De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 18

Chapter 183,990 wordsPublic domain

Welk eene vreugde, welk een troost nu de harten der goede lieden in deze gelukkige stad vervulde, kan men zich nauwelijks verbeelden! De klokken luidden, de muziekanten speelden, het volk danste, de kapiteins juichten, de vaandels waaiden in den wind, de zilveren trompetten werden geblazen, en de Diábolus-mannen waren nu maar blijde, dat zij zich konden versteken, want zij zagen er uit als degenen, die al lang dood zijn geweest.

Toen dit voorbij was zond de Prins weder om de oudsten van Menschziel en beraadslaagde met hen over een ministerie, dat hij in hun midden wilde vestigen, zulk een ministerie, dat hen aangaande de tegenwoordige en toekomende dingen zou inlichten en hen in alles onderwijzen.

„Want,” zeide hij, „gij zijt van uit uzelven niet in staat den wil mijns Vaders te kennen en diensvolgens evenmin te doen, wanneer gij geene leeraren en leidslieden hebt.” [Jer. 10 : 23.]

[Afbeelding: DAGELIJKSCHE LEZING BEGONNEN IN MENSCHZIEL]

Bij deze tijding kwam, toen de oudsten van Menschziel die aan het volk hadden medegedeeld, de gansche stad tezamen; want het behaagde hen, evenals alles wat de Prins thans deed aan het volk behaagde, en allen zonder onderscheid smeekten Zijne Majesteit, dat hij maar dadelijk zulk eene bediening onder hen wilde invoeren, die hen beide wet en oordeel, instelling en gebod leerde verstaan, opdat zij in al wat goed en liefelijk was zouden worden ingewijd. Zoo verhaalde hij hun, dat hij hun verzoek zou inwilligen, en dat hij er twee onder hen wilde aanstellen met dit doel; de een kwam van zijns vaders hof en de andere was een ingeborene van Menschziel.

„Hij, die van het hof komt,” zeide de Prins, „is een persoon van niet mindere waardigheid en macht dan mijn vader en ik. Hij is de Opperste Geheimschrijver van mijns Vaders huis, want hij is en was altijd de opperste uitlegger van al mijns Vaders wetten, een persoon in alle geheimen ingewijd en kennende alle verborgenheden even goed als mijn Vader en ik. Inderdaad is hij dan ook één met ons van natuur, even beminnenswaard, even trouw en waarachtig, en hij staat in eeuwige betrekking tot de stad Menschziel. [2 Petr. 1 : 21.] [1 Cor. 2 : 10.] [1 Joh. 5 : 7.]

„En deze persoon,” zeide de Prins, „moet uw opperste leermeester wezen, want hij is het en hij alleen, die u klaar en duidelijk in alle hooge en bovennatuurlijke dingen kan onderwijzen. Hij en hij alleen is het, die de wegen en handelwijzen van mijn Vader kent; ook kan niemand gelijk hij openbaren hoe het hart van mijnen Vader ten allen tijde, in alle dingen, onder alle omstandigheden jegens Menschziel is gestemd, want evenals niemand de dingen des menschen weet dan de geest des menschen, die in hem is, zoo weet niemand de dingen mijns Vaders dan deze voorname en machtige Geheimschrijver. Ook kan niemand gelijk hij aan Menschziel verhalen hoe en wat zij doen moet om in de liefde mijns Vaders te blijven deelen. Hij kan ook alleen verloren dingen terechtbrengen, het verledene u herinneren en de toekomst u bekendmaken. Deze leeraar moet daarom noodzakelijk den voorrang hebben, beide in uwe toegenegenheid en oordeel, boven uwen anderen leermeester; zijne persoonlijke waardigheid, de uitnemendheid van zijn onderwijs, de groote behendigheid, die hij bezit om u te helpen om verzoekschriften op te stellen aan mijn Vader; dit alles moet u de verplichting opleggen om hem lief te hebben, hem te vreezen en op te passen, dat gij hem niet beleedigt. [Joh. 14 : 26; 16 : 13.] [1 Joh. 2 : 27.]

