt gij dan nu tot uwe eigen schande en tot onze schrik in zulke droefgeestige redenen, daar gij beter deedt te eten en te drinken en vroolijk te zijn?”
Maar Vreeze Gods antwoordde weder: „Met recht mag ik droevig wezen, want Immanuel is van Menschziel weggegaan. Hij is weggegaan, zeg ik, en gij zelf hebt hem verdreven; ja Hij is zóo stillekens afgetrokken, dat hij de edelen van Menschziel geen kennis gegeven heeft van zijn vertrek. En als dit nu niet als een teeken van zijne gramschap is te beschouwen, dan heb ik van den weg der Godzaligheid geene kennis.
„En gij, mijne heeren edelen! tot u richt ik in het bijzonder het woord. Dat gij u zoo trapsgewijze van hem vervreemd hebt, heeft hem genoodzaakt zich ook langzamerhand van u terug te trekken, hopende dat gij daardoor gevoelig zoudt worden en uzelven verootmoedigen. Maar ziende, dat gij daarop geen acht sloegt noch de beginselen van zijnen toorn en zijne oordeelen hebt ter harte genomen, zoo heeft hij deze plaats verlaten, dat heb ik met eigen oogen gezien. Terwijl gij aldus roemt is uwe sterkte vergaan, en gij zijt gelijk aan den man, wien vroeger de haarlokken op zijne schouders hingen, maar nu zijn ze afgesneden. Gij moogt evenals dezen uwen gastheer uzelven uitschudden en denken, dat gij zult uitgaan als in vroegere tijden, maar daar gij zonder uwen vorst niets vermoogt en hij van u is geweken, zoo verandert vrij uwe feesten in jammerklachten en uwe vreugde in klaagliederen.”
Toen begon onmiddellijk de tweede leeraar, de oude heer Geweten, die vroeger griffier van Menschziel was, hem op deze wijze te helpen.
„Inderdaad, mijne broeders”, zeide hij, „ik vrees, dat deze oude heer ons de waarheid zegt: ik voor mij heb mijn heer en vorst in langen tijd niet gezien; ik herinner mij zelfs den juisten datum niet meer, en ik kan de vraag van Vreeze Gods niet beantwoorden. Ik twijfel en ik vreeze, dat het noodlottig met ons gesteld is.”
Vreeze Gods. „Neen, ik weet, dat gij hem niet vinden zult in gansch Menschziel, want is hij heengegaan, en wel om den wille van de schuld der oudsten, omdat zij zijn goede gunsten met onverschilligheid beantwoord hebben.”
[Afbeelding: ONHEILIG AAN DE POORT DES AFGRONDS.]
Toen zag de heer Geweten er uit alsof hij dood neervallen zou en desgelijks alle aanwezigen uitgezonderd de heer van het huis. Allen zagen bleek van schrik. Zich daarna een weinig hersteld hebbende en zich overtuigd hebbende, dat Vreeze Gods de waarheid sprak, begonnen zij samen te overleggen wat in dezen te doen ware. De gastheer had zich intusschen verwijderd, want het ging hem niet naar den zin; maar allen werden overtuigd, dat hij hen in de ellende gebracht had, en dat zij daardoor de liefde van Immanuel verbeurd hadden. Daarbij kwam een woord van hunnen vorst weer versch in hun geheugen terug aangaande hetgeen zij met de valsche profeten doen zouden. Het eind van deze beraadslaging was, dat zij het gansche huis van den heer Vleeschelijke Gerustheid boven zijn hoofd in brand staken, want het bleek, dat hij ook een Diábolus-man was.
Toen dit geschied was deden zij hun best om hunnen vorst Immanuel in het oog te krijgen. Zij zochten hem, maar zij vonden hem niet. Daardoor werden zij nog meer overtuigd van de waarheid van ’s heeren Vreeze Gods woorden, en hiermede kwam ook een groote droefheid over hen, omdat zij wel inzagen, dat dit alles hun eigen schuld was. [Hoogl. 5 : 6.]
Nu begaven zij zich tot den Oppergeheimschrijver, tot hem, dien zij vroeger geweigerd hadden te hooren, en dien zij met hunne handelingen zoo hadden gegriefd. Zij wilden omdat hij een ziener was, van hem te weten komen waar Immanuel was, en hoe zij hunnen heer een verzoekschrift zouden toezenden, maar de Oppergeheimschrijver wilde hen niet tot eene samenkomst toelaten, tot hen uitkomen. [Jes. 63 : 10.] [Efez. 4 : 10.] [1 Thess. 5 : 19.]
O, welk een nevelachtige en donkere dag was het nu voor Menschziel! Een dag van wolken en donkerheid. Nu zagen zij in hoe dwaas zij geweest waren, en welk eene schade al het gesnater van Vleeschelijke-Gerustheid hun had bezorgd! Maar wat het hun nog verder kosten zou, dat wisten zij niet; maar de heer Vreeze Gods kwam in hoog aanzien en er werd op hem gezien als een profeet.
