De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 17

Chapter 173,961 wordsPublic domain

De president van het hof sprak: „Mijne heeren, gij hebt gehoord wat deze twee mannen onder eede betuigd hebben tegen dezen gevangene voor onze rechtbank. En gij, Valsche Vrede, gij hebt uwen naam ontkend, ofschoon het nu duidelijk blijkt, dat deze getuigen, die eerlijk zijn, en onder een eed staan, u als zoodanig kennen. Wat uwe klacht aangaat, dat gij valschelijk beschuldigd zoudt wezen, zoo moet gij weten, dat gij niet van allerlei boosheid zijt beticht omdat gij een vredemaker zijt onder uwe naburen, maar omdat de stad Menschziel door u op goddelooze en slimme wijze bij haren afval en haar oproer is staande gehouden; -- bij haar oproer tegen haren koning in een valschen, leugenachtigen en verdoemeniswaardigen vrede is gesust, als om haar in slaap te wiegen, en te doen volharden bij haar verzet tegen El-Schaddaï’s wetten, en om aldus rijp te worden voor de verwoesting en voor alle ellenden, die gekomen zijn en nog komen konden. Al wat gij voor uzelven gepleit hebt, bestaat hierin, dat ge uwen naam hebt verloochend; maar hier ziet gij, dat wij getuigen hebben, die bewijzen, dat gij die man wèl zijt. Wat dien vrede aangaat, waarop gij zoo pocht, dat gij dien onder uwe buren bewaard hebt: die vrede is geenszins de metgezel der heiligheid en der waarheid, maar heeft geen grondslag, daar hij steunt op een leugen en is beide bedriegelijk en verdoemelijk zooals de groote El-Schaddaï heeft gezegd. Uwe klacht heeft u dus geenszins verlost van hetgeen door getuigen tegen u is ingebracht, maar veeleer drukt alles even sterk op u. Laat ons nu de getuigen roepen, die het feit zullen bevestigen, en laat ons hooren wat zij voor onzen koning tegen dezen gevangene hebben in te brengen.”

De klerk vraagt aan den getuige Allesweter wat hij te zeggen heeft, en deze antwoordt:

„Deze mensch heeft sedert langen tijd voorzoover mij heugt, er zijn werk van gemaakt de stad Menschziel in een zondige rust te houden temidden van al hare goddeloosheid en afdwalingen, en ik heb hem hooren zeggen: „Kom, kom, laat ons alle onrust op zijde zetten, op welken grond het dan ook zij; laat ons maar trachten een stil en gerust leven te leiden, al ontbreekt er ook een goed fondament aan.””

„En gij, Leugenhater,” zeide de klerk, wat hebt gij te zeggen?”

„Ik heb hem hooren zeggen, dat vrede, al is het langs een onrechtvaardigen weg, toch nog beter is dan onrust met waarheid.”

De klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”

„Op het Gekkenhuisplein in de woning van een zekeren Onnoozel, waar het Zelfbedrog uithangt, en hij sprak dat wel twintig maal.”

„Wij mogen nu de moeite wel sparen,” zeide de klerk, „om meerdere getuigen op te zoeken. Dit bewijs is klaar en voldoende. Zet hem maar weer, cipier, en laat Onwaarheid voor de vierschaar brengen.”

„Meester Onwaarheid, gij zijt aangeklaagd bij dezen naam als een indringer in Menschziel, omdat gij overal tot oneer van El-Schaddaï en op gevaar af van den algeheelen ondergang der vermaarde stad Menschziel, er uw werk van gemaakt hebt om al de overblijfselen, die er nog van El-Schaddaï’s wetten en van zijn beeld in Menschziel gevonden werden, nadat zij haren koning had verlaten en dien boozen tiran was toegevallen, ten eenenmale te onteeren en geheel te verwoesten. Wat zegt gij? Zijt gij hieraan schuldig of niet?”

„Niet schuldig, mijnheer!”