„Deze persoon kan leven en kracht leggen in alles wat hij zegt: en kan u dat ook in het hart prenten. Deze persoon kan zieners van u maken en u leeren de toekomstige dingen te vertellen. Met dezen persoon moet gij al uwe verzoekschriften tot mijn Vader en mij bespreken, en zonder zijne voorlichting en raad mag niemand de stad of het kasteel van Menschziel binnentreden, want dat zou zijn edele persoonlijkheid kwetsen. [1 Thess. 1 : 5, 6.] [Jud. 20.] [Efez. 6 : 18.] [Rom. 8 : 26.] [Openb. 2 : 7, 11, 17, 29.] [Efez. 4 : 30.] [Jez. 63 : 10.]

„Pas op, zeg ik u, dat gij zijne bediening niet miskent; want als gij hem bedroeft zal hij zich vijandig tegen u over stellen, en mocht hij zoodanig door u worden getergd, dat hij u den oorlog aandoet, dan zou u dit meer leed brengen dan twaalf legioenen krijgslieden van mijns Vaders hof.

„Maar, zooals ik zeide, wanneer gij naar hem luistert en hem liefhebt, wanneer gij u aan zijn onderwijs onderwerpt en zijnen omgang zoekt, gemeenschap met hem houdende, dan zult gij hem tienmaal beter vinden dan de geheele wereld en haar bezit, ja hij zal de liefde mijns Vaders in uw hart uitstorten en de inwoners van Menschziel zullen de wijsten en gezegendsten van alle volken zijn.”

Toen liet de Prins tot zich roepen den ouden edelman, die eertijds Griffier of Secretaris van Menschziel geweest was, namelijk den heer Geweten. Hij deelde hem meê, dat aangezien hij wel bekend was met de wetten van het gouvernement, en daarbij wel bespraakt om aan de inwoners den wil zijns Meesters uit te leggen en te openbaren in alle aangelegenheden, zoo werd hij aangesteld tot deze bediening in de goede stad Menschziel. „Gij moet u vooral toeleggen,” zeide de Prins, „op het onderwijs van alle deugden en burgerlijke plichten; maar gij moet nooit trachten of voorgeven een openbaarder te zijn van de hooge en verborgen dingen, die in den boezem van El-Schaddaï, mijnen Vader, besloten liggen; want deze dingen weet niemand noch kan iemand openbaren dan mijns Vaders Geheimschrijver alleen.

„Gij zijt een inboorling der stad Menschziel, maar de heer Oppergeheimschrijver is een inboorling van mijns Vaders paleis, daarom evenals gij kennis draagt van alle wetten en instellingen dezer stad, zoo draagt hij kennis van al de dingen mijns Vaders.

„Daarom, o Mijnheer Geweten, ofschoon ik u gemaakt heb tot een bedienaar, leeraar en prediker voor de stad Menschziel, toch wat de dingen aangaat, die de heer Oppergeheimschrijver kent en aan dit volk zal onderwijzen, zoo moet gij een leerling en scholier van hem wezen evenals al de andere burgers van Menschziel.

[Afbeelding: DE PRINS BEKLEEDT HET VOLK.]

„Gij moet daarom in alle hooge en bovennatuurlijke dingen tot hem gaan om onderricht en vingerwijzing, want de inspiratie van dezen persoon moet iedereen het rechte verstand geven. Daarom, o, gij heer Griffier, houd u klein en wees nederig, en bedenk, dat de Diábolus-mannen, die hun eerste beginsel niet bewaarden, maar afvallig werden nu gevangen liggen in den afgrond. Wees daarom tevreden met uwen post. [Job. 32 : 8.]

„Ik heb u mijns Vaders officier van justitie gemaakt in die dingen, waarvan ik tevoren gesproken heb, en daarom gebruik uwe macht om de lieden van Menschziel te onderwijzen, en om hen te tuchtigen en te kastijden, wanneer zij niet gewillig zijn om u te hooren en uwe bevelen te doen.