Toen de sabbatdag was aangebroken, gingen zij uit om hunnen tweeden leeraar te hooren prediken; maar o, wat liet hij dezen dag een donderslagen en bliksemschichten door de vergadering gaan. Zijn tekst was: „Die de valsche ijdelheid onderhouden, verlaten hunne weldadigheid.” Maar er was zulk eene kracht in die preek en zulk eene verootmoediging op het aangezicht der hoorders te lezen, dat nog maar zelden of ooit zulk eene prediking had plaats gehad. Het volk, dat uit de kerk kwam, was maar kwalijk in staat hun woning weder te bereiken en de volgende week hun gewone bezigheden te doen, zóo waren zij verbroken en ter neergeslagen door die ernstige verkondiging. [Jona 2 : 8.]
Maar hij hield niet alleen Menschziel hare zonden voor, maar beefde ook voor zichzelven onder het gevoel van zijne eigen schuld. O riep hij uit, ongelukkige, die ik ben! dat ik zulke booze stukken gedaan heb! En dat nog wel ik, een leeraar, die door den vorst aangesteld is om Menschziel te onderrichten en zijne wet te verklaren, dat ik de eerste geweest ben om mede af te vallen in de ongerechtigheid. Ik had tegen den afval met luider stem behooren te waarschuwen, maar ik liet Menschziel afdwalen en Immanuel uit haar midden wegdrijven, ja, zich verwijderen uit hare landpalen. Met deze dingen beschuldigde hij ook al den adel en de heeren van Menschziel, zoodat allen even bedroefd waren.
Omtrent dezen tijd brak er ook een zware ziekte in de stad uit, waardoor de meeste inwoners getroffen werden. Ja, ook de kapiteins en het krijgsvolk geraakten daardoor aan het uitteeren, en dit had al eenigen tijd plaats gehad eer het openbaar werd. Ware in dezen staat van zaken een vijand gekomen om de stad te belegeren, het zou er treurig hebben uitgezien. Hoeveel bleeke aangezichten, hoeveel slappe handen en zwakke, knikkende knieën, hoeveel struikelende menschen waren nu langs de straten te zien! Hier hoorde men zuchten, ginds gekerm, elders lagen er eenigen als aan den oever des doods. Ook de kleederen, die Immanuel hun gegeven had, waren in een slechten staat, haveloos, gescheurd, bemorst en onrein zagen zij er uit, en aan sommigen hingen ze zoo los om de leden, dat er gevaar bestond ze ieder oogenblik te verliezen. [Hebr. 12 : 12, 13.] [Jes. 3 : 24.] [Openb. 3 : 2.]
Toen men nu eenige dagen in dezen naren staat doorgebracht had liet de heer Geweten een vastendag uitroepen, opdat een ieder zich zou verootmoedigen wegens zijne goddelooze handelingen jegens El-Schaddaï en diens zoon. Hij verzocht Boanerges op dien vastendag te prediken, hetgeen deze ook deed, en ter bestemder tijd voor het volk optrad met de woorden: „Houwt hem uit, waartoe beslaat hij onnuttelijk de aarde?” Nu, hij hield daarover een zeer scherpe preek. Hij toonde aan bij welke gelegenheid die woorden waren gesproken, namelijk omdat de vijgeboom dor en onvruchtbaar was. Daarna verklaarde hij hun de beteekenis dezer vermaning als dienende tot bekeering of algeheele verwoesting. Ook wees hij op het gezag, dat dit woord had als door El-Schaddaï zelven gesproken. En de toepassing van die preek was van dien aard, dat het arme Menschziel sidderde en beefde. Deze predikatie evenals de voorgaande vermocht veel op het hart der lieden; zij was dienstig om degenen, die door de eerste preek wakker geschud waren, ook wakker te houden. De gansche stad was nu vol droefheid en weeklacht. [Luk. 13 : 7.]
[Afbeelding: DIÁBOLONISTEN VERKLEED OP DE MARKT.]
Nadat de kerk uit was kwamen de lieden samen om te raadplegen wat in dezen te doen ware. Maar de tweede prediker der stad sprak: „Ik wil niets doen uit mijzelven zonder geraadpleegd te hebben met mijn buurman Vreeze Gods. Want daar hij in het eerst meer van onzen vorst en diens handelingen wist dan wij, zoo zou het ook nu kunnen wezen, dat hij ons wist te raden, daar wij naar het goede pad willen terugkeeren.”
Zoo werd dan om Vreeze Gods gezonden, die aanstonds verscheen en zich aldus liet hooren: „Ik ben van oordeel, dat Menschziel in deze hare benauwdheid een ootmoedig rekwest aan hare beleedigden vorst Immanuel moet aanbieden om hem te verzoeken, dat hij in gunst en genade tot haar wederkeere en niet voor eeuwig den toorn behoude.”