Toen werden de getuigen geroepen en de heer Allesweter moest eerst spreken. Hij zeide het volgende:

„Mijnheer, deze man was niet slechts tegenwoordig bij het omverhalen en verbrijzelen van het beeld van El-Schaddaï, maar hij deed het zelfs met eigen schendige hand. Ik heb het met eigen oogen gezien, hij deed het met grooten ijver op het bevel van Diábolus. Ja, hij deed nog meer dan dit, want hij was het ook, die het gehoornde beeld van Diábolus daarvoor in de plaats zette. Ook was hij het, die op verzoek van Diábolus alles aan stukken scheurde en vernietigde, wat nog van de wetten en instellingen van El-Schaddaï was overgebleven in het zoo deerlijk geschonden Menschziel.”

[Afbeelding: ONTMOETING TUSSCHEN ONGELOOF EN DIÁBOLUS.]

De klerk. „Wie zag hem dit doen behalve gij?”

Leugenhater. „Ik, Mijnheer, en nog velen met mij; want dit geschiedde niet in het geheim maar in het openbaar, voor aller oog. Ja, hij schepte er zelfs vermaak in het in ’t openbaar te doen, hij droeg daar roem op.”

De klerk. „Wel, Onwaarheid, hoe kondt gij het durven wagen u nog voor onschuldig uit te geven, waar gij bekend zijt als de bedrijver van zulke misdaden.”

Onwaarheid. „Mijnheer, ik dacht, dat ik toch iets moest zeggen; en zooals mijn naam is zoo sprak ik. Ik ben daar vroeger wel eens goed mede uitgekomen en hoopte, dat ik ook thans mij er wel weer uitredden zou op die wijze.”

De klerk. „Breng hem weg, cipier, en breng Onbarmhartig voor.” -- „Onbarmhartig, gij zijt bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij verraderlijk en goddeloos alle ingewanden der barmhartigheid hadt uitgeschud, en niet wildet dulden, dat de arme Menschziel haar eigen ellende beweende, toen zij zich van haar wettigen koning had losgescheurd, maar dat gij alle moeite hebt aangewend om haar van berouw en bekeering terug te houden. Wat zegt gij op deze beschuldiging? Schuldig of onschuldig?”

„Neen,” zeide Onbarmhartig, „al wat ik gedaan heb diende slechts om mij en anderen wat op te vroolijken zooals mijn ware naam aanduidt; want ik heet niet Onbarmhartig maar Lustig, en ik kon niet verdragen dat Menschziel in droefgeestigheid verviel.”

De klerk. „Wat, loochent gij uwen naam? Laat dan de getuigen komen. Wat zegt gij, getuigen, tegen dezen man?”

Allesweter. „De naam van dezen man is Onbarmhartig, hij heeft zich altijd zoo genoemd en zijne handteekening is ook zoo; ik heb die dikwijls gezien onder brieven van aanbelang. Het is echter een eigenschap der Diábolus-mannen, dat zij hunne namen vervalschen. Gierigheid dekt zich met den naam van Spaarzaamheid; Hoovaardig weet zich als het voorkomt den naam van Netheid of Sierlijk te geven; en zoo doet al de rest ook.”

De klerk. „Heer Waarheidspreker, wat getuigt gij?”

Waarheidspreker. „Ik ken hem als Onbarmhartig; ik heb hem van kindsbeen af gekend en hij heeft alle goddeloosheid uitgevoerd, die in zijne beschuldiging tegen hem is ingebracht; maar er is een geslacht, dat geheel onkundig is van het gevaar om verloren te gaan; daarom noemen zij allen droefgeestig, die ernstige gedachten hebben en voor dat gevaar vreezen.”

Toen zeide de klerk: „Breng Opgeblazen voor den rechterstoel, cipier.” Het gebeurde en de klerk ging voort: „Mijnheer Opgeblazen, gij zijt bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij op verraderlijke en duivelsche manier de stad hebt aangespoord om de oproepingen van koning El-Schaddaï, bij monde van zijne kapiteins gedaan, maar luchtig en hooghartig op te nemen. Bovendien leerdet gij de inwoners smadelijk en verachtelijk van hunnen grooten koning te spreken, ja, gij moedigdet hen daarenboven aan, zoowel door woord als voorbeeld om de wapens tegen koning El-Schaddaï en zijn grooten zoon op te vatten. Zijt gij niet schuldig hieraan? Wat zegt gij?”