„En nu, Mijnheer, dewijl gij oud zijt, en door vele wederwaardigheden reeds verzwakt, daarom geef ik u vrijheid om wanneer gij wilt tot mijne fontein te gaan en daar vrijelijk van mijn druivenbloed te drinken, want mijne kanalen stroomen altijd van louter wijn. Aldus doende zult gij alle onreinheid en schadelijke stoffen van uw hart en uwe maag afdrijven. Ook zullen uwe oogen er door worden verlicht en uw geheugen versterkt om al de wetten, die des konings edele Geheimschrijver u leert te zien en te onthouden.” [Hebr. 9 : 14.]

Toen de Prins aldus den voormaligen Secretaris of Griffier den post van minister in Menschziel had geschonken, en de man dien dankbaar had aanvaard, richtte Immanuel zich in een bijzondere toespraak tot de lieden der stad zelven.

„Ziet gij nu,” zeide de Prins tot hen, „mijne liefde en zorg? Ik heb bij al wat verleden is nog deze barmhartigheid gevoegd om u leeraars en predikers te geven; den hoogedelen Oppergeheimschrijver om u in alle diepe en verheven mysteriën te onderrichten, en dezen edelman” -- wijzende op den heer Geweten -- „om u alle menschelijke en huishoudelijke zaken te leeren, want daarin bestaat zijne roeping. Hij behoeft het daarom niet na te laten alle dingen, die hij uit den mond van den Oppergeheimschrijver heeft gehoord, aan u mede te deelen, alleen mag hij zich niet onderwinden zelf in eigen persoon een uitlegger en openbaarder der verborgenheden te zijn; want dit ligt alleen op den weg van den Oppergeheimschrijver zelven. Hij mag daarover spreken en dat mogen de overige burgers van Menschziel ook doen, ja als de gelegenheid zich aanbiedt mag en moet hij die zelfs zeer aandringen tot nut van het algemeen. Deze dingen wil ik derhalve, dat gij zult waarnemen en doen, want zij bevorderen uw leven en de lankheid uwer dagen.

„Bovendien, geliefde heer Griffier en gij allen, die in de stad Menschziel woont -- gij moet u hechten aan hetgeen hij u heeft te leeren en uit te leggen tot uwen troost voor de toekomende wereld, die ik het voornemen heb u te geven als deze wereld oud en versleten is; want daartoe moet ge geheellijk en alleen uw toevlucht nemen tot de leer, die uw eerste en opperste leermeester u onderwijst. Ja, de heer Geweten zelf moet niet trachten het leven te putten uit datgene, hetwelk hij zelf openbaart; zijne afhankelijkheid daaromtrent is duidelijk in de leer van den anderen prediker. Laat de heer Geweten aldus zorg dragen, dat hij geen andere leer aanneemt, die hem niet is meêgedeeld door zijn oppersten leeraar, of die hem alleen is duidelijk geworden door zijne eigen kennis.”

Nadat nu deze dingen in de vermaarde stad waren ingesteld, ging de Prins voort aan de oudsten der gemeente een noodzakelijke aanwijzing te geven hoe zij zich hadden te gedragen omtrent de hoogedele kapiteins, die hij van zijns Vaders hof had medegebracht of gezonden.

„Deze kapiteins,” zeide hij, „hebben de stad Menschziel lief en zij zijn uitverkoren mannen, uitverkoren uit velen om in de oorlogen van El-Schaddaï tegen Diábolus te dienen tot behoudenis der stad Menschziel. Daarom beveel ik u, gij inwoners van deze nu bloeiende stad, dat gij u niet onbetamelijk jegens hen gedraagt, want ofschoon zij harten en aangezichten hebben als leeuwen wanneer zij ten strijde worden geroepen tegen de vijanden des konings en de vijanden van Menschziel, zoo zal het evenwel gebeuren, dat wanneer Menschziel hen slechts een weinig ongenoegen geeft of droefheid veroorzaakt hunne aangezichten daardoor bedrukt en verslagen zullen worden, ja, gij zult hen verzwakken en den moed benemen. Gedraagt u derhalve, o mijne beminden, niet onvriendelijk jegens mijne kloekmoedige kapiteins en dappere oorlogshelden; maar hebt hen lief, voedt en ondersteunt hen en zet uw hart op hen, en zij zullen niet alleen voor u strijden, maar ook maken, dat alle Diábolusmannen, die het er op blijven toeleggen om u zoo mogelijk ten val te brengen en te verderven, van u zullen wegvlieden.

„Indien te eeniger tijd iemand uit uw midden ziek of zwak of onbekwaam ware tot den liefdedienst waartoe uwe harten geneigd zijn, en dien zij bij gezondheid en welstand ook waarnemen, zoo veracht of verwerpt hen dan niet, maar moedigt hen liever aan, al zijn ze zwak en den dood nabij; want ze zijn uwe beschermers, uw garnizoen, uwe muren, uwe poorten, uwe sloten en grendelen. En hoewel gij als ze zwak zijn, weinig bijstand van hen hebt te wachten, ja zij dan zelfs uwe hulp noodig hebben, zoo weet gij toch tot welke oorlogsdaden zij in staat zijn wanneer het hun welgaat. Bedenkt daarbij, dat zoo zij zwak zijn, gij niet sterk kunt wezen, en zoo zij sterk zijn, gij niet zwak kunt zijn. Uwe behoudenis is dus nauw verbonden aan hun gezondheid en welvaren en aan het goede, dat gij hun doet. En bedenkt ook dat als zij ziek zijn, hunne krankheid aanstekelijk is voor de stad Menschziel. [Hebr. 12 : 12.] [Jes. 35 : 3.] [Openb. 3 : 2.][1 Thess. 5 : 14.]

„Deze dingen heb ik u gezegd, omdat ik uw welvaren en uwe eere bemin. Neem u daarom in acht, o mijn Menschziel, dat gij nauwgezet zijt in alle dingen, die ik u opdraag en dat niet slechts als eene stadsgemeente aan uwe bestuurders, wachters en hoofdlieden, maar ook aan u als afzonderlijke personen, omdat uw welzijn afhangt van het inachtnemen der bevelen van uwen Heer.

[Afbeelding: VERVERSCHINGEN NAAR MENSCHZIEL GEBRACHT.]

„Verder, o, mijn Menschziel, moet ik u waarschuwen, niettegenstaande de hervormingen, die thans onder u gewerkt zijn, dat gij altijd noodig hebt waakzaam en op uwe hoede te wezen, omdat ik er zeker van ben, en gij zult het later ook zelf bemerken, dat er nog Diábolus-mannen in de stad zijn overgebleven; Diábolus-vrienden, die onverzoenlijk zijn, en dat nu reeds, terwijl ik bij u ben, hoeveel te meer wanneer ik van u zal gegaan zijn. Zij zullen samenspannen en allerlei complotten maken, zich op allerlei wijzen inspannen, allerlei uitvindingen doen en wat dies meer zij, om u te brengen tot een toestand, erger dan de Egyptische slavernij. Ze zijn innige vrienden van Diábolus, weest daarom voorzichtig. Zij waren eertijds gewoon met hunnen vorst verblijf te houden in uw kasteel, toen Ongeloof burgemeester van de stad was; maar sinds mijne komst aldaar houden zij zich meer op in de buitenwerken langs de wallen; daar hebben zij zich holen en kelders en spelonken gemaakt. Daarom, o Menschziel, zal uw werk in dit opzicht wel moeielijk en hard zijn; gij moet ze grijpen, inkerkeren en ter dood brengen volgens mijns Vaders wil. Ook kunt gij u niet geheel van hen ontdoen, of gij moest al de wallen van uwe stad slechten en dat zou ik u toch niet raden. Vraagt gij mij: wat zullen wij dan doen? Wel, weest op uwe hoede en gedraagt u als mannen; bespiedt hunne holen, vindt hunne verblijfplaatsen uit; valt hen aan en maakt geen vrede met hen. Waar zij zich ook verstoppen, loeren of in hinderlaag liggen, hoe zij zich ook soms vernederen, of welke voorstellen van vrede zij u doen, laat u niet met hen in, en tusschen u en mij zal alles wèl zijn. En opdat gij hen des te beter weet te onderscheiden en te onderkennen uit de inboorlingen van Menschziel, zal ik u hier in het kort hunne namen opgeven. Luistert: Hoererij, Onreinheid, Moord, Toorn, Onkuischheid, Bedrog, Boosoog, Dronkenschap, Brasserij, Afgoderij, Tooverij, Twist, Afgunst, Nijd, Oproer en Ketterij. Deze zijn de voornaamsten dergenen, die u voor eeuwig zoeken te verderven; deze zijn spionnen en indringers in Menschziel. Onderzoekt nu maar ijverig de wetten van uwen koning; daar zult gij eene beschrijving van hen vinden en de merkteekenen, waaraan gij hen zeker herkennen zult. [Mark 7 : 21, 22.] [Rom. 7 : 18.]