Opgeblazen. „Mijne heeren, ik ben altijd een man van moed en dapperheid geweest; en ben niet gewoon zelfs onder de donkerste wolken te loopen zuchten of mijn hoofd te laten hangen als een bies. Het heeft mij ook nooit behaagd, dat iemand voor zijn tegenstander het zeil streek, al had deze tienmaal het voordeel aan zijne zijde. Ik was niet gewoon te bedenken wie mijn vijand was of welke zaak hij tegen mij had in te brengen. Het was mij voldoende, dat ik alles moedig doorstond, dat ik mij verdedigde als een man en overwinnend uit den strijd kwam.”

De President van het hof. „Meester Opgeblazen, gij zijt niet voor dit gerecht aangeklaagd omdat gij zulk een dapper man zijt, noch wegens uwe vastberadenheid in tijden van nood of gevaar, maar omdat gij misbruik gemaakt hebt van uwe voorgewende dapperheid om de stad Menschziel tot daden van opstand en oproer tegen den grooten koning en zijn zoon Immanuel op te zetten. Dit is de misdaad, waarvan gij zijt beschuldigd.”

Maar hij gaf daarop geen antwoord.

Toen nu het rechtsgeding tot dusverre gekomen was en alle gevangenen waren ondervraagd en terechtgesteld, ging het hof over tot het vellen van het vonnis; daartoe moest de jurie zich verwijderen en de president sprak hen aldus aan:

„Gij, heeren leden der jurie, zijt hier tegenwoordig geweest en hebt deze mannen gezien; gij hebt de beschuldigingen gehoord, die tegen hen zijn ingebracht, alsmede hunne verdediging of verantwoording tegenover het getuigenverhoor. Nu blijft er voor u niets meer te doen overig dan dat gij u een weinig verwijdert om te overleggen op welke wijze gij naar waarheid en gerechtigheid over hen vonnis zult vellen voor de eer onzes konings.”

Toen verwijderde zich de jurie en ging in de eenzaamheid beraadslagen, namelijk de heeren Geloof, Waarachtig hart, Oprecht, Kwaadhater, Godlief, Waarheiddienaar, Hemelschgezind, Bescheiden, Dankbaar, Goedewerken, IJveraar voor God en Ootmoedig.[34]

[34] ~De jurie neemt zitting en oordeelt~. Hier wordt de ziel voorgesteld als tot zichzelve ingekeerd en nu zelf een rechtvaardig vonnis uitsprekende over alle boosheid en goddeloosheid, waarover zij zich nu schaamt en bedroeft.

De heer Geloof was president en begon te spreken. „Mijne heeren,” zeide hij, „wat mij betreft, zoo oordeel ik, dat de mannen, die heden voor de vierschaar hebben gestaan, allen des doods schuldig zijn.” -- „En ik,” zeide Waarachtig hart, „ben het geheel met u eens!” -- „Welk een weldaad is het,” zeide de heer Kwaadhater, „dat zulk boeventuig in hechtenis is!”

[Afbeelding: DE GRONDWET WORDT VOORGELEZEN.]

„Voorzeker,” zeide de heer Godlief, „dit is een van de aangenaamste dagen, die ik ooit beleefde, waarop zij worden gevonnisd!” De heer Waarheiddienaar voegde daarbij: „Ik weet, dat zoo wij hen ter dood veroordeelen, El-Schaddaï zelf ons vonnis goedkeuren zal!” -- „Daar twijfel ik niet aan,” zeide Hemelschgezind, „als zulke monsters ons Menschziel zullen uitgeworpen zijn, welk een goddelijke stad zal het dan wezen!” De heer Bescheiden sprak: „Wat mij aangaat zoo is het mijne gewoonte niet mijn oordeel haastig uit te spreken, maar wat deze lieden aangaat, hunne wanbedrijven zijn zóo openbaar en de getuigenissen tegen hen zoo handtastelijk, dat hij wel moedwillig blind zou moeten wezen, die zeggen zou: „deze lieden behoeven niet te sterven!”” -- „God zij geloofd!” riep de heer Dankbaar, „dat deze verraders achter grendel en slot zijn!” -- „Ik voeg mijn dank daarbij op mijn bloote knieën,” zeide de heer Ootmoedig; en de heer Goede Werken sprak: „Ik ben er ook zeer verblijd om.” De ijverige en oprechte heer IJveraar voor God zeide nog ten slotte: „Laat hen afgesneden worden; zij zijn voor Menschziel een pest geweest en hebben haar verderf gezocht.”

Hiermede waren zij het dus allen eens en zoo kwamen zij weder binnen de gerechtszaal.

De klerk riep nu éen voor éen hunne namen af, waarop zij insgelijks éen voor éen moesten antwoorden, en nadat dit door het gansche twaalftal was gedaan werd hun gevraagd of zij het allen eens waren omtrent het onderhavige rechtsgeding. Daarop antwoordden de leden der jurie eenstemmig: „Ja.”

De klerk vraagt verder: „Wie van u zal het woord voeren?”

„Onze president,” werd geantwoord.

De klerk. „Nu, gij mannen der jurie, die samen gekomen zijt in naam van onzen Heer den Koning om hem te dienen in zake leven en dood, gij hebt gehoord het rechtsgeding van elk der gevangenen voor de rechtbank alhier: wat zegt gij? Zijn ze schuldig aan hetgeen hun te laste gelegd is, of onschuldig?”

De president antwoordde uit aller naam: „Schuldig!”

De klerk: „Cipier, pas op uwe gevangenen.”

Dit geschiedde in den morgen en in den namiddag ontvingen zij het vonnis des doods, beschreven volgens de wet.

De gevangenbewaarder zulk een bevel ontvangen hebbende zette hen alleen in den binnensten kerker, om daar tot op den dag van de uitvoering van het vonnis te worden bewaard, hetwelk den volgenden morgen aan hen zou worden voltrokken.

Maar ziet wat gebeurt er? Een van de gevangenen, Ongeloof genaamd, breekt uit den kerker los in den tusschentijd, die er verliep tusschen dat het vonnis werd uitgesproken en dat de terechtstelling zou plaats hebben. Hij vluchtte uit Menschziel en verstak zich waar hij maar kon in holen en spelonken, loerende er op om eene gelegenheid te vinden, waarbij hij Menschziel weder eenig leed kon toebrengen als wraak over zijn tegenwoordig vonnis.[35]

[35] ~Het ontsnappen van Ongeloof~ is een der meesterlijke trekken uit Bunyans pen. Ten slotte kan elke zonde tot ongeloof worden teruggebracht en is dit de bron daarvan.

Toen nu de cipier Waarachtig bemerkte, dat hij zijn gevangene verloren had werd hij ten hoogste ontsteld, want om de waarheid te zeggen, die gevangene was de ergste van allen. Daarom liep hij naar den Burgemeester, naar den Griffier en naar den heer Vastewil om van hen het bevel te ontvangen, dat door de gansche stad Menschziel naar hem zou worden gezocht. Dat bevel werd gegeven en overal werd gezocht, maar zulk een persoon als de aangeduide vond men in de gansche stad Menschziel niet. Al wat men te weten kon komen was, dat hij een wijle aan den buitenkant der stad had staan te loeren en dat hij hier en daar sommigen schalkachtig had toegelachen, toen hij zich wegmaakte uit de stad. Ook meenden een paar hem over de markt te hebben zien gaan. Kort nadat hij weg was, kwam er een zekere heer Ziener, die getuigde, dat hij heengegaan was, wandelende door dorre streken totdat hij Diábolus, zijn vriend, ontmoette, en dat was juist bij Hellepoortsheuvel.