„Deze boosdoeners zullen, o Menschziel, (en hoe blijde zou ik wezen als gij hiervan stellig overtuigd waart) indien gij toelaat, dat zij ongehinderd rondom de stad heen en weder loopen, als slangen en adders weldra uwe ingewanden verteeren, uwe kapiteins vergiftigen, uwe soldaten de zenuwen afsnijden, de sloten en grendels verbreken en het thans zoo bloeiende Menschziel maken tot een dorre, huilende wildernis, een puinhoop. Derhalve opdat gij moed moogt hebben om deze booswichten, waar gij ze ook betrapt, te grijpen, zoo geef ik aan de heeren Geloof, Vastewil en den Griffier, mitsgaders aan alle ingezetenen der stad volkomen macht en last om alle slag van Diábolus-mannen op te zoeken, te grijpen en ter dood te brengen door hen aan een kruis te hangen waar of wanneer gij hen vindt, hetzij schuilende binnen de stad of rondzwervende rondom de muren.

„Ik zeide u tevoren, o Menschziel, dat ik een geregelden leerdienst onder u heb ingesteld, maar ook dat gij behalve die twee voorname leeraren nog meer onderwijzers hebt; want mijne vier eerste kapiteins, die tegen Diábolus en de zijnen in Menschziel optrokken, zullen eveneens, als de nood het eischt en zij daartoe worden verzocht, de ingezetenen in het bijzonder onderwijzen en in het openbaar goede en heilzame voorbeelden geven, die u in den rechten weg zullen leiden. Ja, zij zullen zoo het noodig is, een wekelijksche of zelfs dagelijksche bijeenkomst houden om daarin goede lessen te geven, die u als ge ze inachtneemt, ten einde toe zullen ten goede komen. Draagt toch vooral zorg geen van die allen te sparen, welke ik u geboden heb te kruisigen. Dit zal ik u nog zeggen: ik heb u daar die booswichten en snoodaards met hunne namen voor oogen gesteld, maar ik zeg u ook dat sommigen hunner zich aan u zullen voordoen in een andere gedaante alsof ze zeer godsdienstig zijn; deze zullen u, als ge niet waakt, zooveel schade en nadeel toebrengen als gij u maar nauwelijks kunt verbeelden. Weest daarom waakzaam en matig, en laat u niet bedriegen.”

Toen de Prins aldus de stad Menschziel hervormd had en haar onderwezen in hetgeen haar nuttig wezen kon, bepaalde hij een anderen dag, waarop het zijn voornemen was, als het volk der stad saamgekomen was, de stad Menschziel met een eereteeken te begiftigen, -- een kenmerk, dat haar boven alle volken, koninkrijken en tongen, die op den ganschen aardbodem woonden, zou onderscheiden. Het duurde niet lang of die bestemde dag was gekomen en vorst en volk ontmoetten elkander in ’s konings paleis, waar Immanuel eerst een korte toespraak tot hen hield en daarna deed wat hij beloofd had.