Het was inderdaad voor den Reus een droevige geschiedenis, die Ongeloof hem te verhalen had aangaande al de veranderingen, die Immanuel in Menschziel gemaakt had; hoe hij algemeen pardon had gegeven, zijne soldaten overal in de stad ingekwartierd, het beeld van Diábolus ter neder geworpen, eenige Diábolus-mannen gearresteerd en veroordeeld, en hoe hij de eenige gelukkig ontkomene was. Bij het hooren van dit verhaal stiet Diábolus een gehuil uit, snoof met zijn neus in den wind als een draak en deed de lucht van zijn gebrul weerklinken. Ook zwoer hij, dat hij niet rusten zou vóor hij zich hierover op Menschziel gewroken had, en die twee beraadslaagden reeds dadelijk tezamen hoe zij de stad weder zouden kunnen bemachtigen.

[Afbeelding: IMMANUELS FONTEIN.]

„Het meest,” zeide Ongeloof, „hindert het mij, o mijn vader, dat die Vastewil, die oproerling, die, zooals wij meenden, ons nooit in de steek zou hebben gelaten, zich geheel heeft omgekeerd en nu in groote eere is bij Immanuel, evenals hij het ook was bij u. Hij heeft dan ook op last van zijn vorst alle Diábolus-mannen laten vatten en veroordeelen; acht van de beste en trouwste vrienden van mijn heer zitten in den kerker, ik, de negende, ben het nu ontkomen om het u aan te zeggen!”

Zoo brak de dag der terechtstelling aan en de gevangenen in Menschziel zouden worden gedood. Zij werden naar het kruis geleid en dat door Menschziel zelve op de plechtigste manier; want de Prins zeide, dat dit moest geschieden door de handen der inwoners, „opdat ik zien mag,” zeide hij, „de bereidwilligheid mijner verloste Menschziel om mijn woord te houden en mijne geboden te doen, en opdat ik Menschziel in deze handelwijze kan zegenen en toejuichen. Bewijzen van oprechtheid behagen mij zeer; laat daarom Menschziel beginnen met zelf de hand te slaan aan deze Diábolus-mannen, om hen te vernielen.” [Rom. 8 : 13 en 6 : 12-14.] [Gal. 5 : 24.]

Zoo sloeg hen dan de stad Menschziel naar het woord van hunnen vorst; maar toen de gevangenen uitgebracht werden om te worden gekruisigd, kunt gij maar kwalijk gelooven welk een moeilijk werk Menschziel had om hen ter dood te brengen. Deze booze mannen, wetende dat zij sterven moesten en ieder in hun binnenste aan Menschziel een doodelijken haat toedragende, stonden hunne bewaarders en geleiders tegen en verdedigden zich wanhopig. Daarom zagen de mannen van Menschziel zich genoodzaakt om hulp te roepen tot de kapiteins van den Prins en de soldaten. Nu had de groote El-Schaddaï een Geheimschrijver in de stad, die de mannen van Menschziel liefhad.[36] Deze was zonder dat zij het wisten op de plaats der terechtstelling tegenwoordig. Pas hoorde hij hun hulpgeschrei of hij stond op van zijne plaats en kwam hen te hulp. Hij legde zijne handen op de handen der mannen van Menschziel. Zoo kruisigden zij dan de Diábolus-mannen die een plaag, eene geeseling, eene schande voor de stad Menschziel waren geweest. [Rom. 8 : 13.]

[36] ~Een geheimschrijver~. De inwoning des Heiligen Geestes.

HOOFDSTUK VIII.

DE NIEUWE GRONDWET.

Toen nu dit goede werk gedaan was, kwam de Prins neder om te zien en een bezoek te brengen aan de menschen van Menschziel en eens vertrouwelijk met hen te spreken, ten einde hunne handen te sterken in zulk een Godewelgevallig werk. Hij zeide tot hen, dat hij hen in deze hunne handeling had beproefd en bevonden had, dat zij beminnaars waren van zijn persoon, onderhouders van zijne wetten en dat zij naijverig waren op zijne eer. Hij zeide bovendien om hen te toonen, dat zij hierbij niets zouden verliezen noch hunne stad verzwakken, dat hij iemand hun ten hoofdman wilde geven, uit hun midden gekozen, die de wet aan duizend stellen zou ten voordeele en ten zegen van de nu weer bloeiende stad Menschziel.

Zoo riep hij dan een persoon, wiens naam was Wachter, en verzocht hem spoedig naar het kasteel te gaan, en daar te vragen naar zekeren heer Ondervinding, die den edelen kapitein Geloof als adjudant was toegevoegd, en hem te verzoeken mede te gaan. Zoo deed de boodschapper wat hem bevolen was. De jeugdige edelman was bezig zijn heer te bewonderen, terwijl hij het leger monsterde en exerceeren liet op de binnenplaats van het kasteel. Toen zeide Wachter tot hem: „Mijnheer, de Prins begeert, dat gij dadelijk bij Zijne Hoogheid komen zult.” Zoo kwam hij dan tot Zijne Majesteit en maakte een diepe buiging voor hem. Nu kenden de lieden der stad den heer Ondervinding wel, want hij was binnen Menschziel geboren en opgevoed; zij wisten, dat hij een man was van een goed gedrag, groote dapperheid en veel geduld; bovendien was hij een zeer vriendelijk mensch, goed bespraakt en voorspoedig in zijne ondernemingen.

Daarom waren de harten der lieden van de stad vol vreugde toen zij bemerkten, dat ook de Prins zoo met den heer Ondervinding was ingenomen, dat hij hem kapitein wilde maken over een bende krijgsvolk.

Zoo bogen zij zich dan eenstemmig voor Immanuel en riepen luide en vroolijk: „Immanuel, leef in eeuwigheid!” Toen zeide de Prins tot den jongen edelman, wiens naam Ondervinding was: „Ik heb goedgevonden u eene post van eer en vertrouwen in mijne stad Menschziel te geven.” De jonkman boog het hoofd en viel op eene knie. En Immanuel ging voort: „Gij zult kapitein wezen over duizend man in mijn geliefde stad Menschziel.” Toen zeide de kapitein: „Leve de koning!” Zoo gaf dan de Prins bevel aan ’s konings secretaris, dat hij voor Ondervinding eene aanstelling zou gereed maken, en zeide: „Breng die dan tot mij opdat ik er mijn zegel op zette.” En aldus geschiedde het; alles werd in orde gemaakt en door de hand van Wachter aan den nieuwen kapitein gezonden.

[Afbeelding: DE SCHUILPLAATS DER DIÁBOLONISTEN.]

Zoodra nu de kapitein zijne aanstelling ontvangen had, blies hij op de bazuin om vrijwilligers op te roepen en de jongelingen kwamen toeloopen; ja, de voornaamsten en opperhoofden der stad zonden hunne zonen om onder zijne bevelen te staan. Aldus wierf kapitein Ondervinding zich een compagnie om Immanuel te dienen. Hij had tot luitenant zekeren heer Verstandig en tot zijn adjudant den heer Geheugen. Zijne onderofficieren behoef ik niet te noemen. Hun uniform en hunne vaandels waren wit en hun wapenschild een doode leeuw en een doode beer. Toen dit alles in orde was keerde de Prins tot zijn paleis terug. [1 Sam. 17 : 36, 37.]

Nauwelijks was hij daar wedergekeerd of de oudsten der stad, namelijk de Burgemeester, de Griffier en de heer Vastewil, kwamen tot hem om hem te bedanken voor zijn goede zorgen en zijn teeder medelijden, waarmede hij opnieuw de stad Menschziel aan zich verplicht had. Na eenigen tijd van aangenaam onderhoud keerden zij, eerbiedig afscheid nemende, weder naar hunne woningen.