„Mijn dierbaar Menschziel,” zeide hij, „wat ik nu gereed sta te doen is geschikt om u aan gansch de wereld kenbaar te maken als de mijne en u alzoo ook in uwe eigen oogen te verheffen boven alle verraders, welke in u mochten binnensluipen.”

Toen beval hij, dat zij, die hem dienden, uit zijne schatten deze witte blinkende kleederen zouden tevoorschijn brengen, „die ik,” zeide hij, „heb gekocht en voor mijn Menschziel weggelegd.” Zoo werden dan die witte kleederen uit zijne schatkameren gehaald, en voor de oogen des volks vertoond. Bovendien was het hun vergund ze aan te nemen en aan te trekken, „ieder naar dat het hem past,” zeide hij. Zoo werden dan alle burgers in het wit gekleed, in fijn wit linnen, overheerlijk rein en glanzend. [Openb. 19 : 8.]

Toen zeide de Prins tot hen: „Dit, o Menschziel, is mijn liverei en het kenmerk, waaraan men mijne onderdanen van anderer dienaren onderscheidt. Ja, deze vergun ik aan allen, die de mijnen zijn, en zonder die is het niemand meer geoorloofd mijn aangezicht te zien. Draag ze daarom om mijnentwil, die ze u gaf, en aldus zult gij bij de gansche wereld als de mijnen bekend wezen.”

Nu kunt gij u verbeelden hoe Menschziel schitterde! Zij was helder als de zon, klaar als de maan en ontzagwekkend als een leger met banieren.

De Prins voegde daar verder nog bij: „Geen vorst, potentaat of machthebber in het gansche heelal geeft deze liverei behalve ik zelf. Daarom zult gij hierdoor als de mijnen uitblinken. En waar ik nu aan u mijne liverei gegeven heb, zoo zal ik u daaromtrent ook mijne bevelen geven, en zorg, dat gij mijne woorden goed onthoudt.

[Afbeelding: IMMANUEL VERTREKT UIT MENSCHZIEL.]

„Eerstens. Draagt dit kleed dagelijks, opdat gij niet, in gebreke daarvan, aan anderen zoudt toeschijnen de mijnen niet te wezen. [Pred. 9 : 8.]

„Ten tweede. Houdt het altijd wit, want als het bezoedeld wordt is het eene schande voor mij. [Openb. 3 : 4.]

„Ten derde. Schort het daarom op en omgordt u, opdat het niet door het slijk slepe.

„Ten vierde. Past op, dat gij het niet verliest, anders wandelt gij naakt en zullen de lieden uwe schaamte zien.

„Ten vijfde. Maar als gij het mocht bezoedelen, hetgeen mij zeer zou smarten en waarover Diábolus zeer vroolijk wezen zou, spoedt u dan voort om te doen wat in mijne wet geschreven staat, opdat gij moogt staan en niet vallen voor mij en mijnen troon. Dit is aldus de weg, die maakt dat ik u niet verlaat, maar voor altijd in deze mijne stad Menschziel zal wonen.” [Luk. 21 : 36.] [Openb. 7 : 14-17.]

En nu was de stad Menschziel met hare inwoners als een zegel op Immanuels rechterhand. Waar was nu eene stad of plaats, die zich met Menschziel kon vergelijken? Eene stad, verlost uit de hand en de macht van Diábolus; eene stad, die de koning El-Schaddaï liefhad en waarheen hij Immanuel gezonden had, om haar van den vorst over den put des afgronds te redden; ja, eene stad, waarin Immanuel gaarne woonde en die hij tot zijne koninklijke residentie had uitverkoren; eene stad, die hij voor zichzelven versterkt had en sterk gemaakt door de kracht van zijn heirmacht. Wat zal ik meer zeggen? Menschziel had nu den voortreffelijksten vorst, gouden kapiteins en krijgslieden, krijgsvoorraad, en daarbij kleederen wit als sneeuw. Zal nu Menschziel ook in staat zijn deze voorrechten te waardeeren en te gebruiken tot het doel, waartoe ze haar zijn gegeven?

Toen dit alles nu naar het welbehagen van den Prins was in orde gebracht, beval hij dat zijn standaard op de gebouwen van het kasteel zou worden geplaatst. En daarna bracht hij haar menigmaal een bezoek. Geen dag mocht nu meer voorbijgaan of de oudsten van Menschziel moesten tot hem komen in zijn paleis. Dan wandelden zij samen rond en spraken over alle groote dingen, die hij gedaan had, en wat hij beloofde in de toekomst voor de stad Menschziel te doen. Dit gebeurde menigmalen met den Burgemeester, den heer Vastewil en den eerlijken prediker Geweten. Maar o hoe genadig, hoe nederbuigend en teeder gedroeg deze gezegende Prins zich thans jegens de stad Menschziel! In al de straten, tuinen, boomgaarden, ja overal ging hij rond om te zien of de arme ook zijn deel kreeg; ja hij kuste die armen, en was iemand krank dan legde hij hem de handen op en maakte hem gezond. En wat de kapiteins betreft, van dag tot dag, ja soms van uur tot uur kwam hij hen bemoedigen met zijne vereerende tegenwoordigheid en aangename gesprekken. Gij moet dan ook weten, dat een glimlach van hem meer kracht en leven in hen stroomen deed dan iets anders onder den hemel had kunnen doen. [2 Cor. 6 : 16.]

De Prins wilde hen ook dikwijls te gast hebben; nauwelijks eene week ging voorbij of een feestmaal had plaats. Gij zult u herinneren, dat wij reeds melding gemaakt hebben van een feest, dat zij samen vierden; maar nu werd dat feestvieren meer een gewone zaak; iedere dag mocht nu wel een feestdag voor Menschziel heeten. En als zij dan naar huis terugkeerden zond hij hen niet ledig weg; ieder moest wat hebben: een ring, een gouden keten, een armband, een edelgesteente of iets dergelijks; zoo dierbaar was Menschziel hem thans, zoo liefelijk was het in zijne oogen. [1 Cor. 5 : 8.]

Ten andere. Wanneer de oudsten en burgers niet bij hem kwamen, dan zond hij hun een overvloedigen voorraad spijze, die van het hof kwam, wijn en brood, die voor zijns Vaders disch waren toebereid; ja zulke lekkernijen zond hij hun en overdekte daarmede hunne tafel, dat ieder, die ze aanschouwde, erkennen moest: dergelijke zijn in geen ander koninkrijk gezien.

En verder. Wanneer Menschziel hem niet zoo vaak bezocht als hij zulks begeerde, dan ging hij tot hen uit, klopte aan hunne deuren en begeerde toegelaten te worden, opdat de vriendschap onderhouden bleef; wanneer zij hoorden en hem open deden, zooals zij gewoonlijk deden als zij tehuis waren, dan vernieuwde hij zijn vroegere liefde en bevestigde die door nieuwe bewijzen van zijn gunst.

[Afbeelding: VREEZE-GODS OP HET FEEST VAN VLEESCHELIJKE GERUSTHEID.]

En was het nu niet verrukkelijk te zien, dat in diezelfde plaats, waar Diábolus zijne woonplaats had, en zijne knechten onderhield tot groote schade van Menschziel, de Vorst der vorsten nu met hen aanzat etende en drinkende, terwijl al zijne hoofdmannen, krijgsvolk, trompetters met de zangers en zangeressen van zijn Vader daar rondom hem stonden! Nu vloeide de beker van Menschziel over, nu stroomde er zoete wijn in hunne bekers en aten zij de fijnste meelbloem en dronken melk en honig uit den rotssteen. Nu zeiden zij: hoe groot is zijne goedheid! want sedert ik aangenaam was in zijne oogen heeft hij mij bovenmate verheerlijkt!