Immanuel bepaalde nu ook een dag, waarop hij hunne grondwet zou vernieuwen. Ja, hij wilde die vernieuwen en uitbreiden aangezien er vele gebreken in waren, en het was zijn doel het juk van Menschziel te verlichten. Dit deed hij zonder dat zij hem er zelfs om gevraagd hadden, uit eigen vrije beweging. Zoo zond hij dan om hunne oude wet, en nadat hij die ingezien had, legde hij die ter zijde en sprak: „Wat oud is en verouderd, is nabij de verdwijning. De stad Menschziel moet een andere en betere wet hebben met nieuwe en meer bestendige voorrechten.” Hier is een schets van wat hij instelde: [Hebr. 8 : 13.] [Matth. 11 : 28, 30.]

„Ik, Immanuel, de Vredevorst en de groote liefhebber der stad Menschziel, vergun en geef in naam mijns Vaders en uit mijne eigen barmhartigheid en goedertierenheid aan mijne geliefde stad Menschziel: Ten eerste, vrije, volkomene en eeuwige vergiffenis van alle kwaad, beleediging en ongelijk, gepleegd tegen mijn Vader, mij, hunne naburen en zichzelve. [Hebr. 8 : 12.] [1 Joh. 1 : 9.]

Ten tweede, geef ik haar deze heilige wet en mijn testament met al wat daarin bevat is tot haar eeuwigen vrede en eeuwige vertroosting. [Joh. 17 : 8, 14.] [2 Cor. 7 : 1.]

Ten derde, geef ik haar een deel van diezelfde genade en goedertierenheid, die in mijns Vaders hart en het mijne woont. [2 Petr. 1 : 4.]

Ten vierde, geef en vermaak ik haar onbepaald de wereld en wat daarin is ten haren beste; en zij zal die macht daarover hebben, welke bestaanbaar is met de eer en heerlijkheid mijns Vaders en haar welzijn, ja, ik geef haar de beneficiën van leven en dood en de tegenwoordige en toekomende dingen. Deze voorrechten zullen geene andere stad, gemeente of vereeniging gegund worden dan Menschziel alleen. [1 Cor. 3 : 21, 22.]

Ten vijfde, geef ik haar ten allen tijde een vrijen toegang tot mij in mijn paleis -- zoowel daarboven als hierbeneden, -- om hare nooden mij bekend te maken, en ik geef haar bovendien de belofte, dat ik zal luisteren naar al hare grieven en die herstellen. [Matth. 7 : 7.] [Hebr. 10 : 19-22.]

Ten zesde, ik begunstig de stad Menschziel met onbepaalde macht en gezag om op te sporen, te vatten, tot slaven te maken en te vernielen alle Diábolus-mannen, die ooit of immer in de stad zullen worden aangetroffen.

Ten zevende, ik geef aan mijn geliefde stad Menschziel volmacht om niet te dulden, dat er ooit reizigers, vreemdelingen of wie ook vrijen toegang zullen hebben binnen hare muren of deel hebben aan hare uitnemende voorrechten. Maar alle vergunningen, privilegiën en voorrechten, die ik aan de vermaarde Menschziel geef, zijn voor de oude inboorlingen en trouwe burgers, voor hen en voor hunne rechtmatige afstammelingen en kinderen na hen. [Efez. 4 : 22.] [Col. 3 : 5-9.]

Maar alle Diabolus-mannen van welk soort, geboorte, landstreek of koninkrijk ook zullen daarvan uitgesloten zijn en er geen deel aan hebben.”

Dit is maar een klein uittreksel van de oneindig schoone privilegiën, die bij wijze van grondwet door Immanuel aan Menschziel werden gegeven. Toen zij ze ontvangen had bracht men ze ter plaatse, waar de afkondiging zou plaats hebben, op het marktplein, en daar las de Griffier ze aan al het volk voor. Dit gedaan zijnde, werd de wet teruggebracht naar het kasteel en daar gegraveerd op de poorten in letters van goud, opdat de stad Menschziel met al hare inwoners ze altijd in het gezicht zouden hebben en de gezegende vrijheid aanschouwen, die hun Vorst hun had verleend, zoodat hunne vreugde en liefde tot Immanuel onophoudelijk werd gevoed. [2 Cor. 3 : 3.] [Jer. 31 : 33.] [Hebr. 8 : 10.]